02.02 - conceptverslag commissie SOB 221101 - (21.53 uur)
Tekst van het document
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988848
pagina: 14 van 17
De heer OUDSHOORN geeft aan dat hij nog een antwoord heeft gemist op de vraag hoe het onderzoek naar de mogelijkheid van een informatiepunt over energietransitie zich verhoudt tot de activiteiten van het ECC. Wethouder GEISSLER licht toe dat dit een idee is dat bij de coalitieonderhandelingen geopperd is. Natuurlijk is er al een Energieloket, naast het gemeentehuis, waarin bewoners kunnen zien welke mogelijkheden er zijn, maar niet hoe de dingen in de praktijk werken. Wellicht zou een fysiek demonstratiepunt waarin dat kan worden getoond iets kunnen toevoegen. Daarbij speelt ook een rol dat het Energieloket op de huidige locatie uiteindelijk zal moeten verdwijnen. Programma 8 - Stadsontwikkeling De heer OUDSHOORN citeert op pagina 123 dat in juni 2023 een verzoek zal worden gedaan tot verlenging van de Rotterdamwet en dat in het eerste kwartaal van 2023 de effecten daarvan zullen worden geëvalueerd. Hij neemt aan dat dat een omissie is in de tekst. Naar aanleiding van het gestelde op pagina 132 over participatie en communicatie merkt hij op dat participatie altijd een ‘ding’ is en heel veel bij SOB terugkomt met wat hij maar even een negatieve annotatie noemt.
Dat is iets wat niemand wil, vandaar dat hij namens de SGP in overweging geeft om, voordat een participatietraject wordt gestart en bekend gemaakt, even wat kaders met de raad af te stemmen over de vorm van de participatie. Deze problematiek komt ook terug bij het voornemen een Gebiedspaspoort 2.0 op te stellen voor het Stadshart. Ook daar zullen kaders een enorme rol spelen, wat nu al blijkt uit de initiatieven die er rond het Stadshart zijn, waarbij het bijvoorbeeld gaat over de hoogte van de bouw. Misschien is het handig om, voordat de raad een gebiedspaspoort voorgelegd krijgt en dat moet gaan amenderen, enzovoorts, met de raad in een laagdrempeliger vorm de kaders af te stemmen. Mevrouw PENTERMAN releveert dat in de Stadsvisie de ruimtelijke kaders voor de komende jaren worden vastgelegd, maar dat in de begroting ook ruimte wordt gemaakt voor het Gebiedspaspoort 2.0 voor het Stadshart. Het verbaast haar dat een 2.0-versie wordt opgesteld voor een gebied dat nog volop bezig is met de realisatie van het Gebiedspaspoort 1.0. Aangegeven wordt dat het met name gaat om hoogtes, functies, voorzieningen en bouwplannen. Kan dit niet worden meegenomen in de nog op te stellen Stadsvisie? Stadsvisie en Stadshart 2.0 tezamen vergen vier ton aan externe kosten.
Is het niet beter en voordeliger deze planuitwerking te combineren? En wat betekent Stadshart 2.0 voor de al voorliggende plannen? Worden lopende trajecten bijvoorbeeld on hold gezet, zoals het ING-gebouw en het Stadsplein? De heer MOLENGRAAF vraagt zich evenals de heer Oudshoorn af hoe het zit met de evaluatie van de Rotterdamwetverlenging. Een vraag heeft hij voorts over de verhuisbereidheid onder ouderen. Om de verhuisbereidheid te stimuleren is het belangrijk dat ouderen verleid worden om de stap naar een nieuwe woning te zetten. Heeft de wethouder daar ideeën over, ook in relatie tot de plaatsing van mensen met sociale problemen in ouderencomplexen en de gevolgen die dat heeft voor de leefbaarheid van deze complexen? Wat betreft wijzigingsvoorstel 8.3, verheugt het Leefbaar Capelle dat door de uitvoering van het inrichtingsplan een impuls kan worden gegeven aan de buitenruimte aan de Wiekslag en dat de fietsverbinding centrumring wordt genoemd. Dat plan staat al enkele jaren op de planning en hij hoopt dat dit nu snel zal worden gerealiseerd, zodat het gemakkelijker en fijner wordt om naar het Schollebos te fietsen. Bij punt 8.4 kan hij niet helemaal terugvinden waar dit extra bedrag naartoe gaat. Op wat voor projectoverstijgende kosten wordt hier gedoeld? Het verheugt de fractie ten slotte dat er een gebiedspaspoort Stadshart komt.
Het geeft bewoners en initiatiefnemers duidelijkheid over de spelregels, in het bijzonder natuurlijk over de maximale bouwhoogten. De heer HEERENS meent dat op verschillende manieren naar de Rotterdamwet kan worden gekeken. In die zin is hij wel benieuwd, al is het misschien iets te voorbarig, of er al zicht op is wanneer die evaluatie zal plaatsvinden en of die echt toegespitst zal worden op Capelle, of ook op allerlei andere gemeenten waar de Rotterdamwet toegepast wordt.
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988848
pagina: 15 van 17
Mevrouw TIEMAN vindt het een heel goed idee dat met betrekking tot wonen wordt ingezet op een evenredige verdeling van verschillende typen woningen in de regio, maar waar dat al jaren niet zo goed lukt – volgens haar is de verdeling behoorlijk scheef –, vraagt zij zich af waarom dat nu wel zou lukken. Haar volgende vraag betreft de plannen rondom station Schollevaar. Eerder is er bij verschillende plannen een punt van gemaakt dat voor bewonersparticipatie mensen in zo’n kleine cirkel uitgenodigd worden. Specifiek op dit punt verzoekt zij de wethouder ervoor te zorgen dat de uitnodigingscirkel groot genoeg is, omdat dit stationsgebied natuurlijk niet alleen voor de direct omwonenden, maar ook voor mensen veel breder woonachtig in de wijk van belang is. De heer HARTOG vraagt of de wethouder kan aangeven wat de impact is van de vertraging die wederom is ontstaan met de invoering van de Omgevingswet. De waarde van de woning is momenteel aan het dalen. Wat betekent dit voor de WOZ-waarden en inkomsten van de gemeente? Bijzonder vindt hij dat een verzoek wordt gedaan voor verlenging van de Rotterdamwet, terwijl nog geen evaluatie is uitgevoerd. Participatie is een hot item voor de projecten. Eerder heeft de wethouder in de commissie toegezegd dat gepoogd zal worden de participatie op een hogere trede van de participatieladder te krijgen.
Kan de wethouder aangeven wat hiervoor nodig is en hoe dit is meegenomen in de begroting? Mevrouw DEN ENGELSMAN informeert hoe de wethouder de raad wil betrekken bij de evaluatie van de Rotterdamwet. Wat betreft het gebiedspaspoort voor het Stadshart en het Stationsplein, meent zij te weten dat er nog een motie ligt naar aanleiding van de Stadsvisie voor het opzetten van een strategische ontwikkelagenda. Volgens haar is ook afgesproken dat nog eens gekeken zal worden naar de kaders en plannen in een bepaald gebied, en of daarvoor gekozen wordt voor een gebiedspaspoort of voor een bestemmingsplan. Nu komt zij gewoon al twee gebiedspaspoorten tegen. Over de volgordelijkheid heeft zij eerder een technische vraag gesteld en daarop het antwoord gekregen dat het naast elkaar kan lopen. Naar haar mening is hier weer sprake van een procedurele stap die niet juist is genomen. Eerst dient een en ander met elkaar te worden besproken en pas dan kan de vraag aan de orde komen welke prioritering aan projecten wordt gegeven. Graag een reflectie hierop van de wethouder. Eventueel zal door het CDA een amendement worden ingediend om ze te schrappen uit deze begroting. Wethouder FAASSEN vindt de suggestie van de heer Oudshoorn ten aanzien van de participatie en de kaders op zich wel een aardige, al zou hij die niet helemaal naar de raad willen trekken.
Een werkgroepje trekt hem anderzijds weer wel aan. Hij moet er even over nadenken hoe dat het beste georganiseerd kan worden. Het ING-pand waarnaar mevrouw Penterman verwees is even een soort stand alone, om het zomaar even te zeggen, maar het college wil hier heel graag een paspoort maken omdat het samen met de raad de hoogte wil bepalen, maar ook welke voorzieningen er mogelijk zijn en andere zaken die men in het Stadshart wil hebben. De Stadsvisie is al door de raad vastgesteld en het lijkt hem niet verstandig om dit daar nog als een soort addendum in te fietsen, zeker ook omdat het wat breder gaat dan alleen de hoogte en dat soort zaken. De heer Molengraaf deelt hij mede dat voor het gebied van de Wiekslag momenteel integraal rekenen tekenwerk plaatsvindt en daarnaast wordt met de omwonenden gesproken. Het voorlopig ontwerp staat gepland in het voorjaar van 2023, het definitief ontwerp moet worden vastgesteld in het najaar van 2023, waarna de realisatie plaatsvindt in de zomer van 2024. Zo is het ook gecommuniceerd met de omwonenden. De kosten waarnaar de heer Molengraaf informeerde betreffen de algemene communicatie, promotiemiddelen, ICT en onderhoudscontracten. Aan het adres van mevrouw Den Engelsman merkt hij op dat zijnerzijds twee zaken zijn toegezegd: 1.
het BOT dat georganiseerd zou worden – morgenmiddag om half vijf is er toevallig een gesprek met de griffie en de voorzitter ten aanzien van de pauzelijst, om het zomaar even te zeggen: welke projecten wel en welke niet –; 2. een onderzoek naar de paspoorten en bestemmingsplanwijzigingen, en ook dat is morgen onderwerp van gesprek. Zijns inziens zijn dat twee gescheiden trajecten die volgordelijk naast elkaar kunnen lopen. Het gebiedspaspoort 2.0 betreft niet alleen de hoogte. Hij wil echt zo’n ‘ING-ding’ voorkomen-
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988848
pagina: 16 van 17
Mevrouw DEN ENGELSMAN werpt tegen dat zij juist hiermee een ‘ING-ding’ voorkomen: dat er nu al een gebiedspaspoort wordt vastgesteld voordat een gesprek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de motie. Het CDA heeft toen voor de Stadsvisie gekozen, juist omdat op basis van die motie eerst nog zou worden gesproken over de prioritering. Zij herinnert eraan dat al twee jaar een gebiedspaspoort Barbizonlaan & Roer op de plank ligt waar gewoon niets mee wordt gedaan. Het CDA hecht belang aan die prioritering voordat toestemming wordt gegeven voor de begroting. Wethouder FAASSEN betoogt dat het college de raad zo snel mogelijk in het proces wil betrekken en in de positie brengen waarin bepaald wordt hoe hoog het wordt en welke voorzieningen er komen. Dat is juist de reden waarom het verstandig wordt geoordeeld om zo’n paspoort wel te maken, naast de twee toezeggingen die hij sowieso al heeft gedaan. Het vergroten van de uitnodigingscirkel voor de bewonersparticipatie, als bepleit door mevrouw Tieman, vindt hij een goed idee. Wethouder GEISSLER zet uiteen dat de evaluatie van de Rotterdamwet in het eerste kwartaal van 2023 zal worden uitgevoerd. Als een nieuwe aanvrage ingediend moet worden, is dat in juni 2023, en daarvoor zou dan de evaluatie afgerond moeten zijn. Die evaluatie kan ook gedeeld worden met de raad.
Als aan het einde van het eerste kwartaal de evaluatie gereed is, is er voor juni 2023 nog alle tijd om daarover te discussiëren met elkaar. Bij het indienen van een nieuwe aanvrage is ook de raad in positie, omdat het ook over de maatregelen gaat die dan worden toegepast, dus dan komt het nogmaals in een commissieronde en vervolgens voor besluitvorming in de raad terecht. De evaluatie wordt specifiek toegespitst op Capelle. Per gebied waarvoor de wet eventueel verlengd zou worden moeten de noodzaak, de geschiktheid en de proportionaliteit van de maatregel worden onderbouwd, of ze daadwerkelijk ten goede komt aan de leefbaarheid. Daarbij merkt hij op dat momenteel bij zijn weten twee criteria uit de Rotterdamwet worden toegepast: arbeidsinkomen, of gedurende maximaal zes jaar woonachtig zijn in de regio, en daarnaast het criterium van de voorrangsregeling voor bijvoorbeeld mensen die vrijwilligerswerk verrichten met een bepaald maatschappelijk doel. Hij vindt het wat voorbarig nu al te stellen dat het niet nodig is dit te continueren. De heer OUDSHOORN verduidelijkt dat het hem om iets anders ging. Dat in Q1 een evaluatie plaatsvindt vindt hij logisch en dat juicht hij ook toe. In dezelfde zin staat echter dat in juni een verlenging zal plaatsvinden.
Is de wethouder het met hem eens dat die zinsnede er eigenlijk uit kan? Er zal namelijk een evaluatie worden uitgevoerd en afhankelijk van de uitkomst daarvan zal al dan niet gekozen worden voor een verlenging. Wethouder GEISSLER meent dat het letterlijk zo gekopieerd is uit het coalitieakkoord, en daaraan is hij gebonden. Desgevraagd voegt hij eraan toe dat in principe nog twee keer naar de raad zal worden teruggekoppeld. De evaluatie zal worden gedeeld, en die kan ook in de commissie worden besproken, en als er een nieuwe aanvrage komt, komt er ook een nieuw commissiebehandeling, waarna het stuk via de raad doorgaat. Wethouder FAASSEN deelt mede dat hij de heer Hartog nog een reactie schuldig is op enkele vragen, allereerst op diens vraag naar de impact van het uitstel van de Omgevingswet. Morgenmiddag om twee uur heeft hij daarover een afspraak met de organisatie en als daaruit dingen te melden zijn, komt hij er graag in een collegebrief op terug. De VOORZITTER oppert dat dat niet nodig is. Maandag vergadert namelijk de werkgroep Omgevingswet en dat lijkt hem een uitstekende gelegenheid om over een en ander bij te praten. Wethouder FAASSEN beaamt dat. De vraag over de WOZ-waarden af als een technische vraag.
Een nadere verduidelijking zal hij op prijs stellen van de opmerking van de heer Hartog over een hogere participatiegraad in combinatie met de vraag hoe dat in de begroting is verwerkt. De heer HARTOG licht toe dat eerder was toegezegd dat gepoogd zou worden de participatie op een hogere trede van de participatieladder te krijgen. Hij neemt aan dat dat geld zal kosten. Is daarvoor iets in de begroting opgenomen? Wethouder FAASSEN antwoordt ontkennend.
Behorende bij commissieverslag Stadsontwikkeling en -Beheer, nummer: 684926/988848
pagina: 17 van 17
Wethouder GEISSLER vervolgt zijn beantwoording met twee vragen die nog resteren, één van mevrouw Tieman en één van de heer Molengraaf. Mevrouw Tieman vroeg wat eraan zal worden gedaan om een evenredige verdeling van (categorieën van) woningen over de regio te bewerkstelligen, waarmee het tot nu toe behoorlijk scheef is gegroeid. Via de wethouderstafel in de regio wordt geprobeerd elkaar in dit opzicht bij de les te houden en de afspraken na te komen die zijn gemaakt in het regioakkoord. De provincie is een van de toezichthouders op dat vlak en is de laatste vier jaar wat actiever geweest op dat gebied, wat nu z’n vruchten begint af te werpen. Hij hoopt dat die lijn doorgetrokken kan worden. De heer Molengraaf vroeg hoe de verhuisbereidheid onder ouderen gestimuleerd zal worden. Het college is ook van mening dat het heel belangrijk is om de doorstroming van senioren te bevorderen. Onlangs werd tijdens een bijeenkomst bij Havensteder het programma ‘Van groot naar beter’ gememoreerd: iemand die uit een vijfkamerwoning vertrekt kan tegen dezelfde huurprijs overgaan naar een kleinere woning met bijvoorbeeld drie kamers. Het is een concrete maatregel die wordt toegepast. Oudere mensen die in een sociale-huurwoning wonen denken vaak dat ze bij een verhuizing ineens de hoofdprijs moeten gaan betalen, maar dat hoeft dus niet zo te zijn.
De bekendheid van die en andere maatregelen laat echter nog te wensen over, dus daar ligt wel een uitdaging. Die uitdaging ligt er ook als het gaat om de koopwoningen in de gemeente, waarvoor de gemeente eigenlijk meer aan de lat staat. Ook de gemeente moet maatregelen nemen om het voor de koopwoningen te gaan regelen. Wat hem betreft kan het iets zijn om mee te nemen in het Programma Wonen. De vraag over de plaatsing van mensen met sociale problemen in ouderencomplexen was hem niet helemaal duidelijk, maar het zou twee kanten op kunnen. Enerzijds zijn er ouderen die steeds vaker extramuraal blijven wonen, terwijl het vroeger intramuraal was, en dat ze wel een probleem, of een rugzakje met zich meenemen. Dat doet zich zeker voor, maar wellicht wordt ook op andere doelgroepen gedoeld. De heer MOLENGRAAF verduidelijkt dat het hier ging om ouderen die vanuit andere gemeenten worden overgeplaatst naar Capelse ouderencomplexen en hier voor overlast zorgen. De VOORZITTER neemt aan dat het laatste – ouderen die voor overlast zorgen – niet zo is bedoeld, maar het is al laat en dat kan als excuus gelden! Wethouder GEISSLER repliceert dat het in principe heel lastig is, omdat er een vrije-vestigingsklimaat is in de woningbouwsector. Iedereen kan dus gaan en staan waar ‘ie wil, tenzij de gemeente bepaalde maatregelen oplegt, zoals bijvoorbeeld de Rotterdamwet.
Maar anders is men voor een heel belangrijk deel afhankelijk van bijvoorbeeld de woningcorporatie. Wat ook zou kunnen, en daarbij denkt hij even terug aan de vorige commissievergadering, is dat lokale binding meer wordt ingezet. Het zijn zaken die in dat kader bezien kunnen worden, maar hij denkt niet dat men dit volledig zal kunnen tegengaan. De VOORZITTER vraagt of behoefte bestaat aan een tweede termijn. Mevrouw DEN ENGELSMAN dankt de wethouder voor de beantwoording, maar voegt eraan toe dat er een verschil van mening blijft bestaan, zodat er mogelijk een amendement in het verschiet ligt. De VOORZITTER stelt vast dat dit betrekking heeft op het standpunt dat eerst de kaders moeten worden vastgesteld en dat pas dan de nadere uitwerking aan bod kan komen. 5. Rondvraag Van de rondvraag wordt geen gebruik gemaakt. 6. Sluiting De VOORZITTER zegt iedereen dank voor de bijdragen en het uithoudingsvermogen en sluit om 00.33 uur de vergadering.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de commissie Stadsontwikkeling en -Beheer van 7 december 2022, de secretaris, de voorzitter,