05.01 - Raadsvoorstel -besluit Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026
Tekst van het document
68 Waarborgen onafhankelijke cliëntondersteuning) is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.
19
Zaaknr: 2113578
In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de behoefte aan ondersteuning inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. De cliënt kan dan gedurende het onderzoek er gebruik van maken. Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn behoefte aan ondersteuning te verwoorden en keuzes te maken. Cliëntondersteuning wordt omschreven als onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van (artikel 1.1.1 Wmo 2015): - maatschappelijke ondersteuning - preventieve zorg - zorg - jeugdhulp - onderwijs - welzijn - wonen - werk en inkomen Daarmee wordt gedoeld op activiteiten die de burger de weg wijzen in het veld van maatschappelijke ondersteuning (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 118). Het gaat om informatie en advies geven aan mensen die voor een vraag of een situatie staan die zodanig complex is dat de persoon het niet zelf of met zijn omgeving kan oplossen (toelichting bij artikel 1.1.1 Wmo 2015 / 33 841, nr. 3, blz. 113). In de Wmo 2015 is dus de cliëntondersteuning voor het gehele sociale domein en andere levensdomeinen geregeld (dus ook Jeugdwet, Participatiewet en Zorgverzekeringswet).
De cliënt kan er ook voor kiezen zijn ondersteuning zelf te organiseren. Indien de cliënt zelf een professionele cliëntondersteuner inschakelt, hoeft de gemeente niet de kosten daarvan aan de cliënt te vergoeden (TK 2013-2014, 33 841, J, blz. 13). Artikel 5. Persoonlijk plan Overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet is de verplichting opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 6, tweede lid. Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. De nadruk ligt op het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij elkaar, de mogelijkheden van mensen of hun sociale omgeving om zelf te voorzien in hulp en ondersteuning of daar waar mogelijk met behulp van vrijwilligers of andere voorliggende voorzieningen.
De inzet van een maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. Het eerste lid komt voor uit artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo waarin is vastgelegd dat “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. De vorm van het onderzoek is vrij, zolang het stappenplan van de CRvB gevolgd wordt. Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.
20
Zaaknr: 2113578
In het tweede lid is vastgelegd hoe het college een zorgvuldig onderzoek uitvoerd. De CRvB heeft in een aantal uitspraken uitgelegd welke stappen de gemeente moet zetten in een Wmo-onderzoek (zie CRvB 11-4-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113 en CRvB 11-7-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182). Wanneer een cliënt een melding doet, moet de gemeente vaststellen: - Wat de hulpvraag is; - Welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; - Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving; - In hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen kunnen helpen; In artikel 2.1.3 tweede lid onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt.
Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In het derde lid en in artikel 10 en 11 is deze verplichting uitgewerkt. Het derde lid bepaalt dat een cliënt alleen in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, als uit het onderzoek blijkt dat hij een hulpvraag heeft die betrekking heeft op belemmeringen in zijn zelfredzaamheid, participatie dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Voldoet de hulpvraag van cliënt daar niet aan? Dan valt de hulpvraag niet onder de reikwijdte van de compensatieplicht van de Wmo 2015. Valt de hulpvraag wel onder de reikwijdte van de compensatieplicht van de Wmo 2015? Dan moet het college onderzoeken of sprake is van één van de weigeringsgronden uit artikel 11 van de verordening. Is daar sprake van? Dan komt cliënt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, tenzij het college besluit de weigeringsgrond(en) niet toe te passen.
Voorzieningen met primair een therapeutisch doel vallen ook niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015, omdat ze als zodanig niet zijn gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie. In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Artikel 7. Verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen. Het artikel borgt dat er een verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek.
Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.
21
Zaaknr: 2113578
In het verslag worden alleen gegevens opgenomen die noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de behoefte van de cliënt. Indien een persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 5, is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Als er overeenstemming is met client over de inzet van de maatwerkvoorziening en als deze maatwerkvoorziening ook de gewenst maatwerkvoorziening betreft voor client, dan kan een verslag al direct worden meegegeven of kan het verslag in zijn geheel worden overgeslagen zoals in artikel 8 derde lid. Soms zal het verslag toch nog moeten worden uitgewerkt. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Dit wordt dan in het verslag verwerkt. Artikel 8. Aanvraag In het eerste lid is conform artikel 2.3.2 lid 9 van de Wmo2015 vastgelegd dat een aanvraag kan niet worden ingediend voordat het onderzoek is uitgevoerd. Mocht het college het onderzoek niet binnen de termijn van zes weken uitvoeren, mag een aanvraag worden ingediend zonder dat het onderzoek is uitgevoerd. In het tweede lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of zijn vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen.
Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. In het tweede lid is ook vastgelegd dat een aanvraag kan worden ingediend door een ondertekend verslag zoals bedoeld in artikel 7 of door een aanvraagformulier. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk dan wel elektronisch ingediend bij het college. Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier of ondertekend verslag hoeft niet in behandeling genomen te worden, tenzij het college niet binnen 6 weken na datum van melding een aanvraagformulier of gespreksverslag heeft toegestuurd aan cliënt. Dan kan cliënt zelf een schriftelijke aanvraag opstellen en indienen bij de gemeente. In het derde lid is vastgelegd dat als overeenstemming is tussen de client en het college over de inzet van de maatwerkvoorziening en als dit ook de maatwerkvoorziening is die de cliënt wenst, wordt de melding automatisch als aanvraag aangemerkt. Een aanvraagformulier of ondertekend verslag hoeft dan niet meer ondertekend retour gestuurd te worden aan het college.
In de onderzoeksfase, die voorafgaand aan de aanvraag plaatsvindt leert het college de client uitgebreid kennen door middel van het stappenplan uit artikel 6. Daarnaast stelt het college de identiteit van de cliënt vast tijdens het onderzoek. Er hoeft dus bij het college geen twijfel te zijn over de identiteit van de cliënt en diens wens om een aanvraag in te dienen. Als er geen ruis of enige twijfel is tussen het college en client kan zonder twijfel door gegaan worden naar de aanvraag. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet afgeven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Als het derde lid van dit artikel van toepassing besluit het college binnen twee weken nadat er in gezamenlijkheid wordt beoordeeld dat er sprake is van een aanvraag. Artikel 9. Advisering In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Het eerste lid van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is de degene die of namens wie een melding is gedaan of die of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.
22
Zaaknr: 2113578
Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3.5 eerste lid Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. In het tweede lid is vastgelegd dat voor zover het onderzoek naar de nodige hulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken (CRvB 2103-2018 ECLI;NL;CRVB2018:819). De verschillende stadia van het onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.
HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening De criteria voor de maatwerkvoorzieningen voor beschermd wonen en opvang zijn in dit artikel niet opgenomen, De gemeente volgt hiervoor de regels van de centrumgemeente Rotterdam. Dit is verder uitgewerkt in artikel Beschermd wonen en opvang. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. In het tweede lid is opgenomen dat binnen de maatwerkvoorzieningen de ‘collectief aangeboden maatwerkvoorzieningen’ nog kunnen worden onderscheiden die ondanks wat de naam doet vermoeden (weliswaar collectief aangeboden) maatwerkvoorzieningen zijn.
Een voorbeeld hiervan is het collectief aanvullend vervoer. In het derde lid is opgenomen met als doel specifieke criteria vast te stellen om de inzet van forfaitaire financiële tegemoetkomingen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Dit, in aanvulling op hetgeen al bepaald is, ter uitvoering van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet. Daarin is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, of opvang in aanmerking komt. Dat kan ook met een forfaitaire financiële tegemoetkoming (CRvB 12-02-2018 ECLI:NL:CRVB2018:395 en 396). In het vierde lid is vastgesteld dat in het Besluit de hoogte van de forfaitaire financiële tegemoetkomingen wordt bepaald.
23
Zaaknr: 2113578
Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a, van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen. Artikel 11, eerste lid: Ad a. Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Indien een persoon zijn belemmeringen kan compenseren op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van een ander persoon uit zijn sociale netwerk dan is dit een voorbeeld van eigen kracht en is dus de verstrekking van een maatwerkvoorziening niet aan de orde.
Onder eigen kracht valt ook het anders organiseren van zijn leven en/of huishouden onder, waarbij gedacht kan worden aan herindeling van de ruimte en herschikking van inrichtingselementen (CrvB25-05-2005 nr 03/2188 LJN AT6661 en CrvB 19-04-2006 nr 04/1650 LJN AW2344). Ook het gebruik maken van een reeds verkregen maatwerkvoorziening valt onder eigen kracht. Dit kan een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo zijn, maar ook een maatwerkvoorziening vanuit een andere wettelijke regeling, zoals de Jeugdwet, de Zorgverzekeringswet en de Wlz. Ook het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt gezien als een vorm van eigen kracht. De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09‐ 11‐2011, nr. 11/3583 Wmo en CRvB 28‐09‐2011, nr. 10/2587 Wmo). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft.
Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03‐08‐2011, nr. 11/517 Wmo) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19‐04‐2010, nr. 09/1082 Wmo). Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een passende en toereikende voorliggende voorziening (CRvB 22‐05‐2013, nr. 10/6782 Wmo). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. Mantelzorg is de hulp bij zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en/of opvang die direct het gevolg is van een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt gegeven vanuit een hulpverlenend beroep. Vaak zijn mantelzorgers mensen met wie een cliënt regelmatig contact heeft en behoren tot het sociale netwerk van cliënt. Mantelzorg is vrijwillige, onbetaalde zorg. Mantelzorg is dus niet verplicht (CRvB 11-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17, CRvB 3-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3108 en CRvB 24-01-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:368). Wil een hulpverlener betaald worden voor zijn inspanningen dan is er geen sprake van mantelzorg (CRvB 25-11-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4317, CRvB 11-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17 en CRvB 24-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3348).
Maar geeft de hulpverlener uit het sociale netwerk aan dat hij zonder vergoeding de hulp ook blijft verlenen dan is er wel sprake van mantelzorg (CRvB 6-9-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3209, CRvB 7-6-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1068).
24
Zaaknr: 2113578
Ad b. Dit betreft de herhaling van artikel 2.3.5 zesde lid van de wet. Ad c. Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid maatwerkvoorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐ 08‐2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 Wmo). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535): - niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; - daadwerkelijk beschikbaar is; - een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; - financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten. Ad d. Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Ad e. Hier wordt bepaald dat de maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Het betekent dat er altijd één individuele aanvrager moet zijn die de voorziening aanvraagt, die voor hem of haar ook noodzakelijk moet zijn in de zin van de Wmo. De voorziening moet specifiek op de persoon van de aanvrager gericht zijn (Rechtbank Maastricht 0704-2000, nr. 99/379 WVG Z BUC). Artikel 2.3.5, vijfde lid onder a, van de wet bepaalt dat de maatwerkvoorziening zover daartoe aanleiding bestaat is afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt. Er is per definitie pas sprake van een maatwerkvoorziening indien deze zorgvuldig is afgestemd op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon. Ad f.
Als een maatwerkvoorziening onveilig is voor de cliënt zelf of voor derden, of het de gezondheid of het functioneren van de cliënt niet ten goede komt wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als iemand beschikt over te weinig verkeersinzicht om zich veilig in het verkeer te begeven, of als iemand een maatwerkvoorziening wil op het gebied van mobiliteit terwijl hij op medische gronden zoveel als mogelijk moet bewegen. Ad g. Verwacht mag worden dat een cliënt bij keuzes die gemaakt worden rekening houdt met zijn beperkingen. Er zullen geen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt bij situaties die het gevolg zijn van keuzes die gemaakt zijn maar niet passen bij de individuele omstandigheden waarin de cliënt zich bevindt. Een voorbeeld is een verhuizing naar een niet geschikte woning indien de beperkingen al aanwezig zijn. 25
Zaaknr: 2113578
26
Zaaknr: 2113578
Ad h en i. Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen belemmeringen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de maatwerkvoorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de maatwerkvoorziening weigeren als de noodzaak en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als van tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisatie van de gevraagde maatwerkvoorziening. Ad j. Hier wordt aangegeven dat de maatwerkvoorziening geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus indien de cliënt schuld treft. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt ook een rol spelen.
Indien bijvoorbeeld in een woning een dure voorziening, zoals een aanbouw, is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Artikel 11, tweede lid: Ad b. Onder b wordt bepaald dat een maatwerkvoorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is. Dit geldt niet voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding (begeleiding individueel, groep, bij hoarding en bij zelfzorg). Het begrip langdurig noodzakelijk bestaat uit twee onderdelen die los van elkaar bezien kunnen worden. De maatwerkvoorziening moet: - noodzakelijk zijn om de belemmeringen te compenseren; - langdurig noodzakelijk zijn. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt.
Hierbij is de prognose van ziektebeeld en daaruit voortvloeiende beperkingen dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Naast het vereiste dat de maatwerkvoorziening langdurig nodig moet zijn, moet uit het de uitkomsten van het onderzoek blijken dat de voorziening ook noodzakelijk is om de belemmeringen die voortkomen uit de beperkingen te compenseren.
De beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om de belemmeringen te compenseren, is niet altijd beperkt tot het moment van de aanvraag. Wel moet duidelijk zijn binnen welke termijn de belemmeringen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd zullen optreden (CRvB 13-06-2012, nr. 10/3307 Wmo). 27
Zaaknr: 2113578
Ad c. Dit lid is gebaseerd op jurisprudentie die tot op heden onder de Wvg en Wmo naar voren is gekomen waaruit blijkt dat voor bovenregionaal verplaatsen per vervoermiddel geen resultaatsverplichting bestaat. (CRvB 30-11-2011, nr. 10/4121 Wmo en CRvB 29-02-2012, nr. 10/906 Wmo). De CRvB oordeelt in CRvB 30-11-2011, nr. 10/4121 W dat het college niet is gehouden om vervoersvoorzieningen te treffen die een cliënt in staat stellen zich bovenregionaal te verplaatsen. Het begrip verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving moet uitgelegd worden als verplaatsingen in een straal van 15-20 kilometer rondom de woning. Waar het om gaat is dat een cliënt alledaagse verplaatsingen kan maken, zoals het doen van boodschappen, bezoek aan familieleden en bekenden in de eigen omgeving, deelnemen aan sociale activiteiten etc (CRvB LJN: AA9001 12-06-1998). Het is vaste jurisprudentie van de CRvB dat bovenregionaal vervoer in beginsel niet valt onder de minimaal door de gemeente in acht te nemen zorg voor een maatwerkvoorziening voor wat het lokaal verplaatsen per vervoermiddel, het betreft immers het lokaal verplaatsen per vervoermiddel waar de gemeente compensatie voor dient te bieden.
Er kan uitzondering hierop zijn wanneer er sprake is van een dusdanig essentieel enkel door bezoek ter plekke te onderhouden- contact dat bij gebreke daarvan sociaal isolement optreedt (CrvB LJN:BN0775 08/5422 Wmo, CrvB LJN: BQ 1738 09/3844 Wmo). Als cliënten op vakantie zijn (langdurig of slechts een aantal dagen/weken) dan hoeft gedurende die vakantie geen huishoudelijke ondersteuning ingezet te worden. Maatschappelijke ondersteuning dient op grond van de Wmo 2015 namelijk zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving plaats te vinden. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever met de woorden ‘zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving’ bedoelt dat het doel van de Wmo 2015 is dat mensen zo lang als mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Om dit doel te verwezenlijken, kan het college op grond van de Wmo 2015 maatwerkvoorzieningen verstrekken. Huishoudelijke ondersteuning op de camping draagt niet direct bij aan het doel dat mensen in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Artikel 11, derde lid: In dit lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek toezien op woonvoorzieningen. Ad b. verwijst naar het minimale uitrustingsniveau voor een woning in Nederland, zowel in de sociale woningbouw als vrije sector. Deze normering is vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Ad c.
Onder c wordt met de aard van de materialen bijvoorbeeld bedoeld het aanpassen van de woning in verband met allergene factoren en vocht- en tochtproblemen. Bij allergene factoren kan veelal een oplossing gezocht worden in algemeen gebruikelijke voorzieningen, bijvoorbeeld laminaat of lamellen of andere zaken in het kader van allergeenarm wonen. Bij vocht- en tochtproblemen is de eigenaar van de woning de eerst aangewezene om oplossingen aan te dragen. Ad d. Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Capelle aan den IJssel en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van belemmeringen in de zelfredzaamheid en participatie. In het geval van co-ouderschap ligt het vaststellen van de woonplaats ingewikkelder. De jurisprudentie hierover is verdeeld. De rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat bij co-ouderschap een kind in twee woningen zijn hoofdverblijf kan hebben (Rechtbank Noord-Holland 25-11-2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11535 ). De rechtbank Gelderland concludeert echter dat ook bij coouderschap sprake is van één hoofdverblijfplaats (Rechtbank Gelderland 16-6-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3589).
28
Zaaknr: 2113578
Op grond van artikel 1:12 BW volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over het kind uitoefent. Dit heet ook wel ‘afgeleide woonplaats’. Bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag in de praktijk vaak bij beide ouders. De CRvB heeft echter geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben (CRvB 22-9-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285). Het juridische hoofdverblijf wordt meestal door de rechter bepaald en vastgelegd in het ouderschapsplan. Als het hoofdverblijf niet is vastgesteld, dan kan gekeken worden naar het feitelijk verblijf. In de praktijk kan het voorkomen dat het feitelijk verblijf evenredig is verdeeld. Nu de CRvB heeft geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben, geeft de inschrijving van het kind in het BRP de doorslag. Voor wat betreft woningaanpassingen heeft dit tot gevolg dat slechts één woning hoeft te worden aangepast. Het is de vraag of dit niet in strijd is met artikel 1:247 lid 4 BW en artikel 3 IVRK. In artikel 1:247 lid 4 BW is gewaarborgd dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. En uit artikel 3 IVRK volgt dat het belang van het kind voorop moet staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan.
Het is in het belang van het kind om bij co-ouderschap zowel in een (aangepaste) woning van de moeder als in een (aangepaste) woning van de vader te kunnen wonen. Daarom kan zowel bij moeder als bij vader een woningaanpassing worden aangebracht. Ad e. Onder e worden bepaalde woonruimten uitgesloten, wat betekent dat voor deze woonruimten geen woonvoorzieningen worden verstrekt, met uitzondering van verhuis- en (her)inrichtingskosten. Individuele woningaanpassingen in ADL-clusters worden sinds 1 januari 2009 wel verstrekt op grond van de Wmo behalve collectieve voorzieningen in het ADL-cluster zoals het alarmintercomsysteem en aangepast bad/douche gelegenheid. Ad f. Onder f bepaalt dat de aanvraag die betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kan worden geweigerd, tenzij het gaat om: - het verbreden van toegangsdeuren; - het aanbrengen van elektrische deuropeners; - de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot het wooncomplex; - drempelhulpen en vlonders; - het aanbrengen van een extra trapleuning; - een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw, mits passend bij het Bouwbesluit. Naar het oordeel van de CRvB is een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd met de in de Wmo neergelegde compensatieplicht (CRvB 02-11-2011, nr. 10/6238 Wmo-T).
Als het college een aanvraag op grond van deze bepaling afwijst, moet het college nog wel compenseren, het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten verstrekken (CRvB 10-03-2004, nr. 02/4460 WVG). Ad g. Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 Wmo).
Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Ad h. 29
Zaaknr: 2113578
Onder h bepaalt dat van personen met beperkingen verlangd mag worden dat zij inspanningen verrichten op het verkrijgen van een woning die zoveel als mogelijk is aangepast aan zijn beperkingen (CRvB 20-02-2002 LJN AE 3414 nr.00/5063), tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Van cliënt wordt verwacht dat hij zich in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente zodat de gemeente de mogelijkheid krijgt om na te gaan of er voor cliënt (goedkopere) eveneens adequate oplossingen voorhanden zijn en te bepalen wat de meest adequate en zo goedkoop mogelijke oplossing is (CRvB 25-01-2006 LJN AV:1177 nr. 03/5232). Er kan sprake zijn dat ten tijde van binnenkomst van de melding of aanvraag alternatieve adequate woningen beschikbaar waren (CRvB 16-02-2005, LJN: AS7560, nr. 03/455 en CRvB 28-04-2008, LJN: AO8762, nr. 02/3254). Ad i. Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Hierbij wordt noemenswaardig gedefinieerd als dat het financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau, zoals in de definitie van algemeen gebruikelijk. Ad j. Onder j bepaalt dat er sprake moet zijn van objectieve aanknopingspunten voor een causaal verband tussen de beperkingen van de cliënt en de belemmeringen die hij ondervindt bij bewoning van de woning.
Het ligt hierbij op de weg van cliënt dit verband door middel van objectieve feiten en omstandigheden aannemelijk te maken (CRvB 10-10-2012, nr. 11-5873 LJN BY0324). Onder de Wmo kan er ook een resultaatsverplichting zijn, wanneer er sprake is van een causaal verband tussen de belemmeringen en omgevingsfactoren. Ook hier dient dit causale verband echter wel aannemelijk gemaakt te worden. (CRvB 12-02-2014, nr. 12/3394 Wmo). Ad k. Onder k bepaalt dat geen woonvoorziening kan worden getroffen in zogenoemde doelgroepenwoningen. Hierbij kan gedacht worden aan specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen. Dit geldt dan voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen bij (nieuw) bouw, verbouw of renovatie. De CRvB stelt vast dat de verordeningsbepaling waarin woonvoorzieningen uitgesloten worden in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen, een verbijzondering is van de bepaling dat geen voorziening wordt toegekend als de voorziening algemeen gebruikelijk is. Het is aan het college om aan te tonen dat de voorziening algemeen gebruikelijk is.
Een voorziening in een specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoeld woongebouw is in principe algemeen gebruikelijk als op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners onmiskenbaar niet voldoet aan de geldende vereisten voor een dergelijke woning: - op grond van wettelijke voorschriften, - algemeen aanvaarbare regels of - contractuele bepalingen. Artikel 12. Aanpalende wetgeving In dit artikel is aanpalende wetgeving vastgelegd die invloed heeft op de uitvoering of toepassing van de Wmo2015. In het eerste lid is vastgelegd dat ondanks dat het bezoekbaar maken van een woning voor een Wlzcliënt die in een instelling woont in beginsel niet onder de compensatieplicht van het college valt hier wel een uitzondering op gemaakt kan worden. In artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is bepaald dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren als een cliënt een Wlz-indicatie heeft. In lid c is bepaald dat ondanks deze wettelijke bepaling dat ook voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen wel een woning bezoekbaar gemaakt kan worden. Ondanks dat het college voor Wlz-cliënten meestal geen compensatieplicht heeft, is het college immers wel bevoegd om een voorziening toe te kennen.
Dit betekent dat het college na een verzoek van een Wlz-cliënt altijd onderzoek naar de eventuele noodzaak om van die bevoegdheid gebruik te maken (zie hierover CRvB 19-12-2018, 30
Zaaknr: 2113578
ECLI:NL:CRVB:2018:3933). Als uit dit (verplicht) onderzoek volgt dat het in het kader van de participatie van de Wlz-cliënt noodzakelijk is dat hij de woning van bijvoorbeeld ouders kan bezoeken, dan wordt deze ondersteuningsbehoefte niet gedekt vanuit de Wlz. Het college moet dan afwegen of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om hierin te voorzien door toekenning van een maatwerkvoorziening. De gemeente waarin de Wlz-instelling zich bevindt, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar maken van een woning. De CRvB oordeelt dat het college uitsluitend personen moet compenseren die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. Bovendien kan een persoon niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben. De vraag waar iemand woonplaats heeft, is afhankelijk van concrete feiten en omstandigheden. Doorgaans zal een bewoner van een Wlz-instelling woonplaats hebben in de gemeente waar de Wlz-instelling staat. Deze gemeente is dan verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (zie CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285 voor een voorbeeld uit de Wmo 2007).
De verordeningsbepaling dat een woonvoorziening kan worden getroffen voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling, biedt volgens de CRvB geen ruimte om het wonen in een gewone woning op één lijn te stellen met verblijf in een Wlzinstelling (CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285). De CRvB vindt in de Wmo geen aanknopingspunten om daar anders over te denken dan onder de WVG en verwijst daarvoor naar CRvB 18-04-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5310. Tweede lid: Brancheorganisaties, patiëntenorganisaties en de VNG hebben afspraken gemaakt over het houden van hulpmiddelen die een client vanuit de Wmo thuis heeft en gaat verhuizen naar een Wlz-instelling en indien gewenst, thuis kunnen blijven staan. Deze hulpmiddelen blijven thuis staan voor zover zij redelijkerwijs niet vanuit de zorginstelling mee te nemen zijn naar huis wanneer iemand thuis logeert, bijvoorbeeld een tillift. De afspraken zijn d.d. 1 juli 2023 zijn dat hulpmiddelen thuis blijven staan als de client de intentie heeft minimaal 18 dagen per jaar thuis te logeren. Het betreft uitsluitend Wmo- hulpmiddelen die client reeds thuis heeft (in natura of pgb) op moment van verhuizing en redelijkerwijs vanuit zorginstelling niet mee te nemen zijn naar huis op moment van logeren.
Het wel of niet kunnen meenemen beoordeelt de zorginstelling met de cliënt/vertegenwoordig, waar de woonsituatie wordt meegewogen. Een traplift is in feite geen hulpmiddel maar een woningaanpassing, maar ook hiervoor geldt dat deze nodig kan zijn om thuis te logeren. De traplift valt dan ook onder de regeling. Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen, scootmobielen en aangepaste fietsen) vallen niet onder deze landelijke afspraken. Onderhoud, reparatie en het vervangen van verstrekte hulpmiddelen thuis worden uitgevoerd door de Wmo. Het derde lid is ook een uitzondering op artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Hierbij wordt ook verwezen naar artikel 8.6a van de wet. Hierin is opgenomen dat deze weigeringsgrond in 2015 niet bedoeld was voor Wlz-cliënten: a. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd; b. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd. Het was bij inwerkingtreden van de Wmo2015 de bedoeling dat dat alleen in het jaar 2015 zou gelden. Het eerste lid is nog steeds van toepassing en deze uitzondering geldt nog steeds. Er is ook geen aanwijzing dat de wetgever deze zal intrekken. Als inzet van geïndiceerde Wlz-hulp de hulpvraag kan oplossen, hoeft er geen maatwerkvoorziening worden ingezet.
Uit jurisprudentie ECLI:NL:RBNNE:2018:1358) blijkt dat ook onder de Wmo2015 verwacht mag worden dat gebruik gemaakt wordt van een bestaande voorziening waarop aanspraak bestaat. Uit een uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2020:1747) blijkt dat dit zo ver gaat dat als de client aanspraak maakt op de inzet van zorgverleners bij bepaalde handelingen, hij niet in aanmerking komt voor voor een Wmovoorziening waarmee hij deze handelingen weer zelfstandig zou kunnen verrichten. Uit de uitspraak blijkt namelijk dat het college zicht rechtstreeks kan beroepen op artikel 2.3.5 derde lid van de wet, door te stellen dat er geen te compenseren belemmeringen zijn.
31
Zaaknr: 2113578
Bij Koninklijk Besluit (Staatsblad 2019, nr. 438) is vastgesteld dat vanaf op 1 januari 2020 voor Wlzgerechtigden die zonder behandeling in een Wlz-instelling verblijven, hulpmiddelen ter verbetering van de mobiliteit onder de Wlz vallen. Artikel 13. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Uit de uitspraak van de CRvB (CRvB 8-10-2018 ECLI:NL:CRVB:2018:3241) volgt dat de beschikking voldoende geconcretiseerd moet zijn. Hiervoor is het nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. In de beschikking voor een maatwerkvoorziening in pgb is aanvullende informatie vastgelegd, zoals gesteld in het tweede lid. Eerste lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op artikel 6, eerste lid, onder b. Indien noodzakelijk worden ook de frequentie, taken en omvang in minuten opgenomen in de beschikking.
Eerste lid, onder c: onder ‘duur’ valt de termijn waarvoor is vastgesteld dat de maatwerkvoorziening noodzakelijk is voor de cliënt ter compensatie van de belemmeringen die cliënt ondervindt. Eerste lid onder f: als een eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening geldt, neemt het college, indien van toepassing, ook de kostprijs van de maatwerkvoorziening in de beschikking op. In het vierde lid wordt gesteld dat cliënten die een voorziening in bruikleen krijgen verstrekt, zich dienen te houden aan de voorwaarden en verplichtingen zoals deze in bruikleenovereenkomst zijn vastgelegd. De CRvB stelt (CRvB 17-05-2017, nr. 15/7135 Wmo) dat als dit in de Wmo-verordening is vastgelegd, dan is het niet nakomen van de verplichtingen uit een bruikleenovereenkomst, of beëindiging hiervan door de leverancier, een grond voor intrekking. Artikel 14. Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. In het eerste lid zijn de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet vastgestelde voorwaarden opgenomen waaraan de cliënt moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze voorwaarden uit de wet zijn in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven.
In onderdeel b is vastgelegd dat het van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). In het tweede lid is vastgelegd welke informatie de cliënt moet opnemen in pgb-plan dat hij dient op te stellen bij de aanvraag van een persoonsgebonden budget. Het college gebruikt het pgb-plan om de aanvraag voor een pgb te toetsen. Een aantal zaken in het pgb-plan volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo2015 noemt in artikel 2.3.6 een aantal criteria om in aanmerking te komen voor een pgb. Door middel van het pgb-plan kan het college deze zaken toetsen. In het derde lid is opgenomen dat onderdeel van het pgb-plan een schriftelijke machtiging en een verklaring van de cliënt en zijn vertegenwoordiger zijn. Hieruit moet blijken dat het beheer op een verantwoorde manier wordt uitgevoerd. De Wmo biedt de mogelijkheid om de ondersteuning zelf te regelen met een persoonsgebonden budget. Hierdoor is de cliënt in de mogelijkheid om zelf te bepalen wie de ondersteuning levert en onder welke voorwaarden. Het ontvangen van een pgb brengt ook verplichtingen met zich mee.
De cliënt dient ervoor te zorgen dat de onderliggende administratie aan een pgb op orde is. Ook de zorgverlener dient zich ervan te vergewissen welke plichten het werken als pgb-zorgverlener met zich meebrengt. Bijvoorbeeld het opgeven van de inkomsten bij de belastingdienst. In het vierde lid zijn voorwaarden vastgelegd waar een vertegenwoordiger aan moet voldoen om op verantwoorde wijze de aan het pgb verbonden taken te kunnen uitvoeren. Het college mag zich op het standpunt stellen dat een beoogde zorgverlener niet het pgb van de cliënt kan beheren omdat hij niet
32
Zaaknr: 2113578
met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken zal kunnen vervullen (CRvB 27-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761). . Daarnaast is het van belang dat er bij de vertegenwoordiger geen sprake is van belangenverstrengeling (ECLI:NL:CRVB:2024:1557)en dat de vertegenwoordiger voldoende betrokken is bij cliënt om zicht te hebben op situatie. In het vijfde lid is vastgelegd dat het pgb enkel en alleen is bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening en de eventuele instandhoudingskosten bij een voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel. Voorbeelden van kosten die niet gefinancierd mogen worden vanuit het pgb zijn opgenomen in onderstaande lijst: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. feestdagenuitkering; e. reiskosten voor een zorgverlener; f. bijkomende zorgkosten (ECLI:NL:CRVB:2021:269); g. eenmalige uitkering; h. kosten voor het aanvragen van een Verklaring Omtrent Gedrag; i. kosten voor het lidmaatschap van Per Saldo; j. kosten voor het volgen van cursussen over het pgb; k. alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo valt; l. alle zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen vallen; m. eigen bijdragen; n.
mogelijk bijkomstige zorgkosten zoals, I. een cursus die de zorgverlener volgt; II. entreegeld, wanneer de zorgverlener de budgethouder begeleid bij bijvoorbeeld een bezoek aan een museum; III. maaltijden/consumpties van de zorgverlener bij overwerk; IV. wooninitiatief zorg, voor de woonkosten wanneer een aantal budgethouders samenwonen en er centraal zorg wordt ingekocht en/of geboden; V. wooninitiatief enkel huis, voor de woonkosten als een aantal budgethouders samenwonen, maar de budgethouders zelf hun zorg regelen. Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem ondersteunt bij het beheer van het pgb. Ook mogen er vanuit het pgb geen administratiekosten worden betaald. Dit volgt uit de memorie van toelichting bij de Wmo 2015. Hierin staat dat de eerste voorwaarde is dat het college de aanvrager in staat acht de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken (o.a. het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de zorgverlener op zijn verplichtingen) op een verantwoorde wijze uit te voeren. Uit het onderzoek zal moeten blijken of de budgethouder aan deze voorwaarde voldoet. De aanvrager kan zich laten vertegenwoordigen door iemand uit zijn sociale netwerk, een curator, een mentor of een gemachtigde.
Het is niet de bedoeling dat de gemeente de kosten van de vertegenwoordiger, zoals een bemiddelingsbureau, financiert; het persoonsgebonden budget is daar niet voor bedoeld. In het zevende lid is vastgelegd dat het niet mogelijk is om een pgb voor diensten via een vast maandbedrag uit te betalen aan de zorgverlener. Een pgb kan alleen op declaratiebasis worden uitbetaald. Hiermee wordt voorkomen dat een pgb ten onrechte maandelijks automatisch wordt uitbetaald terwijl er geen of minder ondersteuning is geleverd door bijv. vakantie of ziekte van de zorgverlener of cliënt.
33
Zaaknr: 2113578
In het achtste lid is vastgelegd dat als een cliënt budgetten heeft voor verschillende maatwerkvoorzieningen, hij niet op eigen initiatief tussen deze budgetten mag schuiven. Bijvoorbeeld door extra individuele begeleiding in te kopen vanuit het budget voor groepsbegeleiding. Wanneer cliënt wenst te schuiven tussen budgetten dient hiervoor toestemming te zijn van het college. Het college zal beoordelen of dit passend is en of de geïndiceerde ondersteuning nog passend is. Op basis van het achtste lid is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stopgezet. In het negende lid is vastgelegd dat het pgb binnen zes maanden moet worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt. Mocht dit niet haalbaar zijn, bijvoorbeeld als gevolg van lange levertijden, dient hiervoor vooraf toestemming te worden gevraagd aan het college. Wanneer het pgb niet binnen zes maanden wordt aangewend kan het pgb worden teruggevorderd door het college. In het tiende lid is vastgelegd dat in spoedeisende gevallen conform artikel 2.3.3 van de Wet het verstrekken van een pgb niet mogelijk is.
In artikel 2.3.3 van de wet is bepaald dat in spoedeisende gevallen alvast een voorlopige maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in afwachting van het onderzoek. Omdat er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden is het niet mogelijk om in deze gevallen een pgb te verstrekken. Tijdens het onderzoek heeft het college immers pas de plicht de betrokkene te informeren over de mogelijkheid om voor een pgb te kiezen en over de gevolgen van die keuze. En tijdens het onderzoek zal het college bepalen of de betrokkene die een pgb wenst, aan de gestelde voorwaarden voor een pgb kan voldoen. Artikel 15. Hoogte van een pgb Dit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (ECLI:NL:CRVB:2017:1803 en ECLI:NL:CRVB:2020:2975). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet).
In het tweede lid is vastgelegd dat de maximale hoogte van een pgb is begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Een pgb voor een hulpmiddel, woningaanpassing of een andere maatregel die tot een maatwerkvoorziening behoren, wordt indien nodig aangevuld met een budget voor onderhoud, reparatie en verzekering, de instandhoudingskosten. De hoogte van het pgb hoeft niet toereikend te zijn om de maatwerkvoorziening aan te kunnen schaffen bij een andere aanbieder dan de door de gemeente gecontracteerde aanbieder (ECLI:NL:CRVB:2020:456) In het derde lid is vastgesteld hoe wordt bepaald wat de maximale hoogte van een pgb is voor een tweedehandsvoorziening. De maximale hoogte hangt af van de kostprijs van de in de situatie van client goedkoopst adequate voorziening en de leeftijd van de voorziening. De omvang van een pgb voor een tweedehands voorziening wordt gebaseerd op de goedkoopst adequate individuele voorziening in natura, mits de cliënt met dit bedrag dan ook daadwerkelijk de voorziening kan aanschaffen bij een leverancier. De maximale omvang van het pgb voor een tweedehandsvoorziening wordt naar rato berekend op de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven (gebruiksduur). Deze termijn wordt gebaseerd op het door cliënt aangetoonde bouwjaar.
34
Zaaknr: 2113578
In het vierde lid is bepaald dat voor diensten onderscheid wordt gemaakt in de tarifering tussen professionele hulp en hulp uit het sociaal netwerk. Het uitgangspunt is dat bij het vaststellen van de hoogte van het pgb eerst wordt vastgesteld of inzet van professionele hulp noodzakelijk is. Als dat het geval is wordt altijd het tarief voor professionele hulp toegekend. Dit kan vanwege de ondersteuningsbehoefte van client of omdat hulp uit het sociaal netwerk niet beschikbaar is. Als inzet van professionele hulp niet noodzakelijk is en er is hulp uit het sociaal netwerk beschikbaar, niet zijnde mantelzorg, dan wordt het tarief voor hulp uit het sociaal netwerk toegekend. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van informele hulp en het daarbij behorende tarief. Ook al gaat het om een zorgverlener die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de nadere regels pgb. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder (ECLI:NL:CRVB:2021:2175). Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Hulp uit het informele netwerk is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de cliënt of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen (ECLI:NL:CRVB:2021:1999). Ten aanzien van het vierde lid onder b is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Vaak is er bij hulp door het sociale netwerk sprake van mantelzorg. Mantelzorg is vrijwillige, onbetaalde zorg. Mantelzorg is dus niet verplicht. Als een hulpverlener betaald wil worden voor zijn inspanningen is er geen sprake van mantelzorg. Maar geeft de hulpverlener uit het sociale netwerk aan dat hij zonder vergoeding de hulp ook blijft verlenen, dan is er wel sprake van mantelzorg. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot hulp uit het sociale netwerk wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten. Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren is minder goed denkbaar.
Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is het van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). In het vijfde lid is gedefinieerd wat onder professionele hulp wordt verstaan. Het zesde en zevende lid onder a bepalen de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten voor professionals en het sociale netwerk. Voor professionele hulp geldt het hogere pgb-tarief gebaseerd op de kostprijs van vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura. Voor hulp uit het sociale netwerk geldt het wettelijk minimum(uur)loon (Wml). Dit is conform een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 30 september 2025. De Raad oordeelt dat het gebruik van het wettelijk minimumloon als norm voor het inkopen van ondersteuning bij een persoon die tot het sociale netwerk behoort is toegestaan (ECLI:NL:CRVB:2025:1380 en ECLI:NL:CRVB:2025:1276). In lid 7 onder b is vastgelegd dat de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor het sociale netwerk ook kan bestaan uit een tegemoetkoming, al dan niet aangevuld met een onkostenvergoeding.