CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Sociaal Domein 2026 was wordt versie.docx

Gemeenteraad 12 februari 2026, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1228455 Verordening Sociaal domein 202640.281 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

8.5.5 toezichthouders

45

Verordening sociaal domein

De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.

46

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 9. Adviesraad Sociaal Domein Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er een Adviesraad Sociaal Domein is en is de taak van deze raad beschreven.

9.1 inspraak van inwoners

1

2 3

4

De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de inspraakverordening gemeente Bunschoten zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: a. plannen voor beleid en regels; b. de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert; c. de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening); d. De manier waarop zorgaanbieders en leveranciers hun taken uitvoeren. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering; De gemeente kan inwoners op de volgende manier inspraak geven: a. via de adviesraad sociaal domein; b. door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten; c. door in co-creatie samen met inwoners een plan te ontwerpen; De gemeente bepaalt na overleg met de adviesraad sociaal domein welke vorm de inspraak heeft.

9.2 Adviesraad Sociaal Domein 1 2

3 4 5 6 7

Het doel van de gemeente om een Adviesraad Sociaal Domein in te stellen, is om inwoners inspraak te geven in het beleid, de regels en de uitvoering daarvan. De Adviesraad Sociaal Domein bestaat uit minimaal vijf en maximaal zeven leden: a. Inwoners of professionals die zich sterk betrokken voelen bij één van onderstaande groepen; b. Inwoners die een uitkering van de gemeente ontvangen of hebben ontvangen; c. Inwoners met een beperking die ervaring hebben met Wmo-hulp van de gemeente; d. Jongeren of hun ouders die ervaring hebben met gemeentelijke jeugdhulp; en e. Een onafhankelijke voorzitter; en f. Een onafhankelijke secretaris. Maximaal twee leden zijn niet woonachtig in de gemeente Bunschoten. De voorzitter en secretaris worden hierin meegerekend. Professionals hebben zitting op persoonlijke titel en mogen geen zakelijke binding met de gemeente hebben, voor zover deze invloed heeft op de onafhankelijke positie van het lid. Bij vacatures werft de Adviesraad Sociaal Domein kandidaten in een openbare procedure. De leden van de Adviesraad Sociaal Domein worden benoemd door de gemeente, voor een periode van minimaal twee jaar en maximaal acht jaar; De Adviesraad Sociaal Domein vergadert elke jaar minimaal twee en maximaal acht keer.

47

Verordening sociaal domein

8

De vergaderingen zijn openbaar, tenzij een meerderheid van de leden van de Adviesraad Sociaal Domein gemotiveerd anders heeft bepaald of dat de gemeente hier gemotiveerd om heeft gevraagd. 9 De gemeente heeft tenminste vier keer per jaar contact met de Adviesraad Sociaal Domein, waarvan tenminste twee keer per jaar met de portefeuillehouder. 10 De gemeente evalueert elke jaar tenminste één keer met de Adviesraad Sociaal Domein hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed functioneert. De Adviesraad Sociaal Domein stuurt na afloop van dit overleg een verslag aan het college.

9.3 taken en bevoegdheden Adviesraad Sociaal Domein 1

2 3 4 5 6 7

De Adviesraad Sociaal Domein adviseert de gemeente gevraagd over plannen om beleid, regels of de uitvoering daarvan bij te stellen in het sociaal domein. De Adviesraad Sociaal Domein brengt een advies uit binnen twee weken na ontvangst van de plannen. Hierbij maakt de Adviesraad gebruik van ervaringen, meningen en inzichten van inwoners. De Adviesraad Sociaal Domein kan ongevraagd voorstellen doen aan de gemeente over verandering van beleid, regels of de uitvoering daarvan. Als de gemeente het advies niet of niet volledig overneemt van de Adviesraad, dan worden ze daarover gemotiveerd geïnformeerd. De Adviesraad kan geen klachten, bezwaarschriften of andere onderwerpen bespreken die over individuele personen gaan. De Adviesraad kan zelf regels vaststellen over de manier waarop de Adviesraad zijn werk doet. De Adviesraad ontvangt aan het begin van het kalenderjaar een jaarplanning van onderwerpen die naar de raad gaan. De gemeente levert tijdig stukken aan de Adviesraad aan.

9.4 budget, vergoeding en voorzieningen 1

2 3

4 5 6

De gemeente geeft de Adviesraad op basis van de jaarlijkse subsidieaanvraag van de Adviesraad een budget voor: a. reis- en onkosten; b. deskundigheidsbevordering, waaronder deelname aan vergaderingen van landelijke cliëntenadviesraden; c. documentatie en voorlichting van inwoners; d. administratiekosten; e. organiseren van één of meer thema-avonden voor inwoners. De gemeente stelt elk jaar een budget vast voor andere vormen van inspraak. De leden en de voorzitter van de Adviesraad ontvangen per bijgewoonde vergadering een onkostenvergoeding zoals is vastgelegd in het rechtspositiebesluit Raads- en commissieleden. De onafhankelijke secretaris ontvangt per bijgewoonde vergadering tweemaal de onkostenvergoeding zoals is vastgelegd in het rechtspositiebesluit Raadsen commissieleden. De leden komen in aanmerking voor de onkostenvergoeding als ze de presentielijst hebben getekend. Deze presentielijst wordt naar de gemeente gestuurd. De gemeente zorgt ervoor dat de Adviesraad gebruik kan maken van een vergaderruimte die nodig zijn om de taken goed uit te kunnen voeren. De gemeente stelt een medewerker (ambtelijk secretaris) aan die als aanspreekpunt namens de gemeente fungeert.

48

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 10.

kwaliteit en aanbesteding

De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.

10.1 kwaliteit 1 2

3

Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt, moeten van goede kwaliteit zijn. De diensten en producten: a. passen bij de behoefte van de inwoner; b. zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner; c. voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard; d. respecteren de rechten van de inwoner; e. worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd; f. worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld. De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de kwaliteitseisen worden uitgewerkt.

10.2 inkoop en aanbesteding 1. De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening een belangrijke rol speelt bij de inkoop en aanbesteding. 2. Bij de inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij: a. diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en b. als zij personeel hebben, dat zij zich houden aan de regels van het arbeidsrecht. 3. De leverancier moet aantonen dat bij de kostprijs rekening is gehouden met: a. het soort dienst of product; b. de omvang van het diensten- of productenpakket dat wordt geleverd; c. de arbeidsvoorwaarden van het personeel volgens de cao die van toepassing is; d. een redelijke toeslag voor overheadkosten; e. personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel; f. kosten als gevolg van verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen; g. het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten. 49

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 11.

van oud naar nieuw

In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.

11.1 uitvoeringsregels De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.

11.2 intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:  Verordening Sociaal Domein gemeente Bunschoten 20254 (plus toelichting).

11.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1. genoemde wetten of de doelen van de verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.

11.4 overgangsrecht [1] Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 januari 20265 doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen. [2] Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 20265 en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 20265 geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe.

50

Verordening sociaal domein

1[3] Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de bij 11.2 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.

11.5 ingangsdatum en naam [1] Deze verordening wordt genoemd: Verordening sociaal domein 20265 Gemeente Bunschoten. [2] Deze verordening treedt in werking op 1 januari 20265.

51

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 12.

begrippen

In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?  Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.  Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.  Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.  Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven. andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulpopmaat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.

In het kader van de Jeugdwet wordt met andere voorziening een voorziening bedoeld op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. arbeidsinschakeling: aan het werk (kunnen) gaan. arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet. beperking: De vermindering van mogelijkheden als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke, psychische of psychosociale handicap, die het functioneren op sociaal of maatschappelijk gebied belemmert. bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. budgetplan pgb: Een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij wil inkopen.

In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welk momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd is.

collectief taxivervoer:

52

Verordening sociaal domein

vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd). eigen kracht: eigen kracht (Jeugdwet): De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) zelf of met behulp van het sociale netwerk om te voorzien in of bij te dragen aan het oplossen van opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen. eigen kracht (Wmo): het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen. effect: het resultaat of doel. financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. gebruikelijke hulp: Gebruikelijke hulp is de normale hulp, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen en/of huisgenoten elkaar geven.

gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten. gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt. hulp: ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, of schuldhulp verlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs. hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening:  Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening.  Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling of bijzondere bijstand.  Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden.  Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. inkomen: 53

Verordening sociaal domein

het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. interne werkbegeleiding: Door een collega geboden dagelijks werkbegeleiding, aan een inwoner behorende tot de doelgroep uit de Participatiewet, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek. inwoner: de persoon die een direct belang heeft bij een besluit van de gemeente (artikel 1:2, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Als de inwoner een hulpvraag heeft die nog niet heeft geleid tot een verzoek om een besluit te nemen of tot feitelijk handelen door de gemeente, dan wordt met inwoner bedoeld: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente is ingeschreven, of, als het gaat om hulp op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ: degene die woonplaats heeft in de gemeente, volgens de regels van artikel 10, lid 1 en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

jobcoaching: Door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk. jongere: de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft. kindpakket: een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering, omdat meer mensen de kosten kunnen delen. levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. leverancier: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling.

MAP Module Arbeidsmarkt en Participatie 54

Verordening sociaal domein

medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt. overige voorzieningen: Voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’. peildatum: Datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt. persoonlijke ondersteuning bij werk: Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd).

Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging. persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan. Zie artikel 2.3.2. Wmo 2015 voor meer details waaraan een persoonlijk plan moet voldoen Artikel 4.1.2. van de Jeugdwet:

‘’……..biedt de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling als eerste de mogelijkheid om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Het voorgaande is niet van toepassing op de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of die de voogdij uitoefent in het geval dat de ouders ontheven of ontzet zijn uit het ouderlijk gezag.’’

pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen. PIP Persoonlijk plan inburgering en participatie plan van aanpak : een plan van aanpak dat de gemeente opstelt, waar in de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van een loonwaardevaststelling op de werkplek professional: iemand die beroepsmatig hulp verleent en voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn. 55

Verordening sociaal domein

pvt Participatieverklaringstraject referteperiode: Periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. respijtverblijf: respijtzorg betreft een specifieke vorm van ondersteuning ter ontlasting van de mantelzorger, waarbij ondersteuning wordt versterkt aan de mantelzorger op grond van (dreigende) overbelasting. De belangrijkste afweging bij het toekennen van respijtzorg betreft het concrete resultaat dat bestaat uit het duurzaam uitstellen of voorkomen van de noodzaak om duurdere/zwaardere ondersteuning in te zetten. samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. Sociaal netwerk: Het sociaal netwerk bestaat uit mensen zoals, familie, vrienden, kennissen en bekenden. Mensen die belangrijk zijn voor de jeugdige of zijn ouders en meehelpen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouders. uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering. uitkeringsgerechtigde: persoon die een uitkering heeft ingevolge de Participatiewet, de Ioaw: (Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers), de Iow (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen) of de Ioaz (Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen).

uitkeringsnorm: de voor de inwoner in zijn situatie maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. vermogen: totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. voorziening: hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb, geldbedrag of een combinatie daarvan. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie. werknemer: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de Participatiewet met wie de werkgever een dienstvetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is. wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet.

56

Verordening sociaal domein

Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Wmo-hulp: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. woning: hoofdverblijf. WTOS Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. WSF 2000 Wet Studiefinanciering. zorgarrangement: om zo goed mogelijk maatwerk te kunnen bieden, wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een zorgarrangement. Het zorgarrangement bestaat uit modules die specifiek betrekking hebben op de aard van de noodzakelijke begeleiding en het bijbehorend toezicht. In de beleidsregel Beschermd Wonen gemeente Bunschoten 2019 wordt een uitgebreide toelichting gegeven op de zorgarrangementen. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bunschoten van 1212 februari december 20262024,

Raadsgriffier Drs. E. Hoogstraten

Voorzitter J.L. Geurts mr. drs. B. Koelewijn

57

Verordening sociaal domein

Bijlage 1 HHM Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022

58

Verordening sociaal domein

Bijlage 2 Erkenningseisen Jobcoach 2023  erkenningseis 1: Op basis van voornemens, handelingen, antecedenten is er voor de gemeente geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van een aanbieder die een aanvraag tot erkenning als Jobcoachorganisatie doet, te twijfelen. A. is er sprake van een onherroepelijk vonnis of arrest of enig ander onherroepelijk rechterlijk oordeel dan wel een strafbeschikking van het Openbaar Ministerie jegens aanbieder volgens de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels of waarbij enige veroordeling is uitgesproken die relevant is voor de uitvoering van Jobcoaching; B. heeft aanbieder zich op enig moment op enigerlei wijze schuldig gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen die in verband met het doen van een aanvraag tot erkenning als Jobcoachorganisatie kunnen worden verlangd of heeft aanbieder de betreffende inlichtingen niet verstrekt c.q. geweigerd deze te verstrekken  erkenningseis 2: Aanbieder staat als rechtspersoon ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. C. Een aanbieder dient ter bevestiging van zijn identiteit aan te tonen ingeschreven te zijn als rechtspersoon bij de Kamer van Koophandel.  erkenningseis 3: Aanbieder voldoet aan een passende aansprakelijkheidsverzekering. D.

Aanbieder beschikt over een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering waarbij aanbieder verzekerd is voor de aansprakelijkheid voor zaak- en personenschade door een verkeerde (be)handeling, een nalatigheid of een bedrijfsfout  erkenningseis 4: Aanbieder borgt de kwaliteit van de Jobcoaching. E. Vakbekwaamheid personeel Aanbieder beschikt over vakbekwaam personeel dat de Jobcoaching uitvoert. Aanbieder maakt daarbij gebruik van personeel met welke een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten of van zelfstandige personen waarmee een overeenkomst tot opdracht is gesloten. Jobcoach is (nog) geen erkend beroep en voor het vak van Jobcoach bestaat (nog) geen reguliere vakopleiding. F. Eisen aan de vakbekwaamheid van het personeel: – de Jobcoach heeft een hboopleiding of hbo werk- en denkniveau; – de Jobcoach heeft een opleidingsmodule voor Jobcoach gevolgd of is in de praktijk binnen de organisatie opgeleid tot Jobcoach (in company training). Dit volgt uit de richtlijn vanuit de Beroepsvereniging Jobcoaches Nederland.  erkenningseis 5: Aanbieder neemt de normen met betrekking tot privacy in acht. G. De gemeenteambtenaar die jobcoaching doet krijgt – om de Jobcoaching te kunnen uitvoeren – toegang tot vertrouwelijke informatie over zowel de klant als de werkgever.

De ambtenaar heeft bij de uitvoering van de Jobcoaching een geheimhoudingsplicht, die zijn grondslag vindt in artikel 65 van de Wet Suwi. Daarnaast is op de verwerking van de persoonsgegevens door gemeenteambtenaren in hun hoedanigheid van werknemers voor een bestuursorgaan dat verwerkingsverantwoordelijke is, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. De gemeenteambtenaar dient de geheimhoudingsplicht van artikel 65 Participatiewet, de bepalingen uit de AVG, alsmede de andere relevante wetgeving in het kader van de privacybescherming, strikt na te leven. H. De aanbieder krijgt – om de Jobcoaching te kunnen uitvoeren – toegang tot vertrouwelijke informatie over zowel de klant als de werkgever. Aanbieder heeft daarom bij de uitvoering van de Jobcoaching een geheimhoudingsplicht, die zijn grondslag vindt in artikel 74 van de Wet Suwi. Daarnaast is op de verwerking van de persoonsgegevens door aanbieder in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, de Algemene verordening gegevensbescherming 59

Verordening sociaal domein

(AVG) van toepassing. Aanbieder dient de geheimhoudingsplicht van artikel 74 van de wet Suwi, de bepalingen uit de AVG, alsmede de andere relevante wetgeving in het kader van de privacybescherming, strikt na te leven.

Bijlage 3 Afwegingskader beoordelen eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere of zijn ouders en/of eigen kracht of gebruikelijke hulp Uitgangspunten Jeugdwet 1. Ouders zijn verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Dit is geregeld in de artikelen 8.2 en 245 van boek 1 van het BW. 2. Ouders houden de regie over de opvoeding van hun kinderen (tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert). In de memorie van toelichting op de Jeugdwet staat dat wordt uitgegaan van de mogelijkheden en behoeften van de individuele jeugdigen en hun ouders, en dat hulp en ondersteuning aanvullend zijn aan wat ouders en jeugdigen zelf kunnen. 3. Ook staat er dat ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op de eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelfstandig verder kunnen. 4. Het versterken van de eigen kracht kan ook met inzet van vrijwilligers en buurtgenoten worden gestimuleerd. 5. Dit afwegingskader heeft tot doel te bepalen wat de mogelijkheden van de individuele jeugdigen en hun ouders zijn en welke oplossingen ze in kunnen zetten vanuit hun eigen probleemoplossend vermogen. Het afwegingskader wordt ingezet bij stap 4 bij het beoordelen van een aanvraag (artikel 2.3.4.).

Uitgangspunten Wmo De gemeente gaat na de vaststelling van de hulpvraag en beantwoording van de vraag welke problemen ondervonden worden bij zelfredzaamheid en participatie, na wat de eigen mogelijkheden van de aanvrager zijn en dat begint met de eigen kracht (artikel 2.3.2, lid 4 sub b). Als besloten wordt een maatwerkvoorziening toe te kennen, hoeft dat alleen maar voor zoverre gebruikelijke hulp daarin niet kan voorzien (art. 2.3.5, lid 3). Afwegingskader Om te bepalen of de jongere of zijn ouders in staat zijn om gebruik te maken van de eigen mogelijkheden (Jeugdwet), wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Betreft het een normale opvoeduitdaging, zoals beschreven door het NJi? 2. Beschikt één van beide ouders over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 3. Is één van beide ouders eventueel in staat om deze vaardigheden aan te leren? 4. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de gezins- en woonsituatie van de jongere en zijn ouder(s); c. de belastbaarheid van ouder(s). Als ouders en/of hulpverleners twijfelen, kan een objectief instrument ingezet worden om dit te beoordelen, zoals de opvoedingsbelastbaarheidsvragenlijst; d. de beschikbaarheid van ouder(s) en de intensiteit van de hulpvraag.

Door vraag 1 tot en met 3 in kaart brengen, krijgt de hulpverlener het antwoord op de vraag of één van beide ouders in staat is om de hulp te bieden. Vraag 4 brengt in kaart of het realistisch is om dit te vragen. Daarbij wordt de volgende afweging gemaakt: Punt a: Duurt de hulpvraag langer dan 6 maanden, uitgezonderd behandeling, dan wordt met ouders overlegd of zij voor deze duur in staat zijn om de hulp te bieden. Duurt de hulpvraag korter dan 6 maanden, dan gaat de gemeente ervan uit dat ouders de hulp zelf bieden. Punt b: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar dit niet kan doordat de gezins-woonsituatie van de ouders dit niet toelaten, kan de hulp niet daadwerkelijk geboden worden en kan er voor dit deel van de hulpvraag dus geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders.

60

Verordening sociaal domein

Punt c: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar er sprake is van overbelasting en ouders oorzaken van overbelasting zoveel mogelijk weggenomen hebben, kan voor dit deel van de hulpvraag geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders. Punt d: Als ouders wel in staat zijn om de hulp te bieden, maar niet beschikbaar zijn voor de ondersteuning, dan verwacht de gemeente dat ouders het belang van hun kind voor het belang van een (werk)carrière stellen en bijvoorbeeld hun werktijden aanpassen, zorgverlof en andere soorten verlof inzetten, gebruik te maken van de Wet kinderopvang zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor andere kinderen. Is dit allemaal ingezet en blijft de beschikbaarheid van ouders onvoldoende, dan kan er voor dit deel van de hulvraag geen beroep gedaan worden op de eigen mogelijkheden van ouders. Om te bepalen of de jongeren of zijn ouders in staat zijn om gebruik te maken van hun eigen probleemoplossend vermogen (Jeugdwet) of een volwassen van eigen kracht (Wmo) wordt het volgende in kaart gebracht: 5. Is het sociaal netwerk in kaart gebracht? 6. Beschikt iemand in het sociale netwerk over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 7. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de intensiteit van de hulpvraag; c.

de bereidheid van het netwerk om de hulp te bieden; d. de belastbaarheid van het netwerk; e. de beschikbaarheid van het netwerk. 8. Kan de hulp door een vrijwilliger geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de intensiteit van de hulpvraag; c. de daadwerkelijke beschikbaarheid van een vrijwilliger. 9. Kan de hulp geboden worden door middel van een algemene voorziening. Hierbij wordt rekening gehouden met: a. de duur van de hulpvraag; b. de intensiteit van de hulpvraag; c. de daadwerkelijke beschikbaarheid van de algemene voorziening. 10. Kan voor de benodigde hulp een aanvullende zorgverzekering afgesloten worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: a. Kan de hulpvraag uitgesteld worden tot ouders daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om een aanvullende zorgverzekering af te sluiten? b. Kan de inwoner een aanvullende zorgverzekering betalen? Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp (Wmo) is de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Om af te wegen of er sprake is van gebruikelijke hulp, wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Woont er nog iemand anders in hetzelfde huis? 2.

Hoe oud is deze persoon? Gaat het om huishoudelijke taken, dan verwacht de gemeente het volgende: - Een volwassen huisgenoot van 23 jaar en ouder kan, mits gezond, het huishouden helemaal overnemen. - Een volwassen huisgenoot tot 23 jaar kan de huishoudelijke taken voor 1 persoon overnemen: De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, schoonhouden van keuken en één slaapkamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. - Een jeugdige tot 5 jaar hoeft niet mee te helpen met het huishouden. - Een jeugdige van 5 tot 12 jaar helpt, als hij dat kan, mee met lichte huishoudelijke taken zoals opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien. 61

Verordening sociaal domein

-

Een jeugdige van 13 tot 18 jaar kan naast deze taken ook hun eigen kamer opruimen, stofzuigen en zijn eigen bed verschonen.

Gaat het om andere hulp? Dan wordt het volgende in kaart gebracht: 1. Wat is de relatie tussen de huisgenoten? 2. Beschikt de huisgenoot over de vaardigheden die nodig zijn om de hulp te bieden? 3. Kan de hulp ook echt geboden worden? Hierbij wordt rekening gehouden met: h. de duur van de hulpvraag; i. de intensiteit van de hulpvraag; j. de belastbaarheid van de huisgenoot; k. de beschikbaarheid van de huisgenoot. Daarbij verwacht de gemeente dat: - een levenspartner de volledige administratie overneemt; - een levenspartner ondersteunt bij het plannen en organiseren van de week. Overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen. Onderstaand overzicht, uit ‘Opgroeien en opvoeden’ van het NJi, is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt. Leeftijd

Belangrijkste milieus  Gezin  Opvang

Ontwikkelingstaken

Opvoedingsopgaven

Normale uitdagingen

• Veilige hechting; • Lichaamsbeheersing; • Exploratie & spelen; • Autonomie en individuatie.

• Voedingsproblemen; • Slaapproblemen; • Scheidingsangst; • Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Incidenteel huilen.

2–4 jaar

 Gezin  Buurt  Opvang  Media

4–6 jaar

 Gezin  Basisschool  Opvang  Verenigingen  Mediaomgeving

• Representationele vaardigheid; • Taalvaardigheid en denkontwikkeling; • Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag); • Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; • Socialisatie; • Zelfredzaamheid; • Sekserol-identificatie • Schoolse vaardigheden; • Taal- en denkontwikkeling; • Executieve vaardigheden (zelfsturing); • Gezinsnormen eigen

• Soepele verzorging; • Sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind; • Letterlijk beschikbaar zijn; • Structuur bieden; • Ruimte geven voor exploritatie; • Spelen en praten; • Ontwikkeling stimuleren. • Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren); • Respect voor autonomie én grenzen stellen; • Bevorderen zelfsturing (impulscontrole). • Aanmoedigen sociaal gedrag; • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; •

• Niet gegronde angsten; • Ruzies met leeftijdgenoten; • Zindelijkheid; • Schoolweigering; • Gebrek zelfsturing.

0–2 jaar

• Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; • Koppigheid; • Driftbuien; • Agressie; • Ongehoorzaamheid; • Druk gedrag; • Niet zindelijk zijn; • Zeuren/driftbuien om beeldscherm-gebruik.

62

Verordening sociaal domein

6 – 12 jaar

 Gezin  Opvang  School  Verenigingen  Peergroep  Mediaomgeving

12 – 16 jaar

 Gezin  School  Verenigingen  Peergroep  Mediaomgeving  Werkkring

16 – 23 jaar

 Gezin  School  Verenigingen  Peergroep  Internetgroep  Werkkring

maken, houden aan regels; • Vriendschappen sluiten; • Ontwikkeling gewetensontwikkeling / schaamte- gevoelens; • Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen). • Vergroten zelfstandigheid; • Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen sociale media); • Schoolse vaardigheden; • Internet en sociale media vaardigheden; • Acceptatie door leeftijdgenoten; • Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen. • Emotionele en praktische zelfstandigheid; • Ontwikkeling waardensysteem; • Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader; • Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; • Seksualiteit; • Omgang met sociale media en gevaren onderkennen; • Onderwijs en beroepsvoorbereiding. • Overgang van jeugd naar volwassenheid; • Loskomen van ouderlijk gezag; • Ontwikkeling eigen waarden en normen; • Onafhankelijkheid; • Duurzame relaties aangaan.

Mediaopvoeding; • Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie); • Loslaten en vertrouwen geven. • Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); • Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten); • Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; • Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; • Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties. • Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen; • Toezicht houden; • Emotionele beschikbaarheid; • Tolerantie voor experimenten; • leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen; • Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag. • Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; • Emotionele, financiële en praktische steun; • Eigen keuzes en beslissingen laten maken; • Accepteren seksuele keuzes.

• Ruzies, pesten; • Concentratie problemen; • Laag prestatieniveau; • Niet naar school willen; • Incidenteel stelen of vandalisme; • Overmatig gamen/ televisie/ Netflix; • Cyberpesten.

• Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; • Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; • Wisselend humeur; • Incidenteel spijbelen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten; • Overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer). • Stemmingswisselingen; • Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; • Twijfels over identiteit of toekomst; • Problemen met autoriteiten.

BRONVERMELDING Voor deze verordening is de modelverordening Sociaal Domein 2.0. van Stimulansz te Utrecht gebruikt. Als gemeente mogen wij deze modelverordening gratis gebruiken. Auteurs van de modelverordening zijn mr. Henk van Deutekom, mr Henk Kooistra, mr. Evelien Meester en drs. Annemieke Wildenburg, www.stimulansz.nl, info@stimulansz.nl © 2019 Stimulansz 63

Verordening sociaal domein

64

Toelichting verordening sociaal domein

Toelichting Omgekeerde Verordening Sociaal Domein gemeente Bunschoten

Versie januari 20265 65

Toelichting verordening sociaal domein

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1.

inleiding omgekeerde verordening......................................................3

1.1

waarom deze regels?................................................................................................ 3

1.2

uitgangspunten.......................................................................................................... 3

1.3

kernwaarden............................................................................................................. 3

1.4

artikel en wet............................................................................................................. 4

Hoofdstuk 2. 2.1

de hulpvraag........................................................................................5

Stap 1: melding bij de gemeente...............................................................................5

2.1.1

indienen hulpvraag............................................................................................5

2.1.2

procedure melding/aanvraag.............................................................................5

2.1.3

gegevens........................................................................................................... 6

2.2

Stap 2: gesprek na de melding..................................................................................6

2.2.1

uitnodiging voor gesprek...................................................................................6

2.2.2

doel en procedure gesprek................................................................................6

2.2.3

inhoud gesprek.................................................................................................. 6

2.2.4

verslag............................................................................................................... 6

2.3

Stap 3: aanvraag....................................................................................................... 7

2.3.1

aanvraag........................................................................................................... 7

2.3.2

aanvraag voor hulp-op-maat.............................................................................7

2.3.3

advisering.......................................................................................................... 7

2.3.4

beoordelen aanvraag.........................................................................................8

2.3.5

afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen..........8

2.3.6

beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp....................................................9

2.3.7

beslistermijn...................................................................................................... 9

2.4

Stap 4: beslissing...................................................................................................... 9

2.4.1

inhoud besluit.................................................................................................... 9

2.4.2

verval van recht............................................................................................... 10

2.5

uitzonderingen......................................................................................................... 10

2.5.1

jeugdhulp via arts e.a......................................................................................10

2.5.2

spoedeisende gevallen....................................................................................10

Hoofdstuk 3.

werk en participatie...........................................................................12

3.1

doelgroep................................................................................................................ 12

3.2

samenwerking......................................................................................................... 13

3.3

budget..................................................................................................................... 13

3.4

evenwichtige verdeling en evaluatie........................................................................13

3.4.1

sollicitatie activiteiten.......................................................................................14

3.4.2

scholing........................................................................................................... 14

3.4.3

nazorg............................................................................................................. 14

3.4.4

tegemoetkoming kinderopvang.......................................................................14

3.4.5

proefplaatsing.................................................................................................. 14

3.4.6

sociale activering............................................................................................. 15

3.4.7

participatieplaats............................................................................................. 15 66

Toelichting verordening sociaal domein

3.4.8

werkgeverssubsidie......................................................................................... 15

3.4.9

loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking..........................16

3.4.10

loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers............................................16

3.4.11

beschut werk................................................................................................... 16

3.4.12

persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen........................17

3.4.13

hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider..................17

3.4.14

ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening.............................18

3.4.15

ondersteuning bij een motorische handicap....................................................18

3.4.16

ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening...................19

3.4.17

ondersteuning bij werkplekaanpassingen........................................................19

3.4.18

ondersteuning bij een visuele handicap...........................................................19

3.4.19 Subsidie voor het organiseren van scholing ter verbetering van basisvaardigheden (Taal op de werkvloer)......................................................................19 3.5

tegenprestatie.......................................................................................................... 19

3.5.1

doel van de tegenprestatie..............................................................................19

3.5.2

duur en omvang tegenprestatie.......................................................................19

3.5.3

voorwaarden tegenprestatie............................................................................20

3.6

meedoen in de samenleving...................................................................................20

3.6.1

dagbesteding................................................................................................... 20

3.6.2

persoonlijke begeleiding..................................................................................20

3.6.3

rolstoel............................................................................................................. 20

3.6.4

contact met anderen.......................................................................................20

3.7

meedoen aan sportactiviteiten.................................................................................21

3.8

vervanging vervoermiddel of rolstoel.......................................................................21

Hoofdstuk 4.

gezond en veilig opgroeien...............................................................22

4.1

uitgangspunten bij het bieden van hulp...................................................................22

4.2

preventieve maatregelen.........................................................................................23

4.3

hulp-op-maat........................................................................................................... 23

4.4

overgang van 18- naar 18+.....................................................................................24

4.5

afstemming met andere vormen van hulp...............................................................24

4.6

afstemming langdurige zorg....................................................................................24

4.7

veilig thuis............................................................................................................... 25

Hoofdstuk 5.

wonen in een veilige en gezonde omgeving.....................................25

5.1

Uitgangspunten....................................................................................................... 25

5.2

zelfstandig en veilig wonen.....................................................................................26

5.2.1

geschikte woning............................................................................................. 26

5.2.2

een schone en leefbare woning.......................................................................26

5.2.3

beschermd wonen........................................................................................... 26

5.3

mantelzorg.............................................................................................................. 27

5.3.1

ondersteuning mantelzorger............................................................................27

5.3.2

mantelzorgwaardering.....................................................................................27

Hoofdstuk 6. 6.1

de vorm van de hulp..........................................................................28

hulp in natura........................................................................................................... 28 67

Toelichting verordening sociaal domein

6.2

hulp in geld.............................................................................................................. 28

6.3

persoonsgebonden budget......................................................................................29

6.3.1

voorwaarden.................................................................................................... 29

6.3.2

pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk..........................................30

6.3.3

hoogte en tarief pgb......................................................................................... 31

6.3.4

verantwoording pgb......................................................................................... 32

6.3.5

opschorten pgb................................................................................................ 32

6.4

wat is de eigen bijdrage?......................................................................................... 32

Hoofdstuk 7. 7.1

inkomen en schulden........................................................................33

lokaal inkomensbeleid............................................................................................. 34

7.1.1

wat wil de gemeente?......................................................................................34

7.2

bijzondere bijstand.................................................................................................. 34

7.3

zorgkosten............................................................................................................... 35

7.4

individuele inkomenstoeslag...................................................................................35

7.4.1

indienen aanvraag individuele inkomenstoeslag.............................................35

7.4.2

doelgroep........................................................................................................ 35

7.4.3

hoogte van de toeslag.....................................................................................35

7.5

kinderen in Armoede............................................................................................... 36

7.5.1

doelgroep........................................................................................................ 36

7.5.2

inhoud kindpakket............................................................................................ 36

7.6

tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval....................................36

7.6.1

doelgroep........................................................................................................ 36

7.6.2

hoogte van de toeslag.....................................................................................36

7.7

schuldhulpverlening................................................................................................. 36

7.7.1

samenwerking en toegang..............................................................................37

7.7.2

schuldhulpverlening......................................................................................... 37

Hoofdstuk 8.

afspraken tussen inwoner en gemeente...........................................37

8.1

hoe gaan we met elkaar om?..................................................................................38

8.1.1

de rol van de gemeente...................................................................................38

8.1.2

de rol van de inwoner......................................................................................38

8.2

afspraken en verplichtingen over uitkeringen..........................................................39

8.2.1

afstemming op houding en gedrag van de inwoner.........................................39

8.2.2

afzien van verlaging......................................................................................... 39

8.2.3

ingangsdatum en periode verlaging.................................................................39

8.2.4

berekening verlaging.......................................................................................40

8.2.5

niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen................................................40

8.2.6

stoppen verlaging........................................................................................... 40

8.2.7

niet nakomen andere arbeidsverplichtingen....................................................40

8.2.8

te weinig besef van verantwoordelijkheid........................................................41

8.2.9

zeer ernstige misdragingen.............................................................................41

8.2.10

niet nakomen van andere verplichtingen.........................................................41

8.2.11

samenloop van gedragingen...........................................................................41

68

Toelichting verordening sociaal domein

8.2.12

herhaling (recidive) van een gedraging...........................................................42

8.2.13

Verplichtingen inburgering...............................................................................42

8.2.14

Handhaving verplichtingen bij de brede intake................................................42

8.2.15

Handhaving tijdens het inburgeringstraject......................................................43

8.2.16

Samenhang handhaving Wet inburgering 2021 en de Participatiewet............43

8.2.17

Verrekening boete wet inburgering met bijstandsuitkering..............................43

8.3

terugvorderen uitkering........................................................................................... 43

8.3.1 8.4

terugvordering en incasso...............................................................................44 beëindigen en terugvorderen voorziening...............................................................44

8.4.1

beëindiging voorziening...................................................................................44

8.4.2

terugvordering voorziening..............................................................................44

8.5

hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?.......................44

8.5.1

controle............................................................................................................ 44

8.5.2

voorkomen van fraude.....................................................................................45

8.5.3

beleidsplan en beleidsverslag.........................................................................45

8.5.4

privacy............................................................................................................. 45

8.5.5

toezichthouders............................................................................................... 45

Hoofdstuk 9.

Adviesraad Sociaal Domein..............................................................47

9.1

inspraak van inwoners............................................................................................. 47

9.2

Adviesraad Sociaal Domein....................................................................................47

9.3

taken en bevoegdheden Adviesraad Sociaal Domein.............................................48

9.4

budget, vergoeding en voorzieningen.....................................................................48

Hoofdstuk 10. kwaliteit en aanbesteding..................................................................49 10.1

kwaliteit................................................................................................................... 49

10.2

inkoop en aanbesteding..........................................................................................49

Hoofdstuk 11.

van oud naar nieuw..........................................................................50

11.1

uitvoeringsregels..................................................................................................... 50

11.2

intrekken oude verordeningen.................................................................................50

11.3

Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)...................................................50

11.4

overgangsrecht........................................................................................................ 50

11.5

ingangsdatum en naam........................................................................................... 51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16449456/3