Verordening Sociaal Domein 2024.docx
Tekst van het document
Verordening sociaal domein
5
kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd.
6.3 persoonsgebonden budget 6.3.1 1 2 3 4
5 6
7
voorwaarden
In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmohulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan. De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner kan motiveren waarom een pgb de voorkeur heeft boven hulp-op-maat. De inwoner moet motiveren waarom hulp-op-maat door de gemeente voorgestelde aanbieder niet passend wordt geacht. Een pgb voor beschermd wonen is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan: De bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden. De bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappelijke ruimte hebben voor gezamenlijke activiteiten. Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm.
Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag bij het pgb. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s). e. een eenmalige uitkering f. kosten voor scholing of lidmaatschappen De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. b. Voor activiteiten die normaal door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: i. (sociale) activiteiten ondernemen met de inwoner; ii. het doen van boodschappen iii. lichte huishoudelijke taken iv. eenvoudige hulp bij administratie v. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met artsen vi. vervoer naar afspraken met artsen c. Het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer. d. Uit het door de inwoner ingediende pgbplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. e. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgbbeheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener. f. Er sprake is van formele pleegzorg. g.
Er sprake is van crisishulp/crisisopvang/spoedeisende zorg h. Het een minderjarige betreft die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen of een jongere die is opgenomen in een gesloten accommodatie. 26
Verordening sociaal domein
i. j. k. l.
Er sprake is van bezwaren van overwegende aard. Ter beoordeling daarvan kan het college nadere gegevens inwinnen of van de aanvrager verlangen, waaronder een verklaring omtrent het gedrag (VOG) of diploma’s van de te kiezen zorgverlener. De gemeente heeft eerder toepassing gegeven aan artikel 8.1.4 eerste lid, onderdeel a, d en e van de Jeugdwet. Een pgb wordt gebruikt om inkomen aan te vullen of om inkomstenderving op te vangen. Het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland.
6.3.2 pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk 1
2
De persoon die hulp geeft mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden: a. Deze persoon hanteert een tarief dat binnen het minimum en maximumbedrag valt. Het minimumbedrag is de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren en bij een volledige werkweek. Het maximumbedrag is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor hulp die nodig is (hulp-in-natura-tarief). Het percentage van het bedrag dat kan worden uitgekeerd aan een persoon uit het sociale netwerk is afhankelijk van de vorm van hulp-op-maat. b. Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken. c. De persoon doet melding bij de gemeente van iedere calamiteit of geweldsincident die bij verlening van de jeugdhulp plaatsvindt. d. De persoon stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te voeren. e. De zorgverlener beschikt over een VOG (behalve als de zorgverlener een ouder is). Hulp door bloed-of aanverwanten in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien.
6.3.3 1
2 3
4
5 6 7
hoogte en tarief pgb
De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan pgb. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna het pgb vast stellen. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd. Het college stelt maximale tarieven voor pgb vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en maakt deze Tarievenlijst bekend. De gemeente baseert de hoogte van het pgb op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. Voor het verkrijgen van een pgb kan het vergaren van één of meerdere offertes door de aanvrager verplicht worden gesteld. De kostprijs mag niet hoger zijn dat wat gebruikelijk is voor de dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximum bedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura –tarief). Wanneer de offerte hoger is dat dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet.
Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhoud- en verzekeringskosten. Bij de verschillende vormen van hulp op maat horen verschillende tarieven. Als de kosten in het budgetplan pgb lager zijn dan het tarief zoals vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo, dan geldt het tarief uit het budgetplan pgb. De gemeente heeft verschillende pgb tarieven voor de volgende vormen van hulp op maat: 27
Verordening sociaal domein
a. dagbesteding en een schone en leefbare woning: de persoon die in dienst is van een aanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst. de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief; de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief, met als ondergrens (bij het bestaan van een dienstbetrekking) de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren b. persoonlijke begeleiding, ambulante behandeling jeugd en respijtverblijf (ontlasting mantelzorger/time-outvoorziening): de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst. Hierbij is het functieniveau van de persoon in dienst van de zorgaanbieder bepalend voor de hoogte van het tarief. de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief; de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief, met als ondergrens (bij het bestaan van een dienstbetrekking) de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. c. beschermd wonen: de hoogte van het pgb voor beschermd wonen vloeit voort uit het voor de inwoner van toepassing zijnde zorgarrangement.
De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en het pgbplan. het pgb uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN en door het college vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. Indien sprake is van overgangsrecht geldt een tarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief. als de inwoner in een accommodatie verblijft of zal verblijven die voldoet aan de eisen zoals genoemd in artikel 5.2.3 van deze verordening, dan kan de gemeente een wooninitiatieventoeslag verstrekken. De hoogte van de wooninitiatieventoeslag is opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. d.
contact met anderen en meedoen aan sportactiviteiten: voor de taxi en rolstoeltaxi geldt een pgb tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo met een maximum van 2000 kilometer per jaar voor een vervoersvoorziening geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes, maar daarbij wel moet worden voldaan aan een programma van eisen voor een sportrolstoel geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes en dat moet worden voldaan aan een programma van eisen, zoals in de toelichting bij deze verordening opgenomen. e. geschikte woning: de hulp op maat wordt berekend op basis van en de laagste kostprijs in de hand van twee offertes, maar daarbij moet wel worden voldaan aan een programma van eisen. Als de gemeente de hulp op maat regelt door een gecontracteerde aanbieder te vragen, dan is de hoogte van het pgb het bedrag dat de aanbieder rekent.
6.3.4 1 2
verantwoording pgb
De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag maakt de inwoner gebruik van een formulier van de gemeente. Als een inwoner hulp-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is.
28
Verordening sociaal domein
6.3.5
opschorten pgb
De gemeente kan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als: a. de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente; b. de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die bij een pgb horen; of c. de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
6.4 wat is de eigen bijdrage? 1 2
3 4 5
6
7 8
De gemeente kan voor een aantal voorzieningen aan de inwoner een eigen bijdrage vragen. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo-hulp-op-maat, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De kostprijs van hulp-op-maat in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consulatie in de markt of na overleg met de aanbieder. Bij een product maken maandelijkse kosten en/of onderhoudskosten deel uit van de kostprijs. Gaat het om kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. De inwoner betaalt een eigen bijdrage in de kosten van Wmo-hulp voor de volgende andere voorzieningen: a. het schoon en leefbaar houden van de woning voor een mantelzorger van een inwoner (hulp in de huishouding). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. b. collectief taxivervoer. De eigen bijdrage is € 2,75 per zone.
Wanneer een inwoner geïndiceerd is voor collectief taxivervoer kan deze tegen gereduceerd tarief gebruik maken van collectief taxivervoer. De eigen bijdrage is dan € 1,20 per zone. De eigen bijdrage Wmo kan van 0-100% worden verlaagd indien: a. Het schuldhulpverleningstraject van de betreffende cliënt wordt geblokkeerd doordat het heffen van de eigen bijdrage voor begeleiding vanuit de Wmo leidt tot oplopende schulden. b. Er sprake is van schulden waardoor de cliënt de eigen bijdrage niet kan betalen en hulp vanuit de Wmo noodzakelijk is. Om te besluiten tot een verlaging van de eigen bijdrage is het een voorwaarde dat men deelneemt aan de gemeentelijke schuldhulpregeling. c. Indien er sprake is van beperkt ziekte-inzicht of zorgmijdend gedrag waardoor heffing van de eigen bijdrage leidt tot het niet accepteren van hulp vanuit de Wmo en deze hulp noodzakelijk is. Van noodzakelijke hulp is sprake bij begeleiding of dagactiviteiten, waarbij: Het ontbreken van deze hulp leidt tot crises waardoor de veiligheid van de cliënt of zijn/haar omgeving in het geding komt en extra inzet van hulpdiensten nodig is. Er sprake is van overbelasting van de mantelzorger, in die mate dat directe uitval van de mantelzorger en opname van de cliënt dreigt.
Tot een verlaging van de eigen bijdrage Wmo als genoemd in het zesde lid wordt alleen besloten indien er geen andere oplossingen mogelijk zijn en voor de periode, het percentage en de vorm van zorg die noodzakelijk is. De gemeente vraagt geen eigen bijdrage voor een rolstoel voor het gebruik in huis en het onderhoud daarvan.
29
Verordening sociaal domein
Hoofdstuk 7. inkomen en schulden Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag besteedbaar inkomen of een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem extra te ondersteunen kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en tegemoetkomingen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de hulp die de gemeente kan bieden bij schulden.
7.1 lokaal inkomensbeleid In deze paragraaf wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken van beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan.
7.1.1 1
2 3 4
5 6
wat wil de gemeente?
De gemeente wil dat inwoners met een laag besteedbaar inkomen, met een beperking of met een chronisch psychische of psychosociaal probleem en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het tegengaan van schulden. De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe het beleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt De gemeente geeft daarbij aan welke groepen inwoners op welke manier financieel en met hun financiën of schulden worden ondersteund. Tot die groepen behoren in ieder geval: a. Kinderen b. Inwoners met schulden. De gemeente betrekt bij het maken van het beleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
De gemeente zorgt ervoor dat uitkeringen en tegemoetkomingen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode niet opnieuw aangevraagd hoeven te worden of op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden. 30
Verordening sociaal domein
7.2 bijzondere bijstand Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet. 1 De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijk heden of op ander voorzieningen. Bijzondere bijstand is hulp-op-maat en is bedoeld voor inwoners met een laag besteedbaar inkomen en zonder goede financiële buffer: a. extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, en b. voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. 2 Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid. 3 De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening. 4 De gemeente legt in nadere regels vast hoe de gemeente bijzondere bijstand inzet.
7.3 zorgkosten 1
2
Voor inwoners die moeten rondkomen van een laag inkomen, kan de gemeente met een zorgverzekeraar een zorgverzekering afspreken die a. Collectieve korting biedt voor zowel de basis- als aanvullende verzekering b. Extra vergoedingen voor bepaalde zorgkosten biedt c. In aanmerking komt voor een gemeentelijke tegemoetkoming De gemeente publiceert jaarlijks eind november /begin december de manier waarop de gemeente aan dit artikel voldoet.
7.4 Individuele inkomenstoeslag Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de individuele inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden.
7.4.1 1
2
De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner: a. die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager of gelijk is aan 115% van de bijstandsnorm, waarbij de kostendelersnorm wel wordt toegepast. De periode van verblijf in een asielzoekerscentrum telt mee in de 36 maanden, en b. Geen zicht heeft op inkomensverbetering, zoals afronding van een opleiding of verkrijgen van werk, en wel alles heeft geprobeerd om meer inkomen te krijgen. Gehuwden of samenwonenden moeten beiden aan alle voorwaarden voldoen.
7.4.2 1
doelgroep
hoogte van de toeslag
De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar met afronding op hele euro’s naar boven: a. voor gehuwden of samenwonenden: 3,2% van de voor hen geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag op jaarbasis. b. voor een alleenstaande: 70% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden c. voor een alleenstaande ouder: 90% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden; 31
Verordening sociaal domein
2
Bij gehuwden of samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op individuele inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
7.5 kinderen in Armoede Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft regelingen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze regelingen worden het kindpakket genoemd. Hier zijn de uitgangspunten benoemd.
7.5.1
doelgroep
Deze regelingen zijn bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen, die geen goede financiële buffer hebben. Voor de voorzieningen binnen het pakket worden verschillende inkomensgrenzen gehanteerd, die nooit hoger zijn dan 120% van de bijstandsnorm.
7.5.2
inhoud kindpakket
De gemeente stelt de regelingen vast, in overleg met cliënten, hulpverleners en de adviesraad sociaal domein. Het kindpakket bestaat uit: a. Voorzieningen om kinderen zwemdiploma’s A en B te laten halen; b. voorzieningen om kinderen mee te laten doen aan sportieve activiteiten; c. voorzieningen om kinderen mee te laten doen aan culturele activiteiten; d. voorzieningen om kinderen mee te laten doen op school.
7.6 tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval 7.6.1 1 2
De tegemoetkoming meerkosten is bedoeld voor a. Inwoners met een beperking, of b. Inwoners met een chronisch psychisch of psychosociaal probleem Als er sprake is van: a. Onvoorziene verhuis- en inrichtingskosten als gevolg van verhuizing en er onvoldoende financiële draagkracht is. b. Specifieke problematiek wat leidt tot extra afval, waarbij levensfase gebonden problematiek als incontinentie is uitgesloten.
7.6.2 1 2
doelgroep
Hoogte van de toeslag
De tegemoetkoming is een forfaitaire vergoeding. De gemeente legt de hoogte van de tegemoetkoming vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.
7.7 schuldhulpverlening De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.
32
Verordening sociaal domein
7.7.1 1 2 3 4 5
De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden melden bij de gemeente.
7.7.2 1 2
samenwerking en toegang
schuldhulpverlening
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt; De gemeente werkt daarbij samen met verschillende maatschappelijke partners en gecontracteerde partijen.
33
Verordening sociaal domein
Hoofdstuk 8. afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.
8.1 hoe gaan we met elkaar om? 8.1.1 de rol van de gemeente 1
2
De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een gelijkwaardige manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a. Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. b. De inwoner heeft, om zijn problemen te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis. c. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. d. De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen. e. Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. f. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. g. De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. h. De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. i. De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.
De inwoner kan hierbij gebruik maken van een cliëntondersteuner. De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende: a. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: zijn rechten en plichten; wat er van hem wordt verwacht; welk gedrag niet deugt; wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. b. De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren, tenzij: Dit niet mogelijk is vanwege de spoed de inwoner al eerder de kans heeft gehad over precies hetzelfde; c. De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: de ernst van het gedrag; de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en de persoonlijke situatie van de inwoner. d. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie 34
Verordening sociaal domein
hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
8.1.2 de rol van de inwoner 1
2
De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: a. De inwoner zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat hij hulp vraagt aan de gemeente. b. Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. c. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: a. De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. b. De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner. c. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren. d. De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
8.2 afspraken en verplichtingen over uitkeringen 8.2.1 afstemming op houding en gedrag van de inwoner 1 2
3
De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met: a. de ernst van het gedrag; b. de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden, en c. de persoonlijke situatie van de inwoner. Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen: a. telefonisch; b. schriftelijk; c. in een persoonlijk gesprek.
8.2.2
afzien van verlaging
De gemeente verlaagt de uitkering niet als: a. Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. De gemeente daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of c. het gedrag van de inwoner meer dan één jaar vóór constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering niet meer dan €340 kan worden verlaagd, of d. het gedrag van de inwoner meer dan vijf jaar voor constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering meer dan € 340 kan worden verlaagd.
35
Verordening sociaal domein
8.2.3 ingangsdatum en periode verlaging 1
2
De gemeente verlaagt de uitkering of bijzondere bijstand vanaf de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald. Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen, mits dit bij een verlaging van €340 of minder binnen een jaar plaatsvindt of bij een verlaging van meer dan € 340 binnen vijf jaar plaatsvindt.
8.2.4 1 2
berekening verlaging
De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner. Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand voor levensonderhoud ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.
8.2.5 niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen 1 2
De gemeente verlaagt de uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid van de Participatiewet niet voldoende nakomt. De verlaging wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de twee daaropvolgende kalendermaanden, als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.
8.2.6
stoppen verlaging
De gemeente kan de verlaging stoppen als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de wettelijke arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 8.2.5 nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of email indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt.
8.2.7 niet nakomen andere arbeidsverplichtingen 1 2
3
De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering (PW) een maand met 50% van de uitkeringsnorm, voor het niet voldoende proberen werk te vinden en artikel 8.2.5. niet van toepassing is; De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag: a. het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; b. Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder; c. Het niet voldoende nakomen van verplichtingen in de zoektermijn van vier weken, die voor jongeren tot 27 jaar geldt na melding. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlengd als werkzoekende bij het UWV; 36
Verordening sociaal domein
4
5
6
De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. Het niet voldoende proberen werk te vinden; b. Het niet aanvaarden van werk; c. Het door eigen toedoen niet behouden van werk; d. Het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, waardoor de voorziening beëindigd is. De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; b. het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, zonder gevolgen voor voorziening; c. het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; d. Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder. De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlangd als werkzoekende bij het UWV.
8.2.8 1 2
3 4
te weinig besef van verantwoordelijkheid
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag). De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op: a. 10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000, -; b. 20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf €1.000, - tot € 2.000, -; c. 40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000, - tot € 4.000, -; d. 100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000, - . Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden en hierdoor geen recht heeft op een WW-uitkering verlaagt de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 100% gedurende één maand. Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden, maar geen WW rechten heeft opgebouwd, verlaagd de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 50% gedurende een maand.
8.2.9
zeer ernstige misdragingen
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt twee maanden verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.
8.2.10
niet nakomen van andere verplichtingen
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt. 1 De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om: a. verplichtingen die gericht zijn op werk; b. verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt. 2 De verlaging is 40% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die zijn gericht op vermindering van de bijstand. 3 De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand.
37
Verordening sociaal domein
8.2.11 1
2
3
Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging, tenzij voor het gedrag al een bestuurlijke boete is opgelegd. Als al een bestuurlijke boete is opgelegd, wordt geen verlaging opgelegd. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd. Als er voor dezelfde gedraging de bijstand verlaagd kan worden én een boete op grond van de Wet inburgering 2021 opgelegd kan worden, wordt ervoor gekozen de bijstand te verlagen en geen boete op te leggen.
8.2.12
1 2
samenloop van gedragingen
herhaling (recidive) van een gedraging
De duur van de verlaging bij wettelijke arbeidsverplichtingen gaat naar twee maanden als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd, De hoogte van de verlaging bij niet-wettelijke arbeidsverplichtingen wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd.
8.3 terugvorderen uitkering 8.3.1 terugvordering en incasso 1 2
3 4
De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner. Bij een klein bedrag kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen, als dit te veel tijd en geld kost. De gemeente vordert een klein bedrag wél terug als er te veel uitkering is betaald omdat de inwoner onvoldoende informatie heeft gegeven aan de gemeente. Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan of hoger dan de beslagvrije voet; De gemeente legt in nadere regels vast hoe de gemeente terugvordert.
8.4 beëindigen en terugvorderen voorziening 8.4.1 beëindiging voorziening 1
De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de voorziening niet langer passend of nodig is; b. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; c. de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; d. de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; e. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; 38
Verordening sociaal domein
f.
2
de inwoner niet binnen zes maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is. In geval van een pgb moet de inwoner dit schriftelijk onderbouwen. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
8.4.2 1
terugvordering voorziening
De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 8.4.1. Wmo voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.
8.5 hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? 8.5.1 1
2 3 4
controle
De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van: a. huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet; b. heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek; c. bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten; d. signalen en tips van organisaties of particulieren; e. andere passende onderzoeksmethoden. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt. Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging.
De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
8.5.2
voorkomen van fraude
De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
8.5.3 beleidsplan en beleidsverslag 1 2
De gemeente stelt een beleidsplan vast. In dat plan legt de gemeente vast hoe zij fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving). In het beleidsplan staat in ieder geval: a. wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt; b. wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting); c. welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en d. hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan. 39
Verordening sociaal domein
3
De gemeente rapporteert na afloop van ieder kalenderjaar in de programmarekening. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.
8.5.4 1
2 3
privacy
De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om protocollen over: a. huisbezoeken; b. buurtonderzoeken; c. agressie (zeer ernstige misdragingen). De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar bekend. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
8.5.5
toezichthouders
De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
40
Verordening sociaal domein
Hoofdstuk 9. adviesraad Sociaal Domein Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er een adviesraad sociaal domein is en is de taak van deze raad beschreven.
9.1 inspraak van inwoners 1
2 3
4
De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de inspraakverordening gemeente Bunschoten zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: a. Plannen voor beleid en regels; b. De manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert; c. De manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening); d. De manier waarop zorgaanbieders en leveranciers hun taken uitvoeren. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering; De gemeente kan inwoners op de volgende manier inspraak geven: a. Via de adviesraad sociaal domein; b. Door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten; c. Door in co-creatie samen met inwoners een plan te ontwerpen; De gemeente bepaalt na overleg met de adviesraad sociaal domein welke vorm de inspraak heeft.
9.2 adviesraad sociaal domein 1
Het doel van de gemeente om een adviesraad sociaal domein in te stellen is om inwoners inspraak te geven in het beleid, de regels en de uitvoering daarvan. 2 De adviesraad sociaal domein bestaat uit minimaal vijf en maximaal zeven leden: a. Inwoners of professionals die zich sterk betrokken voelen bij één van onderstaande groepen; b. Inwoners die een uitkering van de gemeente ontvangen of hebben ontvangen; c. Inwoners met een beperking die ervaring hebben met Wmo-hulp van de gemeente; d. Jongeren of hun ouders die ervaring hebben met gemeentelijke jeugdhulp; en e. Een onafhankelijke voorzitter; en f. Een onafhankelijke secretaris. 3 Maximaal twee leden zijn niet woonachtig in de gemeente Bunschoten. De voorzitter en secretaris worden hierin meegerekend. 4 Professionals hebben zitting op persoonlijke titel en mogen geen zakelijke binding met de gemeente hebben, voor zover deze invloed heeft op de onafhankelijke positie van het lid. 5 Bij vacatures werft de Adviesraad Sociaal domein kandidaten in een openbare procedure. 6 De leden van de adviesraad sociaal domein worden benoemd door de gemeenten, voor een periode van minimaal twee jaar en maximaal acht jaar; 7 De adviesraad sociaal domein vergadert elke jaar minimaal twee en maximaal acht keer.
8 De vergaderingen zijn openbaar, tenzij een meerderheid van de leden van de adviesraad sociaal domein gemotiveerd anders heeft bepaald of dat de gemeente hier gemotiveerd om heeft gevraagd. 9 De gemeente heeft tenminste vier keer per jaar contact met de adviesraad sociaal domein, waarvan tenminste twee keer per jaar met de portefeuillehouder. 10 De gemeente evalueert elke jaar tenminste één keer met de adviesraad sociaal domein hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed functioneert. De Adviesraad sociaal domein stuurt na afloop van dit overleg een verslag aan het college 41
Verordening sociaal domein
9.3 taken en bevoegdheden adviesraad sociaal domein 1
2 3 4 5 6 7
De adviesraad sociaal domein adviseert de gemeente gevraagd over plannen om beleid, regels of de uitvoering daarvan bij te stellen in het sociaal domein. De adviesraad sociaal domein brengt een advies uit binnen twee weken na ontvangst van de plannen. Hierbij maakt de adviesraad gebruik van ervaringen, meningen en inzichten van inwoners. De adviesraad sociaal domein kan ongevraagd voorstellen doen aan de gemeente over verandering van beleid, regels of de uitvoering daarvan. Als de gemeente het advies niet of niet volledig overneemt van de adviesraad, dan worden ze daarover gemotiveerd geïnformeerd. De adviesraad kan geen klachten, bezwaarschriften of andere onderwerpen bespreken die over individuele personen gaan. De adviesraad kan zelf regels vaststellen over de manier waarop de adviesraad zijn werk doet. De adviesraad ontvangt aan het begin van het kalenderjaar een jaarplanning van onderwerpen die naar de raad gaan. De gemeente levert tijdig stukken aan de adviesraad aan.
9.4 budget, vergoeding en voorzieningen 1
2 3
4 5 6
De gemeente geeft de adviesraad op basis van de jaarlijkse subsidieaanvraag van de adviesraad een budget voor: a. Reis- en onkosten; b. Deskundigheidsbevordering, waaronder deelname aan vergaderingen van landelijke cliëntenadviesraden; c. Documentatie en voorlichting van inwoners; d. Administratiekosten; e. Organiseren van één of meer thema-avonden voor inwoners. De gemeente stelt elk jaar een budget vast voor andere vormen van inspraak. De leden en de voorzitter van de adviesraad ontvangen per bijgewoonde vergadering een onkostenvergoeding zoals is vastgelegd in het rechtspositiebesluit Raads- en commissieleden. De onafhankelijke secretaris ontvangt per bijgewoonde vergadering tweemaal de onkostenvergoeding zoals is vastgelegd in het rechtspositiebesluit Raadsen commissieleden. De leden komen in aanmerking voor de onkosten vergoeding als ze de presentielijst hebben getekend. Deze presentielijst wordt naar de gemeente gestuurd. De gemeente zorgt ervoor dat de adviesraad gebruik kan maken van een vergaderruimte die nodig zijn om de taken goed uit te kunnen voeren. De gemeente stelt een medewerker (ambtelijk secretaris) aan die als aanspreekpunt namens de gemeente fungeert.
42
Verordening sociaal domein
Hoofdstuk 10.
kwaliteit en aanbesteding
De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.
10.1 kwaliteit 1 2
3
Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt, moeten van goede kwaliteit zijn. De diensten en producten: a. Passen bij de behoefte van de inwoner; b. Zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner; c. Voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard; d. Respecteren de rechten van de inwoner; e. Worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd; f. Worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld. De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de kwaliteitseisen worden uitgewerkt.
10.2 inkoop en aanbesteding 1 2
3
De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening een belangrijke rol speelt bij de inkoop en aanbesteding. Bij de inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij: a. Diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en b. Als zij personeel hebben, dat zij zich houden aan de regels van het arbeidsrecht. De leverancier moet aantonen dat bij de kostprijs rekening is gehouden met: a. Het soort dienst of product; b. De omvang van het diensten- of productenpakket dat wordt geleverd; c. De arbeidsvoorwaarden van het personeel volgens de cao die van toepassing is; d. Een redelijke toeslag voor overheadkosten; e. Personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel; f. Kosten als gevolg van verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen; g. Het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten.
43
Verordening sociaal domein
Hoofdstuk 11.
van oud naar nieuw
In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.
11.1 uitvoeringsregels De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.
11.2 intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat: Verordening Sociaal Domein gemeente Bunschoten 2023 (plus toelichting).
11.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1. genoemde wetten of de doelen van de verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
11.4 overgangsrecht 1
2
Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 januari 2024 doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 2024 en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 2024 geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe. 44
Verordening sociaal domein
3
Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de bij 11.2 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.
11.5 ingangsdatum en naam 1 2
Deze verordening wordt genoemd: Verordening sociaal domein 2024 Gemeente Bunschoten. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024.
45
Verordening sociaal domein
Hoofdstuk 12.
begrippen
In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst? Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is. Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik. Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven. Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven. andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulpopmaat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.
In het kader van de Jeugdwet wordt met andere voorziening een voorziening bedoeld op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. arbeidsinschakeling: aan het werk (kunnen) gaan. arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet. beperking: De vermindering van mogelijkheden als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke, psychische of psychosociale handicap, die het functioneren op sociaal of maatschappelijk gebied belemmert. bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. budgetplan pgb: Een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij wil inkopen.
In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welk momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd is.
collectief taxivervoer: 46
Verordening sociaal domein
vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd). effect: het resultaat of doel financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten. gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt.
hulp: ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, of schuldhulp verlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs. hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling of bijzondere bijstand. Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. inkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. interne werkbegeleiding: Door een collega geboden dagelijks werkbegeleiding, aan een inwoner behorende tot de doelgroep uit de Participatiewet, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek.
47
Verordening sociaal domein
inwoner: de persoon die een direct belang heeft bij een besluit van de gemeente (artikel 1:2, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Als de inwoner een hulpvraag heeft die nog niet heeft geleid tot een verzoek om een besluit te nemen of tot feitelijk handelen door de gemeente, dan wordt met inwoner bedoeld: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente is ingeschreven, of, als het gaat om hulp op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ: degene die woonplaats heeft in de gemeente, volgens de regels van artikel 10, lid 1 en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. jobcoaching: Door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk. jongere: de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie.
Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft. kindpakket: een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. leverancier: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling. medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt. overige voorzieningen: Voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’.
persoonlijke ondersteuning bij werk: 48
Verordening sociaal domein
Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging.