CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Sociaal Domein 2026 was wordt versie.docx

Gemeenteraad 12 februari 2026, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1228455 Verordening Sociaal domein 202640.281 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

4.6 afstemming langdurige zorg

24

Verordening sociaal domein

1 De jongere of zijn ouders worden ondersteund richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jongere in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet Langdurige zorg. 2 Indien de jongere of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet verplicht een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening.

4.7 veilig thuis 1

Er is een Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling.

Hoofdstuk 5. wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychosociale problemen, hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die gemeente aan deze inwoners kan geven.

5.1 Uitgangspunten 1

De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. 25

Verordening sociaal domein

2 3

4

Inwoners kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen, als ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente stelt normen vast voor het beoordelen van aanvragen voor hulp–op–maat in het kader van de Wmo. Deze normen moeten zijn gebaseerd op objectief onderzoek dat door onafhankelijke deskundigen is gedaan. De normen maken duidelijk welke concrete hulp er voor inwoners in hun situatie nodig is. De gemeente kan afwijken van deze normen als dat nodig is voor een passend en aanvaardbaar niveau van wonen en leven. Dit artikel is ook van toepassing op meedoen aan de samenleving en sportactiviteiten (zie artikel 3.6 en 3.7).

5.2 zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 geschikte woning 1 2

3 4

5 6

De gemeente zorg ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. Voor het opheffen van belemmeringen in het normale gebruik van de woning zijn de volgende voorzieningen mogelijk: a. niet-bouwtechnische en -woontechnische aanpassingen; b. losse woonunits (allen voor noodzakelijke extra leefruimte). Voor een aanvraag voor niet-bouwtechnische en -woontechnische aanpassingen moeten drie offertes worden aangevraagd als het een bepaald bedrag te boven gaat, zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. Als de woning van de inwoner niet of slechts tegen zeer hoge kosten (meer dan € 10.000,- ) aangepast kan worden, dan kan de gemeente van de inwoner verwachten dat hij verhuist naar een geschikte(re) woning, als deze beschikbaar is. De huidige woning wordt dan niet door de gemeente aangepast. De gemeente zorgt voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten, zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo, als de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning en daarbij voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2. Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorzieningen vervangt, kan alleen worden verstrekt, als: a. de eerder verstrekt woonvoorziening technisch is afgeschreven; b. de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of als c.

de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.

5.2.2 een schone en leefbare woning 1 2

3

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden. Een schone en leefbare woning houdt in dat de inwoner gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimtes, gang, trap en overloop. Als een inwoner door de basisvoorziening van een schone een leefbare woning onvoldoende wordt ondersteund, kan aanvullend maatwerk, zoals bijvoorbeeld wasverzorging, activiteiten benodigd voor de boodschappen of het verzorgen van maaltijden worden ingezet. Bij de inzet van hulp-op-maat wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het sociale netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo hulp-op-maat ingezet. Voor de onderbouwing van de hulp-op-maat maken we gebruik van het “HHM Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022”, zoals opgenomen in bijlage 1.

5.2.3 beschermd wonen 1

De gemeente kan de inwoner de indicatie Beschermd Wonen geven als de inwoner: 26

Verordening sociaal domein

2 3

a. is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe problematiek; en b. 24-uurs (maatschappelijke) opvang of hulp-op-maat in de vorm van begeleiding en dagbesteding wel of niet gecombineerd met respijtverblijf in een instelling niet als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt; en c. deze (mede) gericht zijn op het in staat stellen van de inwoner om zich op eigen kracht in de samenleving staande te houden. Een indicatie voor beschermd wonen wordt gesteld in de vorm van een zorgarrangement. De beschermende woonomgeving gaat samen met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden.

5.3 mantelzorg 5.3.1 ondersteuning mantelzorger 1

2

De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven in een situatie waarin steeds toezicht nodig is, hulp-op-maat of een andere voorziening kunnen krijgen als zij niet in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg tijdelijk wordt overgenomen door een professional. We noemen dit respijtverblijf.

5.3.2 mantelzorgwaardering 1

2

De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers in de samenleving te onderstrepen. De mantelzorgwaardering heeft de volgende vorm: a. een blijk van waardering in de vorm van een bon; b. mogelijkheid tot deelname aan een activiteit in kader van “dag van de mantelzorg”.

27

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 6. de vorm van de hulp De hulp die de gemeente geeft is in principe “in natura”: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (individuele inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen.

6.1 hulp in natura 1

De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt de hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Gaat het om een product in de Wmo, dan wordt dat over het algemeen in bruikleen verstrekt. De gemeente ziet erop toe dat de leverancier van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft en de inwoner informeert over alles wat van belang is om te weten over dienst of het product.

6.2 hulp in geld 1

2 3

4

De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald. De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen een kalendermaand nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een leverancier of een betaling in contant geld, als de inwoner geen bankrekening heeft. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.

28

Verordening sociaal domein

5

De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd.

6.3 persoonsgebonden budget 6.3.1 voorwaarden 1

In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmohulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan. 2 De gemeente kent een pgb toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. Deze taken zijn in ieder geval: a. een duidelijk beeld hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c. in staat zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d. voldoende vaardig zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; e. in staat zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat zijn om afspraken te maken en vast te leggen om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j.

voldoende kennis hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. [3] Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner motiveert waarom zij de hulp-op-maat die de gemeente aanbiedt niet passend vindt. 3 Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner kan motiveren waarom een pgb de voorkeur heeft boven hulp-op-maat. De inwoner moet motiveren waarom hulp-op-maat door de gemeente voorgestelde aanbieder niet passend is. [4] Een pgb voor beschermd wonen is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan:  De bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden.  De bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappelijke ruimte hebben voor gezamenlijke activiteiten. 4[5] Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm. 5[6] Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag bij het pgb. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b.

het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); e. een eenmalige uitkering; f. kosten voor scholing of lidmaatschappen. 6[7] De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. b. Voor activiteiten die normaal door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: 29

Verordening sociaal domein

i. (sociale) activiteiten ondernemen met de inwoner; ii. het doen van boodschappen; iii. lichte huishoudelijke taken; iv. eenvoudige hulp bij administratie; v. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met artsen; vi. vervoer naar afspraken met artsen. c. Het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer. d. Uit het door de inwoner ingediende pgbplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. e. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgbbeheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener. f. De beoogde pgb-beheerder is niet in staat om de taken goed uit te voeren, dit is onder andere in de volgende situaties 1°. schuldenproblematiek; 2°. ernstige verslavingsproblematiek; 3°. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; 4°. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 5°. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 6°. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; 7°. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; 8°. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag; g.[f.] Er sprake is van formele pleegzorg. h.[g.] Er sprake is van crisishulp/crisisopvang/spoedeisende zorg.

i.[h.] Het een minderjarige betreft die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen of een jongere die is opgenomen in een gesloten accommodatie. j.[i.] Er sprake is van bezwaren van overwegende aard. Ter beoordeling daarvan kan het college nadere gegevens inwinnen of van de aanvrager verlangen, waaronder een verklaring omtrent het gedrag (VOG) of diploma’s van de te kiezen zorgverlener. k.[j.] Als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de hulp. Dit is in ieder geval als in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag een of meer van de volgende situaties het geval is: a. De zorgverlener heeft fraude gepleegd, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te krijgen b. De zorgverlener is betrokken geweest bij strafbare feiten of heeft overtredingen begaan die de veiligheid en kwaliteit van de hulp in gevaar brengen c. De hulpverlener is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf d. Op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. l. De gemeente heeft eerder toepassing gegeven aan artikel 8.1.4 eerste lid, onderdeel a, d en e van de Jeugdwet. m.[k.] Een pgb wordt gebruikt om inkomen aan te vullen of om inkomstenderving op te vangen. n.[l.] Het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland.

6.3.2 pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk 1

De persoon die hulp geeft mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden: a. Deze persoon hanteert een tarief dat binnen het minimum en maximumbedrag valt. Het minimumbedrag is de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren en bij een volledige werkweek. Het maximumbedrag is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor hulp die nodig is (hulp-in-natura-tarief). Het percentage

30

Verordening sociaal domein

2

van het bedrag dat kan worden uitgekeerd aan een persoon uit het sociale netwerk is afhankelijk van de vorm van hulp-op-maat. b. Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken. c. De persoon doet melding bij de gemeente van iedere calamiteit of geweldsincident die bij verlening van de jeugdhulp plaatsvindt. d. De persoon stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te voeren. e. De zorgverlener beschikt over een VOG (behalve als de zorgverlener een ouder is). Hulp door bloed-of aanverwanten in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien.

6.3.3 hoogte en tarief pgb 1

2 3

4

5 6 7

De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan pgb. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. Wat de inwoner met de hulp wil bereiken, hoe en wanneer de inwoner de voortgang beoordeelt. De inwoner legt uit hoe hij er voor zorgt dat de kwaliteit van de hulp-op-maat goed is. En de inwoner motiveert dat hij de taken die horen bij een pgb goed kan uitvoeren. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna de hoogte van het pgb vaststellen. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd. Het college stelt maximale tarieven voor pgb vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en maakt deze Tarievenlijst bekend. De gemeente baseert de hoogte van het pgb op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. Voor het verkrijgen van een pgb kan het vergaren van één of meerdere offertes door de aanvrager verplicht worden gesteld. De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor de dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag.

Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura –tarief). Wanneer de offerte hoger is dat dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhoud- en verzekeringskosten. Bij de verschillende vormen van hulp op maat horen verschillende tarieven. Als de kosten in het budgetplan pgb lager zijn dan het tarief, zoals vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo, dan geldt het tarief uit het budgetplan pgb. De gemeente heeft verschillende pgb tarieven voor de volgende vormen van hulp op maat: a. dagbesteding en een schone en leefbare woning:  de persoon die in dienst is van een aanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst.  de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief;  de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief, met als ondergrens (bij het bestaan van een dienstbetrekking) de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren b.

persoonlijke begeleiding, ambulante behandeling jeugd en respijtverblijf (ontlasting mantelzorger/time-outvoorziening):  de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst. Hierbij is het functieniveau van de persoon in dienst van de zorgaanbieder bepalend voor de hoogte van het tarief.  de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief;  de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief, met als ondergrens (bij het bestaan van een dienstbetrekking) de 31

Verordening sociaal domein

hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. c. beschermd wonen:  de hoogte van het pgb voor beschermd wonen vloeit voort uit het voor de inwoner van toepassing zijnde zorgarrangement. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en het pgbplan.  het pgb uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN en door het college vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.  Indien sprake is van overgangsrecht, geldt een tarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief.  als de inwoner in een accommodatie verblijft of zal verblijven die voldoet aan de eisen zoals genoemd in artikel 5.2.3 van deze verordening, dan kan de gemeente een wooninitiatieventoeslag verstrekken. De hoogte van de wooninitiatieventoeslag is opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. d.

contact met anderen en meedoen aan sportactiviteiten:  voor de taxi en rolstoeltaxi geldt een pgb tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo met een maximum van 2000 kilometer per jaar  voor een vervoersvoorziening geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes, maar daarbij wel moet worden voldaan aan een programma van eisen  voor een sportrolstoel geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes en dat moet worden voldaan aan een programma van eisen, zoals in de toelichting bij deze verordening opgenomen. e. geschikte woning:  de hulp op maat wordt berekend op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes, maar daarbij moet wel worden voldaan aan een programma van eisen. Als de gemeente de hulp op maat regelt door een gecontracteerde aanbieder te vragen, dan is de hoogte van het pgb het bedrag dat de aanbieder rekent.

6.3.4 verantwoording pgb 1 2

De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag maakt de inwoner gebruik van een formulier van de gemeente. Als een inwoner hulp-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is.

6.3.5 opschorten pgb De gemeente kan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als: a. de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente; b. de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die bij een pgb horen; of c. de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.

6.4 wat is de eigen bijdrage? 32

Verordening sociaal domein

1 2

3 4 5

6

7 8

De gemeente kan voor een aantal voorzieningen aan de inwoner een eigen bijdrage vragen. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo-hulp-op-maat, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De kostprijs van hulp-op-maat in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consulatie in de markt of na overleg met de aanbieder. Bij een product maken maandelijkse kosten en/of onderhoudskosten deel uit van de kostprijs. Gaat het om kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. De inwoner betaalt een eigen bijdrage in de kosten van Wmo-hulp voor de volgende andere voorzieningen: a. collectief taxivervoer. Wanneer een inwoner geïndiceerd is voor collectief taxivervoer kan deze tegen gereduceerd tarief gebruik maken van collectief taxivervoer. De eigen bijdrage is dan € 0,30 per kilometer en een instaptarief van € 1,20,-.

Het college is bevoegd jaarlijks de eigen bijdrage te indexeren en maakt de eigen bijdrage jaarlijks bekend in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. De eigen bijdrage Wmo kan van 0-100% worden verlaagd indien: a. Het schuldhulpverleningstraject van de betreffende cliënt wordt geblokkeerd doordat het heffen van de eigen bijdrage voor begeleiding vanuit de Wmo leidt tot oplopende schulden. b. Er sprake is van schulden waardoor de cliënt de eigen bijdrage niet kan betalen en hulp vanuit de Wmo noodzakelijk is. Om te besluiten tot een verlaging van de eigen bijdrage, is het een voorwaarde dat men deelneemt aan de gemeentelijke schuldhulpregeling. c. Indien er sprake is van beperkt ziekte-inzicht of zorgmijdend gedrag waardoor heffing van de eigen bijdrage leidt tot het niet accepteren van hulp vanuit de Wmo en deze hulp noodzakelijk is. Van noodzakelijke hulp is sprake bij begeleiding of dagactiviteiten, waarbij:  het ontbreken van deze hulp leidt tot crises waardoor de veiligheid van de cliënt of zijn/haar omgeving in het geding komt en extra inzet van hulpdiensten nodig is.  er sprake is van overbelasting van de mantelzorger, in die mate dat directe uitval van de mantelzorger en opname van de cliënt dreigt.

Tot een verlaging van de eigen bijdrage Wmo als genoemd in het zesde lid, wordt alleen besloten indien er geen andere oplossingen mogelijk zijn en voor de periode het percentage en de vorm van zorg die noodzakelijk is. De gemeente vraagt geen eigen bijdrage voor een rolstoel voor het gebruik in huis en het onderhoud daarvan.

Hoofdstuk 7. inkomen en schulden Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen, heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag besteedbaar inkomen of een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem extra te ondersteunen, kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en tegemoetkomingen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de hulp die de gemeente kan bieden bij schulden.

33

Verordening sociaal domein

7.1 lokaal inkomensbeleid In deze paragraaf wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken van beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan.

7.1.1 wat wil de gemeente? 1

2 3 4

5 6

De gemeente wil dat inwoners met een laag besteedbaar inkomen, met een beperking of met een chronisch psychische of psychosociaal probleem en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het tegengaan van schulden. De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe het beleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt De gemeente geeft daarbij aan welke groepen inwoners op welke manier financieel en met hun financiën of schulden worden ondersteund. Tot die groepen behoren in ieder geval: a. kinderen b. inwoners met schulden. De gemeente betrekt bij het maken van het beleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

De gemeente zorgt ervoor dat uitkeringen en tegemoetkomingen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode niet opnieuw aangevraagd hoeven te worden of op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden.

7.2 bijzondere bijstand Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet. 1 De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijk heden of op ander voorzieningen. Bijzondere bijstand is hulp-op-maat en is bedoeld voor inwoners met een laag besteedbaar inkomen en zonder goede financiële buffer: 34

Verordening sociaal domein

2 3 4

a. extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald; en b. voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid. De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening. De gemeente legt in nadere regels vast hoe de gemeente bijzondere bijstand inzet.

7.3 zorgkosten 1

2

Voor inwoners die moeten rondkomen van een laag inkomen, kan de gemeente met een zorgverzekeraar een zorgverzekering afspreken die: a. collectieve korting biedt voor zowel de basis- als aanvullende verzekering; b. extra vergoedingen voor bepaalde zorgkosten biedt; c. in aanmerking komt voor een gemeentelijke tegemoetkoming. De gemeente publiceert jaarlijks eind november/begin december de manier waarop de gemeente aan dit artikel voldoet.

7.4 individuele inkomenstoeslag Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de individuele inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden.

7.4.1 indienen aanvraag individuele inkomenstoeslag 1

Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend via een door het college vastgesteld formulier.

7.4.2 doelgroep 1

2

3

De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner: a. die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager of gelijk is aan 100% van de bijstandsnorm, waarbij de kostendelersnorm niet wordt toegepast. De periode voor verblijf in een asielzoekerscentrum telt mee in de 36 maanden en b. geen zicht heeft op inkomensverbetering, zoals afronding van een opleiding of verkrijgen van werk, en wel alles heeft geprobeerd om meer inkomen te krijgen. Er is uitzicht op inkomensverbetering als: a. er op de peildatum of in de periode tot en met 12 maanden voorafgaand aan de peildatum een opleiding of studie gevolgd wordt of is gevolgd en met mogelijke aanspraak op studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Gehuwden of samenwonenden moeten beiden aan alle voorwaarden voldoen.

7.4.3 hoogte van de toeslag 1

De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar met afronding op hele euro’s naar boven: a. voor gehuwden of samenwonenden: 3,2% van de voor hen geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag op jaarbasis; b. voor een alleenstaande: 70% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden; 35

Verordening sociaal domein

c.

2

3

voor een alleenstaande ouder: 90% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden. Bij gehuwden of samenwonenden geldt dat als één van de partners een nietrechthebbende partner is en de andere partner voldoet wel aan de voorwaarden, de partner die aan de voorwaarden voldoet het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld op basis van de dan geldende gehuwdennorm van artikel 21, onderdeel B, Participatiewet. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

7.5 kinderen in Armoede Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft regelingen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze regelingen worden het kindpakket genoemd. Hier zijn de uitgangspunten benoemd.

7.5.1 doelgroep Deze regelingen zijn bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen, die geen goede financiële buffer hebben. Voor de voorzieningen binnen het pakket worden verschillende inkomensgrenzen gehanteerd, die nooit hoger zijn dan 120% van de bijstandsnorm.

7.5.2 inhoud kindpakket De gemeente stelt de regelingen vast, in overleg met cliënten, hulpverleners en de Adviesraad Sociaal Domein. Het kindpakket bestaat uit: a. voorzieningen om kinderen zwemdiploma’s A en B te laten halen; b. voorzieningen om kinderen mee te laten doen aan sportieve activiteiten; c. voorzieningen om kinderen mee te laten doen aan culturele activiteiten; d. voorzieningen om kinderen mee te laten doen op school.

7.6 tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval 7.6.1 doelgroep 1 2

De tegemoetkoming meerkosten is bedoeld voor: a. inwoners met een beperking; of b. inwoners met een chronisch psychisch of psychosociaal probleem. Als er sprake is van: a. Onvoorziene verhuis- en inrichtingskosten als gevolg van verhuizing en er onvoldoende financiële draagkracht is. b. Specifieke problematiek wat leidt tot extra afval, waarbij levensfase gebonden problematiek als incontinentie is uitgesloten.

7.6.2 hoogte van de toeslag 1 2

De tegemoetkoming is een forfaitaire vergoeding. De gemeente legt de hoogte van de tegemoetkoming vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.

7.7 schuldhulpverlening 36

Verordening sociaal domein

De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.

7.7.1 samenwerking en toegang 1 2 3 4 5

De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden melden bij de gemeente.

7.7.2 schuldhulpverlening 1 2

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt. De gemeente werkt daarbij samen met verschillende maatschappelijke partners en gecontracteerde partijen.

Hoofdstuk 8. afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.

37

Verordening sociaal domein

8.1 hoe gaan we met elkaar om? 8.1.1 de rol van de gemeente 1

2

De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een gelijkwaardige manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a. Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. b. De inwoner heeft, om zijn problemen te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis. c. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. d. De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen. e. Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. f. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. g. De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. h. De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. i. De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.

De inwoner kan hierbij gebruik maken van een cliëntondersteuner. De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende: a. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:  zijn rechten en plichten;  wat er van hem wordt verwacht;  welk gedrag niet deugt;  wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en  waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. b. De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren, tenzij:  dit niet mogelijk is vanwege de spoed;  de inwoner al eerder de kans heeft gehad over precies hetzelfde. c. De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:  de ernst van het gedrag;  de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en  de persoonlijke situatie van de inwoner. d. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

8.1.2 de rol van de inwoner 1

De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: a. De inwoner zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat hij hulp vraagt aan de gemeente. 38

Verordening sociaal domein

2

b. Als de gemeente hulp verleent, werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. c. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: a. De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. b. De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner. c. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren. d. De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.

8.2 afspraken en verplichtingen over uitkeringen 8.2.1 afstemming op houding en gedrag van de inwoner 1 2

3

De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met: a. de ernst van het gedrag; b. de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden, en c. de persoonlijke situatie van de inwoner. Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen: a. telefonisch; b. schriftelijk; c. in een persoonlijk gesprek.

8.2.2 afzien van verlaging De gemeente verlaagt de uitkering niet als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gemeente daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of c. het gedrag van de inwoner meer dan één jaar vóór constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering niet meer dan €340 kan worden verlaagd, of d. het gedrag van de inwoner meer dan vijf jaar voor constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering meer dan € 340 kan worden verlaagd.

8.2.3 ingangsdatum en periode verlaging 1

2

De gemeente verlaagt de uitkering of bijzondere bijstand vanaf de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald. Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen, omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen, mits 39

Verordening sociaal domein

dit bij een verlaging van €340 of minder binnen een jaar plaatsvindt of bij een verlaging van meer dan € 340 binnen vijf jaar plaatsvindt.

8.2.4 berekening verlaging 1 2

De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner. Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand voor levensonderhoud ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.

8.2.5 niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen 1 2

De gemeente verlaagt de uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid van de Participatiewet niet voldoende nakomt. De verlaging wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de twee daaropvolgende kalendermaanden, als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.

8.2.6

stoppen verlaging

De gemeente kan de verlaging stoppen als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de wettelijke arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 8.2.5 nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of email indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt.

8.2.7 niet nakomen andere arbeidsverplichtingen 1 2

3 4

5

De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering (PW) een maand met 50% van de uitkeringsnorm, voor het niet voldoende proberen werk te vinden en artikel 8.2.5. niet van toepassing is; De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag: a. Het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; b. Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder; c. Het niet voldoende nakomen van verplichtingen in de zoektermijn van vier weken, die voor jongeren tot 27 jaar geldt na melding. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlengd als werkzoekende bij het UWV; De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. Het niet voldoende proberen werk te vinden; b. Het niet aanvaarden van werk; c. Het door eigen toedoen niet behouden van werk; d. Het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, waardoor de voorziening beëindigd is. De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a.

Het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; b. Het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, zonder gevolgen voor voorziening; 40

Verordening sociaal domein

c.

6

Het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; d. Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder. De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlangd als werkzoekende bij het UWV.

8.2.8 te weinig besef van verantwoordelijkheid 1 2

3 4

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag). De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op: a. 10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000, -; b. 20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf €1.000, - tot € 2.000, -; c. 40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000, - tot € 4.000, -; d. 100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000, - . Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden en hierdoor geen recht heeft op een WW-uitkering, verlaagt de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 100% gedurende één maand. Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden, maar geen WW-rechten heeft opgebouwd, verlaagt de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 50% gedurende een maand.

8.2.9 zeer ernstige misdragingen De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt twee maanden verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.

8.2.10

niet nakomen van andere verplichtingen

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt. 1 De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om: a. verplichtingen die gericht zijn op werk; b. verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt. 2 De verlaging is 40% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die zijn gericht op vermindering van de bijstand. 3 De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand.

8.2.11 1

2

samenloop van gedragingen

Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging, tenzij voor het gedrag al een bestuurlijke boete is opgelegd. Als al een bestuurlijke boete is opgelegd, wordt geen verlaging opgelegd. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging

41

Verordening sociaal domein

opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd. [3] Als er voor dezelfde gedraging de bijstand verlaagd kan worden én een boete op grond van de Wet inburgering 2021 opgelegd kan worden, wordt ervoor gekozen de bijstand te verlagen en geen boete op te leggen.

8.2.12 1 2

herhaling (recidive) van een gedraging

De duur van de verlaging bij wettelijke arbeidsverplichtingen gaat naar twee maanden, als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De hoogte van de verlaging bij niet-wettelijke arbeidsverplichtingen wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd.

8.2.13

Verplichtingen inburgering

1. De inburgeringsplichtige is verplicht om: a. Na de oproep te verschijnen bij de brede intake en hieraan mee te werken; en b. De afspraken in het PIP na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT. 2. De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en andere activiteiten van de gevolgde leerroute.

8.2.14 Handhaving verplichtingen bij de brede intake 1. Wanneer de inburgeringsplichtige na de eerste oproep voor de brede intake niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft de gemeente een schriftelijke waarschuwing. De gemeente wijst daarbij op de gevolgen voor de inburgeringsplichtige als hij of zij opnieuw niet verschijnt na een oproep of als hij of zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige opnieuw uit om te verschijnen binnen 2 weken. 2. Wanneer de inburgeringsplichtige na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt de gemeente de inburgeringsplichtige een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering. 3. Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeringsplichtige niet komt of onvoldoende meewerkt. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen 10 werkdagen schriftelijk kenbaar te maken. 4. De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt. 5.

De gemeente legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering als op basis van de reactie van de inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is. 6. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de boete rust op betrokkene. Als de gemeente op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt daarmee bij het opleggen van de boete rekening gehouden. 7. In de brief (beschikking) waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen 2 weken alsnog te verschijnen of mee te werken. Wanneer de inburgeringsplichtige hieraan niet voldoet, legt de gemeente weer een boete op met inachtneming van artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering.

42

Verordening sociaal domein

8.2.15

Handhaving tijdens het inburgeringstraject

1. De gemeente legt een boete op als de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt. 2. De gemeente legt de asielstatushouder een boete op als hij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute. 3. Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen vijf werkdagen schriftelijk kenbaar te maken. 4. Mede op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel zijn of haar schriftelijke zienswijze bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. Als er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid stemt de gemeente de hoogte van de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit inburgering. 5. De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt.

8.2.16 Samenhang handhaving Wet inburgering 2021 en de Participatiewet 1. Wanneer een inburgeringsplichtige een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet. Het gaat hierbij om verplichtingen en afspraken anders dan in het aanbod in de MAP. De gemeente legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de wet inburgering 2021 op. 2. Wanneer een inburgeringsplichtige die een bijstandsuitkering ontvangt zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, legt de gemeente bij voorkeur een boete op grond van de wet inburgering 2021 op. 3. Bij de keuze tussen i) handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en ii) handhaving op grond van de wet inburgering via een boete weegt de gemeente ook af welke wijze van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde effect, te weten het succesvol voltooien van het inburgeringstraject. 4.

Wanneer een gedraging leidt tot een overtreding van de Participatiewet en artikel 18 of 18 b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om af te zien van verlaging van de bijstand, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete op grond van de wet inburgering 2021. 5. In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de wet inburgering 2021 wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet.

8.2.17 Verrekening boete wet inburgering met bijstandsuitkering 1. De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de wet inburgering 2021 aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5 procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag .

8.3 terugvorderen uitkering

43

Verordening sociaal domein

8.3.1 terugvordering en incasso 1 2

3 4

De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner. Bij een klein bedrag kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen, als dit te veel tijd en geld kost. De gemeente vordert een klein bedrag wél terug als er te veel uitkering is betaald, omdat de inwoner onvoldoende informatie heeft gegeven aan de gemeente. Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan of hoger dan de beslagvrije voet. De gemeente legt in nadere regels vast hoe de gemeente terugvordert.

8.4 beëindigen en terugvorderen voorziening 8.4.1 beëindiging voorziening 1

2

De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de voorziening niet langer passend of nodig is; b. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; c. de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; d. de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; e. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; f. de inwoner niet binnen zes maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is. In geval van een pgb moet de inwoner dit schriftelijk onderbouwen. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).

8.4.2 terugvordering voorziening 1

De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 8.4.1. Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.

8.5 hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? 8.5.1 controle 1

De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruikmaken van: a. huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;

44

Verordening sociaal domein

2 3 4

b. heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek; c. bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten; d. signalen en tips van organisaties of particulieren; e. andere passende onderzoeksmethoden. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt. Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

8.5.2 voorkomen van fraude De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.

8.5.3 beleidsplan en beleidsverslag 1 2

3

De gemeente stelt een beleidsplan vast. In dat plan legt de gemeente vast hoe zij fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving). In het beleidsplan staat in ieder geval: a. wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt; b. wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting); c. welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en d. hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan. De gemeente rapporteert na afloop van ieder kalenderjaar in de programmarekening. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.

8.5.4 privacy 1

2 3

De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden, die vaak worden toegepast, protocollen op. Het gaat in ieder geval om protocollen over: a. huisbezoeken; b. buurtonderzoeken; c. agressie (zeer ernstige misdragingen). De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar bekend. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16449456/3