CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

02.01 - Conceptverslag commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 24 januari 2022

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 14 februari 2022, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Vaststellen verslagen10.477 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verslag van de hybride vergadering van de commissie Stadsontwikkeling en -Beheer, gehouden op maandag 24 januari 2022, in de raadzaal van het gemeentehuis en via Pexip, aanvang 20.00 uur Aanwezig zijn als: voorzitter

:

mevrouw mr. A.S. van der Klauw-Cornet;

volksvertegenwoordigers :

de heer G. Spruit, raadslid Leefbaar Capelle; mevrouw V. King-de Hoog, raadslid Leefbaar Capelle; mevrouw J.W. Lauw-Schouten, raadslid Leefbaar Capelle; de heer L.C.A. Anink, raadslid VVD; de heer J.S. Kolster MSc MA, raadslid VVD; de heer H.E. Tiesma, burgerraadslid D66; de heer B.H.W. Oudshoorn, burgerraadslid SGP; de heer S. Geissler, raadslid PvdA; de heer M.W. Vlot, raadslid SP; de heer E. Harinck, burgerraadslid CDA; de heer ing. P. Eilander, raadslid ChristenUnie; de heer E.C. Raadsen, raadslid GroenLinks; de heer drs. S. van Loef, raadslid Capels Bewoners Belang;

secretaris

:

de heer drs. A.J.M.C. Schoenmakers;

portefeuillehouder

:

de heer M.J.W. Struijvenberg, wethouder;

notulist

:

de heer D.J. van Eck (Notuleerservice Dictum).

Op de publieke tribune zijn bij de aanvang van de vergadering 6 personen aanwezig.

1. Opening, mededelingen en vaststelling agenda De VOORZITTER opent de vergadering en heet eenieder van harte welkom. Ten behoeve van de insprekers, die anders een halve avond zouden moeten wachten, stelt zij voor de agendapunten 6 en 7 in omgekeerde volgorde te behandelen. Aldus wordt besloten. De agenda wordt aldus gewijzigd vastgesteld. 2. Vaststellen verslagen Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer van 29 november 2021 Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer van 6 december 2021 Gecombineerde Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer en Samenleving en Economie van 7 december 2021 De verslagen worden ongewijzigd vastgesteld. 3. Spreekrecht inwoners De heer DE GRAAF licht toe dat hij het woord voert namens alle families op de nieuwe Mient, die bijzonder teleurgesteld zijn in het proces tot nu toe, met name over de manier waarop de wethouder daarin acteert. Over het doorlopen proces zijn inmiddels twee brieven aan de wethouder gestuurd, op 16 februari 2021 en op 21 december 2021. Tot vanavond 18.05 uur waren beide brieven niet of nauwelijks beantwoord. Uitgerekend vandaag werd voor het eerst, dus na bijna een jaar, een mail ontvangen van de wethouder.

684926/679279

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 2 van 17

Vanaf dag 1 lijkt maar één belang te tellen in het proces ten aanzien van De Mient, en wel dat van de ontwikkelaar. Ook nu weer wordt die indruk gewekt. De ontwikkelaar stuurt een brief met de wens de coördinatieregeling toe te passen en de wethouder springt op om het te regelen, zonder hierbij met de overige betrokkenen te overleggen, zoals bij de vaststelling van het gebiedspaspoort in 2016 wel is vastgelegd. Gevolg van het voorgestelde proces waarbij de coördinatieregeling wordt toegepast is dat de bewoners slechts één keer bezwaar en beroep kunnen aantekenen tegen het plan. Dat effect is niet benoemd in het toelichtende stuk bij het voorstel. Ook dat wekt bij de families de indruk dat hun belangen niet relevant worden geacht in deze afweging. Dit soort onzorgvuldigheden, in combinatie met de eenzijdige benadering, maakt de keuze voor de te volgen RO-procedure en de besluitvorming daarbij cruciaal. Een wethouder en een college die z’n eigen gang lijkt te gaan behoort door de raad te worden gecontroleerd. De besluiten moeten dus in deze raad worden genomen. De generieke verklaring van geen bedenkingen uit 2016 waarnaar in de stukken wordt verwezen is naar zijn mening alleen bruikbaar als zowel op inhoud als qua procesgang de kaders worden gerespecteerd, wat hier helaas niet het geval is.

De inhoudelijke ruimte in het gebiedspaspoort voor De Mient wordt misbruikt om de opbrengsten te maximaliseren en het co-creatieproces is in z’n volledigheid vergeten. Van een besluit over deze locatie kan zijns inziens dan ook geen sprake zijn. Als de reactie van de wethouder vandaag één ding duidelijk maakt, is het wel dat er heel veel ruimte voor interpretatie is. In dat geval dient de volksvertegenwoordiging juist daarom een uitspraak te doen over de interpretatie van het gebiedspaspoort in relatie tot de vergunningsaanvrage. Verzocht wordt daarom bij de besluiten over het toepassen van de coördinatieregeling ook te besluiten dat een besluit van de raad voor deze locatie vereist is, bijvoorbeeld door een specifieke verklaring van geen bedenkingen en hiermee als gemeenteraad een uitspraak te doen, c.q. een besluit te nemen, over de interpretatie van het gebiedspaspoort in relatie tot de vergunningsaanvrage. Overigens is al eerder, bij mail op 21 december 2021, verzocht de besluitvorming omtrent deze ontwikkeling naar de raad toe te trekken. De heer EILANDER vraagt of in een top-3 kan worden aangegeven waarmee degenen namens wie de heer De Graaf hier het woord heeft gevoerd de meeste moeite hebben. De heer DE GRAAF noemt als eerste het feit dat de omwonenden pas voor het eerst over het plan is verteld toen het al klaar was.

Als tweede verwijst hij naar de discussie over kaders. Het is heel vermoeiend constant een discussie te moeten voeren over de vraag hoe het gebiedspaspoort zich verhoudt tot een gebiedsvisie en een structuurvisie. Die trits hoort bij elkaar. Weliswaar wordt nu net gegaan alsof die volledig los staan van elkaar, maar dat is feitelijk onjuist. Ten derde laakt hij het feit dat een misplaatst plan, dat gewoon niet in de omgeving past, hier te vuur en te zwaard wordt verdedigd. Mevrouw LAUW-SCHOUTEN vraagt wat volgens de heer De Graaf specifiek niet in de omgeving past. De heer DE GRAAF memoreert dat bij eerdere besluitvorming over het gebied altijd is bedacht dat het een gebied zou zijn met ruimte voor een combinatie van wonen en werken, primair in laagbouw, met grondgebonden woningen. Het nu voorliggende plan wijkt daarvan in grote mate af, met name als het gaat om de hoogte, i.c. de toren. De heer VLOT informeert in hoeverre de vormgeving, en dus ook de overschrijding van 12 naar 28 meter, belastend is voor de inspreker zelf, en of deze ook begrijpt dat er een belang bij kan gelden om zich solidair op te stellen bij de behoefte aan de vormgeving van het plan. De heer DE GRAAF verzekert dat hij niets liever zou willen dan zich op de een of andere manier solidair te kunnen voelen met een plan.

Als zo’n plan hem echter door de strot geduwd wordt, zonder te kunnen aangeven wat hij zou willen, is die solidariteit in ieder geval vanuit het perspectief van de omwonenden ver te zoeken.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 3 van 17

De omwonenden zouden niets liever willen dan in gesprek gaan over de feitelijke ontwikkeling van de locatie. Zij zijn helemaal niet tegen een bouwplan ter plekke, sterker nog: zij staan erom te springen, want het is niet per se het meest florissante stukje Capelle aan den IJssel. Zij zijn zelfs niet apert tegen een appartementengebouw. Het gaat erom dat dit een plan is dat naar hun mening niet past en dat zij dat maar moeten accepteren, terwijl zij daarover graag het gesprek zouden willen voeren. De heer VAN LOEF vraagt welke hoogte van een appartementencomplex voor de omwonenden bespreekbaar zou zijn. Volgens hem zit daar de belangrijkste grief. Als het om de hoogte gaat wordt namelijk steeds over een toren gesproken. De heer DE GRAAF kan uit de losse pols niet even aangeven wat een acceptabele hoogte zou zijn, maar volgens hem zou het iets kunnen zijn wat volgt uit een proces, zoals ook het gebiedspaspoort is vastgesteld en bedoeld is. Dat zal dan wel blijken op het moment dat die belangen op een gelijkwaardige manier op tafel komen, De VOORZITTER zegt de inspreker dank voor diens bijdrage. 4. Gemeenschappelijke regelingen (DCMR Milieudienst Rijnmond) Geen opmerkingen. 5. Corona Geen opmerkingen. 7.

Toepassen coördinatieregeling De Mient Midden De VOORZITTER geeft aan dat het college in het voorstel wordt verzocht alle ruimtelijke besluiten met betrekking tot het project Mient Midden gecoördineerd voor te bereiden en hierover ook gecoördineerd te besluiten. Hierdoor ontstaat een integraal beeld van de besluitvorming rondom dit project, dat ook voor alle belanghebbenden van belang is. De vorig jaar door de raad vastgestelde coördinatieverordening biedt deze mogelijkheid voor het college. Tevens biedt deze verordening de uitzonderingsmogelijkheid om de gecoördineerde voorbereiding van besluiten niet alleen via het college, maar ook via de raad te laten lopen. Omdat het hiervoor vereiste quorum, 1/5de deel van de raad, heeft aangegeven hiervan bij dit project gebruik te willen maken, ligt nu een voorstel ter zake aan de raad voor, wat slechts een technisch voorstel is, om alle voorbereidingen van besluiten e.d. via de raad te laten lopen, een voorstel dat dus bijdraagt aan de versterking van de controlerende rol van de raad. Met dit voorstel wordt dus niets inhoudelijks voorgesteld over het project Mient Midden. Daarover kan in een later stadium nog gesproken worden. De heer EILANDER toont zich getriggerd door de laatste opmerking, dat over de inhoud in een later stadium met elkaar zal worden gesproken.

Wat houdt dat precies in? De VOORZITTER antwoordt dat nu alleen de beslissing voorligt over het wel of niet toepassen van de coördinatieregeling en dat het plan ‘an sich’ later nog aan de orde komt. De heer EILANDER verduidelijkt dat het hem met name gaat om de opmerking dat over de inhoud later nog wel een keer gesproken zal worden. Hij vraagt zich af of er bewust voor is gekozen om het op die manier te zeggen. De VOORZITTER bevestigt dat daarover in een later stadium nog kan worden gesproken. De heer VAN LOEF herinnert aan het voorstel dat de voorzitter bij de vaststelling van de agenda deed om vanavond eerst agendapunt 7 in behandeling te nemen, zodat de insprekers daarna eventueel naar huis zouden kunnen gaan. Volgens hem kunnen de inspreker en diens medebewoners nu meteen wel naar huis, want zij verwachten natuurlijk een reactie van de raad.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 4 van 17

De VOORZITTER repliceert dat die reactie nu ook gegeven kan worden. De heer VAN LOEF brengt daartegen in dat hij uit de reactie op de opmerking van de heer Eilander opmaakt dat er blijkbaar ook nog een commissievergadering gewijd zal worden aan het initiatief dat er ligt van de ontwikkelaar. Hij stelt prijs op een nadere verduidelijking. De VOORZITTER geeft daartoe het woord aan de wethouder. Wethouder STRUIJVENBERG geeft te kennen dat hij zich voor deze avond heeft voorbereid op het voorstel ten aanzien van de coördinatieregeling. Een raadsvoorstel over de inhoud van het plan ligt nu niet voor, al snapt hij wel dat er behoefte aan bestaat om daarover te spreken. Het is echter niet aan hem om de agenda te bepalen. De heer HARINCK zegt ook te worstelen met het onderwerp dat de heer Eilander heeft aangekaart. Een van de voorwaarden om te werken met de coördinatieregeling is blijkens artikel 1.2 dat alle stukken concreet en helder zijn. Dat zinnetje is de afgelopen week bij hem blijven hangen, want concreet en helder is het nu volgens hem niet. Derhalve is er alle reden om over de inhoud te spreken. De heer TIESMA brengt te berde dat het weinig zin heeft nu over de coördinatieregeling te gaan praten, als de inhoud niet duidelijk is.

De VOORZITTER gaat ervan uit dat de leden van de commissie een en ander ook op inhoud hebben voorbereid, omdat het één nu eenmaal met het ander samenhangt. De heer RAADSEN merkt op dat hem niet helemaal duidelijk is wat nu de vervolgprocedure zou moeten zijn. In diens brief aan de bewoners schrijft de wethouder dat het conceptplan voor Mient Midden dient te voldoen aan het gebiedspaspoort en de beoogde kwaliteit voor De Mient en ervan uitgaat dat het aangevraagde plan ook voldoet aan het gebiedspaspoort. Betekent dit dat de wethouder juridisch de mogelijkheid heeft om zelf te beslissen over het verlenen van die vergunning, of toch ook nog afhankelijk is van een inhoudelijke toets vanuit de gemeenteraad? Wethouder STRUIJVENBERG antwoordt dat het toepassen van een coördinatieregeling niet van invloed is op de rest van de discussie over de inhoud van het bouwplan. Het is de raad geweest die de wens heeft geuit om over de coördinatieregeling te spreken en dat kan vanavond. De heer VAN LOEF doet het ordevoorstel om het project inhoudelijk te gaan bespreken en zo tegemoet te komen aan het verzoek van de inspreker. De heer SPRUIT maakt daar bezwaar tegen. Volgens hem heeft de wethouder praktisch toegezegd dat de raad in de gelegenheid zal worden gesteld het ook nog een keer over de inhoud van het plan te hebben, alleen niet vanavond.

Leefbaar Capelle wil zich daarop sowieso ordentelijk kunnen voorbereiden. De heer EILANDER vraagt of de wethouder kan toezeggen dat over de inhoud met de raad in gesprek zal worden gegaan voordat het college überhaupt een uitspraak doet over het verlenen van een vergunning. Wethouder STRUIJVENBERG stelt voor tewerk te gaan zoals indertijd bij de Johannahoeve, toen op verzoek van de raad werd overeengekomen dat nader met het college van gedachten zou worden gewisseld voordat het college gebruik zou maken van diens bevoegdheden. Als de raad niet zozeer een discussie wenst over de coördinatieregeling als wel over de inhoud van het plan, stelt hij voor de bespreking van de coördinatieregeling te schrappen en te vervangen door een discussie over de inhoud van het bouwplan voordat door hem een bouwvergunning wordt afgegeven.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 5 van 17

De heer OUDSHOORN krijgt het gevoel dat de procesbespreking van de coördinatieregeling nu gebruikt wordt om de inhoud ter discussie te stellen. Wat hem betreft wordt die ruimte vanavond niet geboden, omdat de inhoud hem eenvoudigweg niet bekend is. Hij stemt dan ook in met het voorstel van de wethouder om die inhoud op een later moment te bespreken. De heer HARINCK sluit zich daarbij aan. De heer VAN LOEF geeft in overweging dit voorstel ook aan de inspreker voor te leggen en daartoe de vergadering even te schorsen. De VOORZITTER zegt inmiddels te hebben begrepen dat eventueel volgende week, en anders uiterlijk de week daarop, een inhoudelijke bespreking over het voorstel kan worden belegd. Op verzoek van de heer Van Loef schorst zij hierop te 20.36 uur de vergadering voor enig onderling overleg. Schorsing (20.36 – 20.44 uur). De VOORZITTER heropent te 20.44 uur de vergadering. De heer VAN LOEF zegt begrepen te hebben dat op zeer korte termijn een inhoudelijke bespreking van dit dossier zal worden belegd. Als hierbij een zelfde procedure wordt gevolgd als bij Johannahoeve, zoals de wethouder opperde, betekent dat volgens hem effectief dat de mandatering aangaande het verstrekken van de vergunning voor dit project wordt ingetrokken. Hij hoop dat de wethouder dat kan bevestigen.

Wethouder STRUIJVENBERG herhaalt dat zijnerzijds is voorgesteld het verzoek tot het houden van een debat over de coördinatieregeling te schrappen, waarbij zijnerzijds al is aangeboden geen vergunning af te geven voordat ter zake een inhoudelijk debat met de raad, of de commissie, is belegd. Daarbij dringt hij er wel op aan dat snel te doen en niet pas over een paar maanden of iets dergelijks. De heer VAN LOEF neemt aan dat de coördinatieregeling dan nog even boven de markt kan worden gehouden, in die zin dat daarover pas een besluit wordt genomen nadat het inhoudelijke gesprek heeft plaatsgevonden. De heer EILANDER benadrukt dat de ontwikkelaar ook een vergunning kan aanvragen als nu ‘nee’ zou worden gezegd tegen de coördinatieregeling. Naar hij heeft begrepen, kan volgende week een consultatieronde worden belegd met het college over de inhoud van het plan. Leidt dat niet tot een bevredigend resultaat, dan staat het de raad altijd vrij om in de raadsvergadering van 7 februari 2022 te besluiten al dan niet een verklaring van geen bedenkingen toe te passen, waarmee het mandaat zou worden overruled dat het college door de raad is gegeven. Wethouder STRUIJVENBERG vraagt of het verzoek tot het agenderen van de coördinatieregeling hiermee ook wordt ingetrokken. De heer GEISSLER herinnert eraan dat dit verzoek ook is gedaan door een aantal raadsleden die vanavond niet aanwezig zijn.

Hij vraagt zich dan ook af of deze commissie nu kan besluiten dat verzoek in te trekken. Wethouder STRUIJVENBERG concludeert dat het raadsvoorstel in dat geval intact blijft voor de raadsvergadering van 7 februari. Of er dan nog echt inhoudelijk over zal worden gesproken, zal dan wel blijken. De heer VLOT stelt vast dat hybride vergaderen bepaald niet altijd effectief blijkt te zijn. Het is inmiddels bijna een halfuur geleden dat hij het woord heeft gevraagd, maar helaas vergeefs.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 6 van 17

In eerste instantie ging het hem om de schorsing die werd gevraagd om de fysiek aanwezigen de mogelijkheid te geven ruggenspraak te houden met de insprekers, iets wat dan niet gefaciliteerd kan worden voor de andere deelnemers aan deze vergadering. Die bespreking heeft er nu wel toe geleid dat er wat anders gaat gebeuren dan alleen het nemen van een besluit over het al dan niet toepassen van de coördinatieregeling. Daarbij verbaast het hem dat een aantal commissieleden die juist voorstander zijn van het toepassen van die regeling nu plotseling allerlei vragen blijken te hebben over die toepassing. Zij hadden al veel eerder kunnen aangeven dat dit niet de weg is om dit soort projecten te ondernemen. De VOORZITTER vat samen dat volgende week een inhoudelijke bespreking zal worden geagendeerd, waarbij ook het voorliggende punt inzake de coördinatieregeling zal worden betrokken, zodat een en ander kan worden behandeld in de reeds geplande raadsvergadering op 7 februari 2022. De heer VAN LOEF neemt aan dat in hetzelfde rijtje de bezonningsstudie thuishoort, evenals alle andere onderliggende onderzoeken die ten grondslag liggen aan dit paspoort. Er worden namelijk diverse rapporten aangehaald die hij eerlijk gezegd nooit onder ogen heeft gehad. Wethouder STRUIJVENBERG geeft in overweging alle verzoeken om rapporten/onderzoeken enz.

vandaag, uiterlijk morgenochtend, te verzamelen bij de griffie, waarna hij ervoor zal zorgen dat die z.s.m. de leden van de commissie zullen bereiken. De VOORZITTER concludeert dat daarmee wordt ingestemd. 6. Buitenplanse omgevingsplanactiviteiten onder de Omgevingswet De heer TIESMA stelt vast dat de nieuwe Omgevingswet voor iedereen, de raad, het college en de inwoners, van eminent belang is. Het verheugt D66 dat een commissie uit het midden van de raad gestudeerd heeft op de buitenplanse omgevingsactiviteiten. De lijst van activiteiten bepaalt immers mede de zeggenschap van de raad en de inwoners. Die lijst oogt volgens hem compleet, maar van degenen die deel hebben uitgemaakt van genoemde commissie wil hij graag weten of zij het daarmee eens zijn. Een tweede vraag, die daarmee samenhangt, betreft de aanpassing. Het is immers een dynamische lijst en voorzien wordt dat dit een keer per jaar zal plaatsvinden. Is dat in het eerste jaar na invoering wel voldoende? Het komt hem verstandig voor na zes maanden nog een keer te checken of dat wel zo is. De heer RAADSEN deelt mede dat hij in de genoemde commissie heeft geïnformeerd naar de punten 5 t/m 8 en nr. 14 in de bijlage, waarin absolute getallen worden genoemd voor maximale overschrijdingen; als die worden overschreden, heeft de raad er wat over te zeggen.

Naar aanleiding daarvan heeft hij gevraagd of daaraan ook relatieve getallen kunnen worden toegevoegd. Bij wijze van voorbeeld noemt hij een transformatorhuisje waarvoor aanvankelijk een vloeroppervlak was voorzien van 3 bij 2 meter en een hoogte van 2,5 meter. Met het voorliggende voorstel kan er ineens 15 meter bovenop, uit z’n hoofd gezegd, en kan de oppervlakte worden vergroot, waardoor er een ding komt te staan dat vele malen groter is dan waarover oorspronkelijk een besluit was genomen. Dat kan worden voorkomen door naast absolute getallen ook relatieve getallen te noemen, zoals bijvoorbeeld: de afmetingen mogen niet meer dan 25% overschreden worden en zo wel, dan kan het in de raad tot besluitvorming leiden. De vraag is gehoord en in bijlage 4 is er ook een antwoord op gekomen, maar dat luidt eigenlijk botweg ‘nee’, zij het in veel diplomatieker bewoordingen. Hij zou het op prijs hebben gesteld wanneer daarvoor ook een argumentatie was aangevoerd.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 7 van 17

In reactie op de vraag van zijn voorganger merkt hij op dat GroenLinks inderdaad iets heeft gemist op het procesmatige gebied, maar dat daarvoor in de werkgroep een andere oplossing is bedacht, namelijk dat het college het plan niet in behandeling hoeft te nemen als niet wordt voldaan aan de participatie. Als het op die manier goed kan worden afgehandeld, is de lijst wat hem betreft verder wel volledig. De heer ANINK stelt vast dat de raad niet alleen een kaderstellende, maar ook een controlerende taak heeft, zoals een kwartier geleden maar weer eens is gebleken. De vraag die hij heeft te stellen gaat daarover. De bijgevoegde kruisjeslijst wordt eigenlijk overgenomen van bestaand beleid, waarbij verwezen wordt naar bijlage 3. Het is gebleken, ook bij de evaluatie van gebiedspaspoorten in algemene zin, zeker als daar een aantal jaren tussen zit, dat er wat ruis op de lijn kan komen. Steeds ontstaat dan discussie over de vraag hoe het precies is bedoeld. Omdat de lijst toch dynamisch wordt vastgesteld, oppert hij de suggestie, en legt de wethouder meteen de vraag voor wat dit zou betekenen voor de organisatie, om de mandatering van 18 april 2016 onder raadsbesluit nr.

761812 niet van toepassing te verklaren onder de nieuwe Omgevingswet en daarmee de kruisjeslijst onder 11 uit te breiden, misschien met een 11A, in die zin dat het gebiedspaspoort te allen tijde langs de raad komen. De heer GEISSLER citeert uit het raadsvoorstel: “Indien participatie verplicht is en de initiatiefnemer heeft niet of onvoldoende aan participatie gedaan, dan kan het bevoegd gezag ervoor kiezen de aanvraag buiten behandeling te stellen”. In bijlage 3 bij het andere raadsvoorstel dat vandaag op de agenda staat komt een zelfde kan-bepaling voor. Zijn vraag luidt: wat zou er dan verder nog kunnen, als het een kan-bepaling is? Uit het afwegingskader dat is bijgevoegd bij de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten blijkt dat er nog wel een aantal andere mogelijkheden zijn, maar die hangen met name samen met het feit dat de participatie als minimaal wordt beoordeeld. Als iemand dan helemaal niets doet, is er volgens hem geen andere mogelijkheid dan dat de aanvrage buiten behandeling wordt gesteld. Aandacht vraagt hij voorts voor categorie 11 op de kruislijst in bijlage 1: nieuwbouw van woningen zonder kavel-, gebiedspaspoort of bouwenvelop. Naar zijn mening verdient het aanbeveling in een voetnoot uitgebreid toe te lichten wat verstaan wordt onder een kavelpaspoort, gebiedspaspoort en een bouwenvelop.

Benieuwd is hij daarnaast hoe dit zich verhoudt tot de evaluatie die volgens hem ten opzichte van die gebiedspaspoorten zou worden gehouden in de eerste helft van 2022. Bij punt 16 op de kruisjeslijst vraagt de PvdA zich af of dit niet gekoppeld zou moeten worden aan een maximum opslag van bijvoorbeeld 25 kW, zodat kleinschalige voorzieningen vrij blijven. Ten slotte is de vraag gerezen of de kruisjeslijst wel volledig is. In de fractievergadering werd daarbij verwezen naar de brand bij de opslag voor elektrischer scooters. Gedacht werd ook meteen aan een zonneweide, bijvoorbeeld aan de ’s Gravenweg. Vallen die hier nu wel of niet onder? De heer HARINCK maakt complimenten voor de manier waarop de werkgroep dit heeft voorbereid. Uit bijlage 3 maakt hij op dat het gebiedspaspoort onder de lijst valt van punten waarop de gemeente graag de regie wil behouden. Kan de wethouder dat bevestigen? Net als GroenLinks vraagt hij zich af hoe het precies zit met de ruimte voor afwijkingen binnenplans en buitenplans. Binnenplanse afwijkingen vallen hier natuurlijk niet onder. Dan kom je in de kruimelgevallenlijst, maar het nadeel daarvan is dat het snel een forse kruimel kan worden. Misschien is het raadzaam om niet dit aan te passen, maar juist die kruimelgevallen te maximeren, zodat er niet een verdieping extra bedoeld wordt die onder een kruimelgeval kan vallen.

Kruimelgevallen zijn voor het CDA dakkapellen, misschien hier en daar een beluchtingskanaal of een luik op een dak, maar geen verdiepingen. De heer VAN LOEF constateert dat het fenomeen gebiedspaspoort vaak aanleiding geeft tot misverstanden, iets wat ook de raad zichzelf moet aanrekenen. Met een term als hoogteaccent kan men bijvoorbeeld alle kanten op. Daarop zal men dan ook scherper moeten worden.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 8 van 17

De heer SPRUIT zou dit, even terugdenkend aan het vorige onderwerp, eigenlijk ook willen aanmerken als een coördinatieverordening, maar dan in een veelvoud daarvan. In deze complexe wetgeving worden heel veel dingen bij elkaar geveegd, wat bij de coördinatieverordening tot op zekere hoogte ook het geval is, en dat kan al heel snel ruis veroorzaken. Dat de heer Tiesma zich afvroeg of een jaar na inwerkingtreding niet een beetje lang is om te evalueren, kan hij zich dan ook wel enigszins voorstellen. Aan de andere kant is elk halfjaar evalueren wellicht een beetje veel, maar het is misschien niet zo gek om in het raadsvoorstel op te nemen dat in ieder geval binnen een halfjaar na inwerkingtreding even wordt nagegaan hoe het gaat. Hij is er niet zo’n voorstander van om op dit moment allerlei aanpassingen door te voeren, want volgens het raadsvoorstel sluit dit aan bij de huidige wijze van werken. De heer EILANDER zegt de ambtelijke organisatie dank voor de voortvarendheid die is betracht om dit op de raadsagenda te krijgen. De kruisjeslijst is door de raadwerkgroep in elkaar gezet, waarna alle fracties de gelegenheid is gegeven eventueel zaken toe te voegen. Daaruit is bijvoorbeeld de buurtbatterij als extra voortgevloeid en er zullen vast nog een heleboel dingen vergeten zijn. Als voorzitter van de werkgroep neemt hij de vrijheid om daar iets verder op in te gaan.

De kruisjeslijst is een raadsbesluit en ligt vast. Het ligt in het voornemen jaarlijks te evalueren en dan kan die lijst worden aangepast. Maar wat te doen als er tussentijds iets komt wat niet op die lijst staat en toch wel behoorlijk is? Kan de wethouder toezeggen dat er dan in de commissie op zal worden teruggekomen? Na een halfjaar Omgevingswet is er nog niet heel veel voer om met elkaar te bespreken, werd in de vorige vergadering van de raadswerkgroep opgemerkt. Geopperd werd daarom om eerst maar eens een jaar verder te gaan en dan een evaluatie te houden, om te bezien of de kruisjeslijst moet worden aangepast. Hij kan daar nog steeds achter staan. Ondanks de discussie die net over gebiedspaspoorten is gevoerd, is hij van mening dat de gebiedspaspoorten hier prima in staan. Met de heer Van Loef is hij het eens dat de raad wel heldere kaders moet stellen, zodat het college weet wat het te doen staat. In het kader van de Omgevingswet durft hij het aan om het dan wél te laten staan. Hij heeft wel eens het gevoel dat men het heel moeilijk vindt om ruimte weg te geven, terwijl de omgevingsvisie daarvoor nu juist bedoeld is: initiatieven die misschien net even niet door de gemeente bedacht zijn, maar wel door de bewoners, die samen iets willen doen. Hij zou het heel jammer vinden wanneer al meteen bij het instellen die ruimte verder zou worden ingeperkt.

Hij roept daarom op het een kans te geven. De heer VLOT pleit ervoor dit onderwerp zo snel mogelijk na het benoemen van een nieuw college te agenderen, opdat de opstelling van het college, of de desbetreffende wethouder, daarna kan worden gemonitord. De lijst zal nooit compleet zijn – de term ‘dynamisch is al gevallen –, maar ook binnen de kruimelbevoegdheden die het college inmiddels heeft kunnen soms heel ingrijpende ontwikkelingen vallen. Zo bleek ooit een zogenaamd ‘Polenhotel’ onder de kruimelbevoegdheden van het college te vallen. Het zijn zaken die veel impact hebben op de samenleving en waarbij het participatietraject heel belangrijk is. Hij hoopt dat 1 juli uiteindelijk de definitieve datum zal worden voor invoering van de Omgevingswet, maar hij wil wel benadrukken dat de gemeente daarmee heel voorzichtig zal moeten omgaan. De heer OUDSHOORN merkt op dat hij als lid van de werkgroep die zich hiermee heeft beziggehouden de voorliggende lijst heel goed kent, maar daarbij toch nog enkele kanttekeningen wil maken. Wat betreft de termijn van zes maanden waarom is gevraagd, is hij het met de heer Eilander eens dat zich ook wel voorvallen moeten voordoen, wil men tot evaluatie kunnen overgaan. Het past zijns inziens beter elk jaar te evalueren. Volgens de heer Spruit zou de lijst nu heel goed zijn omgezet en mag daarin wel wat vertrouwen worden gesteld.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 9 van 17

Daarbij past wel de waarschuwing dat in de nieuwe werkwijze van de Omgevingswet alles juist omgekeerd is. Vroeger kwam het automatisch naar de raad als het niet op de lijst stond, nu is dat in die zin veranderd, dat het niet naar de raad komt als het niet op de lijst staat. Dus alles wat vergeten is komt automatisch niet in die uitgebreide procedure terecht. Daarom is extra aandacht voor de lijst wel op z’n plaats. Aan de lijst is inderdaad een 16de punt toegevoegd, de buurtbatterij, op basis van de reactie in de werkgroep. Daarbij gaat het niet alleen om opgewekte elektra uit zonnepanelen, het kan op allerlei manieren opgewekte energie zijn. Daarnaast gaat het om de omvang van de accu, om de locatie waar ze geplaatst wordt, maar ook om de veiligheid daaromheen. Verder kan het gaan om een bouwwerk, zoals het nu is geformuleerd, maar het zou ook kunnen gaan om een container, en dan is het ineens weer geen bouwwerk. Hij beveelt daarom aan andere woorden te gebruiken, om dat in te sluiten. Nu staat er een kruisje achter, wat betekent dat verplicht participatie nodig is. Dat is erg belangrijk, maar het lijkt hem niet voldoende. Juist bij een bouwwerk waar energie opgeslagen wordt is zijns inziens ook een bindend advies van de raad op z’n plaats.

Zojuist is ervoor gepleit om eerst deze lijst maar eens te gaan proberen en later eventueel nog eens uit te breiden, maar nu niet te veel te vernauwen. Wat nu echter niet wordt genoemd, staat in principe sowieso vrij en daarom heeft hij eerder twee uitbreidingen voorgesteld, waarop hij geen reactie heeft gezien. Daarom wil hij die nog even noemen. Vanuit de fractie is geopperd om voor een bouwwerk of ontwikkelingen die gemeentegrensoverschrijdend zijn, of een effect hebben dat gemeentegrensoverschrijdend is, een bindend advies van de raad te vragen. Daarnaast is voorgesteld om voor ontwikkelingen of bouwwerken die van de gemeente of de gemeenschap een investering vragen van meer dan een bepaald bedrag, bijvoorbeeld meer dan 250.000 euro, ook automatisch een advies aan de raad te vragen. Graag ziet hij daarop nu, of later, alsnog een reactie tegemoet. Om te voorkomen dat er dingen op de lijst worden gemist, waardoor niet kan worden ingegrepen, is het wellicht goed te bepalen dat, als 1/3de deel van de raad erom verzoekt, een bindend advies van de raad gegeven moet worden over een bepaald voorstel of initiatief. Wethouder STRUIJVENBERG zegt dank voor alle suggesties en ideeën. De Omgevingswet is groots en meeslepend en heeft nogal wat voeten in aarde.

Nu alles in Omgevingswettermen moet worden gebracht, is het verstandig geoordeeld een en ander op een zodanige manier te formuleren dat de bevoegdheden inhoudelijk niet veranderen. Er is namelijk al genoeg te doen met de hele Omgevingswet en daarom is dit niet het goede moment om aan van alles te gaan sleutelen. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat alles zo zal blijven. Het kan gerust een keer veranderen en daarvoor zou een evaluatiemoment gebruikt kunnen worden. Niets verzet zich ertegen om zo’n evaluatiegesprek na een halfjaar te voeren, al is het denkbaar dat er dan nog niet zo heel veel echte input is voor zo’n evaluatie. Om het echter iéder halfjaar te doen, lijkt hem gevoelsmatig te veel. Deze omzetting gebruiken om de inhoud van de bevoegdheden te wijzigen, raadt hij af. Het is niet gezegd dat het niet kan, noch dat het slechte ideeën zouden zijn, maar op dit moment is het slimmer om dat niet te doen. Het is al lastig genoeg om alles in Omgevingswettermen op een goede manier uit te voeren. Hij beveelt aan hiermee te wachten tot een halfjaar, of een jaar, na de invoering van de Omgevingswet. Wat betreft de absolute getallen met betrekking tot de maximale overschrijding, waarvoor de heer Raadsen aandacht vroeg, merkt hij op dat ook daarvoor geldt dat men het graag op die manier beleidsneutraal wil laten overgaan.

In de stukken is als onderbouwing gegeven dat anders eerder wordt gevreesd voor minder duidelijkheid in plaats van meer duidelijkheid. Ook hierover kan een debat worden gevoerd, maar liever niet op dit moment. Wat betreft de opslag van elektriciteit is door de heer Raadsen betoogd dat het alleen via de raad moet worden geleid als de afmetingen groot zijn. De heer Oudshoorn voegde eraan toe dat het ook nog een container kan zijn en dan weer geen bouwwerk. Het gaat in ieder geval om collectieve opslag van energie, dus één, nee, meerdere, ja.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 10 van 17

Vermoedelijk is daarmee de scheidslijn tussen groot en klein al getackeld. De vraag wat het dan is als het een container is, moet hij even mee terugnemen. De heer Van Loef vroeg aandacht voor de gebiedspaspoorten en bijvoorbeeld het hoogteaccent daarin. Los van deze technische exercitie voor de Omgevingswet, is een evaluatie van de gebiedspaspoorten met elkaar gedaan. Ook dit aspect is daarin nadrukkelijk aan de orde gekomen. Bij het verder evalueren en vormgeven van gebiedspaspoorten zal dit z’n beslag moeten krijgen. De heer Eilander vroeg of de wethouder kon toezeggen dat, als er iets komt dat niet op de kruisjeslijst staat, daarmee naar de raad zal worden gekomen. Daarover meent hij in het voorgaande al iets te hebben gezegd. De heer EILANDER verduidelijkt dat hij meer doelde op een vangnet. Als het nu nergens op staat, gaat het altijd naar de raad, maar onder de Omgevingswet zal het college aan zet zijn als het tegen iets aanloopt dat niet op de kruisjeslijst staat. Is het college bereid dan met de raad in overleg te treden? De heer OUDSHOORN voelt voor een groot deel mee met de heer Eilander, maar vraagt zich af of tijdens het spel de spelregels wel kunnen worden aangepast.

Op het moment dat niet op papier is geregeld dat een bepaald voorval naar de raad gaat voor een uitgebreide procedure, is de wethouder dan wel bevoegd dat toch naar die uitgebreide procedure te trekken, of te vragen om een bindend raadsadvies? De heer EILANDER erkent dat hij daarover niet heeft nagedacht, maar misschien kan de wethouder er wel antwoord op geven. De heer TIESMA vraagt zich af of het college niet altijd de bevoegdheid zou moeten hebben om iets aan de raad voor te leggen, dit om te voorkomen dat de ontwikkelaar altijd z’n gang zou kunnen gaan als het bij de gemeente niet geregeld is. De heer EILANDER brengt daartegen in dat dat nu net iets is wat de Omgevingswet niét wil. De heer RAADSEN wijst erop dat er nog een ander vangnet is: het college kan namelijk besluiten een vergunningsaanvrage niet in behandeling te nemen als niet voldaan is aan het vereiste van inspraak. Wethouder STRUIJVENBERG zegt geen voorstander te zijn van de gedachte dat de raad zoveel mogelijk binnen z’n kaderstellende rol zou moeten houden. Dat heeft niet zozeer te maken met het uit handen geven van bevoegdheden als wel met het maken van een heldere bevoegdhedenverdeling tussen raad en college. Als iemand vindt dat het college iets niet goed heeft gedaan, komt de controlerende rol aan de orde. Constateer dan niet al te snel dat het in de kaderstellende rol had moeten zitten.

Nee: onderdeel van de controlerende rol is aankaarten als men vindt dat het college iets niet goed heeft gedaan binnen de kaders die daarvoor aan het college zijn meegegeven. Het lijkt hem heel lastig te werken met het voorbehoud dat het via de raad moet in deze gevallen, plus wanneer het college dat vindt. Dat hoeft niemand overigens te weerhouden van het voeren van een gesprek op het moment dat het college dat zou willen. Het is altijd goed bij twijfel even te checken, maar het wordt lastig – anders stond het wel op het lijstje, of juist niet – te beoordelen wanneer je moet twijfelen en wanneer niet. Hij kan zich goed voorstellen dat in de eerste periode wat nadrukkelijker wordt stilgestaan dan anders bij de vraag of iets onder de bedoeling van de raad valt, of niet. Bij twijfel kan het altijd even worden gecheckt, en dat kan misschien al heel snel via een mailtje. De heer HARINCK waardeert het dat de wethouder op die manier ruimte wil bieden voor eventueel een correctie. Het probleem is echter dat het vaak om ruimtelijke ontwikkelingen gaat waarbij het punt om te kunnen corrigeren al is gepasseerd.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 11 van 17

Als men het aandurft dit initiatief uit handen te geven, moet er bij de afdeling wel een scherpe scheidslijn zijn tussen wat wel en niet binnen de kaders past. Waar de afdeling nu misschien wel eens zal denken dat het er heel mooi uitziet en daarom wel geprobeerd kan worden, zou dat eigenlijk niet meer moeten, omdat men dan wel erg afhankelijk is van de scherpte van de afdeling. Is de wethouder het met hem eens dat daarop dan een strakkere regie zal moeten zitten? Wethouder STRUIJVENBERG vraagt zich dat af. Dat er aandacht voor moet zijn, beaamt hij, maar het blijft een beetje grijs gebied, anders had het wel op het lijstje gestaan. Er zal zeker bij stil moeten worden gestaan en met name in de eerste twee evaluaties zal goed moeten worden nagegaan of het wel goed gaat en of er niet alsnog iets zal moeten worden toegevoegd aan de lijst. Hij heeft er vertrouwen in dat men op die manier een heel eind kan komen. De heer RAADSEN betoogt dat de zwakte van de Omgevingswet schuilt in de participatie. Die is wel verplicht, maar het is alleen maar een formaliteit. Op het moment dat de raad merkt dat de bevolking iets niet wil, zou ergens de mogelijkheid moeten bestaan om alsnog ‘nee’ te zeggen. Het zwakke punt van deze hele lijst is dat er alleen zogeheten objectieve criteria op staan; de mening van de bevolking is als zodanig geen criterium.

Wethouder STRUIJVENBERG wijst er nogmaals op dat dit het omzetten betreft van hoe het nu gaat. De meningen over de participatie zijn verdeeld, maar dit is wel hoe de wet in elkaar zit en die heeft hij ook niet geschreven. Het is de bewuste keuze van het Rijk geweest om het zo vorm te geven. Ook hier behoudt de raad sowieso z’n controlerende taak. Mocht de raad van mening zijn dat er op dat punt te weinig wordt gedaan, of dat de bevoegdheid van het college door het college niet goed wordt ingevuld, dan kan daarover in het kader van die controlerende rol aan de bel worden getrokken. Volgens de heer Oudshoorn zouden ontwikkelingen of bouwwerken die een investering vergen van meer dan 250.000 euro in aanmerking moeten komen voor een bindend advies. Hij vindt het lastig te boordelen of dat goed, of juist niet goed, zou zijn. Van bouwwerken die een gemeentegrens overschrijden zou hij dat niet willen zeggen, voor zover ze niet op deze lijst staan, want dan zou alles wat aan de randen wordt gedaan, hoe klein ook, opeens via de raad moeten gaan. De bepaling dat een bindend advies gegeven moet worden als 1/3de deel van de raad daarom zou vragen, geeft volgens hem wel erg weinig zekerheid over de werkwijze. Tweede termijn De heer TIESMA vraagt of de evaluatie na de eerste zes maanden in het voorstel komt te staan.

De heer OUDSHOORN verduidelijkt dat de voorbeelden die hij heeft genoemd volgens hem tot problemen zouden kunnen leiden. Dat geldt ook voor grensoverschrijdende bouwwerken. Daarmee doelt hij niet op iets wat bij de grens geplaatst wordt, maar echt iets wat grensoverschrijdend is. Dat is altijd complex en staat nu niet op de lijst. Volgens de wethouder zou het onzekerheid creëren als een bindend advies moet worden gegeven wanneer 1/3de deel van de raad daarom verzoekt. Op zichzelf snapt hij dat wel, maar in deze periode, waarin de lijst niet compleet is en nog getwijfeld wordt over die lijst, zou dit een tijdelijke toevoeging kunnen zijn. De wethouder gaf min of meer aan dat er wel naar gekeken zou kunnen worden en dat, als het niet op de lijst genoemd is, of aanleiding geeft voor twijfel, ruggespraak zal worden gehouden. Kan de wethouder op juridische gronden echter wel een ontwikkeling die in de reguliere procedure valt naar een uitgebreide procedure brengen als die niet op die lijst is genoemd? Volgens hem kan er alleen achteraf van worden geleerd en er voor een volgend geval iets aan worden gedaan, maar niet meer voor het geval dat voorligt.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 12 van 17

Enkele keren heeft de wethouder gewezen op de controlerende en de kaderstellende taak van de raad. Het vaststellen van de lijst in de raad valt onder de kaderstellende taak. Als die lijst is vastgesteld, komt de controlerende taak aan bod, waarbij wordt beoordeeld of het college zich aan de afgesproken lijn houdt. Op iets wat niet op de lijst staat kan de wethouder echter niet worden aangesproken. Dat is wel iets om even in het achterhoofd te houden. De heer SPRUIT herinnert eraan dat de heer Oudshoorn eerder zelf opperde dat binnen een jaar evalueren meer dan voldoende zou zijn, omdat het zo vaak allemaal niet voorkomt. Dat zo zijnde, vraagt hij zich af welke beren deze nu dan op de weg ziet. Stel dat het al voorkomt wat werd gesuggereerd, dan zal dat misschien niet eens in het eerste jaar zijn, maar pas na vijf jaar, en dan heeft het college altijd nog de mogelijkheid om de raad te consulteren. De heer OUDSHOORN geeft aan dat de reguliere procedure maar kort duurt, enkele weken. Voor het consulteren van de raad zal een (extra) raadsvergadering ingepland moeten worden. Als het niet geregeld is, past een raadsconsultatie niet zomaar in de reguliere procedure.

De heer ANINK begrijpt dat de wethouder erop aandringt om bij het opnieuw vaststellen van vigerend beleid door de raad, wat in deze consultatie van de commissie gebeurt, niet te veel wijzigingen voor te stellen op bestaand beleid, maar dat daarna op te pakken. Hij denkt ook dat zijn vraag beter tot z’n recht komt bij de evaluatie van de gebiedspaspoorten. Daarmee is hij het dan ook zeker eens. Elk besluit dat het college neemt doet het in alle openheid en transparantie. De raad wordt daarover geïnformeerd via een collegebesluit. Vanavond is een coördinatieregeling naar de raad gehaald naar aanleiding van een mededeling in een collegebesluit. Kan ook ambtelijk worden nagegaan of in het komend halfjaar/driekwart jaar na invoering van de Omgevingswet een aantal besluiten tot het schemergebied zouden kunnen behoren? Dat zou de raad misschien in de gelegenheid kunnen stellen om daarover na het nemen van het collegebesluit bijvoorbeeld in een actualiteitenraad of in de commissie een vraag te stellen. Zo zou men die leercurve samen door kunnen maken. Wethouder STRUIJVENBERG zegt toe dat in de tekst van het voorstel gewag zal worden gemaakt van een jaarlijkse evaluatie, maar voor het eerst een halfjaar na invoering.

De heer Oudshoorn vroeg of de wethouder volgens de regels een ontwikkeling die in de reguliere procedure valt naar een uitgebreide procedure kan brengen als die niet op die lijst is genoemd. Hij vermoedt dat dat inderdaad kan, in die zin dat er een gesprek over wordt gevoerd met de raad. De bevoegdheid ligt dan bij het college. Niets weerhoudt een wethouder ervan om, alvorens een besluit te nemen binnen diens bevoegdheden, een debat aan te gaan met de gemeenteraad, mensen de gelegenheid te bieden moties in te dienen en noem-maar-op. Anders dan de heer Oudshoorn meent hij dat het college wel degelijk kan worden aangesproken op iets wat niet op de lijst staat, zij het in controlerende zin achteraf. Of er na het eerste jaar van invoering zaken kunnen zijn die met de kennis van nu toch via de raad zouden moeten gaan, verwacht hij niet. De VOORZITTER legt de commissie afsluitend de vraag voor of het voorstel als hamerstuk kan worden geagendeerd voor de raad. De heer EILANDER zegt daarvoor nog even de discussie over het volgende agendapunt te willen afwachten. De VOORZITTER stelt voor het voorlopig als hamerstuk aan te merken. Als men na de behandeling van het volgende agendapunt anders wil, kan dat altijd nog worden aangegeven. Aldus wordt besloten. De VOORZITTER schorst te 22.09 uur de vergadering voor een korte pauze.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 13 van 17

Schorsing (22.09 – 22.20 uur). De VOORZITTER heropent te 22.20 uur de vergadering. 8. Participatiekader Omgevingswet De heer GEISSLER brengt, omdat het een consultatiestuk is, meteen maar een aantal punten naar voren. Actie 4 op pagina 8 betreft het gebruik van de Capelse participatieladder in de diverse niveaus van participatie die mensen kunnen inzetten als initiatiefnemer van een plan. Samen met de belanghebbenden zou gekozen moeten worden voor de juiste trede, maar er staat niet bij, terwijl dit toch een soort handvat wordt voor de initiatiefnemers, hoe ze dan tot een bepaalde trede zouden moeten komen. Een pagina verderop gaat het over het tekenen van een straal rond een projectlocatie, wat nogal controversieel is, getuige de nodige discussies die daarover de afgelopen raadsperiode zijn gevoerd. Toegelicht wordt het verder niet, vandaar dat hij een nadere toelichting op prijs zal stellen. Zojuist is al even gerefereerd aan de kan-bepaling, als de participatie onvoldoende is. Hier wordt het nader uitgewerkt en is er ook nog een participatieniveau dat als minimaal wordt beoordeeld, met een drietal escapes die het college zou kunnen inzetten. Het is de PvdA onduidelijk welke van deze drie opties echt tot de mogelijkheden behoren.

Is het college daar volledig vrij in? De heer ANINK kan zich aardig aansluiten bij de laatste vraag van de PvdA over hoe om te gaan met gebrekkige participatie. Wellicht kan het college overwegen daarover een korte omschrijving op te nemen. Voor het overige kan hij het college alleen maar complimenteren. Fijn dat het stuk hier ter consultatie wordt aangeboden, want op deze manier heeft hij in ieder geval meer beeld gekregen bij het kader van waaruit gewerkt wordt. De heer RAADSEN deelt mede geen duidelijk beeld te hebben van de manier waarop beoordeeld wordt of er voldoende participatie heeft plaatsgevonden, en dan niet zozeer procedureel als wel inhoudelijk. Heeft de initiatiefnemer gewoon het recht om formeel allerlei participatie te organiseren, wat feitelijk alleen maar neerkomt op een mededeling over wat deze allemaal van plan is, en eventuele kritiek van participanten naast zich neer te leggen? De heer TIESMA uit zijn blijdschap over het feit dat de Omgevingswet de bewoners en andere belanghebbenden nadrukkelijk meer in de driver’s seat zet. Naast alle regels en voorschriften valt of staat participatie bij de instelling om mensen en organisaties daadwerkelijk mee te laten denken, andere ideeën toe te laten en mee te nemen in de participatie.

Dat lijkt hem een forse verandering voor een gemeente die op een groot aantal terreinen een forse kennis heeft en misschien wel geneigd is die overmaat aan kennis op dat moment ook in te zetten. Hoe gaat het college dit bewaken en de omslag in het werken meten? Met andere woorden: hoe zullen de inwoners het effect straks merken? De heer HARINCK maakt eveneens een compliment voor het voorliggende kader en de bijbehorende stukken. Enigszins getriggerd toont hij zich over de vraag van GroenLinks hoe de participatie precies wordt beoordeeld. Op dia 9 van het PFD staat in de tabel wel een beetje wat van een initiatiefnemer wordt verwacht en om daarover maar meteen een discussie uit te lokken: wat betekent dat precies, wat zijn de opbrengsten, hoe zijn die verwerkt, en is dat voldoende om aan de participatie recht te doen? De heer VAN LOEF waardeert het dat dit op papier staat, maar stelt tegelijkertijd vast dat het echt een issue is geworden in Capelle. Op een of andere manier zijn van verschillende kanten mensen teleurgesteld, misschien wel een ontwikkelaar straks, of de inwoners, de betrokkenen.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 14 van 17

Het is echt een fenomeen waarmee aan de slag zal moeten worden gegaan. Derhalve is het belangrijk goed te omschrijven wat er precies onder wordt verstaan en wanneer gesproken kan worden van een geslaagde participatie. Misschien moet er ook wel een ander woord voor worden bedacht, want voor hem heeft het inmiddels een negatieve connotatie gekregen. De heer OUDSHOORN complimenteert het college met de twee heldere stukken die voorliggen. Wat de SGP bij participatie het belangrijkst vind, is dat voor degenen die participeren vooraf helder is wat van hen wordt verwacht en wat precies het doel is van deze participatie. Hij dringt erop aan dat wat sterker te formuleren. De heer SPRUIT laat namens Leefbaar Capelle een wat positiever geluid horen, ook omdat het twee documenten betreft. Het ene document stelt de kaders voor participatie en daarbij kunnen hier en daar nog wat openingen resteren, van: is het goed ingestoken of niet, is het voldoende, of is het onvoldoende? Maar de participatiegids is wel een waardevolle aanvulling. Tot de heer Oudshoorn, die aangaf dat het vooraf helder moet zijn wat iemand aan participatie moet doen, merkt hij op dat dat in de participatiegids al heel goed is verwoord.

Er zijn natuurlijk altijd wel wat grijze gebieden waarbij de vraag kan rijzen of het wel of niet in voldoende mate is gedaan, maar dan is bijlage 3 van de participatiegids weer heel waardevol, omdat daar ook een kadertje bij zit waarmee getoetst kan worden of het onvoldoende, minimaal of voldoende is. Alles afwegende, meent Leefbaar Capelle dat de combinatie van de beide stukken die voorliggen een heel goed voorstel vormt. De heer OUDSHOORN wil wel graag ‘uit de lucht’ hebben dat hij niet tevreden zou zijn met het stuk. Hij heeft er juist uitvoerig complimenten voor gemaakt. Het enige waarvoor hij heeft gepleit is dat ieder initiatief er door middel van deze gids op getriggerd wordt dat ook helder vooraf aan de participanten wordt uitgelegd wat het doel is van de participatie. De heer SPRUIT geeft te kennen dat hij het met deze nadere toelichting helemaal eens is. De heer VLOT sluit zich aan bij de bijdragen van de heren Oudshoorn, Geissler en Raadsen. De strekking van dit soort zaken moet zijn dat het in de praktijk duidelijk is wie waar gehoord wordt. Opmerkelijk vond hij de opmerking van de heer Van Loef dat ontwikkelaars zich mogelijk miskend zullen voelen in het participatietraject. Volgens hem hebben die in de gemeente Capelle altijd een streepje vóór gehad als het om participatie gaat.

Het gaat nu voornamelijk om de vraag hoe de gemeente in het vervolg omgaat met de interactie met haar inwoners. Zelf kan hij alleen maar sceptisch blijven en hopen dat in de toekomst een verandering zal optreden in het omgaan met het participeren van alle deelnemers in de bestuurlijke processen en de mogelijkheden die ze daartoe hebben.. De heer VAN LOEF geeft in reactie op de opmerking van de heer Vlot aan zijn adres te kennen dat het hem erom gaat dat een dialoog tot stand komt, met name in het licht van de Omgevingswet, omdat het er nu vanuit de perceptie van inwoners op lijkt dat het wat eenzijdig is. De heer EILANDER zwaait opnieuw lof toe voor de voortvarendheid waarmee tewerk is gegaan. Hij had nooit kunnen denken dat dit al in zo korte tijd zou kunnen voorliggen, maar het is toch gelukt. De winst van de Omgevingswet is naar zijn mening dat juist in het voortraject, in de vooroverleggen, duidelijk moet zijn en worden hoe geparticipeerd moet worden. Terecht is door de heer Raadsen de vraag gesteld of, als het niet gelukt is, nog terug kan worden gegaan. Volgens hem is dat niet het geval, maar voor alle zekerheid legt hij het aan de wethouder voor: als er niet goed geparticipeerd is, kan de gemeente dan eisen dat het opnieuw wordt gedaan? Wethouder STRUIJVENBERG gaat allereerst in op de vraag: wanneer kies je nu welke trede? Een goede en ook belangrijke vraag.

Geprobeerd wordt in ieder geval voor wat betreft Stadsvisie, Omgevingsplan, programma’s, iets te zeggen over welke trede je minimaal zou moeten willen hebben.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 15 van 17

Voor omgevingsvergunningen zal het overigens maatwerk blijven, want daarbij is het lastig in één vorm te pakken van “deze trede zou het moeten zijn”, of “voor dat soort gevallen zou het precies die trede moeten zijn”. Dat het bij een straal rondom een projectlocatie handig is iets meer toelichting te verstrekken, kan hij zich voorstellen. Zijn insteek daarbij zou in ieder geval zijn: liever iets te ruim dan iets te krap. Naar aanleiding van de kan-bepaling in het geval participatie onvoldoende wordt gevonden, heeft de heer Geissler gevraagd of het college daar dan vrij in is. Dat zit in de bevoegdheden van het college, maar misschien begrijpt hij de vraag niet helemaal goed. Hij zou bijna de tegenvraag willen stellen hoe de heer Geissler het dan zou willen zien. De heer GEISSLER oppert dat zoiets wellicht nog in een beleidskader vorm zal worden gegeven, en of het dan van de situatie afhankelijk is, of maatwerk is, maar dat weet hij niet, vandaar de vraag. De heer RAADSEN merkt op dat zich een situatie kan voordoen, kijkend naar het toetsingskader in bijlage 3, dat door de initiatiefnemer aan alle formaliteiten voldaan is, maar dat de bewoners het er niet mee eens zijn.

Als de initiatiefnemer vervolgens niet bereid is iets te veranderen, gaat het college dan bij de beoordeling of er voldoende inspraak heeft plaatsgevonden naast de procedurele vereisten ook inhoudelijk toetsen of de inbreng van de bewoners onzin is geweest en of de initiatiefnemer gelijk heeft? En in hoeverre kan de raad kaders stellen voor die inhoudelijke beoordeling? Wethouder STRUIJVENBERG stelt dat in ieder geval getoetst wordt op het proces. Wat dan vervolgens met de input moet gebeuren is een vraag waarop geen eenduidig antwoord is te geven. Het blijft mogelijk dat er na een goed doorlopen participatieproces nog steeds omwonenden zijn die het oneens zijn met het initiatief, inclusief alle aanpassingen. De heer RAADSEN beaamt dat er altijd mensen zullen zijn die het er niet mee eens zijn, maar misschien is wel iets te formuleren in de zin van een beduidend aantal, of een meerderheid, of een groot deel van de insprekers die zich er wel of niet in kunnen vinden. Wordt door het college ook inhoudelijk getoetst of recht is gedaan aan de inhoud van wat door de participanten naar voren is gebracht? Wethouder STRUIJVENBERG bevestigt dat wat hem betreft ook inhoudelijk beoordeeld zal moeten worden wat de bewonersinput is geweest en wat daarmee is gedaan.

In het kader van de Omgevingswet gaat het er ook om mensen zo vroeg mogelijk bij een initiatief te betrekken en daarover op een goede manier een dialoog met elkaar aan te gaan. Goede participatie betekent voor hem altijd een tweerichtingsweg. De uitkomst van een goede dialoog kan zijn: ‘dit en dit lukt wel, maar dát lukt niet’. Dat moet natuurlijk wel onderbouwd worden en als het op die manier vorm krijgt, kan dat een goede uitkomst zijn van een dialoog. Het komt wel voor dat mensen het verkeerd blijven vinden zolang er één ding is waarop het niet gaat zoals zij hadden gewild. Die mening mag je hebben, maar ergens moet natuurlijk een grens worden getrokken voor wat nog billijk wordt geacht. Die grens is in zijn optiek niet hard weer te geven en zal per geval beoordeeld moeten worden. De heer RAADSEN oppert dat de initiatiefnemer ook gevraagd zou kunnen worden om in de laatste ronde van het participatieproces expliciet aan insprekers te vragen wie het er wel en niet mee eens is, waarna het college op basis van een meerderheid naar bevind van zaken zou kunnen handelen. Wethouder STRUIJVENBERG denkt dat dat niet zal werken, omdat mensen die het ergens niet mee eens zijn een grotere drive zullen hebben om hun opvatting kenbaar te maken dan mensen die het er wel mee eens zijn. Zo zullen tijdens een inspraakbijeenkomst de tegenstanders al gauw in de meerderheid zijn.

Behorende bij kenmerk nummer: 684926/679279

pagina: 16 van 17

De heer RAADSEN erkent dat de representativiteit een probleem kan zijn. Hij draait het dan maar gewoon om: hoe gaat het college straks beoordelen of de participatie inhoudelijk goed genoeg is geweest? Wethouder STRUIJVENBERG antwoordt dat dat zal worden beoordeeld langs punten als: wat was de inhoud van de bezwaren, zijn de plannen naar aanleiding daarvan gewijzigd, zo nee, waarom niet, is de onderbouwing goed genoeg, enz.? Wat ongetwijfeld ook een rol zal spelen, zonder daar gewichten aan te kunnen toekennen: als 200 mensen in een bijeenkomst het niks vinden, is dat anders dan wanneer 6 mensen het voor een vergelijkbaar project niks vinden. De heer RAADSEN vraagt of hij goed begrijpt dat de raad daarin geen kaders kan meegeven. Wethouder STRUIJVENBERG moet zeggen dat hem dat in de inhoudelijke beoordeling van dit samenspel van verschillende aspecten vrij lastig lijkt. Hij zou er ook geen templats voor kunnen bedenken. De heer RAADSEN neemt aan dat er toch op z’n minst wel een intentie-uitspraak te doen is, dat het college het gevoel heeft dat het plan door een belangrijk deel van de omwonenden wordt gedragen, zonder dat dat verder precies wordt omschreven. De heer EILANDER werpt tegen dat dit niet bepaald als een scherp kader kan worden aangemerkt.

Zelf zou hij het in ieder geval erg lastig vinden, want wat is draagvlak? En zou de raad dan moeten gaan bepalen waar dat lijntje ergens zit? De heer RAADSEN begrijpt het probleem, maar benadrukt dat hiermee geraakt wordt aan het kernpunt van de democratie, namelijk de vraag wie er beslist over de gebouwde omgeving: het particulier initiatief, of de gemeenschap, de burgerij, inclusief de raad. Zelf heeft hij deze wet altijd aangeduid als het kroonjuweel van het neoliberalisme. De heer TIESMA meent dat zijn vraag aan de wethouder nog iets verder gaat, namelijk of je, ongeacht of je de participatie als participant wel of niet succesvol vindt, het gevoel hebt gekregen dat er naar je argumenten geluisterd is en dat je iets hebt toegevoegd. Dat vereist ook een soort mentaliteit van: ik laat het open, ik wil ernaar luisteren. Aan de andere kant vereist het van de initiatiefnemers de bereidheid om de participanten voldoende ruimte te geven. Hoe krijg je zo’n cultuuromslag voor elkaar? Wethouder STRUIJVENBERG antwoordt dat van een echte cultuuromslag, in de zin van ‘ojee, nu moeten we van alles bij participatie gaan doen, terwijl we hiervóór onze liederlijke gang konden gaan’ geen sprake is. Capelle is in zijn ervaring een gemeente waar de uitvoering van het participatiebeleid redelijk uitvoerig is.

Daarmee is niet gezegd dat alles altijd goed gaat, maar zonder alle 350 gemeenten van het land te kennen heeft hij wel het idee dat de zin in de uitvoering bij de medewerkers in Capelle om er iets goeds mee te doen er wel is. In die zin is een cultuuromslag tussen de oren niet nodig. Wel moet het vervolgens goed worden uitgevoerd en een van de aspecten die de gemeente hierbij in goede zin parten speelt, is dat, als je het zo vroeg mogelijk doet in het proces, zo helder mogelijk bent over “wat gaan we doen en met welk doel, op welke trede zit je”, en dat soort zaken, je wat meer automatisch tegemoetkomt aan precies de punten die nu worden genoemd. De heer Anink vroeg of wat meer omschreven zou kunnen worden van hoe om te gaan met gebrekkige participatie, of misschien wel juist goede, de inversie ervan. Hij kan zich voorstellen dat dat kan gebeuren door de opbrengst van de afgelopen tien minuten te laten terugkomen in de tekst. De heer Harinck vroeg wat van een initiatiefnemer wordt verwacht en of daarvoor voldoende omschrijving is meegegeven…

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11143222/1