CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Sociaal Domein 2024.docx

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1181936 Verordening Sociaal Domein 202440.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Verordening sociaal domein

Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in lid 5 van 2.2.4. de mogelijkheid opgenomen om een door de inwoner ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.

13.3 Stap 3: aanvraag 13.3.1

aanvraag

In de Awb, de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ worden regels gegeven omtrent de aanvraag. De verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier de gemeente), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Voor de Wmo en Jeugdwet geldt dat een aanvraag ook een ondertekend plan van aanpak kan zijn overeenkomstig met artikel 2.2.4. lid 5.

13.3.2

aanvraag voor hulp-op-maat

Voor de Wmo en de Jeugdwet kan naast de inwoner ook een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de inwoner die een melding kan doen. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. In dit artikel worden een aantal begrippen genoemd: gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulpopmaat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen. In de Verordening wordt consequent gesproken over andere voorzieningen als het geen hulpop-maat betreft. De Wmo 2015 noemt dit een algemene voorziening.

Volgens de Wmo 2015 is een algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Een algemene voorziening is laagdrempelig en zonder toegangsbesluit beschikbaar voor alle inwoners van Bunschoten. Bij algemene voorzieningen kan gedacht worden aan: boodschappendiensten van bijvoorbeeld supermarkten, pools voor rolstoelen en scootmobielen, en klussendiensten voor bijvoorbeeld kleine woningaanpassingen. Deze en andere algemene voorzieningen komen, met of zónder gemeentelijke inmenging, voor steeds meer personen beschikbaar. Een algemene voorziening is per definitie geen individuele voorziening en de wettelijke regels rond eigen bijdragen gelden niet. De gemeente kan wel een eigen bijdrage rekenen voor een algemene voorziening die bij verordening is ingesteld. Er is regelmatig verwarring tussen de begrippen algemene voorziening en een algemeen gebruikelijke voorziening. En hoe een algemene voorziening zich verhoudt tot algemeen gebruikelijke voorzieningen, collectieve voorzieningen en hulp-op-maat. Hieronder worden ter verduidelijking de verschillen uitgelegd. 70

Verordening sociaal domein

Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo en komen daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Ook niet als sprake is van een laag inkomen, in dat geval is de Participatiewet voorliggend. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voor iedereen bereikbaar en behoren dus tot hetgeen inwoners zelf kunnen regelen (eigen kracht). Een voorziening is dus algemeen gebruikelijk als deze:  niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking,  algemeen verkrijgbaar is en  niet (aanzienlijk) duurder is dan vergelijkbare producten. Collectieve voorzieningen Collectieve voorzieningen zijn algemene voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Een collectieve voorziening wordt ingezet op basis van de vraag. Een voorbeeld is de regiotaxi. Onder de Wmo 2015 vallen collectieve voorzieningen onder het begrip algemene voorziening.

13.3.3

advisering

De gemeente kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de inwoner en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo, artikel 17, tweede lid van de Participatiewet, artikel 7 van de Wgs en artikelen 13, tweede lid van de IOAZ en IOAW is een medewerkingsplicht opgenomen. De inwoner is verplicht aan de gemeente desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

13.3.4 aanvraag

beoordelen

Dit artikel spreekt voor zich.

13.3.5

Beslistermijn

De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4A, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet heeft plaatsgevonden.

13.4 Stap 4: beslissing 13.4.1

inhoud besluit

INHOUD BESLUIT AANVRAAG VANUIT DE WMO Uitgangspunt van de Wmo is dat de inwoner een hulp in natura krijgt. Indien gewenst door de inwoner bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget. In het tweede lid onder a, en derde lid, onder a wordt vastgelegd waarvoor het is bedoeld, door bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ te noemen en niet ‘een scootmobiel’. Tweede lid, onder b, en derde lid, onder c: onder ‘wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.

71

Verordening sociaal domein

Onder welke verplichtingen er voor hulp gelden, wordt binnen de Wmo in ieder geval verstaan dat een inwoner wordt geïnformeerd als sprake is van een te betalen bijdrage. Dit is uitsluitend ter informatie aan de inwoner. De gemeente neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening (hulp op maat) dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd wordt door het CAK.

13.4.2

verval van recht

Dit artikel spreekt voor zich.

13.5 uitzonderingen 13.5.1

jeugdhulp via arts e.a.

Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jongere of zijn ouder precies nodig heeft. Een jongere kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.

Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente.

Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover 72

Verordening sociaal domein

met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis(voorheen advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) Tenslotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang is al in de Jeugdwet geregeld en komt niet terug in deze verordening.

13.5.2

spoedeisende gevallen

In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. De gemeente is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

73

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 14.

werk en participatie

De gemeente heeft in de Participatiewet de opdracht gekregen om bij verordening regels te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.

14.1 doelgroep In artikel 10 van de Participatiewet is bepaald dat personen uit de doelgroep aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de verordening. De personen uit de doelgroep staan beschreven in artikel 7, lid 1 onder a van de Participatiewet: 1. personen die algemene bijstand ontvangen, 2. personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend, 3. personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Participatiewet, 4. personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet 5. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) 6. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en 7. niet-uitkeringsgerechtigden Voor inwoners met een uitkering is het verplicht om ondersteuning van de gemeente te accepteren.

De ondersteuning wordt vastgelegd in een plan van aanpak.

14.2 samenwerking Dit artikel spreekt voor zich.

14.3 budget Dit artikel spreekt voor zich.

14.4 evenwichtige verdeling en evaluatie De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement, het leren van vaardigheden, het vergaren van kennis, of het opdoen van werkervaring. De ondersteuning kan ook eenvoudigweg bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties.

74

Verordening sociaal domein

Zorgtaken Bij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar wordt rekening gehouden met de zorgtaken die ze hebben. Alleenstaande ouders kunnen op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde re-integratie-activiteiten. Mantelzorg is geen reden voor ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Wel houdt de gemeente rekening met de omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten voor kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte, adequate oplossingen zijn. Dit is ter beoordeling van het college Weigeringsgronden Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is.

Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Beëindigingsgronden Het vijfde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3.4 vijfde lid. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend.

Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 14-092006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Afstemming Het zesde lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, het beste instrument tegen de laagste kosten verstrekt. Zijn er meerdere passende opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt. Het zesde lid geeft ons regionale uitgangspunt bij het inzetten van voorzieningen weer; het beste instrument tegen de laagste kosten. Het zesde lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein.

Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de Participatiewet dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze 75

Verordening sociaal domein

bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen. Verslag doeltreffendheid Het college informeert de gemeenteraad over de effecten van de verordening in de praktijk (achtste lid). Hiertoe verzamelt het college systematisch de in het achtste lid genoemde gegevens. Met het opnemen van een jaarlijks verslag en toezending aan de cliëntenpanel en/ of Adviesraad Sociaal domein wordt aangesloten bij de huidige werkwijze.

VOORZIENINGEN 14.4.1

sollicitatie activiteiten

Dit artikel spreekt voor zich.

14.4.2

scholing

Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet).

14.4.3

nazorg

Dit artikel spreekt voor zich.

14.4.4

tegemoetkoming kinderopvang

In principe is de tegemoetkoming kinderopvang via Belastingdienst Toeslagen geregeld. Via de Belastingdienst kunnen inwoners de kinderopvangtoeslag aanvragen. In sommige situaties vergoed de belastingdienst echter niet, of slechts een deel. In deze situaties is het mogelijk om als gemeente een tegemoetkoming te verstrekken, mits dit ten goede komt aan vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt van de inwoner of essentieel is voor de ontwikkelingskansen van het kind als ouders kampen met sociaal-medische problematiek.

14.4.5

proefplaatsing

Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 11a geeft hier invulling aan. De proefplaatsing wordt met enige terughoudendheid toegekend, vanwege mogelijke verdringing op de arbeidsmarkt. Een participatieplaats en een proefplaatsing mogen elkaar niet uitsluiten, waardoor switchen tussen deze re-integratieinstrumenten mogelijk is als de situatie hier om vraagt.

14.4.6

sociale activering

Volgens de Participatiewet in artikel 6, lid 1 onder c wordt onder sociale activering verstaan: “het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vrijwilligerswerk.

76

Verordening sociaal domein

Sociale activering moet uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Expliciet noemen wij hier ook werkzaamheden als lid van een stembureau. De aard van deze werkzaamheden zijn anders dan regulier vrijwilligerswerk omdat deze werkzaamheden niet met een bepaalde regelmatig gedurende een jaar plaatsvinden. De gemeente Bunschoten ziet dit wel als een vorm van participeren aan de samenleving waarvoor wij aan inwoners onze waardering willen laten blijken. De rechter heeft in een uitspraak in 2015 echter bepaald dat de vrijwilligersvergoeding voor deze werkzaamheden belast moeten worden (ECLI:NL:GHAMS:2015:1479). Hier kunnen wij als gemeente niets aan veranderen. Wij zijn echter van mening dat dit niet meer in lijn is met de huidige wet- en regelgeving waarbij het minimumuurloon al vele malen hoger is geworden sinds 2015. Deze vrijwilligersvergoeding is daarmee niet in lijn gestegen en dus stellen wij dat het hier niet gaat om een “marktconforme beloning”. Door deze vrij te laten voor de bijstandsuitkering gelijk de reguliere vrijwilligersvergoeding zoals omschreven in de Pwet art.

31 lid 2 onder k, wijken wij dus af van de huidige wetgeving maar zijn wij van mening wel in de geest te handelen van de Participatiewet Doelgroep sociale activering Voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400). College stemt duur activiteiten af op de persoon Het derde lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen.

Het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn. Geen verdringing In het vierde lid is bepaald dat de sociale activering uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: -

eigen initiatief van de werknemer handicap ouderdomspensioen vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of gewettigd ontslag om dringende redenen.

14.4.7

participatieplaats

Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk. Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.

77

Verordening sociaal domein

Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden.

Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet). Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007/08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens € 50,- per zes maanden. Daarmee houden we rekening met de risico’s van een armoedeval.

Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling van de persoon in het arbeidsproces. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.

14.4.8

werkgeverssubsidie

De gemeente kan een werkgever die een persoon uit de doelgroep in dienst neemt, een incidentele of in tijd gelimiteerde financiële tegemoetkoming verstrekken, anders dan de loonkostensubsidie op grond van artikel 10d van de Participatiewet. De werkgeverssubsidie wordt niet verstrekt als een beroep gedaan wordt of kan worden op financiële tegemoetkomingen op grond van andere regelingen.

14.4.9 loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking De gemeente kan aan de werkgever loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet, verstrekken om in geval van een lagere arbeidsproductiviteit van de werknemer (tijdelijk) het verschil te compenseren. Loonkostensubsidie kan worden ingezet in geval van matching met een baan uit de banenafspraak, beschut werk en bij plaatsing op een reguliere baan. 78

Verordening sociaal domein

Loonkostensubsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de werknemer heeft. Deze loonwaarde is samen met de overeengekomen arbeidsduur rechtstreeks bepalend voor de hoogte van de loonkostensubsidie voor de werkgever. Als de loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 70 procent, dat wil zeggen dat deze persoon een productiviteit heeft van 70 procent in vergelijking met andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan heeft de werkgever recht op een loonkostensubsidie van 30 procent van het wettelijk minimumloon (de subsidie vult de vastgestelde loonwaarde aan tot 100 procent WML). De gemeente bepaalt de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld wanneer een werkgever het voornemen heeft een persoon die tot de doelgroep behoort een baan aan te bieden. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt de gemeente opgaven en inlichtingen van de inwoner, zijn (voormalige) begeleiders en de werkgever over de praktijkervaringen van de inwoner, bijvoorbeeld tijdens een stage van school, een leerwerkstage of proefplaatsing.

Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. Het onder de doelgroep brengen gebeurt volgens de in artikel 1 gedefinieerde praktijkroute. Het zesde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Daarbij wordt aangesloten bij de periode van de forfaitaire loonkostensubsidie van maximaal 6 maanden. Er kan 6 maanden forfaitaire loonkostensubsidie ingezet worden, zodat binnen deze 6 maanden een beoordeling moet plaatsvinden. Het zevende lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie.

Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen.)

14.4.10

loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers

Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 3.4.10 geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 3.4.9. De in artikel 3.4.10 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet). Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling. Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten.

Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). In het derde lid is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen.

79

Verordening sociaal domein

Geen verdringing Het vierde lid bevat een verdringingsbepaling. Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 3.4.6 in de toelichting. Noodzakelijk De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt als de werkgever geen aanspraak kan maken op een andere regeling die hem (gedeeltelijk) compenseert voor het feit dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer nog niet direct volledig inzetbaar is en mogelijk extra begeleiding nodig heeft. Ook als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer zonder subsidie ook wel kan worden aangenomen, bijvoorbeeld vanwege de krapte op de arbeidsmarkt, wordt de subsidie niet verstrekt. Het is aan het college om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de kwetsbare werknemer.

14.4.11

beschut werk

Beschut werk is een voorziening, bedoeld voor personen met een beperkt arbeidsvermogen, die alleen in een beschutte werkomgeving, met structurele begeleiding en/of een grote mate van werkplekaanpassing, werkzaamheden kunnen verrichten. Het UWV adviseert de gemeente of een inwoner tot de doelgroep beschut werk hoort. Het advies van het UWV is bindend. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan de gemeente besluiten het advies niet op te volgen. Wanneer de gemeente, op basis van het UWV-advies, heeft vastgesteld dat iemand behoort tot de doelgroep beschut werk, moet de gemeente zorgen dat hij of zij ook daadwerkelijk een dienstbetrekking krijgt, waar in een beschutte werkomgeving en onder aangepaste omstandigheden wordt gewerkt. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks vast hoeveel mensen met een indicatie beschut werk de gemeente moet plaatsen. Omdat echter iedereen aan zijn of haar re-integratie moet werken, biedt de gemeente ook aan de andere inwoners met een indicatie beschut werk een passende (tijdelijke) oplossing.

14.4.12 persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f).

De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g). Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk 80

Verordening sociaal domein

zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het zevende lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening. Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet daaraan stellen. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet te voldoen.

Werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie of werkgeverssubsidie komen volgens artikel 10da van de Participatiewet in aanmerking voor persoonlijke ondersteuning. De ondersteuning moet noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. (Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz. 115). De persoonlijke ondersteuning kan worden aangeboden in de vorm van een jobcoach. In overleg met de werkgever wordt gezocht naar de juiste inhoud en vorm voor een werknemer. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de regelgeving van het UWV. Zoals bij het ‘Breed offensief’ wordt aangeraden.

14.4.13 Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beiden benoemd. Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). Subsidie kan niet verstrekt worden voor de kosten van opleiding tot jobcoach. De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). Met het eerste lid wordt duidelijk gemaakt dat het college niet alleen subsidie kan verlenen voor jobcoaching die is bedoeld om de persoon in staat te stellen om de aan hem opgedragen taken in het kader van de arbeidsovereenkomst uit te voeren, maar dat de gesubsidieerde jobcoach ook een breder takenpakket kan uitvoeren.

De jobcoach kan enkel ondersteuning geven gericht op het vinden van werk of bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs als de gemeente nadrukkelijk daar vooraf toestemming voor heeft gegeven. Deze ondersteuning kan ook alleen geboden worden als de werknemer op dat moment al betaald werk uitvoert en jobcoaching voor het behouden van werk al ontvangt. Het college kan een training voor de collega van de persoon toekennen (interne werkbegeleider), zodat deze de begeleiding op een verantwoorde wijze kan bieden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Harrie-training” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20). Het derde lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn 81

Verordening sociaal domein

houdt verband met de aard van de voorziening. Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Er is voor het indienen van een aanvraag gekozen voor een redelijke termijn van 8 weken na indiensttreding. Het achtste lid is een uitwerking van de uit artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordeningsplicht. Hierin zijn de huidige richtlijnen vanuit de uitvoering opgenomen. Dit wordt minimaal 1 keer per jaar geëvalueerd. Het regime kan in de tijd mogelijk worden verlicht. Inzet hiervan is altijd maatwerk waarin de evaluatie momenten van belang zijn. Het negende lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van de begeleidingsregimes. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd.

Het tiende lid is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach. Het 11e lid geeft aan op welke wijze de hoogte van de subsidie voor jobcoaching door het college kenbaar wordt gemaakt. Het college moet er voor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan bijvoorbeeld door de tarieven te vermelden op de website van de gemeente. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen.

14.4.14 Ondersteuning voor de inzet van een vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 3.4 en 3.4.12, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 3.4 zesde lid, het beste instrument tegen de laagste kosten het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening.

14.4.15

Ondersteuning bij een motorische handicap

Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een motorische handicap. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3.4 en 3.4.12.

82

Verordening sociaal domein

14.4.16

Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening

Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3.4 en 3.4.12. Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd op het moment dat deze niet langer nodig zijn.

14.4.17

Ondersteuning bij werkplekaanpassingen

In artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet wordt uitsluitend gesproken van meeneembare voorzieningen. In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift. Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).]

14.4.18

Ondersteuning bij een visuele handicap

Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische beperking. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3.4 en 3.4.12.

14.5 tegenprestatie In artikel 9, lid 1 onder c van de Participatiewet is aangegeven wat de verplichting tot tegenprestatie inhoudt: “verplichting om naar vermogen door de gemeente opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt”. Wat wel: - Maatschappelijk nuttige werkzaamheden - Beperkt in omvang en tijdsduur - Additioneel en niet verdringen - Naar vermogen Wat niet: - Tegenprestatie mag geen bestaande participatieplek of werkstage betreffen; - Mag primair geen arbeidsinschakeling beogen, want dan betreft het een regulier reintegratietraject, maar secundair wel. Dit betekent: ervaring opdoen met op tijd komen, gedrag op werkvloer, enz. - Geen ‘dwangarbeid’, dus geen sneeuwschuiven, want dat valt onder de normale burgerplicht op grond van artikel 4, lid 3, Europees Verdrag Rechten van de Mens. Voor wie: - Het gaat om de “niet-kunners” en dus niet over de “niet-willers”. Afhankelijk van het vermogen tot arbeidsinschakeling heeft deze laatste groep een re-integratietraject dat 83

Verordening sociaal domein

-

-

leid naar werk of anderszins, en bij het niet nakomen van de verplichtingen is op deze groep het handhavings- en maatregelenbeleid (hoofdstuk 8 van deze verordening) van toepassing. Toelichting op bovenstaande: omdat de tegenprestatie geen re-integratietraject mag zijn, en geen verdringing op de arbeidsmarkt mag veroorzaken, is de groep in een reintegratietraject uitgesloten van de tegenprestatie. Deze groep moet begeleid worden naar werk en wordt verondersteld hier fulltime mee bezig te zijn. In de verordening wordt dus iedereen geduid met een bijstandsuitkering: afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden, heeft dus iedereen een traject: hetzij naar werk, hetzij naar maatschappelijk onbeloonde activiteiten.

14.6 meedoen in de samenleving 14.6.1

dagbesteding

De doelstelling van dagbesteding is gelijk aan begeleiding. Dagbesteding is voorliggend op begeleiding. Persoonlijke begeleiding is pas aan de orde wanneer vanwege persoonskenmerken deelname aan groepsbegeleiding (nog) niet voldoet. Ook een combinatie van beiden vormen van begeleiding is mogelijk.

14.6.2

persoonlijke begeleiding

Dit artikel spreekt voor zich

14.6.3

rolstoel

Een transportrolstoel geldt als meeneembare vervoersvoorziening waarvoor in principe geen resultaatsverplichting in het kader van de Wmo aanwezig is. Nadrukkelijk is het hier van belang naar uitleenmogelijkheden te kijken, bijvoorbeeld in het kader van de Wlz en de Zorgverzekeringswet. Een elektrische rolstoel die uitsluitend voor buitengebruik bedoeld is betreft een vervoersvoorziening die qua gebruiksdoel gelijk is aan een scootmobiel.

14.6.4

contact met anderen

Bij het bepalen van de vervoersbehoefte wordt rekening gehouden met een lagere behoefte vanwege: a) intramuraal verblijf in een instelling; b) een samenvallende vervoersbehoefte; c) een beperkte vervoersbehoefte; d) andere aanwezige vervoersvoorzieningen. Collectief taxivervoer (regiotaxi) Personen die geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer kunnen ook onder de Wmo 2015 tegen gereduceerd tarief gebruik maken van de Regiotaxi (ofwel het collectief vraagafhankelijk vervoer). Deze voorziening wordt verstrekt door middel van het beschikbaar stellen van een Wmo-vervoerspas. Met deze pas reist men tegen een gereduceerd tarief tot maximaal 600 zones exclusief opstapzones per jaar. Het is niet mogelijk bij een beroep op deze voorziening keuzevrijheid te bieden. Bij een combinatie van vervoersvoorzieningen valt te denken aan een scootmobiel voor het verplaatsen rondom de woning en middellange afstanden naast een pasje voor collectief vervoer (vervoersdoel middellange en lange afstanden). Het gebruik van openbaar en collectief vervoer heeft het primaat wanneer deze de inwoner in voldoende mate in staat stelt tot participatie.

84

Verordening sociaal domein

14.7 meedoen aan sportactiviteiten Dit artikel spreekt voor zich.

14.8 vervanging vervoermiddel of rolstoel Dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 15.

gezond en veilig opgroeien

15.1 uitgangspunten bij het bieden van hulp Dit artikel spreekt voor zich.

15.2 preventieve maatregelen De gemeente is bevoegd door te verwijzen naar vrij toegankelijke hulp die is belegd in de sociale basisinfrastructuur en om beroep te doen op het netwerk van de hulpvrager.

15.3 hulp-op-maat Dit artikel spreekt voor zich.

15.4 overgang van 18- naar 18+ In principe valt de jongere met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar niet meer onder Jeugdwet, maar onder de WMO of Zvw. Indien jongere na 18 jaar ook nog hulp nodig heeft, is het van belang zo goed mogelijk te ondersteunen: -Er kan worden besloten om hulp bij jeugdhulpbieder door te laten lopen, maar te financieren vanuit de WMO. De zorgaanbieder moet dan wel gecontracteerd zijn voor het betreffende Wmo product. Indien de zorgaanbieder niet gecontracteerd is kan eventueel PGB worden ingezet. Onder de verlengde Jeugdwet (18-23 jaar) valt alle jeugdhulp waar geen ander wettelijk systeem in voorziet na het 18e jaar: pleegzorg, pedagogische ondersteuning aan de jongere, specifieke jeugdhulp. Voor jeugdreclassering geldt geen leeftijdsgrens. Ambulante begeleiding individueel jeugd en dagactiviteiten jeugd kunnen niet als verlengde jeugdhulp worden ingezet omdat er in de Wmo vergelijkbare dienstverlening voorhanden is. Ambulante behandeling GGZ stopt op het moment dat jongere 18 wordt. De zorg wordt dan bekostigd uit ZVW. Verblijf in een gezinshuis en pleegzorg loopt standaard door tot 21 jaar en dit kan worden verlengd tot uiterlijk 23 jaar via de criteria van de verlengde jeugdhulp: het moet al lopend zijn en noodzakelijk zijn.

15.5 afstemming met andere vormen van hulp In het kader van het uitgangspunt 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur, wordt de hulp of begeleiding die door verschillende partijen gegeven wordt op elkaar afgestemd. En in samenspraak met het gezin vastgelegd in een verslag. De gemeente houdt oog op voorliggende wetten die verantwoordelijk zijn voor financiering van zorg. Indien er verschuiving plaatsvindt in de verantwoordelijke wet, ondersteunt gemeente de cliënt bij de aanvraag hiervan. Zorg kan worden gefinancierd uit: -Wet langdurige zorg: voortdurende, intensieve zorg, wanneer er sprake is van blijvende 85

Verordening sociaal domein

behoefte aan permanent toezicht vanwege een beperking. -Zorgverzekeringswet: problematiek die binnen de basisverzekering valt. Aanvullende verzekering is optioneel voor jongere en ouders. -Wmo 2015: woningaanpassingen, vervoer om te kunnen participeren, hulpmiddelen die bijdragen aan zelfredzaamheid. -Onderwijswetten: ondersteuning gericht op het leerproces, behalen van onderwijsdoelen of helpen in onderwijsontwikkeling wordt bekostigd vanuit het onderwijs.

15.6 afstemming langdurige zorg Lid 1 overgang naar de WLZ Wanneer jongeren levenslang en levensbreed zorg nodig hebben, vallen zij onder de Wet langdurige zorg (WLZ). De gemeente ondersteunt de jongere en zijn ouders, zo nodig, bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat. Lid 2 Dit is gebaseerd op de Jeugdwet, artikel 1.2 eerste lid onderdeel C: ‘Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen: indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jongere in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jongere of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe’. Hierbij zal natuurlijk altijd het belang van het kind voorop staan. De jongere mag nooit het slachtoffer mogen worden van onwillige ouders.

15.7

Veilig thuis

Dit artikel spreekt voor zich.

86

Verordening sociaal domein

Hoofdstuk 16. wonen in een veilige en gezonde omgeving 16.1 uitgangspunten Dit artikel spreekt voor zich.

16.2 zelfstandig en veilig wonen 16.2.1

geschikte woning

Woontechnische aanpassingen hebben betrekking op voorzieningen die de woning geschikt maken voor specifieke beperkingen. Denk hierbij aan trapliften en het wegnemen van drempels. Bouwtechnische aanpassingen zijn aanpassingen die ingrijpen op de constructie van de woning. Denk hierbij aan het verplaatsen van een steunmuur of veranderen van de dakconstructie. Deze aanpassingen zijn niet aan te merken als een Wmo voorziening.

16.2.2

een schone en leefbare woning

Dit artikel spreekt voor zich.

16.2.3

beschermd wonen

Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen indien de inwoner is aangewezen op ondersteuning in een beschermende woonomgeving (inclusief noodzakelijk verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Die kan betrekking hebben op onder meer het psychisch en psychosociaal functioneren of een psychiatrisch ziektebeeld en zich manifesteren op verschillende levensgebieden. Daarnaast is het zo dat de maatwerkvoorzieningen zoals ambulante begeleiding geen passende bijdrage kunnen bieden. Verder is beschermd wonen primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de inwoner er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (in de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de inwoner het PGB wenst te besteden aan een niet-gecontracteerde aanbieder. Het college stelt daarover nadere regels. Het kan zijn dat de inwoner, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook inwoners zijn die levenslang afhankelijk zijn van een beschermende woonomgeving.

Om zo goed mogelijk maatwerk te kunnen bieden, wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een zorgarrangement. Het college werkt nader uit wat onder zorgarrangementen wordt verstaan.

16.3 mantelzorg 16.3.1

ondersteuning mantelzorger

Dit artikel spreekt voor zich.

16.3.2

Mantelzorgwaardering

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg 87

Verordening sociaal domein

draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening (andere voorziening), maatwerkvoorziening (hulp op maat) of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Voor de mantelzorgwaardering wordt aangesloten bij de dag van de mantelzorg. De uitvoering wordt gedaan door welzijnsorganisatie ‘De Boei’. Er wordt op deze dag een activiteit georganiseerd voor mantelzorgers. Daarnaast wordt als blijk van waardering voor de mantelzorger een gift gegeven bestaande uit bon(nen). Om in aanmerking te komen voor de blijk van waardering voor de mantelzorger, dient de mantelzorger geregistreerd te staan bij de welzijnsorganisatie ‘De Boei’, die de mantelzorgondersteuning verzorgt. Registratie als mantelzorger vindt plaats wanneer men ten minste gemiddeld 8 u per week en drie maanden lang mantelzorg verleent.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13884072/2