SM 1163693 bijlage ContourenRMP
Tekst van het document
Contouren-RMP Midden Nederland De contouren van de samenwerking binnen het Regionaal Mobiliteitsprogramma regio Midden-Nederland
25-3-2021
Inhoud 1.
2.
3.
4.
Inleiding ........................................................................................................................................... 2 1.1
Aanleiding en achtergrond ...................................................................................................... 2
1.2
Opzet en afbakening Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland.......................... 3
1.3
Samenwerking in de regio Midden-Nederland ....................................................................... 6
Waar willen we naar toe? ............................................................................................................... 8 2.1
Doelen Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland ............................................... 8
2.2
Leidende principes samenwerking ........................................................................................ 10
Waar staan we nu? ........................................................................................................................ 14 3.1
De regionale CO2- uitstoot..................................................................................................... 14
3.2
Voorbeeldprojecten duurzame mobiliteit............................................................................. 17
Hoe gaan we verder?..................................................................................................................... 21 4.1
Van contourendocument naar RMP1.0: proces en organisatie ............................................ 21
4.2
Organisatie ............................................................................................................................ 23
4.3
Kansen voor regionale samenwerkingsinitiatieven............................................................... 23
4.4
Eerste beeld van de effecten van verduurzamingsmaatregelenmaatregelen ...................... 25
Bijlage: Mobiliteitssamenwerkingen in de regio Midden Nederland ................................................... 27
1
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en achtergrond Binnen de provincie Utrecht gaan bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en overheden actief samenwerken aan een schoon, slim en energiezuinig mobiliteitssysteem. Het samenwerkingsprogramma dat hieraan ten grondslag komt te liggen is het Regionaal Mobiliteitsprogramma (RMP) van de regio Midden-Nederland. In dit programma geeft de regio Midden-Nederland invulling aan de nationale en internationale klimaatafspraken. Het in 2019 door het Kabinet vastgestelde Klimaatakkoord stelt voor Nederland de volgende doelstelling: in 2030 stoten we in Nederland bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uit dan we in 1990 deden. Voor 2050 is de doelstelling een 95% reductie van broeikasgasemissies ten opzichte van 1990. Het Regionaal Mobiliteitsprogramma vloeit voort uit de afspraken in het Klimaatakkoord. Uitgangspunt is dat er regionaal maatwerk nodig is in de transitie naar schone, slimme en energiezuinige mobiliteit. Overheden hebben in het Klimaatakkoord daarom de afspraak gemaakt om een landsdekkend geheel van Regionale Mobiliteitsprogramma’s te ontwikkelen. Het Regionaal Mobiliteitsprogramma van de regio Midden-Nederland is daarmee een instrument om op regionaal schaalniveau toekomstbestendige mobiliteitsoplossingen te realiseren.
Om tot een gedegen samenwerkingsprogramma te komen, is het van belang de samenwerking in de regio goed te organiseren. Voorliggend document fungeert als eerste stap in deze richting en gaat in op de hoofdlijnen van de samenwerking. Het geeft de contouren aan van hoe we als samenwerkende partijen de verduurzaming van de mobiliteit in Midden-Nederland gaan realiseren. Daarom heet dit document het contourendocument of contouren-RMP. Van april tot en met september 2021 werken we het contourendocument uit tot een concreet gezamenlijk programma van verduurzamingsmaatregelen. Het document dat dit programma beschrijft noemen we het Regionaal Mobiliteitsprogramma 1.0 of het RMP 1.0. Het Regionaal Mobiliteitsprogramma 1.0 vormt het startpunt van de uitvoeringsfase. Dit contourendocument heeft twee hoofddoelstellingen: 1. Het maken van afspraken over de manier van samenwerken in de uitwerking en uitvoering van het Regionaal Mobiliteitsprogramma van de regio Midden-Nederland. 2. Het in kaart brengen van de CO2-uitstoot van de sector mobiliteit in de provincie Utrecht als uitgangspunt voor de inhoudelijke uitwerking van de verduurzamingsmaatregelen in het Regionaal Mobiliteitsprogramma.
2
1.2 Opzet en afbakening Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland Een regionaal Mobiliteitsprogramma voor de gehele provincie Utrecht
De mobiliteitsstromen in de provincie Utrecht kenmerken zich door een samenhangend mobiliteitsprofiel waarin vanwege de centrale ligging doorgaande stromen in alle windrichtingen een dominante plek innemen. Dit is onder andere te zien in de referentierapportage 2030 Utrecht Nabij van U Ned, waarin de onderverdeling van de wegverkeersstromen in doorgaand verkeer en verkeer met herkomst en/of bestemming in de regio Utrecht is weergegeven. Op de snelwegen richting de regio Utrecht bedraagt het percentage doorgaand verkeer zonder herkomst en/of bestemming in de regio op de meeste wegen tussen de 30 en 47%, een hoog percentage vergeleken bij andere stedelijke regio's. Alleen vanuit de richting Arnhem is het percentage doorgaand verkeer lager (17%). Deze hoge percentages van doorgaand verkeer geven de provincie Utrecht een specifiek mobiliteitspatroon waarmee rekening gehouden moet worden bij het opstellen van het mobiliteitsbeleid. Dit is reden om te kiezen voor het opstellen van een Regionaal Mobiliteitsprogramma voor de gehele provincie Utrecht: het Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland. Regionaal Mobiliteitsprogramma is gezamenlijk instrument De Utrechtse gemeenten, Rijkswaterstaat en de provincie Utrecht werken samen aan de uitwerking en uitvoering van het Regionaal Mobiliteitsprogramma.
Het Regionaal Mobiliteitsprogramma is daarmee een gezamenlijk eigendom van de betrokken partijen. Uit de betrokken partijen is een ambtelijk kernteam gevormd dat verantwoordelijk is voor de begeleiding van de uitwerking van het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Het Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland wordt voorgelegd aan de regionale bestuurstafels van de regio’s Amersfoort, Foodvalley en U10 en aan de lokale wethouders en/of Colleges.
3
Regionaal Mobiliteitsprogramma in twee fasen: eerst contouren-RMP, dan RMP1.0 Het proces van de totstandkoming van de eerste versie van het Regionaal Mobiliteitsprogramma is verdeeld in twee fasen. De eerste fase bestaat uit de uitwerking van het contourendocument waarin de betrokken partijen de leidende principes en spelregels vastleggen voor de samenwerking en besluitvorming over het programma. Ook komen in dit document de doelstellingen aan de orde die de deelnemende partijen formuleren als uitgangspunt voor de uitwerking en uitvoering van het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Het resultaat van deze fase is het contouren-RMP wat nu voorligt. In de tweede fase staat de uitwerking van de verduurzamingsmaatregelen centraal die een plek krijgen in het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Deze fase leidt tot de eerste versie van een adaptief programma, het zogenaamde RMP1.0. Dit document vormt het overzicht van de verduurzamings/mobiliteitsmaatregelen en markeert de start van de uitvoering van het programma. De verdeling van het proces in een contourenfase en een RMP1.0-fase is visueel weergegeven in Figuur 1.
Figuur 1: Proces van opstellen Contouren-RMP en RMP 1.0
Maatregelen Regionaal Mobiliteitsprogramma vallen onder vijf hoofdthema’s Het Regionaal Mobiliteitsprogramma heeft als doel om inzichtelijk te maken welke mobiliteitsmaatregelen op welk moment en op welke schaal in de provincie Utrecht ingezet gaan worden ter verduurzaming van de mobiliteit en reductie van de CO2-uitstoot. Het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben ter uitwerking van het Klimaatakkoord een handreiking en ‘dummy’ opgesteld voor regionale overheden die hen verder helpen bij de invulling van het programma. De handreiking bevat een ‘groslijst’ van mobiliteitsmaatregelen die bijdragen aan verduurzaming van de mobiliteit. Deze maatregelen zijn samen te vatten onder de volgende vijf thema’s:
Doorontwikkeling van duurzame energiedragers in mobiliteit; Stimulering van gebruik van elektrische personenvervoermiddelen; Verduurzaming van logistiek en goederenvervoer; Verduurzaming van personenmobiliteit door stimuleren van gebruik van openbaar vervoer, fiets en andere duurzame vervoermodaliteiten; Verkenning van nieuwe vormen van bekostiging van mobiliteit.
De handreiking presenteert een vijfentwintigtal maatregelen die vallen onder deze thema’s en bijdragen aan verduurzaming en reductie van de CO2-uitstoot. De in de handreiking genoemde maatregelen hanteren we als uitgangspunt voor de uitwerking van het programma voor de regio Midden-Nederland. 4
Programma Multimodaal Verkeersmanagement draagt bij aan doelen Regionaal Mobiliteitsprogramma Het Utrechts Verkeer- en Vervoerberaad (UVVB) heeft voor één oplossingsrichting al besloten dat deze in belangrijke mate bijdraagt aan het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Dat is het programma Multimodaal Verkeersmanagement. Dit programma gaat begin 2021 van start als opvolger van het programma Regionaal VerkeersManagement (RVM), dat op 31 december 2019 is geëindigd. RVM betrof een brede samenwerking van wegbeheerders in de Regio Midden-Nederland. Het doel van het RVM-programma was een betere benutting van het regionale mobiliteitssysteem door inzet van verkeersmanagement. In Multimodaal Verkeersmanagement zetten we de essentiële onderdelen van regionaal verkeersmanagement vanuit het oude programma RVM in 2021 en 2022 voort. We verbeteren de uitvoering waar dat nodig is. Daarnaast faciliteert Multimodaal Verkeersmanagement de transitie naar een multimodaal en samenhangend mobiliteitssysteem. Multimodaal Verkeersmanagement is het beter op elkaar afstemmen van de verschillende modaliteiten (auto, fiets, OV en voetgangers) in een live-situatie door het beschikbare verkeersnetwerk optimaal te benutten. Ontstaat er schaarste? Dan bepalen streefwaarden de kwaliteit van doorstroming voor de verschillende modaliteiten (wie geven we wanneer prioriteit en waarom?).
Multimodaal verkeersmanagement zorgt voor een optimaal basisniveau van het bestaande verkeersnetwerk, zodat schaarste uitblijft of de gevolgen beperkt blijven. Multimodaal Verkeersmanagement draagt daarmee bij aan belangrijke opgaven zoals het optimaliseren van de benutting van de bestaande infrastructuur, het verhogen van verkeersveiligheid en het vergroten van de leefbaarheid. Multimodaal Verkeersmanagement draagt daarom bij aan de doelstellingen van het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Meedoen aan Regionaal Mobiliteitsprogramma biedt meerwaarde voor partners De bij het Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland betrokken partners hebben in hun eigen mobiliteitsvisies al veelal ambities uitgesproken ten aanzien van het verduurzamen van mobiliteit en het reduceren van CO2-uitstoot. Deze ambities fungeren als startpunt voor de uitwerking van het Regionaal Mobiliteitsprogramma. De betrokken partners zien meerwaarde in het gezamenlijk nastreven van hun ambities binnen het samenwerkingskader van het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Deze meerwaarde is als volgt te karakteriseren:
Samen is meer dan alleen: samenwerking leidt tot een efficiëntere inzet van beschikbare middelen en menscapaciteit; Optimaal schaalniveau zoeken: door programmatische samenwerking kunnen maatregelen op hun optimale schaalniveau uitgevoerd worden; Niet iedereen het eigen wiel laten uitvinden: uitwisselen van kennis en expertise leidt tot een effectieve aanpak en kostenbesparingen; Sterke onderhandelingspositie creëren: een sterk samenwerkingsprogramma geeft een betere onderhandelingspositie tegenover Rijk en Europa bij het zoeken naar (aanvullende) middelen.
Samenhang Regionaal Mobiliteitsprogramma en Regionale Energiestrategie Naast mobiliteit vormt ook elektriciteit één van de thema’s in het Klimaatakkoord. Voor de regionale uitwerking van de maatregelen onder dit thema is Nederland verdeeld in dertig zogenaamde Energieregio’s. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat elke Energieregio een plan opstelt hoe in de betreffende regio het best duurzame elektriciteit op land kan worden opgewekt: de Regionale Energiestrategie (RES). Een aantal van de mobiliteitsmaatregelen die in het Klimaatakkoord zijn opgenomen heeft betrekking op het stimuleren van de toepassing van aandrijftechnieken voor vervoermiddelen die vrij zijn van de emissie van schadelijke stoffen. Voorwaarde voor een emissievrije werking van deze technieken is dat niet alleen de aandrijftechniek zelf emissievrij is, 5
maar ook de voor de aandrijving benodigde energie duurzaam wordt opgewekt (‘from well to wheel’). Het uitstippelen en uitvoeren van strategieën voor de opwekking van elektrische energie – bijvoorbeeld door zon of wind - valt onder het thema ‘elektriciteit’ en is daarmee onderdeel van de Regionale Energiestrategieën. Het stimuleren van de ontwikkeling en toepassing van duurzame aandrijftechnieken voor vervoermiddelen behoort daarentegen tot het domein van de Regionale Mobiliteitsprogramma’s. Ook de ontwikkeling van energiebronnen die buiten het thema ‘elektriciteit’ vallen, zoals biobrandstoffen, behoort tot het thema ‘mobiliteit’ en krijgt daarmee een plek in het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Voldoende schone energie en de beschikbaarheid van de benodigde laad- en tankinfrastructuur zijn daarmee belangrijke voorwaarden voor een transitie naar uitstootvrije mobiliteit. Samenhang Regionaal Mobiliteitsprogramma en Schone Luchtagenda In januari 2020 hebben Rijk, provincies en gemeenten het Schone Lucht Akkoord gesloten. Doel van het Schone Lucht Akkoord is te komen tot een permanente verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland. Mobiliteit is één van de thema's in het Schone Lucht Akkoord.
De mogelijke maatregelen die het Schone Lucht Akkoord noemt op het gebied van mobiliteit liggen zowel op het gebied van personenvervoer als van goederenvervoer en vertonen veel overlap met die in het Klimaatakkoord. Bij de uitwerking van het Regionaal Mobiliteitsprogramma voor Midden-Nederland is dan ook de veronderstelling dat de in dit kader uit te voeren maatregelen tevens een substantiële bijdrage leveren aan het behalen van de doelstelling van het Schone Lucht Akkoord. Vooruitlopend op het Schone Lucht Akkoord heeft de provincie Utrecht in 2018 het initiatief genomen om in samenwerking met gemeenten en andere stakeholders de Uitvoeringsagenda Schone Lucht Regio Utrecht op te stellen. De uitvoeringsagenda is in 2018 door de samenwerkende partners ondertekend en sindsdien in uitvoering. Op het gebied van mobiliteit bevat de uitvoeringsagenda vooral initiatieven gericht op het stimuleren van het gebruik van openbaar vervoer en fiets en het verschonen van de binnenvaart. Gezien de sterke inhoudelijke raakvlakken tussen het Regionaal Mobiliteitsprogramma en de uitvoeringsagenda Schone Lucht voor de regio Midden-Nederland is een nauwe afstemming tussen deze twee programma's gewenst.
1.3 Samenwerking in de regio Midden-Nederland In de regio Midden-Nederland wordt op verscheidene vlakken samengewerkt aan mobiliteit. Bedrijven, instellingen, belangenorganisaties en overheden uit de regio zijn onderdeel van allerlei samenwerkingsverbanden in de vorm van bijvoorbeeld Green Deals, samenwerkingsakkoorden en de Regionale Energiestrategieën. De uitwerking en uitvoering van het Regionaal Mobiliteitsprogramma betreft eveneens een samenwerking tussen de genoemde partijen. Waar mogelijk bouwen we voort op bestaande samenwerkingen. Overheden werken vanuit verschillende belangen en focus samen aan het mobiliteitssysteem van de regio binnen het eigen mandaat. Figuur 2 geeft een overzicht van de huidige samenwerking tussen de overheden in de regio als het gaat om mobiliteit. Voor een uiteenzetting van de in Figuur 2 opgenomen partijen zie bijlage 5.1.
6
Figuur 2: Huidige samenwerking tussen overheden in de regio Midden-Nederland op mobiliteit
Het Utrechts Verkeer en Vervoer Beraad (UVVB) en het Managementoverleg Verkeer en Vervoer (MOVV) spelen een belangrijke rol in de totstandkoming van het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Het UVVB is het bestuurlijk platform voor de provincie Utrecht waar beleidsontwikkelingen op het gebied van mobiliteit van bovenlokaal belang worden besproken. Het Managementoverleg Verkeer en Vervoer (MOVV) is het ambtelijk overleg dat de bespreking in het UVVB voorbereidt. Het UVVB en MOVV bestaan uit de provincie Utrecht, de gemeenten in de provincie Utrecht (vertegenwoordigd in de vorm van de regio’s U10, Amersfoort en Foodvalley), Rijkswatetaat, ProRail en NS. Daarnaast vindt op regionaal niveau bestuurlijke afstemming plaats.
7
2. Waar willen we naar toe? 2.1 Doelen Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland Het Klimaatakkoord maakt onderscheid tussen vijf thema’s: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik en mobiliteit. Voor alle thema’s samen formuleert het Klimaatakkoord de doelstelling om in 2030 49% en in 2050 95% van de CO2-uitstoot in Nederland te hebben gereduceerd ten opzichte van het referentiejaar 1990. Deze doelstelling is in het Klimaatakkoord niet uitgewerkt in reductiepercentages per thema. Voor elk thema is een thematafel in het leven geroepen, samengesteld uit vooraanstaande vertegenwoordigers uit het betreffende veld. Voor het thema ‘mobiliteit’ is dat de Mobiliteitstafel. De leden van deze Tafel hebben gezamenlijk een toekomstbeeld opgesteld dat fungeert als richtpunt voor de uitwerking van de maatregelen ter verduurzaming van de mobiliteit. Tabel 1 geeft een beschrijving van het toekomstbeeld van de Mobiliteitstafel.
Schoner (modaliteiten)
Slimmer
Anders
2019 – 2030
2030 - 2050
Elektrische personenauto’s worden concurrerend (rond 2025). Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen wordt verder uitgerold, inclusief eventuele netaanpassingen.
Zero-emissie is de norm; zelfrijdende voertuigen breken door.
Snelle groei van elektrische bestelbusjes, OV-bussen en lichte vrachtauto’s (in 2025 zero-emissie milieuzone in veel binnensteden).
Zero-emissie is de norm; zelfrijdende voertuigen breken door.
Ook voor zwaar wegvervoer komen er steeds meer elektrische alternatieven (batterij-elektrisch en waterstof) in gebruik. Tijdelijk gebruikt zwaar wegvervoer duurzame en synthetische biofuels/ bio kerosine/ bioLNG als overgangsbeleid naar zeroemissie energiedragers. Duurzame biobrandstoffen bij voorkeur voor modaliteiten waarvoor nog geen alternatieven voor handen zijn (scheepvaart en luchtvaart). Ook: opkomst elektrisch (incl. waterstof); aanpassing laad- en tankinfrastructuur.
Zero-emissie wordt dominant (waterstof elektrisch) en norm in vrachtverkeer; zelfrijdende voertuigen breken door; elektrisch en synthetische brandstoffen vormen hybride standaarden.
Personenvervoer: zero-emissie-modaliteiten worden steeds aantrekkelijker en sluiten steeds beter op elkaar aan. ‘Slim laden’ wordt een standaard voor elektrische voertuigen en daarmee onderdeel van het elektriciteitssysteem. Informatiesystemen bepalen steeds vaker reisgedrag. In de ruimtelijke ordening worden duurzaamheids- en bereikbaarheidscriteria zwaarwegend.
Dominant: schone mobiliteit is een dienst; vervoersmiddelen zijn laagdrempelig toegankelijk, eigen bezit (vooral in stedelijke gebieden) minder noodzakelijk en aantrekkelijk. Mobiliteitscriteria mede-structurerend voor ruimtelijke inrichting. Steden zijn ingericht op optimale bereikbaarheid, met bijzondere aandacht voor lopen, fietsen en OV.
Logistiek: stedelijke zero-emissie milieuzones nemen grote vlucht, evenals bundeling van toeleverende vervoerstromen naar en binnen stedelijke regio’s door ketenregie en innovatieve logistieke systemen.
Ketenregie en innovatieve zero-emissieconcepten zijn de norm
Personenvervoer: reisgedrag meer contextafhankelijk. Vaker gecombineerde vervoerssystemen met grotere rol voor OV en fiets. Meer thuiswerken en teleconfereren.
Digitale innovaties en zelfrijdende auto’s leiden tot geheel nieuw en moeilijk voorspelbaar mobiliteitsgedrag.
Logistiek: grotere rol voor multimodale hubs
Multimodale hubs hebben centrale scharnierfunctie in logistieke ketens.
Tabel 1: Toekomstbeeld van de Mobiliteitstafel uit het Klimaatakkoord
8
Het door de Mobiliteitstafel geschetste toekomstbeeld vormt het vertrekpunt voor de uitwerking van het Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland. Als eerste stap in het proces formuleren we een aantal doelstellingen die we als regio Midden-Nederland gezamenlijk willen nastreven ter realisatie van het toekomstbeeld van duurzame mobiliteit. Daarbij maken we onderscheid tussen inhoudelijke doelstellingen en samenwerkingsdoelstellingen. De inhoudelijke doelstellingen hebben betrekking op de inrichting en uitvoering van de verduurzamingsmaatregelen op het gebied van mobiliteit. De samenwerkingsdoelstellingen leggen de basis voor de manier waarop we als regio samen willen gaan optrekken in het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Voor de uitwerking van het Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland is een RMPkernteam in het leven geroepen dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van een aantal Utrechtse gemeenten, Rijkswaterstaat Midden-Nederland en de provincie Utrecht. Op het inhoudelijke vlak heeft het kernteam de nationale doelstellingen en het toekomstbeeld uit het Klimaatakkoord als uitgangspunt genomen en die ‘doorvertaald’ naar regionale doelstellingen voor een duurzaam mobiliteitssysteem in de regio Midden-Nederland. Deze doelstellingen zijn als volgt geformuleerd: Inhoudelijke doelstellingen
We realiseren in 2030 een mate van CO2-reductie die een substantiële bijdrage levert aan de algemene doelstelling in het Klimaatakkoord van 49% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990; de exacte omvang van de voor 2030 te realiseren reductie voor het domein mobiliteit stellen we later vast op basis van nog uit te voeren studies naar de potentiële effecten van de in de regio Midden-Nederland te treffen maatregelen.
We zetten voor 2050 in op de transitie naar een systeem van volledige zero emissie mobiliteit, zowel voor personen- als voor goederenvervoer en voor alle vervoersmodaliteiten.
We doen dit door toe te werken naar een samenhangend mobiliteitssysteem - met aandacht voor de vervoersmodaliteiten openbaar vervoer, auto, fiets en lopen in het personenvervoer en (vracht)auto, trein en binnenvaart in het goederenvervoer - waarbij we ons richten op een verschuiving naar het gebruik van de in het transitieproces op dat moment schoonste vervoerwijzen.
We stimuleren de totstandkoming van innovatieve en vernieuwende concepten van (deel)mobiliteit die bijdragen aan een duurzaam mobiliteitssysteem. Hierbij gaat het ook om concepten die het zich verplaatsen overbodig maken.
We streven ernaar om bij de uitwerking en uitvoering van de maatregelen ter verduurzaming van mobiliteit zo mogelijk ook een bijdrage te leveren aan andere beleidsdoelstellingen zoals het schoner maken van de lucht en het verbeteren van de verkeersveiligheid.
We nemen verduurzaming van de mobiliteit mee als criterium in de uitwerking en uitvoering van de woningbouwopgave voor de provincie Utrecht.
We besteden veel aandacht aan het monitoren van de effecten van de verduurzamingsmaatregelen zodat we zo nodig maatregelen tijdig en met de juiste aanpassingen kunnen bijsturen.
9
Op het vlak van samenwerking heeft het kernteam de volgende doelstellingen benoemd: Samenwerkingsdoelstellingen
We werken samen vanuit een gedeelde visie op de verduurzaming van het mobiliteitssysteem met aandacht voor de samenhang tussen de modaliteiten auto, openbaar vervoer, fiets, lopen en goederenvervoer via de weg, over water en per spoor.
We bepalen samen het optimale schaalniveau voor de uitvoering van de verduurzamingsmaatregelen. We doen lokaal wat beter lokaal kan en werken samen op regionaal en/of bovenregionaal niveau waar dit meerwaarde biedt.
Binnen de lokale, regionale en bovenregionale samenwerkingsverbanden zoeken we samen naar maatschappelijk draagvlak voor de uitvoering van de maatregelen voor het verduurzamen van het mobiliteitssysteem.
We streven naar een zo efficiënt mogelijke inzet van kennis, capaciteit en financiële middelen waarbij we de krachten bundelen en van elkaar leren. Waar nodig en nuttig werken we beleidsveld overstijgend samen om opgaven die verschillende werkterreinen beslaan integraal uit te werken en uit te voeren.
We werken samen aan een maximale lobbykracht richting Rijk en Europa voor het verkrijgen van financiële middelen ter uitvoering van de verduurzamingsmaatregelen.
De doelstellingen fungeren als vertrekpunt voor de verdere uitwerking van het Regionaal Mobiliteitsprogramma tot het RMP 1.0.
2.2 Leidende principes samenwerking Om houvast te hebben in de samenwerking tussen de betrokken partijen in het Regionaal Mobiliteitsprogramma werken we met leidende principes. Deze principes zijn afgeleid van de in de vorige paragraaf geformuleerde doelstellingen en geven richting aan de wijze van samenwerking en de inzet van instrumenten en maatregelen om de beoogde CO2-reductie te realiseren. Ze vormen dan ook een belangrijk element in de contouren van het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Het vervolg van deze paragraaf geeft een overzicht van de in Figuur 3 opgenomen leidende principes die het kernteam heeft geformuleerd voor de manier van samenwerken.
Figuur 3: Leidende principes voor samenwerking in RMP
10
We werken vanuit een gedeelde ambitie om samen uitvoering te geven aan het Klimaatakkoord Het Regionaal Mobiliteitsprogramma is het startpunt van langdurige samenwerking om mobiliteit te verduurzamen en uitvoering te geven aan de afspraken in het Klimaatakkoord. De uitwerking en uitvoering van het programma zijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de provincie Utrecht, de Utrechtse gemeenten en Rijkswaterstaat. We werken samen vanuit een gezamenlijke ambitie om te verduurzamen, maar variëren onderling in tempo en passen de wijze van samenwerking aan afhankelijk van de aard en kenmerken van de betrokken partijen en het onderwerp. Hierbij zoeken we steeds naar het optimale schaalniveau voor samenwerking aan de maatregelen om mobiliteit te verduurzamen. Dat betekent lokaal waar dat beter is (bijvoorbeeld slim parkeerbeleid) en (boven)regionaal waar dit meerwaarde biedt (bijvoorbeeld de aanleg van lange afstandssnelfietsroutes). Iedere partij draagt naar vermogen en draagkracht bij. Zo veel als mogelijk bespreken we de voortgang in bestaande regionale overleggen. We zijn terughoudend met het organiseren van nieuwe overlegstructuren. Wanneer we in de toekomst afspraken maken over gezamenlijke financiën, leveren van menskracht of andere juridisch bindende activiteiten, leggen we dit vast in een samenwerkingsovereenkomst.
We bouwen voort op bestaand beleid en passen de trias mobilica toe voor nieuwe maatregelen Het RMP 1.0 zal – zeker in de beginfase – vooral bestaan uit maatregelen die grotendeels al in beleids- en uitvoeringsprogramma’s van de partners staan en waar budget voor beschikbaar is. Voor het benoemen en uitwerken van nieuwe maatregelen gebruiken we de trias mobilica als methodiek1. De trias mobilica bevat vuistregels voor het verduurzamen van mobiliteit. Eerst wordt gekeken naar de duurzaamste oplossing (minder reizen), dan naar het verschuiven van mobiliteit naar een meer duurzame vervoerwijze of het verduurzamen van mobiliteit die niet van vervoerwijze kan of wil veranderen (naar voertuigen met minder of geen uitstoot van schadelijke stoffen). Daarbij valt te denken aan de volgende concrete uitgangspunten:
Verminderen kan door het stimuleren van thuiswerken, maar ook door het bouwen van woningen dichtbij voorzieningen en OV-haltes. Verschuiven is mogelijk door het bevorderen van reizen met duurzame vervoerwijzen ten koste van de minder duurzame vervoerwijzen. Hierbij is het belangrijk om rekening te houden met de technologische ontwikkeling door de tijd heen. Een vervoerwijze die op een bepaald moment relatief minder duurzaam is kan mogelijk later door technologische innovaties wel concurreren met andere vervoerwijzen. Verschonen betekent dat er schonere brandstoffen of zero emissie voertuigen worden gebruikt in plaats van voertuigen die rijden op fossiele brandstoffen.
We werken adaptief en bouwen de samenwerking en het programma stapsgewijs op Het jaar 2021 gebruiken we om de eerste versie van het Regionaal Mobiliteitsprogramma (RMP 1.0) vorm te geven. Dat betekent het uitwerken van een eerste overzicht van lopende maatregelen en het inrichten van de benodigde samenwerkingsstructuur en organisatie. Na vaststelling van het RMP 1.0 staat de organisatiestructuur. Vanaf dan ligt de focus op het uitvoeren en uitwerken van aanvullende maatregelen om het mobiliteitssysteem te verduurzamen. Daarbij monitoren we zowel de ontwikkeling van de CO2-uitstoot als gevolg van mobiliteit in de provincie Utrecht als de voortgang en resultaten van de uitgevoerde maatregelen. Op basis hiervan kunnen we onze inzet of uitvoering bijstellen en waar nodig intensiveren. Zo bouwen we het programma en de uitvoering daarvan 1
VNG en IPO hebben een handreiking 'Regionale Mobiliteitsprogramma's' gemaakt om te ondersteunen bij het opstellen van de Regionale Mobiliteitsprogramma's. In de handreiking wordt de trias mobilica als methodiek toegepast: https://vng.nl/nieuws/handreiking-regionale-mobiliteitsprogrammas
11
stapsgewijs op. Het programma is adaptief van aard. Dat betekent dat we gebruik maken van voortschrijdende inzichten en inspelen op veranderende omstandigheden. Deze inzichten passen we toe om het programma continu te verbeteren en aan te scherpen, zonder daarbij de langetermijndoelstelling uit het oog te verliezen. We bundelen onze krachten om de beschikbare kennis, capaciteit en middelen slim in te zetten Om de doelstellingen uit het Klimaatakkoord te realiseren is samenwerking een vereiste. Maar niet alle deelnemende partijen hebben dezelfde hoeveelheid aan menskracht, geld en /of kennis beschikbaar. Bij de uitvoering van het Regionaal Mobiliteitsprogramma komt het erop aan dat we uitgaan van het principe van inbreng naar vermogen. Dit is belangrijk omdat we willen voorkomen dat partijen afhaken vanwege een gebrek aan middelen. Dit betekent dat partijen die meer middelen in wat voor vorm dan ook tot hun beschikking hebben ook een groter aandeel op zich nemen in de samenwerking. Ook kleinere partijen moeten aan grootschalige verduurzamingsprojecten kunnen deelnemen, zeker als dit leidt tot een betere effectiviteit van het project. Zo komen we tot samenwerkingsverbanden die over het geheel gezien op de meest (kosten)effectieve wijze en op de juiste geografische schaal aan duurzame mobiliteitsmaatregelen werken.
In het RMP1.0 worden de samenwerking en de wijze waarop kennis, capaciteit en middelen worden ingezet verder uitgewerkt. We leggen expliciet de relatie met andere (mobiliteits)opgaven Het mobiliteitssysteem faciliteert onze maatschappelijke en economische processen. Belangrijk is dat er sprake is van een goede doorstroming van ons mobiliteitssysteem en dat dit op een veilige manier gebeurt. Doorstroming, verkeersveiligheid en externe veiligheid zijn naast duurzaamheid belangrijke randvoorwaarden voor het mobiliteitssysteem. Bij de verduurzaming van het mobiliteitssysteem is het zaak om deze randvoorwaarden niet uit het oog te verliezen en structureel een plek te geven in de uitwerking van de verduurzamingsmaatregelen Door deze randvoorwaarden in een vroeg stadium in de uitwerking te betrekken is het mogelijk ze integraal in de planuitwerking mee te nemen en efficiencywinst te boeken. Ook is het noodzakelijk om de relatie te leggen met andere beleidsterreinen als woningbouw en recreatie. Verduurzaming van de mobiliteit dient voorop te staan bij de uitwerking van de ontsluiting van nieuwe woningbouwlocaties en recreatievoorzieningen. We creëren ruimte voor leren en experimenteren Van veel maatregelen uit het Klimaatakkoord is nog niet precies bekend welke bijdrage ze leveren aan reductie van de CO2-uitstoot.
Het Regionaal Mobiliteitsprogramma is daarom deels ook een zoekproces naar de optimale samenstelling van het maatregelenpakket. Leren en experimenteren vormen daarom een belangrijk aspect in het programma. Het is zaak dat we ons dit realiseren en dat we onzekerheden niet uit de weg moeten en kunnen gaan. Daarentegen is het nodig om lef te tonen en bij de uitwerking van maatregelen ‘onze nek uit te steken’, zeker in de aanvangsfase van het Regionaal Mobiliteitsprogramma. Om snel gevoel te krijgen voor de effecten van maatregelen en zo nodig te kunnen bijsturen is de beschikbaarheid van een adequaat monitoringsinstrument onmisbaar. De uitwerking en toepassing van een effectief monitoringinstrument krijgen dan ook een belangrijke plek binnen het Regionaal Mobiliteitsprogramma. We sluiten hierbij zoveel mogelijk aan bij de landelijks ontwikkelingen op dit gebied. Het Rijk heeft in de Monitor Klimaatbeleid, een bijlage in het Klimaatakkoord, een aantal kernindicatoren benoemd voor het thema Mobiliteit. Het monitoren van deze kernindicatoren geeft een beeld van de ontwikkelingen ten aanzien van het scheppen van (1) de juiste voorwaarden voor de transitie naar duurzame mobiliteit, (2) zichtbare (gedrags)veranderingen en (3) beleidsrelevante resultaten. Daarnaast werkt het CROW aan een uniforme monitoraanpak voor Regionale Mobiliteitsprogramma’s. Wij zullen ons bij deze initiatieven
12
aansluiten om een uniforme werkwijze van de monitoring te stimuleren en daarmee de onderlinge vergelijkbaarheid van de monitoringsresultaten op landelijke schaal te waarborgen.
13
3. Waar staan we nu? 3.1 De regionale CO2- uitstoot De afspraken in het Klimaatakkoord zijn leidend voor de uitwerking van het Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland. Het Klimaatakkoord gaat over verscheidene sectoren waar de sector Mobiliteit er één van is. Voor de sector Mobiliteit is er wat betreft de reductie in CO2 geen individuele doelstelling geformuleerd. In het verlengde hiervan heeft het kernteam besloten om in het voorliggende contourendocument geen kwantitatieve doelstelling ten aanzien van CO2reductie te formuleren. In de huidige situatie is er simpelweg te weinig houvast om zo’n doelstelling op te baseren. Gaandeweg de uitwerking van het Regionaal Mobiliteitsprogramma ontstaat er meer inzicht in de effectiviteit van de maatregelen. Zodra er voldoende grond is zal het programma alsnog worden voorzien van een kwantitatieve doelstelling voor CO2-reductie. Om alvast enig gevoel te krijgen bij het reductiepotentieel voor de sector Mobiliteit in de regio Midden-Nederland geeft deze paragraaf een beeld van de huidige inzichten in de effectiviteit van de denkbare mobiliteitsmaatregelen. Daaraan voorafgaand laten we zien hoe het is gesteld met de ontwikkeling van de CO2-uitstoot tussen 1990 en nu met een doorkijk naar 2030. De berekeningen zijn uitgevoerd door verkeerskundig adviesbureau Goudappel Coffeng.
Uitstoot van de sector mobiliteit in de regio Midden-Nederland In Figuur 4 is de ontwikkeling van de CO2-emissies van de sector Mobiliteit in de provincie Utrecht weergegeven voor de tijdsperiode van 1990 tot en met 2030. Het betreft de totale uitstoot van de 3,5 sector inclusief het doorgaande verkeer zonder herkomst en/of bestemming in de provincie Utrecht. Overig 3,0 Ook de andere broeikasgassen naast CO2 zijn omgerekend naar CO2-equivalenten zodat een beeld Mobiele werktuigen van de totale uitstoot van 2,5 broeikasgassen in de provincie Utrecht door de sector Mobiliteit ontstaat. Binnenscheepvaart Een belangrijke notie hierbij is dat het overgrote gedeelte van de broeikasemissies (98%) van de Recreatievaart 2,0 sector Mobiliteit in de regio Midden-Nederland bestaat uit CO2-emissies. Tweewieler 1990
1995
2000
2005
2010
2015
2020
2025
2030 3,5
4,0
1990
1995
Uitstoot CO2-eq. [Mton]
3
2,5
2
1,5
2000
1,5
Autobussen 2005
2010
2015
1,0
2020
2025
Vrachtauto
3,5
Uitstoot CO2-eq. [Mton]
2030 4
1
3,5
0,5
0,5
0,0
0
3,0
3
2,5
Reductieopgave: ca. 1,47 Mton (52%)
Reductieopgave 49% t.o.v. 1990 Vastgesteld beleid 2
1,5
1,5
1,0
1
0,5
0,5
0,0
1990
Personenauto
2,5
1990 1995 2000 2005 2010 2015 2020 2025 2030
2,0
Bestelauto
Vastgesteld + voorgenomen beleid
0
1995
2000
2005
2010
2015
Personenauto
Bestelauto
Vrachtauto
Autobussen
Recreatievaart
Binnenscheepvaart
Mobiele werktuigen
Overig
2020
2025
2030
Tweewieler
Figuur 4: CO2-emissies provincie Utrecht sector mobiliteit
De figuur geeft aan hoe de uitstoot van broeikasgassen zich heeft ontwikkeld van 1990 tot 2018 en zich naar verwachting zal ontwikkelen tussen 2019 en 2030. Voor de prognose van de ontwikkeling van 2019 tot 2030 is uitgegaan van in vastgesteld en voorgenomen verduurzamingsbeleid.
14
In Figuur 5 zijn de CO2-emissies van de sector Mobiliteit in de provincie Utrecht uitgesplitst naar vervoermiddel voor de jaren 1990 en 2020 en de verwachte verdeling voor 2030. Uit de figuur blijkt dat in 2020 de uitstoot van de vervoermiddelen in de provincie Utrecht in totaal zo’n 3,16 Megaton CO2-equivalent bedraagt. 3,5
Uitstoot CO2-eq. [Mton]
3 Overig Mobiele werktuigen Binnenscheepvaart Recreatievaart Tweewieler Autobussen Vrachtauto Bestelauto Personenauto Reductieopgave 49% t.o.v. 1990
2,5 2 1,5 1 0,5 0
1990
2020
2030
Figuur 5: CO2-emissies sector Mobiliteit in de provincie Utrecht voor het jaar 1990, 2020 en 2030.
In Tabel 2 is een overzicht weergegeven van de bijdrage die de verschillende modaliteiten leveren aan het totaal van de uitstoot van CO2-equivalenten voor de jaren 1990, 2020 en 2030. Uit bovenstaande figuren en Tabel 2 blijkt dat ongeveer 88% van de emissies in de regio in 2020 afkomstig zijn van personenauto’s (58%), vrachtauto’s (18%) en bestelauto’s (12%). Uitstoot naar modaliteiten Modaliteit
1990
2020
2030
Uitstoot
Aandeel
Uitstoot
Aandeel
Uitstoot
[Mton CO2-eq.]
[%]
[Mton CO2-eq.]
[%]
[Mton CO2-eq.]
[%]
1,56 58% 1,76 56% 1,52 0,20 7% 0,38 12% 0,36 0,56 21% 0,55 18% 0,53 0,05 2% 0,04 1% 0,02 0,03 1% 0,04 1% 0,04 0,00 0% 0,01 0% 0,01 0,11 4% 0,15 5% 0,15 0,18 7% 0,19 6% 0,19 0,02 1% 0,03 1% 0,02 2,70 100% 3,16 100% 2,85 Tabel 2: Bijdrage modaliteiten aan totale CO2-uitstoot in provincie Utrecht voor de jaren 1990, 2020 en 2030
53% 13% 19% 1% 2% 1% 5% 7% 1% 100%
Personenauto Bestelauto Vrachtauto Autobussen Tweewieler Recreatievaart Binnenscheepvaart Mobiele werktuigen Overig Totaal
Aandeel
Het personenvervoer heeft het grootste aandeel in de totale emissie van CO2-equivalenten voor de sector Mobiliteit. Om effectieve maatregelen te kunnen nemen als regio is inzicht in de verschillende reismotieven binnen het personenvervoer van belang. Tabel 3 geeft de motiefverdeling van de gemaakte kilometers. Hierbij is alleen gekeken naar verplaatsingen met herkomst en/of bestemming in de Provincie Utrecht omdat de veronderstelling is dat die – in tegenstelling tot doorgaande verplaatsingen - beïnvloedbaar zijn door regionaal mobiliteitsbeleid.
15
Motieven
Auto als bestuurder
Auto als passagier
Trein
Bus, tram, metro
Fiets
Van en naar het werk
38%
8%
36%
27%
21%
Zakelijk bezoek in werksfeer Vervoer als beroep Afhalen/ brengen personen Afhalen/ brengen goederen Onderwijs/ cursus volgen Winkelen/ boodschappen doen Visite/ logeren Toeren/ wandelen Sport/ hobby Overige vrijetijdsbesteding Diensten/ persoonlijke verzorging Ander motief Totaal aandeel modaliteiten
12% 0% 4% 1% 3% 6% 18% 3% 3% 9% 2% 3%
2% 0% 3% 0% 2% 7% 33% 7% 5% 18% 3% 11%
5% 0% 1% 0% 19% 4% 16% 2% 1% 11% 1% 4%
1% 0% 0% 0% 32% 9% 7% 3% 2% 10% 3% 5%
1% 0% 3% 0% 20% 15% 9% 10% 10% 9% 2% 1%
35% 18% 41% 3% 4% Tabel 3: De motiefverdeling van de gemaakte kilometers, exclusief het doorgaande verkeer voor het personenvervoer
Als we de landelijke reductie-opgave van 49% één op één vertalen naar het domein van mobiliteit in de provincie Utrecht, dan blijkt dat de opgave voor Utrecht nog hoger uitkomt dan 49%, namelijk op 52%. Dit is te verklaren door het feit dat het aandeel van de provincie Utrecht in de landelijke CO2uitstoot tussen 1990 en 2018 is gestegen van 8,4 naar 9,1%. Het gevolg hiervan is dat voor de provincie Utrecht een extra inspanning zou moeten worden geleverd om te komen tot een landelijke reductie van 49%. Een reductie-opgave van 52% komt in absolute zin neer op een reductie van 1,47 Megaton. Dit betreft een immense opgave. Om een gevoel te geven wat dit in de praktijk zou kunnen betekenen voor het in te zetten mobiliteitsbeleid, is een aantal rekenvoorbeelden uitgewerkt. De rekenvoorbeelden geven aan wat een bepaalde mobiliteitsverschuiving zou betekenen voor de CO2-uitstoot in de provincie Utrecht. De rekenvoorbeelden en hun directe individuele effecten op de CO2-uitstoot zijn opgenomen in Tabel 4. Rekenvoorbeelden Alle autoritten <7,5 km gaan over naar de fiets Alle autoritten <15 km gaan over naar de fiets of e-bike 10% van de autoritten gaat over naar OV 10% van de autoritten gaat over naar Zero Emissie OV Reductie van 25% van alle verplaatsingen (b.v. door toename van thuiswerken) Alle autoritten zijn emissievrij
Effect op CO2emissie 0,09 Mton 0,20 Mton 0,07 Mton 0,16 Mton 0,30 Mton 1,17 Mton
Tabel 4: De verwachte CO2-reductie van de rekenvoorbeelden
De rekenvoorbeelden maken duidelijk dat relatief vergaande mobiliteitsverschuivingen op zichzelf in de meeste gevallen een relatief beperkte CO2-reductie met zich meebrengen. Een modal shift van 10% van de auto naar het OV lijkt misschien niet zo moeilijk te realiseren, maar schijn bedriegt. Voor de regio Midden-Nederland komt dit bijvoorbeeld neer op 45% meer treinritten en 104% meer ritten met de bus en de tram. Dat zou het OV-systeem in zijn huidige vorm niet aankunnen. De conclusie van deze analyse luidt dan ook dat een CO2-reductie in de orde van grootte van 50% vraagt om vergaande mobiliteitsmaatregelen. In de huidige situatie is het daarom niet zinvol om een kwantitatieve doelstelling voor de in 2030 in de provincie Utrecht te behalen CO2-reductie te formuleren. Mee inzicht in de aard en omvang van de in het Regionaal Mobiliteitsprogramma op te nemen maatregelen en hun te verwachten effecten is daarvoor noodzakelijk. Als onderdeel van het uitwerkingsproces van het RMP1.0 voeren we diepgaandere analyses uit naar de effecten van de 16
mogelijke mobiliteitsmaatregelen op de CO2-uitstoot. Zodra we voldoende inzicht hebben in deze effecten zullen we concrete doelstellingen formuleren voor de te realiseren reductie in CO2-uitstoot binnen het domein van mobiliteit.
3.2 Voorbeeldprojecten duurzame mobiliteit In de regio Midden-Nederland zijn er tal van veelbelovende initiatieven gaande waarbij verschillende partijen samenwerken aan schone, slimme en energiezuinige mobiliteit in de regio. Deze paragraaf beschouwt ter inspiratie vijf van dit soort initiatieven waarbij partijen de handen ineen hebben geslagen om het mobiliteitssysteem van de Regio Midden-Nederland te verduurzamen. Bestuursakkoord Zero Emissie Bus In april 2016 is het Bestuursakkoord Zero Emissie Regionaal Openbaar Vervoer per Bus (verder Bestuursakkoord ZEB genoemd) gesloten tussen ministerie van I&W, Interprovinciaal Overleg (IPO), Metropoolregio Rotterdam - Den Haag en Vervoerregio Amsterdam. Het Bestuursakkoord ZEB is als één van de maatregelen op het gebied van mobiliteit opgenomen in het Klimaatakkoord. Het Bestuursakkoord stelt de ambitie dat het regionaal busvervoer in 2030 of zoveel eerder als mogelijk volledig emissievrij is bij de uitlaat. Om deze ambitie te realiseren hebben de deelnemende partijen de volgende doelstellingen geformuleerd:
Uiterlijk 2025 zijn alle nieuw instromende bussen emissievrij aan de uitlaat (‘tank-to-wheel’); De nieuwe bussen maken in 2025 gebruik van 100% hernieuwbare energie of brandstof die met het oog op de economische ontwikkeling zoveel mogelijk regionaal wordt opgewekt; OV-concessies hebben een zo gunstig mogelijke score op well-to-wheel CO2-emissie per reizigerskilometer.
Als uitvloeisel van het Bestuursakkoord neemt het aantal zero emissie bussen in de provincie Utrecht na een aarzelend begin nu snel toe. In 2019 heeft de provincie Utrecht als concessieverlener samen met de vervoerders afspraken gemaakt om in 2028 100 procent schoon en duurzaam openbaar vervoer te realiseren. Eind 2020 was de stand van zaken dat er in de twee Utrechtse concessies (UOV en Syntus Utrecht) 38 zero emissie bussen rondreden. In de eerste helft van 2021 wordt dit aantal met 35 bussen uitgebreid. Met deze instroom bedraagt het aandeel van zero emissiebussen in de provincie Utrecht zo’n 15%. Ook op landelijke niveau heeft het Bestuursakkoord ertoe geleid dat 17
de instroom van zero emissie bussen nu in snel tempo verloopt. De verwachting is dat vanaf 2021 de instroom van nieuwe bussen voor bijna 100% uit zero emissie bussen bestaat. De doelstelling van emissievrij busvervoer in 2030 zal daarmee ruimschoots worden gehaald. MRA-Elektrisch stimuleert elektrisch rijden: kracht vanuit de regio In de provincie Utrecht zijn in 2025 meer dan 8.600 openbare laadpunten nodig, blijkt uit de prognose van het Klimaatakkoord. In 2030 bijna 30.000. Met MRA-Elektrisch (MRA-E) slaan gemeenten in Noord-Holland, Flevoland en Utrecht de handen ineen om het elektrisch vervoer te stimuleren en de beleidsdoelen rond luchtkwaliteit en klimaat te realiseren. Van overheden en voor overheden. Projectbureau MRA-E organiseert voor de deelnemende gemeenten gezamenlijke laadpaalaanbestedingen. Zo zorgen de gemeenten dat de benodigde openbare laadpunten er komen: betrouwbaar én op tijd. In Noord-Holland, Flevoland en Utrecht (samen regio Noordwest genoemd) is al een modern laadnetwerk met 6.300 laadpunten aangelegd. Begin 2020 is een aanbesteding gedaan voor nog eens 20.000 openbare laadpunten. Landelijk geldt de MRA-E-aanpak als inspirerend voorbeeld en zijn vergelijkbare samenwerkingsregio’s gestart. Projectbureau MRA-E neemt de gemeenten veel werk uit handen.
Bijvoorbeeld bij de uitwerking van locatievoorstellen voor laadpunten, waarvoor het gemeenten vaak aan kennis en capaciteit ontbreekt. De gezamenlijke aanbestedingen zorgen voor volume, wat scheelt in de prijs per laadpaal en voorstandaardisering van laadsystemen. MRA-E helpt gemeenten ook op andere vlakken dan laadinfrastructuur. Zo biedt het bureau ondersteuning bij de introductie van elektrische deelauto’s en elektrische ‘last mile’ goederenbezorging. Er wordt verder gewerkt aan een regionale laadvisie voor de regio MiddenNederland en er wordt een plan van aanpak voor snelladen en privaat laden gemaakt.
18
Elektrisch vervoer in de gemeente Houten Stichting Duurzaam Vervoer Houten zet zich in voor het realiseren van kleinschalig vervoer in Houten in het gebied binnen de Rondweg en direct aan de Rondweg grenzende bestemmingen net buiten de Rondweg. Het vervoer is specifiek bedoeld om Senioren, Gehandicapten en Mindervaliden in Houten bij te staan, maar is voor iedereen beschikbaar. Het vervoer wordt volledig elektrisch uitgevoerd met Elektrokarren (zie figuur 6). De Elektrokarren zijn een groot succes, het gebruik is gegroeid van 2200 ritten per jaar in 2017 naar 9000 ritten in 2019.
Figuur 6: Elektrokarren stichting Duurzaam Vervoer Houten
Houten staat nationaal bekend als de Fietsstad. Dat heeft veel voordelen vanuit het oogpunt van duurzaamheid, maar levert tegelijkertijd ook een behoefte op aan niet auto gebonden vervoeralternatieven bij mensen die niet over een auto beschikken en voor wie de fiets ook geen optie is. Doel van het de elektrokarren is om dit type reiziger in staat te stellen enigszins comfortabel van A naar B te reizen zonder veel kilometers te hoeven afleggen. Met dit doel is de stichting Duurzaam Vervoer opgericht met ondersteuning van de Gemeente Houten, Stichting Van Houten & Co, Kids Lodge, Stichting Gehandicapten Houten (SGH), Samenwerkende Bonden Ouderen Houten (SBOH) en de Lions Club Houten. In de eerste jaren heeft de gemeente dit initiatief gesubsidieerd, aangevuld met een subsidie voor verkeersveiligheid van de provincie Utrecht. Snelfietsroutes De provincie Utrecht heeft de ambitie om samen met gemeenten nieuwe snelfietsroutes in de regio Utrecht aan te leggen. Dit doet zij door bestaande fietsverbindingen te verbeteren en aan elkaar te verbinden, zodat fietsers ongehinderd, veilig, snel en comfortabel kunnen doorfietsen. Hierdoor wordt het aantrekkelijker om ook voor langere afstanden de fiets te pakken. Dat draagt bij aan een bereikbare, gezonde en aantrekkelijke provincie. Het voorbereiden en aanleggen van de snelfietsroutes duurt in totaal ongeveer drie jaar.
In deze periode werken provincie en gemeenten nauw samen. De eerste stap is het afstemmen met betrokken gemeenten en het tekenen van intentieovereenkomsten tussen de provincie en de gemeenten waar de routes doorheen lopen. In deze overeenkomst spreken provincie en gemeenten af dat ze de snelfietsroute in principe willen aanleggen. De mogelijke tracés van de route worden verkend en er wordt een (globale) kostenraming gemaakt. Dit verplicht de gemeente nog niet tot een vervolg. Voor het aanleggen van de snelfietsroutes is onderzoek nodig, bijvoorbeeld naar de planten en dieren in het gebied waar de routes doorheen gaan. Daarnaast kan per gemeente een bewonersavond of ‘ontwerpatelier’ worden georganiseerd, waarin de wensen en behoeften van de omgeving worden verzameld. Op basis hiervan kunnen voorlopige ontwerpen worden gemaakt. Ook worden afspraken gemaakt tussen de betrokken partijen wie wat gaat doen en wat het gaat kosten. Denk hierbij aan het beheer van de snelfietsroutes, want als de perfecte snelfietsroute er eenmaal ligt moet het asfalt wel netjes en glad blijven. 19
Als het ontwerp van de route klaar is, neemt de gemeenteraad daar een besluit over in een uitvoeringsovereenkomst. Na dat besluit kan de route worden aangelegd. Hoe meer mensen op de fiets, hoe minder in de auto en dus minder CO2 uitstoot. Met snelfietsroutes zijn scholen, woonwijken, werklocaties en knooppunten ook per fiets goed bereikbaar. Hierdoor wordt het aantrekkelijker om ook voor langere afstanden en voor woon-werkverkeer de fiets te nemen. Het doel is dat in 2023 50% van alle ritten onder de 15 kilometer plaats vindt op de fiets!
Werkgeversbenadering Goedopweg In Goedopweg werken de gemeenten Utrecht en Amersfoort, de provincie Utrecht, Rijkswaterstaat en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat samen aan een goede bereikbaarheid en een gezonde leef- en werkomgeving in de regio Midden-Nederland. Samen met werkgevers werkt Goedopweg aan een blijvend betere bereikbaarheid van bedrijven en regio. Goedopweg ondersteunt grote én kleine werkgevers in de regio om hun medewerkers slimmer, duurzamer en flexibeler te laten reizen. Bijvoorbeeld door het geven van advies op maat en het uitvoeren van een gratis mobiliteitsscan, die ondersteunt in het uitdenken van scenario’s om slimmer en duurzamer te reizen. Via een digitaal platform worden kennis en inspiratie en handige tools en onderzoeken gedeeld. Het mobiliteitsteam van Goedopweg geeft individueel advies aan werkgevers over onder andere mobiliteitsbeleid en het borgen van duurzame mobiliteit in de arbeidvoorwaarden. In 2020 verschoof de focus door corona van spitsmijden naar spreiden: hoe geven we niet reizen (thuiswerken), anders reizen (fiets, deelvervoer, P+R, OV) en tijden plaatsonafhankelijk werken een structurele plek in beleid en arbeidsvoorwaarden? Niet reizen en anders reizen leveren behalve een betere bereikbaarheid ook een verminderde CO2-uitstoot en schonere lucht op. Het streven is dat in 2025 10% van alle medewerkers anders of niet reist.
Met de toevoeging van het MKB aan de werkgeversbenadering is Goedopweg er nu ook voor de kleinere werkgever die behoefte heeft aan een advies op maat. Hierin wordt samengewerkt met MKB-Midden Nederland, VNO-NCW West en de andere regionale werkgeversaanpakken. De focus ligt op het gezamenlijk laagdrempelig beschikbaar maken van een praktische MKB-toolbox waarin onder andere fietsstimulering en goederenlogistiek aan bod komen. Een nieuwe werkwijze zijn de gebiedsaanpakken. Hierin werken wordt er samengewerkt tussen gemeentes (de gebiedsregisseurs) en werkgevers in het betreffende gebied aan een betere bereikbaarheid. Dit loopt nu voor de locaties Utrecht Science Park, het Stationsgebied en bedrijventerrein Lage Weide/De Wetering-Haarrijn. Daarbij wordt gekeken naar mobiliteitsgedrag, maar ook naar de benodigde infrastructuur om dat gedrag te faciliteren. 20
4. Hoe gaan we verder? 4.1 Van contourendocument naar RMP1.0: proces en organisatie Na de bespreking van het contourendocument in de Regionale Bestuursoverleggen en de vatstelling door de lokale wethouders en/of Colleges volgt de uitwerking van het Regionaal Mobiliteitsprogramma tot het RMP1.0. Het proces van contourendocument tot RMP1.0 is weergegeven in Figuur 7.
Figuur 7: het proces van Contouren-RMP naar het RMP 1.0
Vanaf april tot en met oktober 2021 werken we aan de inrichting van het RMP 1.0 waarbij de uitwerking van de concrete verduurzamingsmaatregelen en het opzetten van een programmaorganisatie centraal staan. In overleg met de betrokken Utrechtse gemeenten is afgesproken dat deze eerste versie van het RMP een ‘beleidsarm’ karakter heeft. Dit betekent concreet dat deze versie nog geen harde ambities en doelstellingen bevat ten aanzien van de te realiseren mate van CO2-reductie en daarnaast alleen verduurzamingsmaatregelen omvat die al in uitvoering zijn in de regio Midden-Nederland. De reden om te kiezen voor een eerste beleidsarme versie van het RMP ligt in de gemeenteraadsverkiezingen die in maart 2022 plaatsvinden. De verwachting is dat veel van de Utrechtse gemeenteraden in het najaar van 2021 geen besluit meer over (de vorm van) deelname aan het Regionaal Mobiliteitsprogramma willen nemen. De zittende gemeenteraden schuiven deze besluitvorming naar verwachting door naar de nieuwe gemeenteraden die vanaf 2022 actief zijn. Om toch in het najaar van 2021 met een RMP1.0 van start te kunnen gaan wordt de eerste versie van het RMP daarom een verzameldocument van al lopende regionale mobiliteitsmaatregelen waardoor besluitvorming door de zittende gemeenteraden niet nodig is.
De fase van uitwerking van de eerste ‘beleidsarme’ versie van het RMP1.0 heeft de volgende kenmerken: Doel: Uitwerken van maatregelen die we (gaan) uitvoeren als onderdeel van het RMP1.0 Ontwerpen van een organisatiestructuur om de maatregelen te gaan uitvoeren Werkwijze: 21
Analyseren van de effecten van mogelijke maatregelen op de CO2-uitstoot Inventariseren wat er al in uitvoering is aan verduurzamingsmaatregelen Vaststellen welke bijdrage die leveren aan reductie van de CO2-uitstoot Afspraken maken hoe we die maatregelen gaan uitvoeren Inrichten van een organisatie voor programmamanagement Deelnemers: kernpartners (provincie en gemeenten), uitvoeringspartners en omgevingspartners
Activiteiten: Bijeenkomsten regionaal kernteam voor opstellen RMP 1.0 Sessie(s) met uitvoeringspartners voor leveren van inbreng in RMP 1.0 Sessie(s) met omgevingspartners voor leveren van inbreng in RMP 1.0 Onderzoek naar kosteneffectiviteit van bestaande en nieuwe maatregelen Opzetten monitorinstrument voor periodiek meten van resultaten van maatregelen Resultaat: Een RMP 1.0 geschikt voor bespreking door het UVVB in het najaar van 2021. Een organisatie voor programmamanagement. De inrichtingsfase werkt toe naar bespreking van het RMP 1.0 in het Utrecht Verkeer- en Vervoerberaad (UVVB). De UVVB-bijeenkomst waarin de bespreking op de agenda staat is gepland op 11 oktober 2021. Na de inrichtingsfase en vaststelling van het RMP volgt de uitvoeringsfase.
Deze fase heeft de volgende kenmerken: Doel: Uitvoering geven aan het programma Monitoren en zo nodig bijsturen van de maatregelen Formuleren van concrete ambities en doelstelling ten aanzien van de reductie van de C02uitstoot Doorontwikkelen van het RMP met nieuwe maatregelen Werkwijze: Coördineren en aansturen van maatregelen door middel van programmamanagement Permanente aandacht voor monitoring van effecten van maatregelen Zo nodig bijsturen van maatregelen op basis van monitoringsresultaten Afleiden van best practices en kennis delen Analyseren van witte vlekken in maatregelenpakket en zo nodig treffen van aanvullende maatregelen Deelnemers: Kernpartners en uitvoeringspartners Activiteiten Bijeenkomsten regionaal kernteam voor begeleiden van uitvoering van RMP 1.0 Sessie(s) met uitvoeringspartners en omgevingspartners ter informatie over verloop RMP 1.0 Uitvoeren periodieke monitoring van effectiviteit maatregelen Resultaat: Een effectief Regionaal Mobiliteitsprogramma dat optimaal is toegerust op het bereiken van de geformuleerde doelstellingen voor 2030.
22
4.2 Organisatie Voor de uitwerking van het contourendocument en het Regionaal Mobiliteitsprogramma is een organisatiestructuur opgezet met diverse rollen. Regionaal kernteam Er is een centrale rol weggelegd voor het RMP-kernteam. De provincie Utrecht heeft het initiatief genomen tot de vorming van het kernteam. De leden zijn afkomstig van een aantal Utrechtse gemeenten, Rijkswaterstaat en de provincie Utrecht. Dit team begeleidt de uitwerking van het contourendocument en blijft in stand tijdens de inrichtingsfase waarin het contourendocument wordt uitgewerkt tot het RMP 1.0. De kernteamleden dragen bij aan de totstandkoming van de tussen- en eindproducten. Daarbij leggen zij de verbinding met anderen gemeenten in hun subregio en informeren zij hen tussentijds over de voortgang van het uitwerkingsproces. Utrechts Verkeer- en Vervoerberaad (UVVB) en Managementoverleg Verkeer en Vervoer (MOVV) Het voorliggende contouren-RMP en het RMP1.0 worden bestuurlijk besproken in het Utrechts Verkeers- en Vervoersberaad (UVVB). Het Management Overleg Verkeer en Vervoer (MOVV) fungeert hiervoor als ambtelijk voorportaal en bereidt de bespreking door het UVVB voor. Voorafgaand vindt op regionaal niveau bestuurlijke afstemming plaats om bespreking in het UVVB voor te bereiden. Hierna zal het contouren-RMP worden vastgesteld door alle betrokken overheden.
4.3 Kansen voor regionale samenwerkingsinitiatieven De CO2-reductieopgave waar de regio Midden-Nederland voor staat is niet alleen een regionale opgave. Mogelijke maatregelen uit Europees- en rijksbeleid hebben ook een grote invloed, zoals bijvoorbeeld de emissienormen voor voertuigen of het beprijzen van autogebruik. Daarnaast is er voor veel maatregelen afstemming nodig tussen rijk en regio. Naast het Europees- en rijksbeleid kan regionaal beleid binnen het kader van de Regionale Mobiliteitsprogramma’s ook een grote impact hebben. Het programma dient zich daarbij te richten op onderwerpen waarop regionale overheden en andere stakeholders grip hebben. Thema’s waarop in de regio Midden-Nederland al wordt samengewerkt zijn:
Verbeteren van fiets- en OV-netwerken; Ruimtelijk beleid en parkeerbeleid; Verduurzamen logistiek; Samen duurzaam inkopen; Regionaal stimuleren elektrisch vervoer; Slim Reizen en Slim Sturen (bijvoorbeeld Mobility as a Service - MaaS);
Het Regionaal Mobiliteitsprogramma 1.0 geeft verdere invulling aan de inhoud van de samenwerking op deze thema’s. Het vervolg van deze paragraaf geeft een eerste beeld hoe de regionale verduurzamingsmaatregelen gestalte kunnen krijgen.
23
Verbeteren van fiets- en OV-netwerken Om het aantal autokilometers te verminderen dient de reiziger een goed alternatief geboden te worden voor de auto. Voldoende kwaliteit en capaciteit van de fiets- en OV-netwerken zijn essentiële randvoorwaarden voor een modal shift naar de fiets en/of het OV. Samenwerking op regionaal en nationaal niveau in het verbeteren van fiets- en OV-infrastructuur biedt veel kansen. De OVconcessies en het doelgroepenvervoer bieden ook mogelijkheden voor het efficiënt verduurzamen van het mobiliteitssysteem. Ruimtelijk beleid en parkeerbeleid De overheden in de regio hebben grote invloed op het maken van ruimtelijke keuzes. Ruimtelijke keuzes in de woningbouwopgave in relatie tot fiets en OV-infrastructuur kunnen bijvoorbeeld een groot effect hebben op beperking van het autogebruik en daarmee op de CO2-uitstoot van de sector Mobiliteit. De ruimtelijke inrichting van woningbouwlocaties, met maatregelen zoals het hanteren van lage parkeernormen en het bouwen rondom OV-locaties, is bij uitstek een aangelegenheid die op regionaal- en lokaal niveau in samenwerking wordt bepaald. Verduurzamen logistiek Verduurzamen van de logistiek gaat over het verminderen van vrachtwagen- en bestelautokilometers, het verschonen van bestaande voer- en vaartuigen, en het stimuleren van alternatieve duurzamere vervoerswijzen zoals bijvoorbeeld de bakfiets.