CConstaterende datCapelle aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

05.01 - Raadsvoorstel -besluit Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026

Commissie Samenleving en Economie 1 december 2025, gemeente Capelle aan den IJsselBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 202623.972 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Dit betreft de ministeriële regeling voor hulp uit het sociale netwerk (te betalen uit een pgb) als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. De hoogte van de onkostenvergoeding is gebaseerd op belastingvrije reiskosten over een maximum van 156 dagen (3 dagen per week over een periode van 52 weken per jaar) en is gelinkt naar de dagelijkse reisafstand met een maximum van 150 kilometer per dag. De maandelijkse onbelaste reiskostenvergoeding wordt op de volgende manier berekend: 156 x de dagelijkse reisafstand x belastingvrije reiskosten x deeltijdfactor, gedeeld door 12 maanden. 156 is het aantal werkdagen per jaar waarover de cliënt reiskosten mag vergoeden. De dagelijkse reisafstand (heen- en terugreis bij elkaar opgeteld) mag maximaal 150 kilometer zijn. De deeltijdfactor hangt af van het aantal dagen dat de zorgverlener bij de cliënt werkt. Het aantal werkdagen per week is maximaal 3.

35

Zaaknr: 2113578

Artikel 16. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Het eerste lid betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen. In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.

157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten Artikel 17. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. In het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in de verordening passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt. In het eerste lid is vastgelegd voor welke maatwerkvoorziening een eigen bijdrage wordt opgelegd, te weten alle maatwerkvoorzieningen en pgb’s. In het tweede lid is de hoogte van de eigen bijdrage vastgelegd. Hierbij wordt verwezen naar de artikelen in de wet waar dit is vastgelegd. De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet). In het derde lid is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt.

In het vierde lid is vastgelegd in welke situaties en welke voorzieningen zijn vrijgesteld van de bijdrage: - Voor zorgmijders bestaat de mogelijkheid de eigen bijdrage de eerste zes maanden van zorgverlening niet te innen. Dit is vastgelegd in het vierde lid onder a. Deze periode kan worden verlengd wanneer de situatie hierom vraagt, bijvoorbeeld wanneer inzet van bemoeizorg noodzakelijk is om verdere zorgmijding te voorkomen. Dit betreft zorgmijdende cliënten waarvoor bemoeizorg om Wmo-ondersteuning vraagt en waarvan zij het nodig acht dat het niet innen van de eigen bijdrage noodzakelijk is. Dit volgt uit het Besluit van 6 december 2017 (Stb. 2017, nr. 481) waarin een wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is opgenomen voor een verruiming van de gemeentelijke beleidsruimte bij het opleggen van de bijdrage voor een cliënt. In de toelichting op het wijzigingsbesluit is opgenomen dat middels dit besluit o.a. wordt geregeld dat het college de bevoegdheid heeft de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget (niet zijnde opvang en beschermd wonen in natura) in een individueel geval op nihil te laten vaststellen in situaties dat wanneer de verschuldigdheid van de bijdrage nadelig is voor een persoonsgerichte aanpak om bepaalde specifieke doelgroepen mee te laten doen in de samenleving.

36

Zaaknr: 2113578

-

-

-

Indien gewenst kan vanaf 1 januari 2023 de vrijstelling van de eigen bijdrage voor zorgmijders met terugwerkende kracht (tot maximaal 36 maanden) ingaan (wijzigingsbesluit van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, Staatsblad 2022/346). Daarnaast is in het derde lid onder b opgenomen dat cliënten die in een hospice verblijven geen eigen bijdrage voor de huishoudelijke ondersteuning betalen die zij in het hospice ontvangen gedurende hun verblijf in het hospice. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten in hun laatste levensfase moeten worden onderworpen aan een toetsing voor de noodzaak van de inzet van de ondersteuning door het college. Woningaanpassingen voor jeugdigen zijn eveneens vrijgesteld, omdat deze kosten door de ouder(s)/verzorger(s) betaald dienen de te worden. Zij hebben vaak al hogere kosten voor hun kinderen als gevolg van hun beperking. Voorzieningen in een algemene ruimte, zoals deurdrangers in de hal van een wooncomplex, zijn vrijgesteld, omdat van dergelijke voorzieningen door meerdere bewoners gebruik wordt gemaakt. tegemoetkomingen zijn vrijgesteld, zoals verhuis- en inrichtingskosten, omdat dit niet past bij het karakter van een tegemoetkoming, die niet persé kostendekkend hoeft te zijn. rij- of gewenningslessen voor scootmobiel of rolstoelvoorziening zijn vrijgesteld, omdat deze worden uitgevoerd voorafgaand aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening.

Kosten die bijkomstig zijn aan een rolstoelvoorziening zijn daarnaast wettelijk uitgesloten van het innen van een eigen bijdrage. aanpassingen aan eerder verstrekte woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen zijn vrijgesteld, omdat de kosten van de aanpassingen al zijn opgenomen in de oorspronkelijke aanschafprijs; onderhoud, reparatie, keuring en verzekering van voorzieningen zijn ook vrijgesteld, omdat de kostprijs alleen bepaald wordt aan de hand van de aanschafprijs; Sportvoorzieningen zijn vrijgesteld, omdat deze voorzieningen ook een positieve bijdrage leveren aan een gezondere leefstijl; Tot slot zijn de woningaanpassingen die behoren tot de standaarduitrusting van een ADLclusterwoning uitgesloten, omdat deze woningaanpassingen in de woning aanwezig dienen te zijn. Als deze vervangen moeten worden, omdat ze technisch afgeschreven zijn, hoeft hier geen eigen bijdrage door de bewoner van de ADL-cluster-woning te worden betaald.

In het vijfde en zesde lid is vastgelegd wanneer de eigen bijdrage gepauzeerd kan worden. Om de eigen bijdrage te kunnen pauzeren dient de onderbreking van ondersteuning tenminste 31 dagen of een volledige kalendermaand te bedragen. Als de onderbreking korter is wordt de eigen bijdrage niet gepauzeerd. In het zevende lid is bepaald dat bij het collectief aanvullend vervoer voor sociaal recreatief vervoer een bijdrage in de kosten gevraagd wordt voor algemeen gebruikelijke kosten. In artikel 2.1.4a van de wet is de maximale bijdrage die voor een maatwerkvoorziening gevraagd mag worden bepaald. Hiervan mag echter worden afgeweken als het gaat om een vervoersvoorziening. Dat moet dan wel in een verordening worden vastgelegd (artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). De hoogte van de bijdrage in de kosten voor het collectief aanvullend vervoer is vergelijkbaar met de kosten voor het regionale openbaar vervoer voor de afgelegde ritten. In het achtste lid is bepaald dat de bedragen voor de bijdragen in de kosten voor collectief aanvullend vervoer jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de LTI-index. Dit is de Landelijke Tarief Index (LTI) die wordt gebruikt om tarieven in het OV aan te passen. In het negende lid is vastgelegd dat wanneer tijdens de rit medische begeleiding vereist is, de cliënt één begeleider gratis kan mee laten reizen.

De criteria voor noodzakelijke medische en (psycho)sociale begeleiding tijdens de rit zijn: - er is medische zorg noodzakelijk tijdens de rit, bijvoorbeeld het moeten toedienen van medicatie (oraal) of het bedienen van medische apparatuur, en/of; - er sprake is van aantoonbare gedragsproblemen of angst bij de cliënt die door de begeleiding weggenomen of verminderd wordt, en/of;

37

Zaaknr: 2113578

-

er is tijdens de rit ADL- hulp noodzakelijk; dit zijn eenvoudige verzorgende handelingen, zoals bijvoorbeeld het afvegen van mond en neus bij een gestoorde handfunctie.

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

Dit artikel geldt voor zowel gecontracteerde ondersteuning als ondersteuning die door cliënt wordt ingekocht met een pgb. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Overige eisen zijn gewaarborgd in het inkooptraject voor de maatwerkvoorzieningen. In het tweede lid is vastgelegd dat het college nog nadere regels kan vaststellen met verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen in natura, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. In het vierde lid is dit vastgelegd voor ondersteuning die wordt ingekocht door cliënten met een pgb. Dit lid vloeit voort uit de wet waarin is vastgelegd dat een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Het college kan in de nadere regels kwaliteitseisen vastleggen voor een pgb. Zo weet een budgethouder beter wat de toetsingscriteria van de gemeente zijn.

Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). Artikel 19. Toezicht kwaliteit Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de wet, heeft het college een toezichthouder kwaliteit aangewezen die belast is met het houden van toezicht en de naleving van het bepaalde bij de Wmo, te weten GGD Rotterdam. Om de toezichthouder in staat te stellen meldingen goed te onderzoeken en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld effectief te doen zijn, worden regels gesteld over het bij de toezichthouders melden van calamiteiten en geweld jegens cliënten; in die regels zal het met name gaan om het ‘handen en voeten’ geven aan de meldplicht. In aanvulling hierop is in het tweede lid vastgelegd dat aanbieders actief melding maken bij deze toezichthouder in het geval van calamiteiten en geweld.

38

Zaaknr: 2113578

Aanbieders dienen aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan vragen bij de uitoefening zijn bevoegdheden. In artikel 6.1, tweede lid, van de wet, is vastgelegd dat de toezichthouder voor zover de vervulling van zijn taak dit noodzakelijk maakt, bevoegd is tot inzage van dossiers. Indien de verkregen informatie gegevens bevat waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt deze geheimhoudingsverplichting ook voor de toezichthouder, zoals opgenomen in artikel 6.1, derde lid, van de wet. Artikel 20. Toezicht en handhaving rechtmatigheid Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening regels gesteld moeten worden voor de bestrijding of ter voorkoming van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan.

Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen. In het eerste lid is vastgelegd dat het college een toezichthouder aanwijst die zorgdraagt voor de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Wmo-gelden. In het tweede lid is vastgelegd dat er periodiek een uitvoeringsplan wordt vastgesteld door het college dat in elk geval omvat de wijze waarop het proces van toezicht en handhaving is ingericht en de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de wet. De reden dat gekozen is voor de term “periodiek” is dat op dit moment het toezicht en de handhaving op rechtmatigheid nog in ontwikkeling zijn. Daardoor wordt er op dit moment nog ieder jaar een nieuw uitvoeringsplan opgesteld. De verwachting is dat als er een solide basis is, het uitvoeringsplan voor langere termijn kan worden vastgesteld. In het derde lid is vastgelegd dat het college nadere regels kan opstellen voor het toezicht en de handhaving op rechtmatigheid en het voorkomen van zorgfraude, waaronder welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. Dit behoort niet tot de essentialia die vastgelegd dienen te worden in de Verordening. Artikel 21.

Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Het college kan besluiten de uitvoering van de Wmo 2015 door derden te laten verrichten. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening, verplicht artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 de gemeenteraad hierover regels te stellen in de verordening. Bij het stellen van die regels moet door de gemeenteraad rekening worden gehouden met de vereiste deskundigheid van het in te schakelen personeel en de arbeidsvoorwaarden van dat personeel. De Wmo 2015 verplicht de gemeenteraad tot het stellen van regels voor een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van een voorziening. De AMvB ‘reële prijs Wmo 2015’ regelt nader hoe een reëel kostprijs moet worden vastgesteld. Doel van de AMvB is dat het college een reële prijs vaststelt voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders. De AMvB stelt hiertoe nadere regels aan de al in de Wmo opgenomen verplichtingen om een reële prijs te hanteren.

De bepaling van een reële prijs voor een voorziening wordt met dit- besluit geregeld door de kostprijselementen waar het college een reële prijs op moet baseren, vast te leggen. In het tweede lid van artikel 2.6.6 is vastgelegd dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld om deze verplichting van de gemeenteraad en het college nader te kunnen concretiseren.

39

Zaaknr: 2113578

De gemeente dient een reële prijs te betalen voor een Wmo-dienst, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen aan de kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de aanbieder kan voldoen aan de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt. De prijs die het college betaalt voor een dienst moet het ten minste mogelijk maken dat een aanbieder kan voldoen aan de door de gemeenteraad gestelde eisen aan de kwaliteit en deskundigheid en continuïteit kan leveren in de dienstverlening aan de cliënt en kan voldoen aan de kwaliteitseisen die op grond van artikel 3.1 van de Wmo 2015 op de aanbieder zien, zoals het veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht werken, afgestemd op de behoeften van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt. De gemeenteraad dient in ieder geval in de verordening vast te leggen dat het college een reële prijs vaststelt voor Wmo-diensten. De reële prijs geldt als ondergrens voor het geval het college een vaste prijs hanteert voor aanmeldingen en dienstverlening van aanbieders of als het college een minimumprijs instelt voor aanmelding en dienstverlening van aanbieders. Het college dient een reële prijs vast te stellen overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst.

Het college dient tevens bij de vaststelling van een reële prijs rekening te houden met de continuïteit in de zorgverlening. Dit met het oog op de effectiviteit van de inzet van maatschappelijke hulp en de resultaten op het gebied van versterking van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Een reële prijs bestaat uit zogenoemde kostprijselementen. Een reële prijs wordt gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs. Het college kent een contractvrijheid. Het college dient toe te zien op alle opdrachten die door hen worden verleend voor diensten door derden in het kader van de Wmo 2015 (zie Gemeentewet). De bestaande praktijk bestaat uit aanbieders die medewerkers in dienst hebben, beroepskrachten die als zelfstandigen zonder personeel diensten verrichten voor aanbieders en zelfstandigen zonder personeel die zich persoonlijk jegens de gemeente tot het verlenen van een dienst hebben verbonden. In het laatste geval is de zelfstandige de aanbieder. Het college is verantwoordelijk voor een gelijk speelveld voor aanbieders en een eerlijke kans voor aanbieders op het verkrijgen van opdrachten voor het verlenen van diensten van maatschappelijke ondersteuning.

Dit is gewaarborgd in het inkooptraject open-house voor de Wmo-diensten alsook de Europese aanbesteding voor Wmo-voorzieningen. Een zorgvuldig inkoopproces vraagt inzicht in de reële kosten die aanbieders van maatschappelijke ondersteuning maken bij het verlenen van diensten die voldoen aan de gestelde eisen op het gebied van kwaliteit van de voorziening en de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Van aanbieders wordt verwacht dat zij kwalitatief goede hulp bieden, rekening houden met de continuïteit van de ondersteuning, handelen in lijn met de uitgangspunten van goed werkgeverschap, de Wet werk en zekerheid, de Wet normering topinkomens en handelen naar de afspraken die zijn gemaakt in het sociaal akkoord tussen werkgevers, werknemers en de regering. Aanbieders zijn tevens gehouden aan de regels van de Mededingingswet. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) controleert of aanbieders de concurrentie beperken. Bij overtreding kan de ACM een boete of andere straf opleggen. In hoofdzaak gaat het erom dat het college tot een reële prijs komt in relatie tot de kwaliteit en deskundigheid. Dit vraagt om een zorgvuldig proces van de zijde van de gemeente en openheid van aanbieders over de kosten die zij maken bij het leveren van een dienst.

Het toepassen van innovatie om nieuwe ondersteuningsvormen voor cliënten mogelijk te maken is een belangrijke opdracht voor gemeenten die voortvloeit uit de Wmo 2015. Bij het vaststellen van de kwaliteitseisen voor een voorziening, waarop de reële prijs is gebaseerd, wordt het kostprijselement «loon», gebaseerd op de geldende arbeidsvoorwaarden. Met overige kostprijselementen, zoals «overhead», kan het college de beleidsruimte benutten om te komen tot innovatie (zowel kwalitatief als kwantitatief).

40

Zaaknr: 2113578

Hierbij valt te denken aan het samenstellen van nieuwe innovatieve diensten. De keuzes die gemeenten maken op het gebied van innovatie en de ontwikkeling van nieuwe ondersteuningsvormen verschillen van gemeente tot gemeente. Differentiatie in het ondersteuningsaanbod is beoogd met de Wmo 2015 en leidt tot verschillende prijzen voor verschillende voorzieningen/diensten. Op basis van een reële prijs kunnen ook andere financieringsvormen overeengekomen worden, zoals resultaatfinanciering of populatiebekostiging. Ook in die gevallen zal een prijs moeten worden vastgesteld op basis van reële kostprijselementen. Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet).

Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is die nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld. HOOFDSTUK 6: Beschermd wonen en opvang Artikel 23.

Beschermd wonen en opvang De gemeente heeft gelet op de bepalingen in artikel 10 van de Algemene wet bestuursrecht en in de Wmo 2015, in het bijzonder de bepalingen inzake de afhandeling van aanvragen voor beschermd wonen als gedefinieerd omschreven in artikel 1.1.1, eerste lid van de wet (en de geldende verordening) besloten dat de gemeente Rotterdam Centrumgemeente in het kader van de wet de taken op het gebied van beschermd wonen uitvoert voor inwoners van Rotterdam en de gemeente Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk en Lansingerland (hierna: de regiogemeenten). De gemeente Rotterdam ontvangt als Centrumgemeente middelen van de regiogemeenten om samen met de regiogemeenten in deze gemeenten te zorgen voor de invulling van beschermd wonen en opvang voor die burgers die daarvoor in aanmerking komen in het kader van de wet. De regiogemeenten en de Centrumgemeente hebben hiervoor de nodige samenwerkingsafspraken gemaakt, die voor de periode 2022-2026 zijn vastgelegd in een regionaal beleidsplan. Op basis van deze samenwerkingsafspraken en de door de regiogemeenten genomen mandaat- en machtingsbesluiten voert het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in mandaat het beleid en de regels voor toekenning van de voorzieningen op het gebied van beschermd wonen uit.

Onderdeel van die samenwerkingsafspraken is dat bij de afhandeling van de aanvragen voor beschermd wonen in de regiogemeenten, zo veel mogelijk het beleid van de gemeente Rotterdam wordt gevolgd om zo de rechtsgelijkheid te bevorderen en te vermijden dat gelijke gevallen leiden tot verschillende uitkomsten per gemeente. Het wordt beoogd deze praktijk te formaliseren door in de verordeningen van de regiogemeenten de relevante bepalingen uit de Rotterdamse regelgeving over beschermd wonen op te nemen.

41

Zaaknr: 2113578

HOOFDSTUK 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een behoefte aan ondersteuning hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. De Stichting Welzijn Capelle (SWC) heeft van de gemeente de opdracht gekregen uitvoering te geven aan de mantelzorgwaardering in onze gemeente. De waardering bestaat uit het beschikbaar stellen van een VVV-cadeaukaart. Artikel 25.

Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Deze bepaling betreft de uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet waarin ter gedeeltelijke vervanging van de voormalige Wtcg en CER is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat het college kan besluiten aan een persoon met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen en noodzakelijke meerkosten hebben in deze meerkosten tegemoet te komen. In het eerste lid is opgenomen dat er geen financiële tegemoetkoming in de meerkosten wordt verstrekt aan personen met een beperking of chronisch probleem. Om personen met een beperking of chronisch probleem toch tegemoet te komen is in het tweede lid opgenomen dat zij (deels) kunnen worden gecompenseerd in de meerkosten door de aanvullende collectieve zorgverzekering van de IJsselgemeenten. Om hiervoor in aanmerking te komen gelden criteria die door de IJsselgemeenten zijn opgesteld. HOOFDSTUK 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 26. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen.

Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren.

Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

42

Zaaknr: 2113578

In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot naleving van de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 27. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3., tweede lid onder e van de wet, waarin is vastgelegd dat in iedere geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de cliënten van belang zijn. In dit artikel gaat het dus over medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels voor welke voorzieningen dit geldt aan de gemeenten overgelaten. In het eerste lid is opgenomen dat dit geldt voor alle voorzieningen en in het tweede lid zijn een tweetal instrumenten opgenomen waarmee het college kan toezien op de naleving van de verplichting tot medezeggenschap. Artikel 28. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Er is verwezen naar de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen binnen het sociaal domein. De inspraak geldt voor alle ingezetenen.

Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 29. Nadere regels en hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid ter zake niet aangepast zou moeten worden. Artikel 30. Inwerkingtreding en overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Daarnaast is er een overgangsregeling voor pgb’s voor een dienst, verleend door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk.

Deze overgangsregeling zorgt ervoor dat de hoogte van een pgb voor op 1 januari 2026 reeds lopende indicaties wordt bepaald op basis van deze verordening.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16274505/2