02.04 - conceptverslag commissie SOB 221019 (20.00 uur)
Tekst van het document
pagina: 15 van 21
De heer HARTOG kan zich volledig aansluiten bij het voorstel ten aanzien van de monitoring, maar verzoekt dat nog enigszins uit te breiden om het waterbedeffect niet alleen op Capels niveau, maar vooral ook op regionaal niveau te bekijken. Ook met het toepassen van de leefbaarheidscriteria voor wat betreft Middelwatering-west kan hij instemmen. Mevrouw TIEMAN zegt zich te kunnen vinden in de voorstellen van de wethouder. De heer VAN GENT verzekert dat hij ook meedoet. De heer HEERENS geeft in overweging ook wegingsfactoren te gebruiken, omdat hij zich kan voorstellen dat het ene criterium of het andere misschien toch nog wel verschil maakt qua zwaarte. Leefbaarheid bijvoorbeeld lijkt hem wel een hele zware en heel goed om mee te nemen in de onderbouwing van de schaarste. Wethouder GEISSLER deelt in antwoord op de vraag van de heer Spruit naar de begrenzing van de wijken mede dat de wijken zijn gekoppeld aan de postcodes en hij kan zich voorstellen dat daarvan nog een kaartje wordt gemaakt. In Rotterdam heeft hij gezien dat daar gewerkt met bordjes met de mededeling dat voor een bepaalde wijk een opkoopbescherming geldt. Wellicht kan dat ook iets zijn om in Capelle aan de bewoners te laten merken. Mevrouw FEUTH verwijst naar de kadastralekaart.com op internet, waarop alle kadasters precies zijn weergegeven per wijk, en af en toe per straat.
In ieder geval voor Capelle vindt zij het daar heel goed zoeken. Wethouder GEISSLER zegt toe ook die suggestie te zullen meenemen. Het CDA informeerde naar de kosten die in rekening zouden kunnen worden gebracht als leges voor de vergunning. Het eerste jaar worden geen kosten in rekening gebracht omdat nog niet precies bekend is wat het aan werkzaamheden met zich meebrengt. Met leges wordt vaak gestuurd op kostendekkendheid. Dit jaar zal worden afgewacht wat op de gemeente afkomt qua vergunningaanvragen. Op een later moment kan hierop dan worden teruggekomen, wellicht bij een van de evaluatiemomenten. Tot de heer Hartog merkt hij op dat het niet direct aan de gemeente is om regionaal te onderzoeken welke waterbedeffecten er eventueel zouden kunnen zijn. Dit onderwerp wordt echter ook besproken aan de regiotafel met alle wethouders wonen en als dan ergens waterbedeffecten optreden, zal dat door de desbetreffende gemeente ongetwijfeld ter tafel worden gebracht, waarna daarmee ook hier rekening kan worden gehouden. Wat door de heer Heerens is bepleit ten aanzien van de wegingsfactoren kan wat hem betreft worden meegenomen in de suggestie om te kijken naar de leefbaarheidscijfers. De VOORZITTER concludeert dat het voorstel als hamerstuk naar de raad kan worden geleid. 5. Paraplubestemmingsplan Wonen De heer HEERENS typeert het bestemmingsplan als een prima verhaal.
Bij de definitie van huishouden in artikel 1.3 is bij hem een vraag gerezen over een neef of nicht die mogelijk in een kamer van een verhuurder zou komen wonen. Mogelijkerwijs wordt daarmee niet helemaal aan de definitie voldaan, omdat het volgens hem derde graad is, hoewel het gevoelsmatig wel heel dichtbij voelt. Hij verneemt graag wat in deze situatie met die neef of nicht zal gebeuren. De heer VAN GENT vindt dit ook wel een aardig plan. Bij inwoning worden wat vroeger kostgangers heette hier uitgesloten. Volgens hem zal het echter moeilijk te controleren zijn of het niet alsnog gebeurt. Mevrouw TIEMAN toont zich eveneens ingenomen met het plan. De heer HARTOG uit namens GroenLinks tevredenheid over het plan. Het verheugt hem dat dit plan over de gehele gemeente gaat. De heer VLOT meent begrepen te hebben dat het met het hospitaschap niet zo’n vaart loopt en dat een hospita nog steeds een hospita kan zijn. De commissie heeft kennis kunnen nemen van een vertrouwelijk beleidsadvies en de aandachtspunten die hij daarin heeft gelezen meent hij terug te zien in het paraplubestemmingsplan. Daar hoeft dus verder niet moeilijk over te worden gedaan.
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988841
pagina: 16 van 21
Mevrouw DEN ENGELSMAN gaat ervan uit dat de wethouder de conclusies uit het vertrouwelijke rapport heeft overgenomen en dat die ook weer kunnen worden teruggevonden in het paraplubestemmingsplan. De heer OUDSHOORN merkt aan het adres van de heer Van Gent, die zich afvroeg hoe een en ander te controleren valt, op dat deze regeling bedoeld is om overlast te beperken. Als van overlast geen sprake is, is het volgens hem ook geen probleem. Waar de heer Heerens zojuist het voorbeeld noemde van een neef of nicht, merkt hij op dat in het vorige punt dat besproken is nadrukkelijk in de regeling is vermeld dat het verhuren van woonruimte aan eerste- en tweedegraadsbloed- en aanverwanten is uitgesloten, of dat daarvoor toestemming moet worden gevraagd, ook als je een deel van de woonruimte zelf bewoont en een ander deel aan een familielid verhuurt. Hij vraagt zich af of het nodig is deze zelfde artikelen hieraan toe te voegen, of dat het nu ook het 3.3.-artikel dekt als het gaat om de bevoegdheid tot het afwijken van strijdig gebruik. In dat geval zou het voldoende zijn om het in de toelichting hieronder te vermelden. Mevrouw FEUTH merkt het paraplubestemmingsplan als een prima voorstel aan. Mevrouw PENTERMAN sluit zich daarbij aan.
De heer SPRUIT merkt op dat hij bij het maken van de motie een andere invulling voor ogen had, zoals hij ook met de vorige wethouders al eens heeft besproken, waarbij ook voorbeelden zijn aangereikt van andere gemeenten. Met dit paraplubestemmingsplan kan Leefbaar Capelle echter ook heel goed leven, want of het nu links- of rechtsom gebeurt: als er maar voor wordt gezorgd dat ongewenste verkamering op z’n minst heel erg bemoeilijkt wordt. De heer HARTOG vraagt waarom dit überhaupt nodig is als het geen doel op zich is om verkamering tegen te gaan, zoals hij van meerdere zijden heeft gehoord. Op deze manier wordt namelijk veel meer tegengegaan dan wat blijkbaar wordt beoogd. De heer SPRUIT repliceert dat het niet de intentie was van de motie, en volgens hem ook niet van dit paraplubestemmingsplan, om, net als bijvoorbeeld bij de hondenbelasting, jaarlijks langs de deur te gaan om te kijken of mensen wel of geen hond hebben. Waar het om gaat, is dat de balans in de wijken kan worden behouden en dat kan worden opgetreden als er geklaagd wordt. Uit de stukken blijkt dat er bestemmingsplannen zijn waarin het gebruik als woning gewoon geregeld is – daarin moet één huishouding worden gevormd en anderszins is niet toegestaan –, verder zijn er plannen waarin het helemaal niet is geregeld en bestemmingsplannen waarin een maximum wordt bepaald van vier.
Hoe werkt dat nu in een bestemmingsplan waarin het nu al niet mag en toch gebeurt? Wethouder GEISSLER gaat in op de definitie van huishouden. De heer Heerens vroeg of een neef of nicht die niet direct onder de categorie eerste- of tweedegraads valt tot het huishouden behoort, of dat daarvoor een vergunning moet worden aangevraagd. Als het iemand betreft, bijvoorbeeld die neef of nicht, die daar niet onder valt en geen deel uitmaakt van het huishouden omdat er bijvoorbeeld een verhuurconstructie is, moet zonder meer een vergunning aangevraagd worden. De gemeente gaat op dit moment de vergunningen beoordelen, waarbij wordt gekeken naar een goede ruimtelijke ordening, en dan ontstaat waarschijnlijk een andere situatie als het om één iemand gaat die ergens in komt als huurder dan wanneer bijvoorbeeld vijf of zes mensen apart een huishouding gaan vormen met allerlei overlastgevende zaken van dien, bijvoorbeeld de parkeerdruk die dan ernstig toeneemt, of het dag- en nachtritme dat heel anders zou kunnen zijn. Dat zijn zaken die een rol spelen om tot de afweging te komen om wel of niet een vergunning te verlenen, maar als het niet een van de aangewezen groepen is, zou het inderdaad vergunningplichtig zijn. Mevrouw Den Engelsman bevestigt hij dat de aanbevelingen uit de vertrouwelijke rapportages zijn overgenomen.
Aan het adres van de heer Spruit merkt hij op dat de bestemmingsplannen in meerdere categorieën opgedeeld kunnen worden. Er zijn bestemmingsplannen waarin geen link aanwezig is tussen de bestemmingsplanomschrijving en de woonbestemming, of eigenlijk het begrip ‘woning’. Daar kan handhaving een probleem worden en dat is ook het geval in situaties waarin die link er wel is, maar waarin het huishouden nog heel ruim geformuleerd is. Inderdaad is er ook een categorie bestemmingsplannen waarin dit allemaal wel geregeld is, ook het begrip ‘huishouden’, en dan kan bij overlastgevende situaties gehandhaafd worden.
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988841
pagina: 17 van 21
Tweede termijn De heer OUDSHOORN zegt nog een beetje te worstelen met de vergunningplichtigheid van familieleden die in huis worden genomen en net niet voldoen aan de eerste- en tweedegraadsvereiste. Behalve het door de heer Heerens genoemde voorbeeld kan ook gedacht worden aan een soort mantelzorg. Hij vraagt zich af of daarover toch niet iets moet worden opgenomen in de regeling bij de definitieve vaststelling in de raad. In ieder geval wil hij hierover nog even in de fractie van gedachten wisselen. De heer HEERENS zegt het hiermee voor honderd procent eens te zijn. Mevrouw TIEMAN geeft te kennen dit ook met haar fractie te willen kortsluiten, want in principe voelt zij hier ook wel voor. De heer HARTOG uit zich in soortgelijke bewoordingen. De VOORZITTER concludeert dat het voorstel dus nog niet als hamerstuk kan worden geagendeerd. Hij geeft in overweging in het presidium nader te duiden of er een bespreekstuk van gemaakt moet worden, waarbij dit dan onderwerp van bespreking kan zijn. 6. Motie Vreemd VVD ‘Kansen voor Capellenaren op Capelse woningmarkt’ (uit gemeenteraad 26 september 2022) Mevrouw PENTERMAN licht toe dat de motie ten doel heeft het college te vragen zich grondig en ook spoedig voor te bereiden op de aanstaande wijziging in de Huisvestingswet.
Deze wijziging biedt kansen voor Capellenaren en voor mensen met een economische, maatschappelijke of lokale binding met Capelle. Zo ontving zij onlangs een mail van een oudere dame / moeder wier dochter graag terug wil naar Capelle om een stukje mantelzorg op zich te nemen, maar tegen het probleem aanloopt dat er geen woonruimte is. Ook werving van leerkrachten of politieagenten is lastig, doordat een woning in Capelle moeilijk te vinden is. Makkelijker, eerder of met wat meer voorrang een woning lijkt dus mooi, maar het levert meteen ook nadelen op, want voorrang voor de één betekent langer wachten voor de ander. En wil je trouwens wel dat de overheid mee bepaalt aan wie jij je huis mag verkopen? Als liberale partij wil de VVD hier graag van wegblijven. Ook zijn er vragen waar tijdig bij stilgestaan moet worden, zoals: wat doen de omringende gemeenten met deze wet en wat betekent dat voor de inwoners van Capelle? Denk bijvoorbeeld aan jonge Capellenaren die een woning zoeken in Rotterdam.
Daarom verzoekt de VVD het college zich op deze aanstaande wijziging in de Huisvestingswet voor te bereiden, met een voorstel te komen welke wijzigingen in het toewijzingsbeleid van Capelle wenselijk en haalbaar zijn en dit onderzoek zo snel mogelijk op te starten en uit te voeren, zodat het onderzoek en het voorstel liefst nog voor de inwerkingtreding van de wet in de gemeenteraad kunnen worden besproken. De VOORZITTER nodigt de wethouder uit hierop een eerste reactie te geven. Wethouder GEISSLER deelt mede dat het college zich in grote lijnen in de motie kan vinden. Vorige week nog werd de burgemeester gebeld met een verzoek van een basisschool om nog eens naar de huisvestingsproblematiek te kijken van de leerkrachten in opleiding aldaar die niet zouden willen blijven omdat er geen betaalbare woningen zijn. Dat alleen al is voldoende reden om na te gaan wat de kansen en bedreigingen zijn en wat daartegen vervolgens kan worden gedaan. Het college zal wel prijs stellen op een afbakening van het onderzoek. Het zou gericht kunnen worden op verhuringen in de sociale en middeldure sector, kijkend bijvoorbeeld naar die leerkrachten. Alleenstaanden hebben vaak inkomsten waarmee ze een sociale-huurwoning zouden kunnen bemachtigen, een middeldure woning zou kunnen als je tweeverdiener bent in die situatie. Daar zou het onderzoek zich bijvoorbeeld op kunnen richten.
Ook nieuwbouw-koopwoningen tot de NHG-grens zouden kunnen worden meegenomen. Wat ook een rol speelt is nieuwe informatie die recent is ontvangen via de wethouderstafel wonen. Volgens de wetswijziging die voorligt moet ook directe bemiddeling worden aangemerkt als lokale binding. Als de directe bemiddeling wordt meegeteld, wordt op 24 procent uitgekomen, en gezamenlijk al op 28 procent, waarmee behoorlijk richting de 50 procent wordt gekomen. Wat daarbij ook nog meespeelt is dat de directe bemiddeling herhuisvestingsurgenten betreft en andere urgenten, maar ook statushouders, en dat zijn niet groepen waarvan wordt gedacht dat het er het volgend jaar ineens veel minder zullen zijn. Eerder zal de taakstelling richting de gemeente verhoogd worden en zullen wellicht dus ook meer directe bemiddelingen moeten plaatsvinden.
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988841
pagina: 18 van 21
Qua termijn is het wat het college betreft haalbaar om de uitkomsten van het onderzoek tegen het einde van Q1 begin Q2 te bespreken met de commissie, waarna de bevindingen bijvoorbeeld zouden kunnen worden betrokken bij de evaluatie van de Rotterdamwet en eventueel een nieuwe aanvraag Programma Wonen. In juli 2023 zou dan eventueel besluitvorming kunnen plaatsvinden in de raad. Mevrouw PENTERMAN licht toe dat de motie heel open is gehouden en juist niet ingekaderd, omdat niet helemaal helder is wat omliggende gemeenten zouden doen. Mochten die andere voorwaarden stellen dan Capelle zou willen hanteren, dan ontstaan weer allerlei verwikkelingen. Door die kaders niet te stellen is het eigenlijk meer een oproep om ook heel goed te kijken naar wat in de omliggende gemeenten gebeurt en daarbij zoveel mogelijk aan te sluiten. Door vooraf te bepalen dat het alleen over nieuwbouw mag gaan, of dergelijke criteria, wordt meteen iets uitgesloten wat iets verderop best relevant kan zijn. De VOORZITTER vraagt of de wethouder iets kan met de suggestie om de regio hierin te betrekken. Wethouder GEISSLER oppert dat het kan worden afgebakend tot de doelgroepen die hij eerder noemde, maar dat, als zich in de regio ontwikkelingen voordoen waarbij ook andere doelgroepen worden betrokken, kan worden bezien of die ook hier kunnen worden meegenomen.
De VOORZITTER biedt de overige commissieleden de gelegenheid om te reageren. Mevrouw DEN ENGELSMAN neemt er kennis van dat in Q1 of Q2 alles samen kan komen met de Rotterdamwet en het Programma Wonen. Benieuwd is zij wel hoe dit zich dan verhoudt tot de regio zelf. Hoe zit het dan bijvoorbeeld met het woonruimtebeleid van de regio Rotterdam, waar misschien ook afspraken worden gemaakt? De vraag is dan of deze afspraken in regionaal verband worden gemaakt en of die daar ook al vastliggen. Voorts wil zij weten of de pilot Lokale binding die is gestart – zij verwijst naar de collegebrief van 12 januari 2021 – al is geëvalueerd en ook kan worden meegenomen in dit verhaal. Ten slotte legt zij de wethouder de vraag voor of hij uit de voeten kan met de voorliggende motie en of hij daarmee niet met een onmogelijke opdracht wordt weggestuurd. De heer OUDSHOORN stelt vast dat in afwachting van de definitieve wetgeving al een oproep is gedaan om daarop adequaat te reageren en dat de wethouder ook al te kennen heeft gegeven dit adequaat te willen oppakken. Dat zo zijnde lijkt de motie een beetje overbodig te worden. Volgens hem kan dan beter over de randvoorwaarden worden gesproken dan over de motie. Overbodige moties kan men wat hem betreft beter links laten liggen.
Kijkend naar het voorstel, merkt hij op dat de SGP zich er prima in kan vinden als dit na de wetgeving in regionaal verband afgestemd opgepakt wordt. Als er een soort regionale afstemming is, zou een onderzoek nu misschien al te vroeg zijn. Daar geeft de SGP de voorkeur aan. Mevrouw FEUTH deelt mee dat D66 Capelle in principe tegen de wijziging van de Huisvestingswet is waarbij gemeenten 50 procent van de huur- en betaalbare koopwoningen met voorrang kunnen gaan toewijzen. Deze wet heeft namelijk ook aanzienlijke negatieve kanten en kan er ook voor zorgen dat de eigen bewoners niet terecht kunnen in de omringende gemeenten, waardoor ze nog lastiger een woning kunnen vinden, zeker een aantal mensen die bijvoorbeeld in Rotterdam zouden willen gaan wonen. D66 is van menig dat er hard gewerkt moet worden om het tekort aan woningen te verminderen en ziet deze wet niet als een oplossing, maar eerder als een ander soort verdeling van hetzelfde probleem, met mogelijk ook afremming van het aantal woningen dat erbij komt. Natuurlijk kan Capelle er niet omheen als de omliggende gemeenten ervoor kiezen de wet te gaan uitvoeren, maar dan wordt het wel heel belangrijk hoé ze daaraan invulling gaan geven en in hoeverre Capelle daarin mee kan.
Zouden de omringende gemeenten daarentegen besluiten de wet niet, of slechts gedeeltelijk, uit te voeren, dan zou D66 er heel erg op tegen zijn als Capelle de wet als enige wel volledig zou uitvoeren tot 50 procent. Goed voorbereid zijn op wat gaat komen kan natuurlijk nooit kwaad. Wat dat betreft is het goed om als gemeente klaar te staan, maar het allerbelangrijkste is te weten hoe het er in regionaal verband aan toe gaat. Zij zou dan ook graag zien dat daarnaar sowieso onderzoek plaatsvindt, los van deze motie. Overigens kan D66 de motie van de VVD wel steunen.
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988841
pagina: 19 van 21
De heer SPRUIT deelt mee dat Leefbaar Capelle voor de motie zou hebben gestemd als ze in stemming was gebracht. Al voordat de motie was ingediend kwam echter het ordevoorstel van GroenLinks, dat meteen in stemming werd gebracht, waarbij Leefbaar Capelle verdeeld heeft gestemd. Achteraf bezien had dit procedureel beter anders kunnen lopen. Mevrouw Penterman had gewoon in de gelegenheid moeten worden gesteld om de motie in te dienen, waarna gedurende de discussie mogelijk zo’n ordevoorstel had kunnen worden ingediend. Hij wil er nu excuses voor maken dat het zo is gegaan, want de motie verdiende dat niet. De achterliggende gedachte achter de motie was prima: anticiperen op aankomende wetgeving en zorgen om er snel bij te zijn om weer goed te kunnen omgaan met de woningvoorraad. De motie was niet mede door Leefbaar Capelle ingediend, omdat de fractie van mening was dat er wat dingen in de tekst stonden die niet eenduidig uitlegbaar waren. Dat gold vooral de zinsnede dat het bedreigingen met zich meebracht, al begrijpt hij nu beter waar dat tekstdeel kennelijk vandaan komt. De wethouder heeft inmiddels aangegeven te willen anticiperen op de wetgeving. 1 januari zal wellicht niet meer haalbaar zijn, 1 juli kan dan een meer logische invoerdatum zijn.
Als Capelle er dan klaar voor is, kan hij zich er helemaal in vinden dat het vorm zal krijgen op de manier die de wethouder heeft aangegeven. Met die toelichting is de motie wellicht overbodig, maar hij laat het graag aan mevrouw Penterman over om dat te beoordelen. De heer HEERENS vindt het een beetje lastig te beoordelen wat deze wet precies om het lijf heeft. De wet zou in principe al per 1 januari 2023 kunnen ingaan, maar waar dit pas een van de eerste keren is dat dit onderwerp ter sprake wordt gebracht komt het hem voor dat Capelle er nog niet klaar voor is. Hoe zit dat bij omliggende gemeenten? Zijn er die hierop al wel eerder actie ondernomen hebben? Op zichzelf is hij wel gecharmeerd van het globale voorstel dat voorligt, omdat dat volgens hem wel in een behoefte kan voorzien van bepaalde groepen jongeren die nu misschien nog noodgedwongen thuis wonen, maar wel het huis uit willen. De ChristenUnie vraagt zich echter af of de motie echt nodig is om het proces te versnellen en wel op tijd komt, gezien de planning die de wethouder voor ogen heeft. Mevrouw TIEMAN begint met een soort losse flodder-opmerking, die zij overigens ook nog in het presidium aan de orde zal stellen. Persoonlijk vindt zij de nieuwe manier waarop moties er lay out-technisch uitzien, met zo’n blad erachter, erg onduidelijk.
Ze is bijvoorbeeld elke keer kwijt wie de mede-indieners zijn en dat is ook nu weer het geval. De procedure waaraan de heer Spruit zojuist refereerde zal wat haar betreft ook in het presidium ter sprake moeten worden gebracht. Het feit dat mevrouw Penterman niet de kans kreeg om te reageren op het ordevoorstel vond zij ook een ingewikkelde. Zeker de reactie van de wethouder horend, meent zij dat er misschien wel iets mogelijk was geweest in de raadsvergadering, en dan is het zonde dat het nu op deze manier moet. De reden waarom de PvdA de motie mede heeft ondertekend is simpel: er komt wetgeving aan, het is gebleken dat het niet altijd even snel gaat en laat er daarom nu voor worden gezorgd dat de gemeente daarop goed voorbereid is. De reacties gehoord hebbend die volgden, zowel in het ordevoorstel van GroenLinks als vanavond, en ook de reactie van de wethouder meenemend, denkt ze dat het woord ‘onderzoek’ misschien niet zo handig was. Mevrouw Penterman heeft ze zojuist ook horen zeggen dat het niet per se een heel groot onderzoek hoeft te zijn. Wellicht was het daarom verstandiger geweest het woord ‘verkenning’ te gebruiken. De heer Spruit vroeg zich zojuist af wat de zinsnede over de bedreigingen in de motie doet. De PvdA vond het juist een goed idee om dat erin te zetten, juist omdat er ook nadelige effecten kunnen zijn die goed moeten worden afgewogen.
De heer HARTOG zegt mevrouw Penterman en de wethouder dank voor de toelichting. GroenLinks is nog niet zo ver dat ze al kan zeggen of ze dit voorstel van de minister zou willen invoeren in Capelle. De motie gaat alleen over het onderzoek en daarover het volgende. Wat de directe bemiddeling betreft, vraagt GroenLinks zich af wat er overblijft voor mensen buiten Capelle om hier naartoe te komen als ze geen binding hebben, geen statushouder zijn en ook geen urgentie hebben. Ten slotte wil hij weten hoe vermeden wordt dat verhuurders prijzen gaan optrekken om onder de regeling uit te komen.
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988841
pagina: 20 van 21
De heer VLOT merkt de motie als sympathiek aan en vindt die zeker niet overbodig. Als het aan hem had gelegen, zou hij nog wat deelvragen aan de motie hebben toegevoegd, bijvoorbeeld ten aanzien van de effectiviteit, waarbij teruggekeken zou moeten worden hoeveel mutaties van Capellenaren er zijn geweest die de gemeente hebben verlaten omdat er geen woning was en wat de consequentie zou zijn als zou blijken dat er meer woningen van een bepaald type zouden kunnen komen die onder de regeling zouden kunnen vallen. Hij is niet de opsteller van de motie, maar geeft dit de wethouder graag nog even mee. De VOORZITTER biedt mevrouw Penterman de gelegenheid te reageren. Mevrouw PENTERMAN concludeert dat met name het regionaal toetsen breed gedragen wordt en een belangrijk onderdeel van de verkenning zou moeten zijn. Het doel van de motie was in wezen het betrachten van snelheid: het tijdig voorbereiden van een en ander en niet te veel kaderen, juist omdat moest worden aangesloten bij de omgeving. Sympathiek vond zij de geste van de heer Spruit om excuus aan te bieden voor de gang van zaken. Eerlijk gezegd was zij in de raadsvergadering te verbaasd over de gang van zaken om alert te kunnen inschatten wat zij wel of niet moest of kon doen. Op dit moment vindt zij het lastig te beoordelen of de motie nog noodzakelijk is, of na de toelichting van de wethouder kan worden ingetrokken.
Ze wil dat graag even afstemmen met de mede-indieners D66 en PvdA. Wethouder GEISSLER stelt vast dat het voorstel om het gesprek in de regio aan te gaan en te bezien wat binnen de verordening mogelijk is, breed gedragen wordt. Dat zal worden uitgezocht, waarna het onderdeel kan zijn van de verkenning. Mevrouw Den Engelsman informeerde naar de evaluatie van de pilot Lokale binding. Er zijn vrij weinig mutaties geweest – eerder noemde hij een percentage van 4 –, vandaar dat de evaluatie nog niet is uitgevoerd. Het is echter de bedoeling dat dat in Q1 van 2023 zal gebeuren, waarna het ook kan worden meegenomen in de verkenning, die dan begin Q2 eventueel besproken zou kunnen worden. De heer Hartog vroeg wat dit met Capelle doet voor mensen die van buiten Capelle naar Capelle zouden willen verhuizen. In principe kan maximaal 50 procent beschermd worden. Afhankelijk van hoe dat wordt geregeld, zou het alleen van toepassing kunnen worden verklaard op sociale-huurwoningen. Daarop waren de cijfers die hij eerder noemde gebaseerd. Zou middeldure huur of NHG worden meegerekend, dan moeten zowel de teller als de noemer worden aangepast en worden de percentages weer anders. Het is nuttig om daarnaar te kijken, maar wat dan wijsheid is durft hij nu niet te zeggen; daarvoor moet de verkenning worden afgewacht. Mevrouw TIEMAN verzoekt om een korte schorsing voor beraad.
De VOORZITTER voldoet aan dat verzoek en schorst om 22.59 uur de vergadering. SCHORSING. De VOORZITTER heropent om 23.07 uur de vergadering. Mevrouw PENTERMAN moet het om te beginnen van het hart dat het proces haar heeft teleurgesteld. De motie werd in de raad ingediend met de bedoeling snelheid te betrachten, maar door het naar de commissie te verwijzen werd het vertraagd. Wat haar met name teleurstelt is dat de vragen nu erg inhoudelijk van aard zijn en eigenlijk niet over de motie zelf gaan. Door de wethouder is toegezegd dat tewerk zal worden gegaan volgens de geest van de motie. Voordat zij, ook sprekend namens de mede-indieners, aangeeft of de motie wel of niet wordt gehandhaafd, wil zij graag de toezegging van de wethouder hebben dat de verkenning ook echt wordt uitgevoerd en dat de resultaten daarvan eind Q1, begin Q2 tegemoet kunnen worden gezien. Wethouder GEISSLER zegt dit toe. Mevrouw PENTERMAN deelt mede dat de motie dan niet meer zal worden ingediend tijdens de raadsvergadering. De VOORZITTER zegt iedereen dank voor de constructieve bespreking.
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988841
pagina: 21 van 21
7. Rondvraag Van de rondvraag wordt geen gebruik gemaakt. 8. Sluiting De VOORZITTER sluit om 23.10 uur de vergadering.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de commissie Stadsontwikkeling en -Beheer van 7 december 2022, de secretaris, de voorzitter,