03.11 - notulen commissie SOB 2017 23 oktober gewijzigd vaststellen bestemmingplan Mient
Tekst van het document
Verslag van de vergadering van de commissie Stadsontwikkeling en -beheer, gehouden op maandag 23 oktober 2017 in zaal 10 van het voormalig IJsselcollege, Kanaalweg 52A, aanvang 20.00 uur Aanwezig zijn als: voorzitter
:
de heer N.C. van Veen;
volksvertegenwoordigers :
mevrouw V. King-de Hoog, raadslid Leefbaar Capelle; de heer H.S. Saritas, raadslid Leefbaar Capelle; de heer P. Geleijnse jr., raadslid D66; de heer M.C. Bergman-de Zwart, burgerraadslid PvdA: de heer drs. S. van Loef, raadslid VVD; de heer J.D. Thenu, burgerraadslid SP; de heer prof. dr. M.W. van Buuren, raadslid SGP; de heer P. Eilander, raadslid ChristenUnie; de heer drs. N.H. van Buren MCD, raadslid CDA;
secretaris:
mevrouw drs. A. Goslings;
portefeuillehouder
:
de heer D.P. van Sluis, wethouder; de heer J.A.A. Meuldijk, wethouder (punt 7);
ambtelijke ondersteuning :
de heer R. ten Cate (beleidsambtenaar Welstand) (punt 6); de heer E.P. Wigt (afdelingshoofd Stadsontwikkeling en -beheer) (punt 8);
notulist
de heer D.J. van Eck (Notuleerservice Dictum);
:
Op de publieke tribune zijn bij de aanvang van de vergadering 21 personen aanwezig.
1. Opening, mededelingen en vaststelling agenda De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 2. Vaststellen verslagen - Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer van 11 september 2017 - Vertrouwelijke commissie Stadsontwikkeling en -Beheer van 12 september 2017 - Raadsbrede commissie van 18 september 2017 De verslagen worden ongewijzigd vastgesteld. 3. Spreekrecht inwoners met betrekking tot alle agendapunten De VOORZITTER verleent het woord aan de heer Guijt, eigenaar Mient 24, over agendapunt 5: bestemmingsplan De Mient. De heer GUIJT merkt op dat hij hier in een vergadering is die eigenlijk al geweest is. Van de behandelend ambtenaar, Patrick Bakker, heeft hij namelijk een vijftal dagen geleden briefje ontvangen met de mededeling dat deze vergadering op 13 oktober zou plaatsvinden. Over de problemen die hij heeft met het bestemmingsplan De Mient heeft hij contact gehad met de wethouder, met de behandelend ambtenaar, met de provincie en met de Raad van State. In een schriftelijke reactie daarop aan de gemeente Capelle en hem heeft de provincie datgene wat gebeurt op De Mient als een wassen neus gekenschetst, waarmee ze bedoelde dat men eigenlijk constant voor het blok wordt gezet.
Toen hij dat de wethouder vertelde, wierp deze tegen – waarschijnlijk geheel terecht – dat men met de provincie eigenlijk niets te maken had, omdat die geen behandelende partij is.
z.o.z. G10/948551
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 2
Vervolgens heeft hij opnieuw zijn vraagstelling ten aanzien van het onderwijs naar voren gebracht. Eerder was namelijk door de behandelend ambtenaar en de wethouder aangegeven dat onderwijs wel mogelijk was, terwijl hij over twee officiële brieven van de gemeente beschikt waarin het tegenovergestelde staat. Uiteindelijk werd het door de wethouder zó verwoord, dat onderwijs wel mag, als het maar ‘economisch’ is, dat wil zeggen dat het geoorloofd zou zijn zolang hij er een bedragje voor vraagt. Dat staat echter nergens op papier. Als hij er via een omweg een vergunning voor kan krijgen, vindt hij dat prima, maar officieel is dat niet zo. Volgens de wethouder zou hij heel blij moeten zijn met het nieuwe bestemmingsplan, omdat dit hem heel veel nieuwe mogelijkheden zou bieden. De werkelijkheid is echter dat zijn financiële en economische positie door de gemeente kapot is gemaakt, door het weghalen van huurders, zoals het UWV, de Kringloopwinkel en een aantal andere zaken. Geruime tijd heeft hij met huurleegstand te maken gehad, waarbij op oneigenlijke grond werd geargumenteerd dat zijn pand geen kantoorpand was, maar een industriële bestemming had, zodat bepaalde dingen waren uitgesloten. Later werd aangegeven dat het toch was toegevoegd, en dat klopt.
In 2002 heeft hij het gekocht als kantoorpand, echter zonder dat het als zodanig was aangemerkt, en na geruime tijd is dat aangepast. Ondertussen hebben zich diverse partijen aangediend die grote belangstelling hebben voor het pand: Try-act, ITS en Quotation, allemaal partijen die groot zijn in het Zeelandse en zich bezighouden met gezondheid, ouderendagbesteding en dat soort zorgtrajecten. Zij willen er een gezondheidscentrum nieuwe stijl in onder brengen en een voorziening voor ouderendagbesteding, eventueel ook met tijdelijke opvang, of vast verblijf – allemaal heel mooie trajecten voor hem. Of hij er ook blij moet zijn, is echter iets anders. Het was namelijk niet nódig. Op De Mient mag het wel plaatsvinden, maar dat is een wassen neus, om met de provincie te spreken, als hij, of de partijen er niet ook een Wmo-contract bij krijgen. Het léék er weliswaar op dat hij er van alles en nog wat zou kunnen doen, maar hij is nog steeds zeer sterk afhankelijk van de gemeente. Een van dingen die hem echt steekt is het volgende. De Mient is eigenlijk een wat verouderd industriegebied, zoals iedereen wel weet. Maatschappelijke functies werden door de gemeente niet toegestaan omdat het te weinig opleverde, daarnaast echter werd door die zelfde gemeente aangegeven dat hij, áls hij wat wilde doen, dan wel iets moest doen aan het uitzicht.
Het wordt kwaliteitsverbetering genoemd, maar in feite betekent het gewoon dat de gemeente de omgeving verandert en dat hij er op eigen titel aan moet bijdragen. Hij zou het heel redelijk vinden als de gemeente een bijdrage zou leveren in het verbeteren van het aanzicht, maar op zijn verzoek ter zake heeft hij een nietszeggend antwoord gekregen. De wethouder zal niet lang meer blijven, want heeft aspiraties om iets anders te gaan doen, wat hij zich best kan voorstellen, maar hij verkeert in omstandigheden dat hij wel moét blijven, want met een bod dat amper de grondprijs op De Mient overstijgt voelt hij zich wel gedwongen het pand niet te verkopen. Hij hoopt dat hiermee rekening zal worden gehouden. De VOORZITTER geeft het woord aan mevrouw Dubravka-Breljokovic, mede-eigenaar van hetzelfde adres. Mevrouw DUBRAVKA-BRELJOKOVIC licht toe dat zij als mede eigenaar het pand niet kan verkopen zonder toestemming of medewerking van de andere eigenaar. Het bod is zoals het is en ook zij ziet zich gedwongen te blijven. Door omstandigheden zal zij zich waarschijnlijk genoodzaakt zien de gemeente om een tijdelijke woonvergunning voor zichzelf te vragen in het pand.
Het probleem daarbij is ook voor haar de vereiste verbetering van het uiterlijk van het pand, die zij niet zelf denkt te kunnen bewerkstelligen – een verbetering overigens die niet ten goede komt aan haar eigen woonomstandigheden, maar alleen aan het uitzicht van de bewoners tegenover het pand. De VOORZITTER stelt ten slotte mevrouw Shokuva in de gelegenheid het woord tot de commissie te richten over agendapunt 7: openbare toiletten in het Schollebos. Mevrouw SHOKUVA zet uiteen waarom zij, als buurtmoeder werkzaam bij de Stichting Capelle Werkt, samen met een andere buurtmoeder en mevrouw Annetina Martine een handtekeningenactie is gestart voor openbare toiletten in het Schollebos. Veel mensen willen in de zomer bij mooi weer graag ontspannen in het Schollebos. De gemeente heeft gezorgd voor banken, tafels en barbecueplekken, maar niet voor openbare toiletten. Daarvoor moeten de mensen naar het Pannenkoekenhuis, wat niet bepaald ideaal is, temeer daar het Pannenkoekenhuis niet altijd geopend is. De meer dan honderd handtekeningen die inmiddels zijn verzameld biedt zij bij deze gelegenheid graag aan. Zij hoopt dat het ertoe mag leiden dat er zo snel mogelijk openbare toiletten komen in het Schollebos.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 3
4. Gemeenschappelijke regelingen DCMR Milieudienst Rijnmond Geen opmerkingen. 5. Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan De Mient (918057) De heer BERGMAN zegt het college dank voor de gelegenheid die wordt geboden om dit onderwerp nogmaals te bespreken. De vorige keer heeft de PvdA al aangegeven niet tegen het bouwen te zijn, of de combinatie van bedrijf en wonen, maar dat het haar vooral ging om de maatschappelijke voorzieningen die hier wel of niet gevestigd waren. Door de ambtelijke organisatie is inmiddels een document aangeleverd, dat bij de PvdA vragen heeft opgeroepen, omdat er enige tegenstrijdigheid lijkt voor te komen in de geleverde informatie. De verkeersaantrekkende werking wordt vaak als argument genoemd om maatschappelijke voorzieningen hier te weren, terwijl bijvoorbeeld horeca of dansscholen wel zijn toegestaan. De vorige keer is uitgelegd hoe maatschappelijke voorzieningen worden gedefinieerd. Eigenlijk wordt dan aan alles ruimte geboden, behalve aan levensbeschouwelijke of religieuze instellingen, met als reden dat het commercieel moet zijn. Hij kan zich echter voorstellen dat er vanuit een geloof best wel een manier is te vinden om te kijken of er eventueel ook wat financieel te winnen is, en dan drukt hij zich hopelijk voorzichtig genoeg uit.
² De heer VAN BUREN memoreert dat de discussie de vorige keer is geëindigd met de toezegging van het college dat nog eens gekeken zou worden naar de invulling van de maatschappelijke functie in het gebied, omdat daarover wat ontevredenheid was gebleken. Na de uitleg in het nu voorliggende stuk is die ontevredenheid bij het CDA nog steeds aanwezig. Ook hij vindt de redenering om religieuze functies uit het gebied weg te houden nogal krom. Zo wordt gesteld dat religieuze organisaties niet zelf zouden investeren in het pand, een aanname die niet bewaarheid kan worden, omdat het gewoon afhankelijk is van de vraag hoe partijen omgaan met hun eigen pand en wat voor investering ze zelf willen doen in het uiterlijk van het pand in de directe omgeving. De onderbouwing met de verkeersaantrekkende werking vindt hij eveneens hoogst twijfelachtig, want ook in de lichte horeca als bijvoorbeeld een lunchroom waar een ijsje kan worden genuttigd, of achter elkaar kinderfeestjes worden gehouden in een locatie van 250 m², kan er de hele tijd een enorme hoeveelheid verkeer door de straten gaan, terwijl bij een religieuze organisatie hooguit sprake is van een puntbelasting gedurende een week. Kortom, de argumentatie is nog altijd verre van overtuigend. Daarom stelt hij het college voor op dat punt een wijziging door te voeren in de tekst en religieuze organisaties wel toe te laten.
De heer EILANDER is het met PvdA en CDA eens dat de toelichting niet tot een andere situatie heeft geleid, waarop de vorige keer misschien wel een beetje was gehoopt na de toezegging dat er nog eens goed naar gekeken zou worden. Blijkbaar is er inderdaad naar gekeken, want nu staat zwart op wit wat ermee bedoeld wordt en dat schept in ieder geval een stukje duidelijkheid, en ook eerlijkheid. Het college en de ambtelijke ondersteuning zegt hij dank voor het antwoord dat inmiddels is gegeven op de schriftelijke vragen die hij heeft gesteld. Na de suggesties die door het CDA waren gedaant, had hij besloten het eens anders aan te pakken en te vragen hoeveel bedrijven door de nieuwe regels in de problemen zouden komen. Uit het antwoord blijkt dat er drie in ieder geval niet kunnen blijven bestaan waarvan er twee in een pand zitten dat door de gemeente verhuurd wordt. Wat dan overblijft, en eruit schiet, is het gebedshuis. Daarover heeft hij nog een paar vragen te stellen, om er zeker van te zijn dat hier geen appels met peren vergeleken worden. De algemene vraag is waarom het gebedshuis niet kan blijven bestaan. Zijn er bijvoorbeeld klachten over bekend, is dat wellicht een insteek? Zo niet, dan hoort hij dat graag, zodat dat dat in ieder geval uitgefilterd kan worden voor de discussie.
Hoeveel bezoekers komen er dagelijks en hoe staat het met de parkeeroverlast, zowel dagelijks als wekelijks tijdens het gebedsuur? Hoe staat de stichting, of wat voor vorm het ook is, zelf in dit dossier? Met welke verwachtingen is men hier indertijd in gekomen, zijn er afspraken gemaakt en hoe zit men hier zelf in? En wat als er geen andere locatie voor het gebedshuis gevonden kan worden? Door de insprekers is toegelicht dat, als zij blijven zitten, van hen wordt verwacht dat ze iets gaan doen aan de kwaliteit van het pand. Hoe zit dat precies? Is daaraan een termijn verbonden en worden ze daarbij geholpen om De Mient op een hoger niveau te krijgen? Met het laatste is niks mis, want ook de ChristenUnie is er voorstander van om de Mient op een hoger niveau te krijgen, zodat iedereen er kan wonen en werken op de manier zoals het bedoeld is.
z.o.z.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 4
De heer GELEIJNSE jr. deelt mede dat hij zich na de uitvoerige bespreking in de vorige vergadering, die voor hem nogal onverwacht kwam, nog eens door het bestemmingsplan en de toelichting heen heeft geworsteld. Op zichzelf is hij wel tevreden met de antwoorden die gegeven zijn. Volgens hem bieden ze een mooie basis om een goede Mient te ontwikkelen. Een commissievergadering is naar zijn mening niet de geëigende gelegenheid om op specifieke gevallen in te gaan. Hij neemt aan dat daarin nog wel stappen gemaakt zullen worden en dat eruit gekomen zal worden. Voor het overige wacht hij met belangstelling de nadere beantwoording van de wethouder af. Mevrouw KING-DE HOOG geeft te kennen dat de kwestie van de maatschappelijke functies in het gebied ook bij Leefbaar Capelle aanvankelijk tot wat verwarring heeft geleid. Daarbij vroeg zij zich bijvoorbeeld af of een kapster, yogalessen en kinderdagverblijven onder die maatschappelijke functies vielen. Een van de insprekers toen, de heer Guijt die ook vandaag weer heeft ingesproken, heeft haar na die vergadering nog benaderd, wat voor haar aanleiding was een en ander nog eens na te vragen.
De uitleg die nu is gegeven over die maatschappelijke functies kan rekenen op de steun van Leefbaar Capelle, zeker ook omdat expliciet is gesteld dat commerciële bedrijven zijn toegestaan die ook een belangrijke maatschappelijke functie hebben, zoals de muziekschool en yogalessen. De reden om maatschappelijke functies niet toe te staan in het bestemmingsplan, wordt door Leefbaar Capelle onderschreven. De gemeente stelt dat de maatschappelijke voorzieningen als bijvoorbeeld een kringloopwinkel of een voedselbank onvoldoende aanjager kunnen zijn om een gebouw dan wel perceel te herontwikkelen, of een kwaliteitsimpuls te geven aan het gebied. Dat laat onverlet dat ook zij wel benieuwd is wat er zal gebeuren als men het daadwerkelijk niet kan bekostigen, want het moet natuurlijk wel een mooi gebied worden. Leefbaar Capelle wil absoluut voorkomen dat dit gebied er over een paar jaar weer net zo bij ligt als nu, een beetje achteraf en verpauperd. De fractie stemt in met de wijziging van het ontwerpbestemmingsplan en ziet reikhalzend uit naar het eindresultaat. De heer VAN LOEF geeft als zijn mening te kennen dat na de uitgebreide discussie in de vorige vergadering over de vraag wat wel en niet onder maatschappelijk valt, nu een geslaagd verhaal is voorgelegd, juist over de duiding.
Het gaat om een goede combinatie van wonen en werken, waarbij de VVD met name denkt aan wat meer creatieve industrie in relatie tot wonen. Het is dan niet zo gek dat hier ook een soort ontmoetingspunt mogelijk wordt gemaakt in de vorm van horeca, maar dan horeca in een ondergeschikte positie. Kortom, de VVD is hiermee meer dan tevreden. De heer VAN BUUREN zegt dank voor de extra toelichting, ook van ambtelijke zijde, en de poging om een en ander te duiden, wat zeker enige verheldering heeft gebracht, wat echter niet wegneemt dat er enkele punten overblijven die vragen oproepen. Er zit een logica achter de spelregels voor De Mient: het gaat om een herontwikkeling van het gebied, met de bedoeling te sturen op die functies die ervoor zorgen dat een transformatie op gang komt. Daarbij worden echter een aantal aannamen gemaakt en het is maar zeer de vraag of die aannamen wel deugen. Zijn eerste vraag is dan ook: hoe robuust is dit en hoe houdbaar zal dit blijken? Zijn deze spelregels onderscheidend, uitlegbaar en transparant genoeg om in voldoende mate rechtszekerheid te bieden jegens de huidige, maar ook toekomstige gebruikers van het gebied? Hij wil best meegaan in de redenering van het college dat bij de hier gewenste transformatie bepaalde functies niet meer passen, maar dan moet de onderbouwing daarvan spijkerhard zijn.
Van de situatie waarin de inspreker verkeert snapt hij langzamerhand niets meer. Een aantal functies zijn hier jarenlang toegestaan en inmiddels wordt handhavend opgetreden om ze weg te krijgen. Wordt dit nu ook op een nette manier afgedaan? Als bepaalde functies niet meer worden toegestaan omdat ze onvoldoende ontwikkelperspectief bieden, roept dat wel de vraag of dat ontwikkelperspectief er wel is als de huidige eigenaar er blijft zitten en hoe dan gefaciliteerd wordt dat de gewenste ontwikkeling van de grond komt. De heer THENU geeft aan dat de SP-fractie zich kan vinden in het voorstel, maar zich bij de wijzigingen die zijn aangebracht ten aanzien van de maatschappelijke functies wel afvraagt welke criteria daarvoor worden gehanteerd. Waar het aantal inspraakreacties gedurende de inspraakperiode voor het gebiedspaspoort beperkt is gebleven, is hij voorts benieuwd hoe dat proces in het gebied verloopt. Wethouder VAN SLUIS stelt vast dat de discussie zich opnieuw toespitst op een paar zaken die ook al de vorige keer uitvoerig zijn behandeld. Het heeft zijns inziens weinig zin aan de hand van allerlei voorbeelden te blijven discussiëren over de vraag wat nu precies wel en niet mag.
Wat hij wel kan zeggen is dat alle vragen die mevrouw King op haar lijstje had aangegeven – waarmee volgens hem werd voldaan aan de oproep die de inspreekster de vorige keer deed – met ja’ kunnen worden beantwoord.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 5
Al die zaken kunnen inderdaad in het gebouw worden gedaan, want het zijn gedeeltelijk commerciële activiteiten die een maatschappelijk doel dienen. Aan zaken die niet meer kunnen, of zelfs in het huidige bestemmingsplan al niet, zal inderdaad iets moeten worden gedaan. Wat in het verleden onder een gedoogconstructie heeft plaatsgevonden kan in de loop der jaren worden herzien bij de actualisering van een vigerend bestemmingsplan. Uiteindelijk zullen daarin keuzes moeten worden gemaakt en de basis voor die keuzes is gelegen in de transformatie van het gebied. De gemeente wil hier een andersoortig gebied en daarom ligt de wijziging van het bestemmingsplan voor, gevolgd door de ambitie die is geformuleerd in het gebiedspaspoort waarover iedereen zo enthousiast was. In de zoektocht die daarvoor is ondernomen is overwogen dat spijkerhard dichttimmeren niet altijd handig is. Er zijn namelijk ook initiatiefnemers die hier welstandsvrij een aantal zaken willen neerzetten, die getuigen van een ondernemingskracht die juist de gewenste bundeling in de wijk kan bewerkstelligen. Het zou veel eenvoudiger zijn om alles spijkerhard dicht te timmeren, maar de kunst is nu juist om hier en daar de ruimte te laten voor een maatschappelijke functie die past bij een commercieel initiatief.
Overigens biedt de lijst met bedrijven die als bijlage is bijgevoegd volgens hem in dezen de nodige duidelijkheid. Over de functies die misschien nu al niet mogen in het bestemmingsplan zijn met de desbetreffende partijen uitvoerig gesprekken gevoerd, waarin ook is nagegaan of op andere plekken iets soortgelijks neergezet zou kunnen worden. Met de eigenaar van het betrokken pand gebeurt dat ook, zoals de inspreker ook heeft aangegeven. Echter, dat gesprek heeft, althans aan zijn tafel, tot vorige week maandag altijd geleid tot een discussie over verkoop van het pand en de waarde daarvan. Vandaag heeft de inspreker nog eens herhaald dat deze niet van zins is in te gaan op het bod dat is gedaan. Ervan uitgaande dat het nieuwe bestemmingsplan door de raad zal worden vastgesteld, zal met het Q-team, zoals dat heet, waarin alle disciplines van de gemeente bij elkaar zitten, aan tafel worden gegaan, om aan de voorkant te beoordelen wat wel en niet kan, wat dat betekent voor de inhoudelijkheid van het pand, waaraan dingen zouden moeten voldoen, enz. Dat geldt ook voor de eventuele woonfunctie die in het nieuwe bestemmingsplan een plek krijgt, zij het dat die woonfunctie dan ook aan woonfunctie-normen zal moeten voldoen. Aan de voorkant kan daarover allerlei informatie worden verstrekt, om daarmee een ieder in Capelle die met dat soort initiatieven komt, te bedienen.
De situatie van het gebedshuis is een handhavingsdossier en behoort niet tot zijn portefeuille, maar wat hij wel kan zeggen is dat daarmee al lange tijd contact is geweest en dat de partij zelf zich een goede gesprekspartner toont bij het zoeken naar alternatieven, in de wetenschap dat de manier waarop het nu is georganiseerd daar op grond van de regelgeving simpelweg niet meer mogelijk is. De heer VAN BUREN neemt nota van de mededeling van de wethouder dat de functie van een gebedshuis niet past in de regels die nu gelden voor het gebied. Wat hem benieuwt, is wat van alle ideeën die nu bestaan na transformatie in het gebied nog meer niet kan op grond van de huidige regels. Wethouder VAN SLUIS repliceert dat het geldt voor een zalencentrum, horeca en dat soort gelegenheden in grote zin. De heer VAN BUREN vraagt of wonen in alle locaties straks wel is toegestaan. Wethouder VAN SLUIS antwoordt ontkennend. De heer VAN BUREN concludeert daaruit dat de argumentatie die nu wordt gebruikt voor maatschappelijke functies ook van toepassing is voor andere functies die men wel. in het gebied wil hebben en daarmee niet onderscheidend genoeg is. Wethouder VAN SLUIS verwijst naar de mededeling in het stuk dat wonen in de noordsectie is toegestaan.
Tweede termijn De heer BERGMAN is van mening dat de wethouder ook vanavond weer een tegenstrijdig antwoord heeft gegeven waar het betreft het toestaan van een dansschool en een fitnesscentrum en het weren van een zalencentrum. Hij verzoekt de wethouder eens uit te leggen hoe deze een dansschool en een fitnesscentrum zonder zalencentrum voor zich ziet. z.o.z.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 6
Een tweede vraag betreft het commercieel invullen van het gebedshuis. Zelf is hij ondertussen in Rome geweest, waar men er heel goed in slaagt geloof en commerciële doeleinden te verbinden. Hetzelfde geldt voor boeddhistische centra in bijvoorbeeld China. Volgens hem is er dus best wel iets financieels van te maken. Mocht de betrokken partij creatief genoeg zijn om een initiatief met betrekking tot het gebedshuis te combineren met ook een financiële opbrengst, zou het dan wel worden toegestaan? Anders is hij best bereid in zijn huis een kruis te hangen en een kerkbank neer te zetten, om die op een gegeven moment om te wisselen met een paar andere dingen. Ten slotte verzoekt hij de wethouder wat meer te vertellen over het gesprek dat is gevoerd met de provincie. De heer VAN BUREN betoogt dat de argumenten die zijn aangedragen ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking en de mate van investeren in een pand dat moet bijdragen aan de kwaliteit van het gebied, onvoldoende onderscheidend zijn om op grond daarvan religieuze functies niet toe te staan. Feitelijk komt het er gewoon op neer dat religieuze functies hier niet worden gewenst.
De heer VAN BUUREN heeft inmiddels gepoogd de bijlage met de staat van bedrijfsactiviteiten door te ploegen, maar die is zo veelomvattend en gedetailleerd, dat hij zich afvraagt hoe die nu precies als antwoord op zijn vraag kan dienen en kan helpen bij de afweging die moet worden gemaakt. Hij benadrukt dat hij zich heel wel kan indenken dat het college het ontwikkelperspectief voor het gebied in gang wil zetten en daarbij de nodige actie onderneemt, maar hij wil ook het gevoel krijgen dat dit voldoende houdbaar is, ook als het juridisch getoetst wordt. Met begrip voor het feit dat de wethouder het een beetje lastig vindt om daar meer over te vertellen, is hij voorts van mening dat men als volksvertegenwoordiger de plicht heeft na te gaan in hoeverre met direct belanghebbenden op een zorgvuldige manier wordt omgegaan en of er, in alle redelijkheid uiteraard, alles aan wordt gedaan om hen mee te laten stappen met de beoogde ontwikkeling. Naar hij heeft begrepen, zijn de gesprekken daarover nog lopende en is het daarom wellicht nog niet mogelijk van de hoed en de rand te vertellen, maar hopelijk kan al wel een indicatie worden gegeven van de kans dat men er op een goede manier met elkaar uit zal komen. Wethouder VAN SLUIS merkt aan het adres van de heer Bergman op dat het bij een zalencentrum om veel meer vierkante meters gaat dan in de stukken omschreven.
Er zijn ook sportscholen die geen zaal hebben voor groepslessen; een voorbeeld daarvan was de sportschool in het centrum van Capelle, die nu een aparte zaal gaat huren in het voormalige bibliotheekpand. Met de provincie zijn hierover geen gesprekken gevoerd, zoals de heer Bergman veronderstelde. Naar aanleiding van de eerder gemaakte opmerkingen is wel mailverkeer met de provincie gewisseld en daarin is van die zijde onomwonden aangegeven dat het beleid aan de gemeente is en dat zij ermee akkoord gaat. De heer BERGMAN verzoekt de wethouder dan ook even in te gaan op de opmerking van de inspreker dat de provincie in een schriftelijke reactie aan de gemeente zou hebben laten weten dat het beleid als een wassen neus werd gekenschetst. Voorts herhaalt hij zijn vraag of een eventueel creatief idee met het gebedshuis wel zou worden toegestaan. Wethouder VAN SLUIS zegt niet voornemens te zijn in te gaan op het idee dat de heer Bergman opperde om een kruis in diens huis te hangen. De heer BERGMAN neemt aan dat hij niet behoeft uit te leggen dat dat slechts een gekscherend voorbeeld was. De vraag erachter was wel heel serieus en betrof het creatief omgaan met ideeën, ook met betrekking tot de gebedsruimte. Hij hoopt dat de wethouder daarop ook serieus wil ingaan. Wethouder VAN SLUIS werpt tegen dat de heer Bergman er dan zelf geen karikatuur van moet maken.
Alle initiatieven die zich in Capelle aan den IJssel voordoen worden aan beoordelingscriteria onderworpen. Waar het hier echter om gaat, is niet één voorbeeldje, of een ‘what if’-situatie, maar het beleidsmatig wijzigen van een bestemmingsplan. Voordat een individuele zaak op haar merites kan worden getoetst, moeten de hoofdlijnen worden vastgesteld. Als er dan andere creatieve ideeën komen, moeten die op dat moment ook beoordeeld worden. Hij kan niet ingaan op een voorstel dat even door de heer Bergman uit de hoge hoed wordt getoverd. Mevrouw KING-DE HOOG informeert wat de heer Bergman in Rome precies gezien heeft wat hij ook op De Mient zou willen.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 7
De heer BERGMAN legt uit dat door het college is aangegeven dat een bepaald commercieel doel moet worden gediend en dat religieuze instellingen, gebedshuizen e.d. niet worden gezien als iets waaraan ook iets commercieels geplakt kan worden. Wat hem benieuwt, is of een gebedshuis in combinatie met educatieve en/of commerciële doeleinden wel wordt toegestaan. De heer VAN BUREN kan zich iets voorstellen bij de uitspraak van de provincie dat het beleid in dezen aan de gemeente is. Als het echter gaat om bestemmingen, is dat beleid geplakt aan een bepaalde locatie op een kaart en kan daar volgens hem qua functie geen onderscheid worden gemaakt tussen privaat bezit en publiek bezit. Desgevraagd verduidelijkt hij dit met een voorbeeld. Als hier een pand staat met bepaalde maatschappelijke functies die er volgens de gemeente bij het vaststellen van het beleid niet zijn toegestaan, zouden die functies binnen hetzelfde beleid wel zijn toegestaan in een pand dat in publieke handen is, zodat publiek en privaat eigendom verschillend worden beoordeeld in het beleid. Wethouder VAN SLUIS moet zeggen dat hij werkelijk niet weet waar de heer Van Buren het over heeft. Het gaat hier over een bestemmingsplan en daar zit bij zijn weten geen enkel verschil in. De wijziging van het bestemmingsplan resulteert in nieuw beleid, dat is getoetst door de provincie, die daarmee akkoord is gegaan.
Een uitzondering geldt slechts voor agrarische bedrijven, al wordt een creatieve combinatie met bijvoorbeeld stadslandbouw door de provincie niet onwelwillend bezien. De heer VAN BUREN doet het deugd te vernemen dat tussen dergelijke functies geen onderscheid wordt gemaakt in een publiek of privaat gebouw. Wethouder VAN SLUIS vervolgt met de vraag van de SGP of een en ander voldoende houdbaar is. Hij is van mening dat dat inderdaad zo is, mede omdat de gemeente zo heel direct aan boord zit met de initiatiefnemers ter plekke. Het geldt voor iedereen, ook voor mensen die op sommige gebieden misschien teleurgesteld moeten worden. De discussie om een stuk herontwikkeling mogelijk te maken staat zeer wel open, maar moet dan wel van twee kanten komen. De gemeente heeft een aanbod gedaan en is daarbij gebonden aan bepaalde regelgeving, waardoor het niet tot in lengte van jaren opgerekt kan worden, wat inderdaad kan betekenen dat dit eventuele gewenste ontwikkelingen op dit moment in de weg staat, zodat er andere keuzes moeten worden gemaakt. Overigens heeft hij begrepen dat betrokkene zelf aan de slag wil met nieuwe initiatieven, en dat snapt hij heel goed, want daarbij gaat het om een inkomstenbron. Ten slotte biedt hij de heer Van Buuren aan buiten de vergadering samen de bedrijvenlijst eens door te nemen.
De heer VAN BUUREN voelt zich hierdoor buitengewoon vereerd; zijn avond kan niet meer stuk! De VOORZITTER concludeert dat het voorstel als hamerstuk voor de raad kan worden geagendeerd. Hierna stelt hij de commissie voor nu eerst agendapunt 7 in behandeling te nemen, dit met het oog op de inspraak die door mevrouw Shokuva is geleverd. Aldus wordt besloten. 7. Openbare toiletten Schollebos De heer THENU releveert dat de Capellenaren die gebruik maken van het Schollebos tijdens hun recreatieve activiteiten node een openbare toiletvoorziening missen. Ze ervaren dit als een probleem, omdat ze daardoor soms genoodzaakt zijn om wild te plassen, of naar het Pannenkoekenhuis te gaan. Capellenaren hebben hiertoe een petitie gestart die zojuist aan het college is aangeboden. De SP-fractie vindt het belangrijk dat in het recreatiegebied een toiletvoorziening wordt geplaatst, opdat Capellenaren met plezier en langer in het Schollebos kunnen recreëren. Is het college bereid te onderzoeken of het mogelijk is vóór het voorjaar 2018 toiletten in het Schollebos te realiseren en daarvoor in de begroting eenmalig, of structureel, een extra impuls op te nemen? Wethouder MEULDIJK excuseert zich allereerst voor het feit dat hij helaas de inspraak over dit onderwerp heeft moeten missen.
Naar aanleiding van het onderzoek dat door de heer Thenu is bepleit, merkt hij op dat de situatie door de afdeling Stadsbeheer al even is bekeken. Feit is dat de technische uitvoering een ingewikkelde exercitie wordt, omdat het Schollebos momenteel niet voorzien is van aan- en afvoer van water en riool, zodat er in ieder geval een aanzienlijke investering mee gemoeid zou zijn om het op die manier permanent uit te voeren. z.o.z.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 8
Er zijn ook andere mogelijkheden, zoals de bekende dixies en dergelijke, waarvoor in een aantal gemeenten is gekozen, maar dat is misschien nog even een stap te ver. Zoals de commissie waarschijnlijk weet, is de ondernemer in het gebied, het Pannenkoekenhuis, actief benaderd, die heeft aangegeven blij te zijn met de aanloop, omdat die ook klandizie oplevert. Een nader onderzoek is niet echt nodig, omdat heel simpel te calculeren is welke incidentele én structurele lasten gemoeid zouden zijn met het realiseren van openbare toiletten, en daarmee worden de financiële contouren waarbinnen het college kan opereren overschreden. Zou de raad dit toch willen, dan zou ter zake een amendement op de begroting moeten worden ingediend. Desgevraagd voegt hij eraan toe dat het bedrag waarmee bij een permanente voorziening rekening zou moeten worden gehouden begint bij een investering van € 150.000 of meer, waarnaast uiteraard nog de kapitaallast en de kosten voor onderhoud, schoonmaken etc. in ogenschouw moeten worden genomen. De heer BERGMAN deelt mede dat de PvdA positief staat ten opzichte van het initiatief van de SP. Het college verzoekt hij later de precieze kosten aan de raad voor te leggen, zodat aan de hand daarvan een nadere afweging kan worden gemaakt.
De heer EILANDER herinnert eraan dat deze discussie al vaker is gevoerd en dat twee, drie jaar geleden, alles afwegend – waaronder ook het aspect vandalisme, dat hij tot nu toe nog niet heeft gehoord – is gekozen voor de mogelijkheid van het Pannenkoekenhuis, en blijkbaar is die ondernemer daarmee ook tevreden. Hij is daarom benieuwd wat er in de ogen van de SP veranderd zou zijn om nu voor een andere oplossing te pleiten. De heer THENU repliceert dat het gebruik van het recreatieve gedeelte van het Schollebos toeneemt. Daarbij komt dat het door veel mensen, vooral ook vrouwen met kinderen en mindervaliden, bezwaarlijk wordt gevonden van het Pannenkoekenhuis gebruik te maken, omdat het niet zomaar mogelijk is daar iedere keer naar binnen te gaan zonder een consumptie te gebruiken. De heer EILANDER meent te weten dat van het toilet in het Pannenkoekenhuis gratis gebruik kan worden gemaakt. Een koppeling met een verplichte consumptie is hem althans nooit ter ore gekomen. De heer SARITAS bevestigt dat en voegt eraan toe dat ook breeduit in de krant heeft gestaan dat de mensen op een gastvrij onthaal van de ondernemer kunnen rekenen. Dat neemt overigens niet weg dat het hem verheugt dat dit onderwerp door de SP en de buurtmoeders op de agenda is gezet, want het is wel degelijk een discussie waard. Het Pannenkoekenhuis is een mooie onderneming, maar je zult maar nodig naar de w.c.
moeten terwijl je je 180 graden aan de andere kant van het Schollebos bevindt. Hij wacht met interesse af welk amendement de SP zal inbrengen en welke financiële mogelijkheden er dan zijn. Zelf is hij zeker bereid dit nader in de fractie te bespreken. De heer VAN BUUREN erkent dat de afstand tot het Pannenkoekenhuis een legitiem criterium kan zijn, hoewel het ook niet mogelijk zal zijn op vier plekken een toilettengroep te realiseren, zodat er altijd wel een stukje gelopen zal moeten worden. Afgezien daarvan is hij benieuwd in hoeverre de voorziening van het Pannenkoekenhuis naar de mening van de SP niet zou volstaan, nu toch blijkt dat daarvan gratis gebruik kan worden gemaakt. De partijen die dit een sympathiek voorstel vinden legt hij de vraag voor of dit niet bij uitstek zou passen in het nog in het leven te roepen ‘Denk en doe mee fonds’. De heer THENU brengt tegen het bezwaar dat is ingebracht tegen de hoge kosten die met een permanente toiletvoorziening gemoeid zouden zijn, in dat de gedachten van de SP uitgaan naar alleen tijdelijke toiletten, in het voorjaar of de zomermaanden, waarvoor het niet nodig is leidingen en dergelijke aan te leggen. De heer VAN LOEF zegt dat in ieder geval een belangrijke nuancering te vinden.
Op zichzelf ziet hij niet zoveel problemen in het gebruikmaken van het toilet in het Pannenkoekenhuis, nu de uitbater van dat restaurant heeft laten weten dat daar geen consumptieverplichting tegenover staat, maar een onderzoek naar de mogelijkheid om in het hoogseizoen op tijdelijke basis een voorziening neer te zetten lijkt hem wel een redelijk verzoek. De heer MEULDIJK wijst erop dat bij evenementen, zoals de Dag van het park, het voorzien in toiletten al onderdeel uitmaakt van de vergunning. Met alle liefde en plezier is hij bereid te laten uitzoeken welke kosten met een tijdelijke toiletvoorziening gedurende het hoogseizoen – maart tot en met oktober bijvoorbeeld – gemoeid zouden zijn.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 9
De heer EILANDER is er inmiddels op attent gemaakt dat mindervaliden geen goede toegang hebben tot het Pannenkoekenhuis. Hij beveelt aan ook daaraan aandacht te schenken. De VOORZITTER stelt vast dat de beraadslagingen over dit onderwerp hiermee kunnen worden afgesloten. * Rondvraag wethouder Meuldijk De heer BERGMAN vraagt aandacht voor de Japanse Duizendknoop, een kruid waarvan verschillende bewoners van Capelle last ondervinden. Het is hem bekend dat het college hierover al verschillende partijen heeft gesproken. Kunnen inmiddels ook al bepaalde stappen in dezen worden ondernomen? In Amersfoort is een heel beleid rondom deze plant gecreëerd; er is structureel geld voor vrijgemaakt, omdat de plant op een speciale manier behandeld moet worden. Is de gemeente Capelle ook van plan dat te doen? Zo ja, wanneer, zo nee, waarom niet? De plant wordt onder andere verspreid door vervoer en maaien. Is daarover al contact opgenomen met de omliggende gemeenten? Zijn volgende vraag betreft de hondenpoepoverlast in de Ervenbuurt. Eerder was toegezegd dat onderzocht zou worden of eventueel bordjes zouden kunnen worden geplaatst om erop te attenderen dat er bij de speelpleintjes en dergelijke geen uitlaatplaatsen zijn.
Is daaraan al iets gedaan? Wethouder MEULDIJK deelt in reactie op het laatste mede dat voor de hele gemeente als vaststaand beleid geldt dat het bij speelgelegenheden, of er een hek omheen staat of niet, niet is toegestaan een hond uit te laten. Soms worden ook bordjes geplaatst, maar het is ook weer niet de bedoeling heel Capelle daarmee vol te zetten. De uitlaatzones zijn op de website goed te vinden, speelplaatsen zijn als zodanig herkenbaar en voor het overige gebied geldt een opruimgebod. Behalve de Japanse Duizendknoop zijn er meer ongewenste exoten, zoals de Berenklauw. Door de Stichting Natuurvrienden Capelle wordt in kaart gebracht waar deze planten voorkomen en daarvan wordt door de gemeente dankbaar gebruik gemaakt. Daarnaast is een bezoek gebracht aan de gemeente Delft, om te kijken hoe het daar wordt aangepakt. Vooralsnog liggen de volgende maatregelen in het voornemen. Nog deze winter zullen de Capellenaren met aparte groenpagina’s actief worden geïnformeerd over de manier waarop deze exoten kunnen worden tegengegaan. Bestrijdingsmiddelen worden niet gebruikt. Door de gemeente Delft en andere wordt meerdere malen per jaar gemaaid en afgevoerd, maar het is bekend dat de Japanse Duizendknoop daarmee niet is weg te krijgen; die moet echt worden afgestoken en met kokend water overgoten.
Op de locaties die bekend zijn in Capelle, op dit moment drie in het openbaar gebied, zal door de gemeente zelf actie worden ondernomen voordat het groeiseizoen begint. De Berenklauw maakt onderdeel uit van de onderhoudsbestekken en wordt bestreden waar ze wordt tegengekomen. De VOORZITTER zegt de heer Meuldijk dank en wenst hem wel thuis. Hierna schorst hij op verzoek voor enige minuten de vergadering (21.17 uur). SCHORSING De VOORZITTER heropent te 21.25 uur de vergadering. 6. Nota beeldkwaliteit 2017 (927108) De heer VAN LOEF maakt een compliment voor de heldere typologieën die in de nota worden beschreven en zo ook tot een heldere aanpak kunnen leiden. De VVD resten nog twee vragen. Allereerst: hoe zal precies worden omgegaan met de sneltoetscriteria? De nota meldt dat ze los kunnen worden gehanteerd met betrekking tot gebiedsgericht beleid. Wat betekent dat in de praktijk? Ten aanzien van een aantal woonwijken wordt beschreven dat de eenheid ervan is aangetast door verschil in kleurstelling. Bijgevoegd zijn plaatjes van uitgeklapte zonneschermen, waarvan de één oranje is en de ander groen-wit geblokt. Een paar pagina’s verderop wordt bij een aantal flatbloks evenwel aangegeven dat de zogenaamde hoogbouw kan worden opgefleurd met kleuren. Hier lijkt dus sprake te zijn van enige inconsistentie. De wethouder verzoekt hij een en ander toe te lichten.
De heer EILANDER volstaat met de opmerking dat wat de fractie ChristenUnie betreft hiermee kan worden doorgegaan. z.o.z.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 10
De heer GELIJNSE jr. sluit zich daarbij aan. De heer VAN BUUREN heeft slechts een controlevraag te stellen. Bij de vorige behandeling heeft hij ervoor gepleit te borgen dat de ambtelijke toetsing voldoende onafhankelijk van het college kan gebeuren. Hij is benieuwd hoe dat nu is geborgd. De heer VAN BUREN merkt in aansluiting hierop op dat de verantwoordelijkheid uiteindelijk bij de gemeenteraad ligt. Het is daarom van belang te weten hoe deze rapportages in de toekomst naar de gemeenteraad toe komen, om te kunnen beoordelen of daarmee binnen de kaders wordt gebleven die de raad noodzakelijk acht voor het welstandsniveau. De heer THENU kenschetst de gedachte achter de Omgevingswet als een goed idee. De SP wil al jaren dat de jungle aan loketten en vergunningen inzichtelijker wordt gemaakt. Toch zitten ook aan deze wet nog de nodige mitsen en maren vast. Zo wil bijvoorbeeld deze nota ook veel dingen versnellen, terwijl dat niet altijd verstandig is. De fractie vraagt zich hierbij af waarom de commissie voor welstand en monumenten wordt opgeheven, om het welstandsbeleid door de ambtelijke organisatie te laten uitvoeren. Onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en deskundigheid bij toetsing en advisering worden hiervoor als argument aangedragen.
Is in het verleden dan geconstateerd dat de commissie voor welstand niet betrouwbaar of deskundig is? Wethouder VAN SLUIS verzoekt de ambtelijke ondersteuning in te gaan op de vragen die zijn gesteld over de sneltoetscriteria in relatie tot gebiedsgebondenheid en het kleurenpalet . De heer TEN CATE licht toe dat de sneltoetscriteria al in de vorige nota, in 2013, ongeveer op dezelfde manier zijn benoemd en ingeregeld. Al die tijd zijn ze door de vergunningregisseurs zelf gehanteerd. Het gaat in dezen echt om de standaard-dakkapel die iedereen bij een standaard-leverancier kan bestellen en daar is doorgaans niet heel veel gebiedsgebonden aan. Wel is het zo dat in de bijzondere welstandsgebieden die op de kaart zijn aangegeven de sneltoetscriteria niet per definitie van toepassing zijn. In de afgelopen jaren is de kleurstelling in de meer planmatige woningbouw – een rij woningen naast elkaar – niet meer beschouwd als iets wat per definitie constant door de gemeente gemonitord zou moeten worden. Gebleken is inmiddels dat iedereen zo z’n eigen stiel en kleur aan de eigen voordeur, raamkozijn, dakkapel en schutting heeft gegeven, veelal in welstandsluw gebied, waar het eigen maken van de individuele smaak onderdeel van het straatbeeld is geworden.
De grootschaliger plannen, waarin flats en laagbouw in een soort stedenbouwkundige samenstelling een totaal-compositie vormen – de 747-buurten kortweg gezegd – , zijn in het verleden vaak in een tijd uitgevoerd waarin het bij gebrek aan geld allemaal heel sober moest, waarbij dan in een paar hele kleine dingetjes de “schwung’ was verwerkt die het gebouw een beetje aantrekkelijk moest maken. Door daarin iets meer kleur op te halen, kan het straatbeeld wat completer en aantrekkelijker worden gemaakt. Wethouder VAN SLUIS vervolgt met de vraag die is gesteld door SGP en CDA over het borgen van de onafhankelijke toets en de second opinion die kan worden ingewonnen bij een verschil van mening. Voor wat betreft de rapportages waarnaar de heer Van Buren heeft geïnformeerd, verwijst hij naar de opgave die op jaarlijkse basis wordt gemaakt. Bij grotere projecten is het juist de bedoeling veel meer aan de voorkant met elkaar de criteria vast te stellen, waarbij de raad meteen aan zet is. De heer TEN CATE deelt aanvullend mede dat de commissie voor welstand en monumenten in het verleden jaarlijks rapporteerde. Omdat dit vervangen is door een ambtelijk orgaan, is dat in die zin niet per definitie afgesproken, maar overigens ziet hij geen enkele reden om dat niet te doen.
Wethouder VAN SLUIS verzekert de heer Thenu dat de commissie voor welstand en monumenten niet is ‘weggeschreven’ omdat ze niet zou functioneren, integendeel: de commissie zelf heeft destijds geadviseerd de welstandscriteria op een andere manier te laten bekijken. Het element toetsing maakte voorheen overigens maar een relatief klein onderdeel uit van de werkzaamheden van die commissie, voor een groot deel werd die toetsing al ambtelijk gedaan. De heer VAN BUUREN maakt de bestuurder en de betrokken ambtenaar een compliment voor het prima stuk dat is geproduceerd en voor het zorgvuldige proces dat hiermee is doorlopen. De VOORZITTER stelt vast dat de nota als hamerstuk voor de raad kan worden geagendeerd.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 11
8. Evaluatie van het gebruik en de werking van openbaar vervoer (OV) voor 65+’ers (929483) De heer BERGMAN geeft te kennen dat de PvdA-fractie beslist wil vasthouden aan gratis openbaar vervoer voor 65+’ers, maar het een beetje betreurt dat de mogelijkheid van gratis openbaar vervoer voor minima niet wordt verkend. Dat de gemeente geen inkomenspolitiek wil bedrijven, is tot daar aan toe, maar dat hoeft zijns inziens een verkenning van de mogelijkheden niet in de weg te staan. De heer VAN BUUREN verzoekt de heer Bergman eens uit te leggen waarom de gemeente geen inkomenspolitiek zou mogen bedrijven, maar wel pensioenpolitiek. De heer BERGMAN repliceert dat het college in het stuk heeft laten weten dat de gemeente geen inkomenspolitiek mag bedrijven. Het is dus een standpunt van het college en niet van de PvdA. De PvdA pleit juist voor een verkenning van de mogelijkheid om gratis openbaar vervoer aan te bieden aan de minima, en dat in brede zin. De heer VAN BUUREN vraagt of de PvdA dan ook de doelgroep van 65+’ers zou willen beperken tot degenen die op het minimumniveau zitten. De heer BERGMAN bevestigt dit. De heer SARITAS toont zich namens Leefbaar Capelle buitengewoon content met het gratis openbaar vervoer voor 65+’ers, en dat geldt in het bijzonder ook voor hem persoonlijk, omdat hij het voorstel mede zelf heeft mogen indienen.
Het idee van gratis openbaar vervoer voor 65+’ers rustte op drie pijlers. De eerste pijler hield verband met het milieu: om zoveel mogelijk mensen in het openbaar vervoer te krijgen en zo min mogelijk uitstoot te veroorzaken. De gebruiksdichtheid beziende, meent hij dat dat redelijk is gelukt. Vereenzaming was de tweede pijler: om oudere mensen die anders thuis zaten ertoe te bewegen ook eens ergens anders naartoe te gaan. Ook hier geeft de gebruikshoeveelheid aan dat dat redelijk is gelukt; het is bovendien nog steeds groeiende. Het mooie is dat uit de cijfers niet alleen blijkt dat het gebruik hoog is, ook van mensen die er continu mee reizen, maar ook dat de ándere reiskilometers zijn toegenomen. De Capelse 65+’ers blijken nu bijvoorbeeld ergens anders in de regio ook de tram te gebruiken en daarnaast nemen ze kennelijk ook andere mensen mee – 65-‘ers – die nu meer van het openbaar vervoer gebruik maken. De derde pijler was een efficiënter gebruik van het product, met name ook in de daluren. Ook Leefbaar Capelle betreurt het dat in het stuk is aangegeven dat geen verkennend onderzoek zal worden uitgevoerd naar gratis openbaar vervoer voor minima. Hij zal het op prijs stellen wanneer het college dat standpunt in heroverweging wil nemen, want Leefbaar Capelle is zeer geïnteresseerd in de kosten die daarmee gemoeid zouden zijn.
Is dat eenmaal bekend, dan kan ter zake ook een goed besluit worden genomen. De heer VAN LOEF vraagt of de heer Saritas zich wel realiseert dat iemand die van een minimuminkomen moet rondkomen dankzij allerlei regelingen die daarvoor gelden uiteindelijk misschien wel een hoger inkomen heeft dan iemand die werkt. De heer SARITAS antwoordt dat het cruciale verschil tussen ‘65+-inkomsten’ en inkomsten op bijstandsniveau is, dat de geldschieter de gemeente is, die ook gratis openbaar vervoer gaat geven. De heer VAN LOEF informeert of de heer Saritas zich dan alleen wil richten op minima die ouder zijn dan 65. De heer SARITAS repliceert dat Leefbaar Capelle zich absoluut niet alleen wil richten op de armlastige 65+’er. De heer VAN LOEF concludeert dat dus gepleit wordt voor een uitbreiding van de doelgroep. De heer SARITAS benadrukt dat Leefbaar Capelle pleit voor een onderzoek. De heer VAN LOEF vraagt of de heer Saritas dan een onderzoek wil zonder de consequenties daarvan te willen aanvaarden. z.o.z.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 12
De heer SARITAS stelt de tegenvraag of de heer Van Loef die consequenties dan al kent. De heer VAN LOEF vermoedt dat iemand met een minimuminkomen er dan naar alle waarschijnlijkheid zwaar op vooruit zal gaan in vergelijking met iemand die werkt. De heer VAN BUUREN werpt tegen dat het hier gaat om het inkomensniveau, de totale inkomenssom, waarbij het niet uitmaakt of die uit werk komt of uit een eventuele uitkering. Het gratis openbaar vervoer voor 65+ is een breed gewaardeerde voorziening in Capelle. Zoals bekend, heeft de SGP er altijd kritisch tegenover gestaan, want een gewaardeerde voorziening hoeft niet altijd ook een goede voorziening te zijn. Hoewel de fractie de keuze van het college wel begrijpt, vindt ze het toch jammer dat deze evaluatie, in tegenstelling tot wat de heer Saritas erin leest, geen zicht biedt op de vraag in hoeverre aan de drie doelstellingen is bijgedragen. Het is bijvoorbeeld helemaal niet bekend of het eenzame ouderen zijn die van deze voorziening gebruik maken en of het niet allemaal éxtra gebruik is, dat eventueel achterwege zou blijven als de voorziening niet zou worden aangeboden. De milieuwinst is daarom zeer discutabel. Het is jammer dat het op basis van gebruiksinformatie niet mogelijk is iets te zeggen over de achterliggende doelstelling, want daarmee wordt iets in stand gehouden zonder dat bekend is of het daadwerkelijk die doelen dient.
Interessant is wel de vraag waarom niet ook gekeken wordt naar een andere doelgroep, die wellicht met een dergelijke investering heel erg gebaat zou kunnen zijn, bijvoorbeeld doordat werk meer binnen bereik wort gebracht, of activering mogelijk wordt gemaakt waardoor mensen kunnen terugkeren in de samenleving en daarin meer actief kunnen participeren, waarmee wellicht ook de stap naar een (beter) betaalde baan binnen bereik komt. Afsluitend attendeert hij op het volgende. Het stuk bevat ook een beetje een open einde: niemand weet eigenlijk wat het gratis openbaar vervoer voor 65+ in de toekomst zal gaan kosten. Het verbaast hem dat zijn collega-raadsleden zich helemaal niet uitlaten over de vraag hoeveel het mág kosten. Wordt bij die verkenning bijvoorbeeld ook een plafondbedrag aangegeven? De heer GELEIJNSE jr. constateert dat het aantal ritten en reizigerskilometers stijgt en dat de procedure heel eenvoudig werkt: iemand krijgt een brief, gaat naar de RET, ontvangt een pasje en kan in- en uitchecken. In zoverre is aan de opdracht voldaan. Toch lijkt het hem, kijkend naar het kostenplaatje van zeven ton per jaar, dat mogelijk nog stevig zal oplopen, verstandig eens tegen het licht te houden wat nu beleidsmatig bereikt is en wordt. Wat dat betreft is deze beperkte memo, die voor een evaluatie door moet gaan, een gemiste kans.
De heer BERGMAN vraagt hoe de heer Geleijnse erover zou denken als uit onderzoek zou blijken dat de kosten veel lager zouden uitvallen wanneer met het inkomen rekening wordt gehouden. De heer GELEIJNSE jr. geeft aan noch voor inkomenspolitiek, noch voor pensioenpolitiek te zijn. De heer VAN BUUREN verzoekt de heer Geleijnse ook te reflecteren op het volgende. Onlangs sprak hij iemand die een bijeenkomst had georganiseerd voor ouderen en daar had geconcludeerd dat bijna niemand met openbaar vervoer kwam, maar bijna allemaal met allerlei vormen van aangepast vervoer, omdat de bushaltes veel te ver weg liggen en niet goed aansluiten op de vraag van senioren. De vraag is volgens hem daarom ook of niet in vergelijkende zin moet worden nagegaan of dit geld wel effectief wordt besteed door gratis openbaar vervoer aan te bieden en of het niet veel effectiever kan worden besteed door veel ruimhartiger in allerlei vormen van aanvullend vervoer te investeren. De heer GELEIJNSE jr. meent dat alle Capellenaren uiteindelijk meer zullen hebben aan een goed dekkend vervoersnetwerk. De wethouder legt hij de vraag voor wat nu eigenlijk het doel is van gratis OV voor 65+’ers. De heer Saritas heeft er weliswaar al een voorschot opgenomen door te verwijzen naar milieu, vereenzaming en het vullen van het vervoer, maar wat op die punten is bereikt, is niet in deze evaluatie terug te vinden.
Ongetwijfeld zal in de raad veel steun bestaan voor gratis openbaar vervoer, maar ook ‘gratis’ levert aan het eind van de rit een flink prijskaartje op. Daarbij komt dat het ook wordt aangeboden aan een categorie die het voor een heel groot deel gewoon erg goed geeft. De heer SARITAS vraagt of de heer Geleijnse hiermee eigenlijk te kennen wil geven dat D66 tegen gratis openbaar vervoer voor 65+ is.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 13
De heer GELEIJNSE jr. antwoordt dat het voor D66 geen reden is voor een polonaise, maar dat de fractie de afspraken respecteert die er voor deze periode voor zijn gemaakt. Nu is de fractie vooral benieuwd wat de effecten zijn van het gratis openbaar vervoer, omdat pas dan een gewogen besluit kan worden genomen. Daarnaast wil hij weten of de wethouder ook bereid is te onderzoeken of Capellenaren bereid zijn hiervoor een bijdrage te betalen. De heer VAN LOEF beaamt dat ook gratis openbaar vervoer gewoon geld kost, zoals de heer Geleijnse zojuist opmerkte. Toch is de VVD bereid hierin mee te gaan, wellicht ook in de volgende periode. De fractie is tevreden met wat nu voorligt en wat haar betreft kan op deze voet worden doorgegaan. De heer THENU verzoekt het college om los van de regeling voor 65+ ook de mogelijkheid te onderzoeken om gratis OV aan te bieden aan de minima. De heer EILANDER merkt op dat het, zakelijk geredeneerd, wel prima lijkt te gaan, maar dat een vergelijking uitwijst dat het grotere aantal kilometers mede wordt veroorzaakt doordat meer mensen de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, wat een lineaire ontwikkeling lijkt te zijn. In feite is het succes daardoor nog even groot als aan het begin, een paar jaar geleden. De heer SARITAS bestrijdt dat. Het product is gekoppeld aan de kaart en het aantal gereisde kilometers zijn van die kaart.
Het is onmogelijk dat andere mensen daarop meeliften. De heer EILANDER repliceert dat hij iets heel anders heeft betoogd, namelijk dat meer mensen de afgelopen jaren de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt en dat daarmee het aantal kilometers lineair omhoog is gegaan. Daaruit valt te concluderen dat het niet beter is geworden dan op het moment van introductie. Zoals bekend, is de ChristenUnie altijd kritisch is geweest over gratis openbaar vervoer voor 65+. Het is niet haar ‘ding’ om mensen die een prima pensioen hebben een gratis kaart te geven. Het stelt hem daarom teleur dat het college het ambtelijk advies naast zich heeft neergelegd om daarin andere doelgroepen mee te nemen. Gelukkig wordt daarom nu door vele partijen gevraagd en dat lijkt hem in deze consultatie wel een helder signaal voor het college. Hoewel hij op zichzelf geen voorstander is van gratis openbaar vervoer voor 65+, lijkt het hem, als het dan toch wordt doorgezet, in ieder geval een goed idee om de stijging van de AOW-leeftijd hierin te verdisconteren. De heer VAN BUREN vraagt zich af of dit echt wel een evaluatie is. Weliswaar zijn de cijfers over het gebruik van het openbaar door 65+’ers ter kennis gebracht, maar op de punten die de heer Saritas opsomde en die in 2008 de reden waren om tot dit gratis OV te komen, is in feite geen evaluatie uitgevoerd.
Dit nog iets verder doortrekkend, zou eigenlijk ook geëvalueerd moeten worden of het aanbieden van gratis OV een negatief effect heeft gehad op de detailhandel in Capelle, omdat een hele grote doelgroep die echt wel koopkracht heeft en beslist niet alleen bestaat uit zielige 65+’ers met alleen een AOW-uitkering, nu ook gemakkelijker naar de stad gaat, omdat die qua totaal-beleving nog wat meer te bieden heeft. Zoals eerder al aangegeven, is gratis openbaar vervoer een onbestaanbaar iets. Als dan in zo’n dossier bovendien ook nog argumenten worden aangedragen op de derde pijler die de heer Saris noemde, te weten het vullen van lijnen, kan daaruit in feite alleen maar geconcludeerd worden dat subsidie wordt gegeven aan al gesubsidieerde lijnen, om die beter gevuld en gedekt te krijgen. Het is zeer de vraag of dat nu een economisch rendabel argument kan worden genoemd. De heer SARITAS brengt hiertegen in dat op dit moment al, zonder enige ‘gratisheid’ in welke vorm dan ook, aan 65% van het openbaar vervoer wordt meebetaald door mensen die er nooit gebruik van maken. Het gaat hier dus alleen nog maar over de laatste 45%. Wat de heer Van Buren hierover beweert vindt hij dan ook een bullshit-verhaal.
De heer VAN BUREN laat maar in het midden of ‘bullshit-verhaal’ een argumentatie is die een raadslid zou moeten gebruiken, zeker een raadslid dat blijkbaar niet eens kan tellen, want 65% + 45% = 110%. Waar het om gaat is of met meer subsidie geprobeerd moet worden een reeds gesubsidieerde lijn verder rendabel te maken, zoals de heer Saritas eerder naar voren bracht. In feite zou dat niet eens via gratis OV voor 65+ behoeven te worden gedaan, want de gemeente zou ook gesubsidieerd busjes rond kunnen laten rijden. z.o.z.
Behorende bij commissieverslag SOB, nummer G10/948551
pagina: 14
In dat kader heeft de heer Van Buuren zich terecht afgevraagd of er niet ook andere, effectievere manieren zijn om ervoor te zorgen dat ouderen binnen Capelle van de ene naar de andere kant kunnen worden vervoerd. Als dan zo’n dossier als eenzaamheid wordt aangevoerd, is het de vraag of eenzaamheid van Capellenaren kan worden opgelost door hen de kans te geven met het openbaar vervoer naar Rotterdam te reizen, of door ervoor te zorgen dat ze hun buren beter leren kennen en ergens op kunnen terugvallen. Dat soort argumenten zou, ook op basis van het amendement dat in 2008 is ingediend, de legitimatie kunnen zijn om hier nog eens een keer naar te kijken, maar die mogelijkheid wordt de raad niet geboden, omdat het niet in de evaluatie is meegenomen. Vanuit de beginpositie die het CDA heeft ingenomen zou gratis OV voor mensen met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm in eerste instantie niet meegaan, vier jaar later kwam er een beetje een tegenbod om ook daarnaar te kijken, en een onderzoek daarnaar lijkt hem nu wel relevant, niet zozeer vanuit een oogpunt van inkomenspolitiek, als wel vanwege de positieve bij-effecten die het zou kunnen opleveren, want juist aan de onderkant van de arbeidsmarkt is de letterlijke afstand tot werk een van de grootste belemmeringen. Samenvattend stelt hij vast dat hier geen evaluatie voorligt.
Er zijn wel cijfers voorgelegd, maar als iets gratis wordt weggegeven en dat geen inkomenspolitiek wordt genoemd, vraagt hij zich af wat het dan wel is: een cadeautje, electoraal gewin? Hij heeft geen flauw idee, maar feitelijk past het nog steeds niet binnen een normaal beleid. Het CDA was dan ook erg blij uit eigen kring te horen dat er af en toe ook inwoners zijn die hun gratis OV-kaart bij een ander inleveren. Een groot deel van de 65+’ers heeft namelijk een uitstekend pensioen en kan het zelf heel goed betalen. Het is hem dan ook nog steeds niet duidelijk waarom hun zo nodig gratis openbaar vervoer zou moeten worden aangeboden. Wethouder VAN SLUIS bevestigt dat de evaluatie geen effectmetingen bevat, maar voegt eraan toe dat dat ook niet mogelijk was. Er is namelijk nooit een nulmeting geweest en als er aan het begin geen ijkpunt is, kan ook het einde niet worden gemeten. Derhalve heeft men zich moeten baseren, wat uiteindelijk ook gevraagd was – het staat in de stukken –, op het cijfermateriaal dat beschikbaar was. Verschillende politieke partijen hebben deze consultatie wel heel breed getrokken. Er komen ineens andere doelgroepen bij, met allerlei argumenten die moverend zijn voor wat een bepaald effect zou kunnen bereiken.