CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 1164727 bijlage Transitievisie Warmte Bunschoten

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1164727 Transitievisie Warmte17.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Eemmeer bij Bunschoten (foto: Wim Ruizendaal)

5.3

Spoor 3: een wijkuitvoeringsplan (vanaf 2023)

Indien de resultaten uit spoor 2 positief uitpakken kunnen we in de periode vanaf 2023 een wijkuitvoeringsplan (WUP) opstellen. We gaan hier niet op korte termijn mee aan de slag, maar starten hiermee afhankelijk van de uitkomsten van spoor 2. Een WUP betekent dat de gemeente met een wijk in gesprek gaat over het terugdringen van de energievraag van de wijk. De gemeente vraagt inwoners van de wijk wat zij nodig hebben om te gaan

Pagina 25 van 50

verduurzamen. Samen kijken ze welke stappen er volgen, wat er nodig is om deze stappen te zetten en in welk tijdspad dit uitgezet kan worden. Met de projectgroep is gekeken wat logische wijken vormen om op termijn de eerste WUP voor op te stellen. Normaliter kijkt men dan welke wijk het meest kosteneffectief van het aardgas afgehaald kan worden of naar wijken met inwoners die graag aan de slag willen. Gemeente Bunschoten wil in eerste instantie inzetten op isolatie, om die reden kijken we naar onderstaande factoren om te bepalen in welke wijk in Bunschoten we logischerwijs op termijn het gesprek met bewoners kunnen starten. 1)

Buurten met een seriematige bouw

Bunschoten bestaat uit een aantal seriematige (of homogeen) gebouwde buurten. Dat maakt een seriematige en collectieve isolatieaanpak mogelijk in deze buurten. Hierdoor kunnen er collectief en kostenefficiënt isolatiepakketten worden ingekocht wat de uitvoering van de warmtetransitie versnelt en goedkoper maakt ten opzichte van wijken met verschillende woningtypen en bouwjaren. 2)

Behalen van energiewinst

Een andere aanleiding is kijken in welke buurt het meeste energiewinst te behalen valt. Woningen gebouwd in de jaren ’60, ’70 en ’80 zijn doorgaans matig tot slecht geïsoleerd en hebben daardoor een relatief hoge warmtevraag. Er is bij deze woningen grote energiewinst te behalen met een gerichte isolatieaanpak. Bovendien zijn bij oudere woningen eerder woningrenovaties nodig, waar bijvoorbeeld isolatie aan de woningschil een onderdeel kan zijn om wooncomfort te verbeteren en dus energievraag te reduceren. 3)

Behalen van energiewinst

We zochten ook naar koppelkansen in gemeente Bunschoten. Koppelkansen zijn concrete aanleidingen om nu in een buurt te beginnen, zoals grootschalige renovatieprojecten van de woningcorporatie of buurtinitiatieven. Deze projecten kunnen de warmtetransitie meer urgentie en snelheid geven. We hebben in Bunschoten meerdere koppelkansen bekeken, waaronder het bezit en de renovatieplannen van woningcorporaties Eemland Wonen en Het Gooi en Omstreken gekeken. Ook hebben we gekeken naar geplande werkzaamheden van de netbeheerder (Stedin), het drinkwaterbedrijf (Vitens) of aan de openbare ruimte (gemeente). Hieruit kwamen geen concrete aanleidingen om de warmtetransitie op aan te laten sluiten. Wat verder in de toekomst (2026 – 2030) heeft gemeente Bunschoten wel werkzaamheden gepland aan de riolering. Bij de herijking van deze visie over vier of vijf jaar, bekijken we opnieuw of dit een koppelkans is. Als we de hierboven genoemde factoren toepassen op de gebouwde omgeving in gemeente Bunschoten, dan komen een aantal buurten naar voren die ‘scoren’ op de factoren. •

Broerswetering (wijk 4).

•

Bikkersvaart (wijk 5).

•

Blokhuiswetering (wijk 6).

Deze buurten zijn allen seriematig gebouwd en de woningen uit Broerswetering en Bikkersvaart zijn gebouwd in dezelfde periode 1965-1974. Blokhuiswetering heeft een groot aandeel woningen (1.000+) gebouwd 1974-1991. Het seriematige karakter van deze buurten maakt dat er collectief en kostenefficiënt isolatiepakketten ingekocht kunnen worden waardoor energiewinst te behalen is. Spouwisolatie en vervanging van de beglazing zijn voorbeelden van isolatiemaatregelen voor deze woningen. Deze woningen zijn dan geschikt voor hoog- of middentemperatuur, bijvoorbeeld met een hybride systeem of in de toekomst wellicht voor duurzaam gas of een warmtenet. Wijkuitvoeringsplan voor Blokhuiswetering? Indien uit de verdieping naar restwarmte (spoor 2) blijkt dat er voldoende warmte beschikbaar is voor een (kleinschalig) warmtenet, dan geeft de buurt Blokhuiswetering de meeste aanleiding om een uitvoeringsplan voor op te stellen. Het opstellen van het wijkuitvoeringsplan kan in dat geval ongeveer vanaf 2023 starten. Blokhuiswetering ligt gunstig (zie figuur 5.1) ten opzichte van het bedrijventerrein De Kronkels, waar mogelijk restwarmte zit, en bovendien vrij compact gebouwd; een voorwaarde bij een collectieve oplossing. Ook zijn de

Pagina 26 van 50

woningen bijna allemaal in dezelfde periode gebouwd. Met een warmtenet op restwarmte kan de samenwerking worden gezocht tussen lokale bedrijven en inwoners. Dit stimuleert het gevoel van samen ondernemen, voor en met elkaar samenwerken en vergroot mogelijk het draagvlak voor de transitie. Tabel 5.1 toont indicatief een planning van de drie sporen tot 2030.

Figuur 5.1 Ligging Blokhuiswetering ten opzichte van De Kronkels Tabel 5.1 Indicatieve planning route tot 2030

Spoor

Loopt vanaf

Doorlooptijd

Spoor 1: gemeentebrede isolatieaanpak

2022

Minimaal tot 2030

Spoor 2: verdieping warmtebronnen

2022

0,5 tot 1 jaar voor uitvoeren onderzoek warmtebronnen en resultaten in kaart te brengen

Spoor 3: opstellen eerste

2023

Minimaal 1 tot 2 jaar voor opstellen wijkuitvoeringsplan

wijkuitvoeringsplan(nen) Spoor 3: start uitvoering wijkuitvoeringsplan 2025/26

Momenteel geldt een doorlooptijd van 8 jaar voor de uitvoering. Eerste wijk aardgasvrij circa 2033/34.

Pagina 27 van 50

6 Financiering en betaalbaarheid Op dit moment weten we nog niet precies wat de transitie naar duurzame warmte in Nederland gaat kosten. Daarbij is de financiële impact van de warmtetransitie voor woningen en andere gebouweigenaren voor iedereen verschillend. Er zijn dus nog veel onduidelijkheden. In de stappen na vaststelling van de TVW wordt dit concreter. Een van de uitgangspunten in gemeente Bunschoten is een betaalbare warmtetransitie. In dit hoofdstuk gaan we in op de mogelijkheden voor een betaalbare warmtetransitie en geven we op hoofdlijnen weer wat de warmtetransitie gaat kosten. Gemeenten in Nederland worstelen met de financiering van de warmtetransitie. In gemeente Bunschoten is dat niet anders. Er is veel onduidelijkheid over wie straks voor welke kosten opdraait; tegelijktijdig willen particuliere woningeigenaren weten waar ze aan toe zijn. Buiten kijf staat dat een deel in ieder geval bij particulieren terecht komt. Echter, er zijn mogelijkheden om de warmtetransitie betaalbaar(der) te maken. Wat zijn de mogelijkheden?

6.1

Betaalbaarheid van de warmtetransitie

In het Klimaatakkoord staat dat ‘de verduurzaming voor iedereen betaalbaar moet zijn, maar ook gefinancierd (moet) kunnen worden. Ook voor degenen die daar nu geen toegang toe hebben’. Het kabinet maakt de komende periode middelen vrij om gemeenten te ondersteunen bij de transitie naar aardgasvrij. De financieringsconstructies kunnen de drempel tot het treffen van verduurzamingsmaatregelen voor inwoners een stuk verlagen. Daarnaast stelt het kabinet € 150 miljoen beschikbaar om kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening of slecht geïsoleerde woning te ondersteunen met isolatiemaatregelen via de gemeente. Er zijn meer mogelijkheden om de betaalbaarheid van de warmtetransitie te stimuleren, die komen in 6.2 aan bod. Energiearmoede Het voorkomen van energiearmoede is voor onze gemeente van groot belang. Daar waar we kunnen, zetten we ons in om dit tegen te gaan. Als gangbare norm is er sprake van energiearmoede wanneer meer dan 10% van het besteedbaar inkomen aan energie (gas en elektra) wordt besteed. Huishoudens waar energiearmoede speelt hebben met de stijgende energieprijzen baat het nemen van energiebesparende maatregelen, maar hebben vermoedelijk de middelen niet om te investeren. Kosten(verdeling) Wat uiteindelijk de kosten worden voor woning- en gebouweigenaren weten we op dit moment nog niet. Dit hangt ook af van een aantal factoren. Dat zijn onder andere: •

het type gebouw: oppervlakte en het aantal buitenmuren van een woning zijn van invloed op de investeringskosten en maandlasten;

•

de huidige staat van het gebouw: afhankelijk van de leeftijd van de woning en de mate van onderhoud en renovatie (inclusief de mate van isolatie);

•

het warmtealternatief dat beschikbaar is in de gemeente: het ene alternatief is duurder zijn dan het andere. Ook de kostenopbouw verschilt: in de ene optie gaat het vooral om kosten in de woning (all electric: isolatie, installatie), in de andere optie gaat het vooral om kosten buiten de woning (warmtelevering: infrastructuur). Daarmee komen de investeringen bij verschillende partijen terecht. Het kader hieronder gaat daar verder op in;

•

ook zijn er externe factoren die de kosten van verduurzaming van een gebouw beïnvloeden, waarvan de belangrijkste marktwerking is. De Transitievisie Warmte wordt om de vijf jaar herzien. Gedurende die periode kan er ook op de markt het een en ander veranderen, waar we dan rekening mee kunnen houden.

Pagina 28 van 50

Tot slot zijn, naast energiebesparing en onderhoud, comfort en levensbestendigheid van de woning ook argumenten om rekening mee te houden bij het opstellen van een verdienmodel. Als gemeente gaan we op zoek naar de maatschappelijk goedkoopste oplossing op basis van een optimale afstemming met de belanghebbenden en werken we aan financieringsconstructies en betaalbare proposities voor woningeigenaren. Er is geen ‘onesize-fits-all’ oplossing. Gaandeweg de transitie moet actief gezocht worden naar de juiste financiële prikkels en instrumenten. Er zijn ook verschillende type kosten. Maatschappelijke kosten zijn anders dan kosten voor de eindgebruiker of bewoner. De onderstaande kaders staan stil bij de verschillende kosten. Maatschappelijke kosten Dit zijn de totale financiële kosten in Nederland van alle maatregelen die nodig zijn om in een wijk of dorp van het aardgas af te gaan, ongeacht wie die kosten betaalt. Dit is inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Het gaat hier onder andere om de aanleg van een warmtenet, de verzwaring van het elektriciteitsnet, verwijderen van het gasnet en onderhoud van infrastructuur. Ook de investeringen van de bewoners zitten hierin. De totale kosten zijn meegenomen in de afweging om te komen tot de technische oplossingen per gebied.

Kosten voor bewoners Kosten voor de bewoners kunnen worden onderverdeeld in investeringskosten en jaarlijkse kosten per woning. De investeringskosten zijn eenmalige kosten voor een duurzamere warmtetechniek. De jaarlijkse kosten zijn de kosten voor de bewoner die jaarlijks betaald moeten worden voor bijvoorbeeld onderhoud van de techniek en/of de warmte zelf. Deze kosten komen in plaats van onderhoudskosten voor de cv of de rekening voor het aardgas.

Verschil in kosten tussen technieken Verschillende technieken brengen andere kosten met zich mee als het gaat om investeringen en de maandelijkse kosten voor eindgebruikers. Deze kosten worden nader berekend in de uitvoeringsplannen. De globale kosten voor woningeigenaren zijn te vinden op www.milieucentraal.nl en te berekenen met hun rekentool Verbeterjehuis.nl.

6.2

Subsidie- en financieringsmogelijkheden

Via gunstige financieringsconstructies wordt het mogelijk om de investeringskosten op te brengen. Een belangrijke rol hiervoor ligt bij het Rijk. De inzet van het Rijk is om een breed palet aan aantrekkelijke, toegankelijke en verantwoorde financieringsmogelijkheden te realiseren, zodat iedereen een vorm kan vinden die in de eigen situatie past. In de transitie naar nieuwe bronnen worden investeringen gedaan. Die kunnen een besparing in energielasten opleveren. Dit betekent niet direct dat maatregelen betaalbaar en financierbaar zijn. Om dit mogelijk te maken, bestaan er subsidies en financieringsregelingen (duurzaamheidsleningen). Onderstaande financieringsmogelijkheden hebben in een aantal gevallen een beperkte looptijd. Het Duurzaam Bouwloket van de gemeente Bunschoten beschikt over de laatste stand van zaken. Subsidiemogelijkheden Subsidies zijn er met name om de ‘onrendabele top’ af te dekken. Een nieuwe maatregel levert vaak besparing op of meerwaarde voor de woning. Soms is dit niet genoeg om de maatregel terug te kunnen verdienen, of is het goed om deze maatregel extra te stimuleren. Subsidies bedoeld voor particulieren zijn doorgaans laagdrempelig en stellen niet al te hoge eisen of voorwaarden; ze zijn er ter ondersteuning. Er zijn verschillende subsidies beschikbaar voor zowel de gemeente als de particulier. •

Provinciale subsidies, zoals de Regeling Energietransitie die de gemeente kan aanvragen bedoeld om de energietransitie in provincie Utrecht te versnellen.

•

Subsidies voor particulieren bij het nemen van verduurzamingsmaatregelen of aanschaf van installaties zoals een (hybride) warmtepomp (ISDE).

•

Subsidies voor energieproducenten voor het produceren van duurzame energie of CO2-reducerend technieken (SDE++).

Pagina 29 van 50

•

Subsidie voor het stimuleren van huurders en eigenaar-bewoners om eenvoudige energiebesparende maatregelen Regeling Reductie Energiegebruik Woningen (RREW).

•

Europese subsidieprogramma’s voor organisaties gericht op duurzaamheid zoals Horizon Europe, European Green Deal of LIFE. Dit zijn omvangrijke en complexe subsidieprogramma’s die doorgaans lange aanvraagtrajecten kennen en vaak internationale samenwerking eisen.

Financieringsmogelijkheden Duurzaamheidsleningen maken het mogelijk om duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand bij de start een grote investering uit eigen geld aangaat. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren. Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent in de regel een lage rente. Er zijn verschillende duurzaamheidsleningen, waaronder: •

energiebespaarfondsen voor particulieren. Deze bestaan er op nationaal niveau, zoals de Energiebespaarlening van het Nationaal Warmtefonds, op provinciaal niveau, maar ook op lokaal niveau. Zo mag in de Starterslening en Blijverslening, aangeboden door Stimuleringsfonds Volkhuisvesting (SVn) een deel worden gebruikt voor duurzame maatregelen.

•

Energiefondsen voor initiatieven/organisatie (regionaal).

•

Op dit moment verstrekt gemeente Bunschoten via SVn al duurzaamheidsleningen aan particuliere woningeigenaren en stimuleringsleningen aan maatschappelijke organisaties en VvE’s voor het onderhoud en verduurzamen van woningen.

Uit verder onderzoek in de gebieden waar we starten met de overgang naar duurzame warmte, moet blijken welke financieringsinstrumenten nodig zijn en hoe we deze eventueel kunnen combineren.

6.3

Kosten isolatie en voorkeurstechnieken

Gemeente Bunschoten volgt een stapsgewijze aanpak naar een aardgasvrij warmtevoorziening in 2050 en de nadruk ligt (voorlopig) op individuele oplossingen. De eerste stap is inzetten op energiebesparing door middel van isolatiemaatregelen. Een volgende stap waarmee het aardgasverbruik verder wordt teruggebracht, is de overstap naar bijvoorbeeld een hybride warmtepomp. Als laatste stap naar volledig aardgasvrij kan er op natuurlijke moment worden overgegaan op een volledig elektrisch systeem of een hybride warmtepomp op duurzaam gas, mits beschikbaar voor de gebouwde omgeving. We kiezen geen startwijk in deze TVW. Toch kunnen we, ter indicatie, alvast een doorkijk geven in de kosten van een aantal isolatiemaatregelen. We nemen Blokhuiswetering als voorbeeld, uiteindelijk gaan we er een keer aan de slag. De wijk heeft ongeveer 1.200 woningen gebouwd tussen 1975-1991 en ruim 150 woningen van 1992 tot heden. We kijken om die reden enkel naar die bouwperioden. Tabel 6.1 geeft een overzicht van de kostenramingen van isolatiemaatregelen per bouwperiode die nodig zijn voor een laagtemperatuur alternatief (allelectric). Dit zijn de kosten zoals deze op dit moment, bij het schrijven van de TVW, zijn. Tabel 6.1 Kostenraming isolatiemaatregelen (excl. btw)

Maatregelen

Woningen 1975-1991

Woningen 1992-heden

Vloerisolatie

€ 2.000,-

-

Spouwmuurisolatie

€ 800,- tot € 1.500,-

-

Dakisolatie

€ 4.000,- tot 6.000,-

-

HR++-glas

€ 4.000,-

€ 0,- tot € 4.000,-

Gevelisolatie (binnen)

€ 3.500,- tot € 4.000,-

-

Gevelisolatie (buiten)

€ 5.000,- tot € 7.500,-

-

Pagina 30 van 50

Totaal

€ 19.300,- tot € 25.000,-

€ 0,- tot € 4.000,-

De kostenramingen zijn gebaseerd op kentallen van de Voorbeeldwoningen gedefinieerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor rijwoningen. Woningen gebouwd in de periode 1975-1991 zijn vaak slecht tot matig geïsoleerd. Afhankelijk van de beschikbare ruimte in de spouwmuur is het na-isoleren lastig. Bij genoeg ruimte is de spouwmuurisolatie snel terug te verdienen. De binnen- en buitengevel isoleren kan wel, maar vragen relatief hoge investeringen en andere woningaanpassingen (dakaansluiting). Er wordt echter energiewinst behaald en het levert een beter wooncomfort op. Woningen gebouwd na 1992 hebben doorgaans een redelijk tot goede isolatiegraad. De woningen die nog geen HR++-glas hebben, kunnen deze maatregel nemen om de warmtevraag verder terug te brengen. Het vergaand na-isoleren van woningen uit deze periode levert relatief weinig energiewinst op ten opzichte van de benodigde investeringen, maar dit kan natuurlijk wel (zie ook tabel 6.2). In tabel 6.2 zijn de maatschappelijke kosten opgenomen van de individuele warmteconcepten voor drie bouwperioden die op lange termijn, na 2030, toegepast kunnen worden in gemeente Bunschoten. Hierbij is bij de nieuwere woningen onderscheid gemaakt tussen twee categorieën: woningen die gebouwd zijn in de periode 1992 – 2011 en woningen die gebouwd zijn na 1 januari 2012.

Woningen die na 1 januari 2012 zijn gebouwd, zijn al dusdanig vergaand geïsoleerd dat extra isolatie (technisch) niet nodig is voor verwarming op laagtemperatuur. We gaan er hier van uit dat woningen gebouwd voor 1992 een hybride warmtepomp krijgen en woningen na 1992 een lucht- of bodemwarmtepomp.

Pagina 31 van 50

Woningen gebouwd vóór 1992 Maatregelen

Woningen gebouwd tussen 1992 en 2012

Woningen gebouwd na 2012

Hybride warmtepomp

AE: luchtwarmtepomp

AE: bodemwarmtepomp

AE: luchtwarmtepomp

AE: bodemwarmtepomp

Bouwkundig

€ 0 - € 20.000

€ 0 - € 25.000

€ 0 - € 25.000

-

-

Warmtepomp/warmteopwekking

€ 5.000

€ 7.500

€ 15.000

€ 7.500

€ 15.000

Aanpassing warmteafgiftesysteem

€ 0 - € 9.000

€ 9.000

€ 9.000

€ 0 - € 9.00010

€ 0 - € 9.000

Stelpost verzwaren elektriciteitsnet

-

€ 4.000

€ 4.000

€ 4.000

€ 4.000

Afsluiten gasnet

-

€ 700

€ 700

€ 700

€ 700

Totaal

€ 5.000 - € 34.000

€ 21.000 - € 46.000

€ 29.000 - € 54.000

€ 12.000 - € 21.000

€20.000 - € 29.000

7

8

9

Tabel 6.2 Kostenraming mogelijke warmteconcepten gemeente Bunschoten (excl. btw)

Disclaimer: de kostenramingen zijn gebaseerd op kostenkentallen anno 2021. Na verloop van tijd kunnen deze kosten veranderen. De kosten zijn exclusief btw en exclusief bijkomende kosten bij het nemen van maatregelen. Het is slechts een indicatie om een beeld te geven van kosten zoals deze op dit moment zijn. Uiteindelijk verschilt dit per woning. In het algemeen geldt dat hoe beter een woning is geïsoleerd, hoe hoger het rendement van de (hybride) warmtepomp is. De warmtepomp kan een groter deel van de warmtevraag invullen. Technisch gezien is extra isolatie dan ook niet nodig, maar wordt wel aanbevolen. Daarnaast is voor een groot deel van de woningen geen aanpassing van het afgiftesysteem nodig. Voor met name de jaren ’80 woningen is de investering dan beperkt tot alleen de installatie van de hybride warmtepomp (kosten woningeigenaar) en eventuele verzwaring van het elektriciteitsnet (kosten netbeheerder). Vandaar de grote bandbreedte in de maatschappelijke kosten bij de hybride warmtepomp. Ook bij de woningen gebouwd tussen 1992 en 2012 zien we een grote (financiële) bandbreedte bij de isolatiemaatregelen. Ook hier geldt dat door betere isolatie de warmtepomp nog efficiënter werkt. Echter, de investeringen zijn hoog tegenover minimale verbetering en bovendien niet per se noodzakelijk. Om die reden geldt een bandbreedte van € 0 tot € 25k.

Bij woningen gebouwd na 2012 zijn geen isolatiemaatregelen nodig vanwege de goede isolatiegraad van deze woningen.

7

De bouwkundige maatregelen zijn isolatiemaatregelen; deze zijn niet perse noodzakelijk. De (hybride) warmtepomp draait echter wel efficiënter en de maatregelen geven een beter wooncomfort. Label B isolatie. Label A isolatie. 10 Kosten indien aangepast warmteafgiftesysteem in woningen na 2012 nog niet aanwezig. 8 9

Pagina 32 van 50

7 Doorkijk naar het vervolg Met deze TVW leggen we een basis voor de start van de warmtetransitie in gemeente Bunschoten. We willen een strategie volgen met drie sporen. We beginnen met isoleren en maken een verdiepingsslag wat betreft kansrijke warmtebronnen. Dat legt de basis voor de komende jaren en van daaruit stellen we wijkuitvoeringsplannen op. In dit hoofdstuk geven we een doorkijk richting de uitvoering van de drie sporen.

7.1

Spoor 1: gemeentebrede isolatieaanpak

Wat je niet aan energie nodig hebt, hoef je ook niet te kopen (hier: aardgas) en energieleveranciers niet te laten leveren. Zoals we in hoofdstuk 5 al beschreven is energiebesparing door te isoleren de meest logische eerste stap van de warmtetransitie. Zeker nu de energieprijzen hard stijgen loont het om verduurzamingsmaatregelen te treffen; de terugverdientijden lopen op dit moment (oktober 2021) terug. Isoleren is altijd nuttig om te doen, we noemen het daarom een ‘geen-spijt’ maatregel. Waarom is het isoleren van een woning of gebouw goed om te doen? –

De warmtevraag wordt verlaagd en daarmee de energielasten.

–

Het verbetert het woonconform.

–

Door de daling van de warmtevraag kunnen meer gebouwen vanuit dezelfde warmtebron worden verwarmd.

–

De benodigde temperatuur van warmte is lager als een gebouw goed is geïsoleerd.

–

Isolatie verlaagt de piekvraag, dat is gunstig voor de energie-infrastructuur.

Figuur 7.1 Duurzaamheidsopties voor individuele woningen waarmee nu al gestart kan worden

Energiebesparende maatregelen Gemeente Bunschoten ontwikkelt hiervoor in 2022 een energiebesparingsaanpak, als vervolgstap op de TVW. Welke alternatieve warmtebron er ook komt, het is altijd goed om te isoleren. In woningen/appartementen en gebouwen stap voor stap de dagelijkse vraag naar aardgas verminderen door het steeds meer beperken van warmteverliezen. Door bijvoorbeeld (zie ook figuur 7.1): •

het dichten van kieren/gaten met oog om energieverlies te beperken;

Pagina 33 van 50

•

(beter) isoleren van daken, buitengevels, en vloeren;

•

betere afstelling van cv-ketel en van radiatoren;

•

door eigen gedrag (o.a. binnendeuren dicht, kamerthermostaat instellen op lagere temperatuur, en beheerst te luchten);

•

het monitoren van het energieverbruik van aardgas én elektriciteit;

•

aanleggen van een groen dak ter isolatie.

7.2

Spoor 2: verdieping kansrijke warmtebronnen

Voor de verdieping naar kansrijke warmtebronnen, zoals restwarmte op bedrijventerreinen, biogas en warmte uit het Eemmeer, moet een eerste inventarisatie de kansrijkheid van de warmtebronnen inschatten. Het onderzoek naar restwarmte richt zich op alle bedrijventerreinen in Bunschoten. Op hoofdlijnen kunnen we de kansrijkheid en toepasbaarheid van de warmtebronnen bepalen aan de hand van een aantal punten: 1

Relevante stakeholders in beeld brengen en vroegtijdig betrekken, zoals de bedrijven die aangeven restwarmte te hebben, Stedin en bedrijf A. van de Groep (voor biogas) Waterschap Vallei en Veluwe (voor warmte uit Eemmeer) en relevante gemeentelijke beleidsmedewerkers.

2

In gesprek met de bedrijven voor de mogelijkheden om de restwarmte uit te koppelen. Ook voor biogas en aquathermie uit het Eemmeer starten we (op termijn) het gesprek.

3

Met relevante stakeholders de uitgangspunten, technische randvoorwaarden en reeds uitgevoerd onderzoek inventariseren en opstellen van beoordelingscriteria met de relevante stakeholders.

4

Ramen van het potentieel voor warmtebenutting en omvang aan te sluiten woningen en gebouwen.

5

Toetsing technische haalbaarheid en inventariseren technische, financiële, juridische en organisatorische risico’s en voorstel mitigerende maatregelen.

6

Investerings- en exploitatieraming voor benutten warmtebron, leidingtracé en overige voorzieningen.

7

Uitwerken bussinescase vanuit perspectieven exploitant en woningeigenaar

8

Advies kansrijkheid en haalbaarheid benutting warmtebronnen.

Bovenstaande punten zijn niet limitatief, maar geven een doorkijk welke relevante onderwerpen we uitdiepen bij het vervolg.

7.3

Spoor 3: een wijkuitvoeringsplan

In het Programma Aardgasvrije Wijken van Rijksoverheid zijn gemeenten aan het experimenteren met deze wijkuitvoeringsplannen, ook wel de wijkaanpak of wijkgerichte aanpak genoemd. Deze eerste uitvoeringsplannen krijgen vorm in “proeftuinwijken”. Veel gaat er goed, maar er zijn ook genoeg lessen te trekken. Daarvan leren andere gemeenten via het kennis- en leerprogramma. Bunschoten kan haar eigen draai geven aan de wijkuitvoeringsplannen. In het hoofdstuk 5 werd duidelijk dat we op dit moment nog geen startwijk aanwijzen. Toch willen we alvast een doorkijk geven aan welke stappen men kan denken bij het opstellen van een WUP. Doorkijk wijkuitvoeringsplan De gemeente gaat met woning- en gebouweigenaren in gesprek om te kijken hoe de wijk verduurzaamd kan worden. Samen bepalen ze of dit alleen isolatie betreft of ook al de stap naar aardgasvrij. Mogelijke onderdelen van een uitvoeringsplan zoals figuur 7.2 laat zien: •

Wijkanalyse: een analyse van de bestuurlijke, financiële en technische kaders en de fysieke en sociale kenmerken van de buurt of wijk.

•

Projectplan: op basis van de wijkanalyse wordt een projectplan of startnotitie opgesteld. Hoe gaan we tot een breed gedragen uitvoeringsplan komen?

•

Uitvoeringsplan: hierin worden verschillende keuzes gemaakt op verschillende gebieden.

Pagina 34 van 50

−

Techniek: welke technische oplossingen zijn wel e niet toe te passen en waarom? De ervaring leert dat inwoners dit breed onderzocht willen hebben om zo ook te zien waarom bepaalde opties niet rendabel/haalbaar zijn.

−

Financiering: businesscase voor gemeente, exploitant en eindgebruiker? Wie betaalt wat?

−

Bestuurlijk: is er draagvlak bij het bestuur? De gemeenteraad stelt het wijkuitvoeringsplan uiteindelijk (ook) vast.

−

Juridisch: hoe kunnen we aansluiten op de Omgevingswet? Welke aanbestedingseisen gelden?

−

Ruimtelijke inpassing: welke aanpassingen zijn nodig in de onder- en bovengrond? Zijn er ruimtelijke koppelkansen of kan de openbare ruimte gelijk aangepakt worden?

−

Communicatie en participatie: bovenstaande moet met de wijk besloten worden. Wie zijn de relevante bewonersgroepen en belanghebbenden en hoe gaan we communiceren? Wat hebben inwoners nodig om stappen te zetten en welke stappen willen ze zetten? Hoe worden ze ontzorgd? Welke sociale koppelkansen zijn er?

•

Vaststellen: de laatste stap is het vaststellen van het uitvoeringsplan door het college van B&W. Het is niet verplicht, maar wel aan te raden om het uitvoeringsplan ook door de gemeenteraad te laten vaststellen. Daarnaast moet het uitvoeringsplan verankerd worden in het Omgevingsplan van de gemeente.

Figuur 7.2 Mogelijke onderdelen om te komen tot een wijkuitvoeringsplan

Verschillende uitvoeringsplannen Het uitvoeringsplan bij een collectieve oplossing is anders dan wanneer gebouw- en woningeigenaren individueel overstappen. Wanneer met de bewoners in de buurt of wijk is bepaald welke techniek zij kiezen en zij aan de slag gaan met het wijkuitvoeringsplan is het goed om rekening te houden met de verschillen tussen een plan gericht op een collectief warmtesysteem of individueel. Tabel 7.1 toont een aantal verschillen. Tabel 7.1 Verschillen in wijkuitvoeringsplannen (collectief en individueel)

Collectief Proces

Individueel

Lange voorbereidingstijd en korte doorlooptijd in Uitvoering is per individu op een ander moment de uitvoeringsfase.

belangrijk of noodzakelijk. Lastig om op tijd te sturen.

Bestuurlijk, juridisch en

Gemeente moet warmtekavels aanwijzen en

financieel

goed nadenken over haar rol in dit proces en de vraagstukken. Het gaat meer over financiële risico’s die ze bereid zijn te lopen.

Er zijn beperkte bestuurlijke en juridische

vergunningverlening, subsidie en gedragsverandering. Gaat meer over kosten.

Ruimtelijke inpassing

Heeft een grote impact op de openbare ruime en Er is wellicht een verzwaring van het op overige infrastructuur omdat daar het warmtenet aangelegd moet worden.

Pagina 35 van 50

elektriciteitsnet nodig. De aanpassingen in de

woning zelf zijn wel ingrijpender, omdat een individuele oplossing vaak op lage temperatuur is. Participatie en

Een groot gedeelte van de wijk moet in één keer Bij individuele oplossingen ligt communicatie meer

communicatie

meegaan om een rendabele businesscase te

op het aanprijzen van voorlopers in de wijk en juist

krijgen. Er is hierdoor minder ruimte om aan te

informeren en ontzorgen van bewoners.

sluiten op een natuurlijk investeringsmoment. Dit vraagt om een grote tijdsbesteding aan de voorkant.

Pagina 36 van 50

Bijlage 1 - Warmtebronnen toegelicht Deze bijlage geeft een beschrijving van de toepassing van de verschillende warmtebronnen die zijn geanalyseerd om de warmtevraag van de gemeente Bunschoten in te vullen. Wanneer we kijken naar de warmte-alternatieven voor aardgas kunnen we deze onderverdelen naar temperatuurniveau. Warmtebronnen met een temperatuur onder de 40°C noemen we laagtemperatuur warmtebronnen. Deze warmte wordt met een warmtepomp opgewaardeerd om een woning te kunnen verwarmen. Warmtebronnen met een temperatuur boven de 70°C noemen we hoogtemperatuurbronnen. Deze bronnen kunnen rechtstreeks in de woning worden toegepast. Warmtebronnen tussen deze temperatuurniveaus in, noemen we middentemperatuurbronnen. Het is afhankelijk van de isolatiegraad van de woning of deze warmte rechtstreeks of via een warmtepomp ingezet kan worden. Het vastgestelde potentieel van de laagtemperatuurbronnen in de volgende paragrafen is de warmte die de bron leveren kan in combinatie met een warmtepomp. Voor aquathermie, ondiepe geothermie, wko en (laag- of midden-temperatuur) restwarmte is uitgegaan van de toepassing met hoogtemperatuur collectieve warmtepompen, omdat dit de meest voorkomende combinatie is11. Het potentieel van de bodemlus (ondiepe bodemwarmte) is berekend op de toepassing met een individuele warmtepomp.

Omgevingswarmte Met omgevingswarmte bedoelen we de warmte in de buitenlucht. Luchtwarmtepompen onttrekken warmte uit de buitenlucht en waarderen deze warmte elektrisch op naar een temperatuur van minimaal 40°C. Dit doet het onder een gunstig rendement; gemiddeld levert één deel elektriciteit, drie tot vier delen warmte op. Voor de luchtwarmtepomp neemt dit rendement af bij koude winters. De warmte wordt afgegeven in de woning via lucht of water (radiatoren). Bij een temperatuur van 40°C moet de woning goed geïsoleerd zijn om warmteverlies/-verval te beperken en ook bij koude winterdagen een comfortabel binnenklimaat te hebben. Voor alle nieuwbouwwoningen vanaf 2015 is de techniek, zonder aanvullende maatregelen, toepasbaar. Woningen die gebouwd zijn na 1992 12, zijn met beperkte maatregelen geschikt te maken voor toepassing van deze techniek. Dit betekent veelal het vullen van de spouwmuur en het vergroten van de oppervlakte aan warmteafgifte door middel van vloerverwarming of grotere radiatoren of convectoren. Wanneer een pand oud is en het gecompliceerd en duur is om te isoleren tot een label A, kan worden gekozen voor een hybride warmtepomp, waarbij de piekvragen met (duurzaam) gas worden ingevuld. Het pand blijft bij een hybride warmtepomp dus aangesloten op het gasnet.

De energiebesparing met een hybridewarmtepomp is lager, maar de techniek kan een goede tussenstap zijn in de transitie naar aardgasvrij. Voor de potentieberekeningen in dit rapport is aangenomen dat de piekvraag en tapwaterverhitting respectievelijk met gas en elektriciteit wordt ingevuld (hybride). De potentie van omgevingswarmte is in principe ongelimiteerd.

11

Voor de hoogtemperatuurwarmtenet varianten is 20% aan (duurzaam)gas gerekend voor het opvangen van de piekvraag. Voor de laagtemperatuur varianten is 20% aan elektriciteit gerekend voor tapwaterverhitting. 12 In 1992 is in het Bouwbesluit een isolatiewaarde (Rc 2,5 voor gevel, ramen en vloer) vastgelegd voor nieuwbouw.

Pagina 37 van 50

Koeling warmtepomp Door klimaatverandering worden de zomers steeds warmer. Er is daardoor steeds meer behoefte aan koeling in de zomer. Dat is terug te zien in de toenemende vraag naar airconditioningsystemen. Een warmtepomp is ‘omkeerbaar’, dat betekent dat het systeem zowel warmte als koude kan maken. De koude kan worden afgegeven via vloerkoeling of uit laagtemperatuurconvectoren. Zowel een lucht- als bodemwarmtepomp kunnen een woning koelen. Bij de bodemwarmtepomp kost dat in de zomer veel minder energie dan een luchtwarmtepomp. Dat komt doordat de bodemtemperatuur stabieler is en lager dan de temperatuur van de lucht in de zomer.

Aquathermie Aquathermie is het benutten van warmte uit water. Op dit moment zijn er technieken beschikbaar of in ontwikkeling voor de benutting van warmte uit oppervlaktewater (TEO), warmte uit afvalwater (TEA) en warmte uit drinkwater (TED). Onderstaand wordt op deze drie warmtebronnen nader ingegaan. Thermische energie uit oppervlaktewater Bij thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) wordt warmte onttrokken uit een rivier, kanaal of meer. In Nederland zijn open waterlichamen alleen in de zomer voldoende warm (>15°C) om warmte aan te onttrekken. Er is daarom seizoensopslag nodig om de warmte in de winter te kunnen gebruiken. Dit wordt veelal gedaan in een wko-systeem (lees warmte-koudeopslag hieronder). Ook bij TEO wordt een warmtepomp gebruikt om de warmte op te waarderen voordat het naar de woning gaat. TEO wordt meestal toegepast met een collectieve hoogtemperatuurwarmtepomp en via een warmtenet naar de woningen/panden getransporteerd. Omdat TEO dus vraagt om 1) een warmtenet vanaf de waterbron, 2) opslag, 3) een warmtepomp en 4) een warmtenet naar de woning, is het een duur warmtealternatief. Alleen voor gebieden met hoge bebouwingsdichtheid en oude bebouwing waar geen andere hoogtemperatuurbron is, kan een hoogtemperatuur TEO warmtenet een goede optie zijn.

In een dergelijk gebied is er geen ruimte is voor individuele systemen en de kosten van isolatie liggen vaak te hoog om met een laagtemperatuurtechniek te verwarmen. Daarnaast wordt warmte uit oppervlaktewater benut om de thermische balans in een wko te realiseren door toevoeging van warmte uit oppervlaktewater. Bij TEO is de locatie van de warmtebron van groot belang. Deze kan niet te ver liggen van de afzet, omdat er warmteverlies optreedt in het transport. Daarnaast is een grotere afstand ongunstig voor de businesscase door een toename in de infrastructurele investeringskosten voor het warmtenet. Een afstand van 500 – 1.000 meter is algemeen aanvaard. Bunschoten is gelegen naast het Eemmeer. Het Eemmeer heeft grote potentie om warmte uit het oppervlak te onttrekken en de locatie van de woonkern is gunstig. Er zit echter wel een restrictie van het provinciaal beleid ten oosten van de woonkern en het Eemmeer is een natuurgebied. De theoretische potentie aan thermische energie uit oppervlaktewater in Bunschoten is 3,4 miljoen GJ. Dit staat gelijk aan ruim 90.000 woningequivalenten (STOWA). Dit geeft de grote potentie van het Eemmeer aan als warmtebron. Hierbij is de limiterende factor van opslagcapaciteit (wko of buffervat) echter niet meegenomen en daarom geldt dit als theoretisch potentieel.

Thermische energie uit afvalwater Bij thermische energie uit afvalwater (TEA) wordt - zoals de naam doet vermoeden - warmte onttrokken aan afvalwater. Er zijn verschillende bronnen van afvalwater waarvan de grootste ons rioolsysteem is. De warmte kan op verschillende plekken gewonnen worden, zoals rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), pompgemalen of rioolbuizen of bij de bron zelf, zoals een productiebedrijf. TEA lijkt in vele opzichten op TEO, maar onderscheidt zich op één belangrijk punt: de temperatuur van het afvalwater is veel stabieler gedurende het jaar - 12 graden in de winter tot 20 graden in de zomer bij de RWZI. Dit betekent dat opslag geen vereiste is.

Pagina 38 van 50

Kortetermijnopslag is vaak wel een vereiste wanneer de momenten van afvalwaterproductie niet overeenkomen met de momenten van warmtevraag. De warmte van de RWZI kan met een collectieve warmtepomp worden opgewaardeerd en via een warmtenet naar de woningen worden getransporteerd. Gemeente Bunschoten heeft geen rioolwaterzuiveringsinstallaties. Er zijn wel twee gemalen bij Eemdijk en in Spakenburg. Met een potentie van 17.000 GJ (STOWA) per jaar (in combinatie met een collectieve warmtepomp) heeft het gemaal in Spakenburg het meeste warmtepotentieel. Technisch kan er warmte gewonnen worden uit de gemalen, maar dit is niet ideaal. Rioolwaterzuiveringsinstallaties gebruiken namelijk warmte om het slibproces te versnellen. Als er warmte uit het water wordt gehaald bij de gemalen, dan moet het water mogelijk worden verwarmd bij de RWZI. Dat is energetisch niet efficiënt. We concluderen dat er geen potentieel aan thermische energie uit afvalwater is in Bunschoten. Thermische energie uit drinkwater De laatste vorm van aquathermie is thermische energie uit drinkwater (TED). Dit is een nieuwe techniek die nog niet veel is toegepast. De potentie van TED per regio of de bijdrage die TED leveren kan aan de energietransitie is onbekend. Tot dusver houdt Vitens het winnen van warmte uit de drinkwaterbronnen nog af. Er is op het moment geen praktische potentie voor TED in de gemeente.

Restwarmte Restwarmtebronnen komen in vele vormen en maten voor. Het is de warmte die ‘overblijft’ na bijvoorbeeld een productieproces. Deze warmte kan zich bevinden in een gas of vloeibare stroom en de temperatuur verschilt per bron. Restwarmte wordt via een warmtenet getransporteerd naar de woningen. Restwarmte van een hoge temperatuur kan direct worden toegepast in woningen zonder gebruik van een warmtepomp en vraagt weinig tot geen aanpassingen in de woning. Dit is financieel dus een heel gunstig scenario (bij een voldoende hoge bebouwingsdichtheid). Bij een lagere temperatuur restwarmte moet deze eerst met een (individuele of centrale) warmtepomp worden opgewaardeerd. Een risico bij het gebruik van restwarmte is dat bij vertrek van het bedrijf, de bron dus ook verdwijnt. Niet alle bedrijven zijn bereid een overeenkomst aan te gaan met betrekking tot levergarantie voor een specifiek aantal jaren. De Warmteatlas toont een aantal restwarmtebronnen in Bunschoten. Op het bedrijventerrein De Kronkels zit Borgesius Bunschoten, een groothandelsbakkerij met naar schatting 65.000 GJ aan laagtemperatuur condensrestwarmte uit koelprocessen (circa 2.400 WEQ in combinatie met een warmtepomp).

Deze restwarmte is vooral zeer lokaal te benutten; op het bedrijventerrein zelf of de nabijgelegen nieuwbouwwoningen in Rengerswetering, waarbij de afstand naar de woonwijk idealiter zo klein mogelijk is (in verband met de hoge kosten voor het aanleggen van het warmtenet). Het is echter onduidelijk of deze restwarmte continu beschikbaar is (en niet seizoensgebonden) en wat de exacte inzetbare potentie is van de warmtebron. Om als serieus alternatief te gelden, moet nader onderzoek de praktische inzetbaarheid inzichtelijk maken. Hetzelfde geldt voor de restwarmtebron op bedrijventerrein Zuidwenk. Hier zit FishPartners met restwarmte potentieel (45.000 GJ). Naast deze twee grotere restwarmtebronnen zijn er enkele laagtemperatuurrestwarmtebronnen - zoals supermarkten - met een te lage potentie om te benutten. Gemeente Bunschoten heeft twee grotere laagtemperatuurrestwarmtebronnen die benut kunnen worden voor een kleinschalig warmtenet voor bijvoorbeeld de nabijgelegen nieuwbouwwijk Rengerswetering, maar dat nader onderzoek de praktische kansen moet inschatten.

Bodem- en aardwarmte Warmte uit de bodem kan met behulp van diverse technieken gewonnen worden, afhankelijk van de bodemgesteldheid en beschikbaarheid van warmte. Onderstaand wordt op deze technieken ingegaan.

Pagina 39 van 50

Bodemlus Een bodemlus is een techniek om warmte te winnen uit de ondiepe bodem, 1-100 meter diep. Hierbij wordt een gesloten buis de bodem in geboord, ofwel horizontaal, ofwel verticaal, en gevuld met een water en antivriesmengsel. De vloeistof in de buis neemt de temperatuur over van haar omgeving, de bodem. De bodemtemperatuur is gedurende het jaar betrekkelijk constant en rond de 12°C. Zo kan er met een bodemlus in de winter warmte worden gewonnen en in de zomer koude. Een warmtepomp waardeert de warmte op naar 40°C of hoger om de woning te verwarmen. Een groot voordeel van een bodemlus gekoppelde warmtepomp ten opzichte van een luchtwarmtepomp (zie 1) is dat het rendement hoger ligt en er in de zomer (passief) gekoeld kan worden, zonder elektriciteitsverbruik. Een nadeel van de techniek is dat er voor bestaande bouw vaak twee bodemlussen per woning nodig zijn met een onderlinge afstand van 8 meter om interferentie te voorkomen. Dit vraagt om voldoende tuinoppervlak per woning. Daarnaast resulteert het boren van de buizen in het overhoophalen van de tuin, wat niet iedere bewoner wil. Bodemlussen zijn een individuele techniek; voor hoogbouw, of industriegebieden met een grote warmtevraag zijn bodemlussen minder geschikt dan een open wko-systeem, omdat de bodem dan overmatig aangeboord wordt (geperforeerd).

Er zijn gebieden waar de bodem helemaal niet aangeboord mag worden en slechts tot een bepaalde diepte om vervuiling van drinkwaterbuffers te voorkomen. De theoretische potentie voor toepassing van bodemlussen in Bunschoten is circa 7,5 miljoen GJ (Warmteatlas), veel meer dan de warmtevraag van de gebouwde omgeving in Bunschoten. De toepassing ervan wordt echter gelimiteerd door het benodigde tuinoppervlak per woning en het gevraagde temperatuurniveau van de woning. Daarnaast zijn bodemlussen niet toegestaan in verbodsgebieden drinkwaterbescherming. Bij Noorderswetering aan het Eemmeer bevindt zich een klein verbodsgebied. Daarnaast liggen er ten oosten en westen van de woonkern Spakenburg gebieden met restricties bodemenergie provinciaal beleid. Voor bodemenergieprojecten (bodemlus en wko) in deze gebieden moet er contact worden opgenomen met de provincie Utrecht. Warmte-koudeopslag Bij warmte-koudeopslag (wko) wordt warmte en koude gewonnen uit een afgesloten waterpakket in de bodem op een diepte tussen de 100-500 meter en via een warmtenet getransporteerd naar de woningen/panden. Het temperatuurniveau is tussen de 8°C en 15°C. Het is gunstig wanneer de panden aangesloten op dit warmtenet zowel koude- als een warmtevraag hebben. Bij een wko-systeem moet namelijk evenveel warmte onttrokken worden aan de bodem als er in wordt teruggebracht.

Is dit niet het geval, dan raakt de bron uitgeput. Wanneer er een onbalans is tussen de warmte- en koudevraag kan deze worden hersteld door warmte en/of koude toe te voegen uit een externe bron, bijvoorbeeld oppervlaktewater of elektrisch. Dit noemen we regeneratie. Als de benodigde regeneratie omvangrijk is, is een wko-systeem minder rendabel. Hoe dichter de warmte- en koudevraag dus bij elkaar liggen, hoe gunstiger de businesscase. Bij goed beheer gaan wko-systemen dertig jaar mee. Een wko-warmtenet wordt dus toegepast daar waar zowel een warmte- als koudevraag is. Dit geldt bijvoorbeeld voor kantoorpanden, verzorghuizen of hotels, maar ook sommige industrie. Ook goed geïsoleerde nieuwbouwwoningen hebben een grotere koudevraag dan bestaande woningen. Maar het aandeel aan koudevraag ten opzichte van warmte blijft klein. Het theoretische potentieel voor wko (circa 10 miljoen GJ, Warmteatlas) in Bunschoten is groter dan de gemeentelijke warmtevraag voor de gebouwde omgeving. De toepassing wordt echter bepaald door de financiële rendabiliteit van het systeem. Daarnaast is het van belang dat er zowel een warmte als een koudevraag is. Wko is niet mogelijk in verbodsgebieden voor drinkwaterbescherming. Ondiepe geothermie Ondiepe geothermie is het boren tot een diepte tussen de 500 en 1.500 meter.

Op deze diepte wordt grondwarmte onttrokken met een temperatuur tussen de 15°C en 40°C. Wanneer het water 40°C is, kan de

Pagina 40 van 50

warmte via een warmtenet rechtstreek worden gebruikt voor het verwarmen van goed geïsoleerde woningen in combinatie met individuele boilers voor het tapwater. Bij andere temperaturen of woningtypen wordt de warmte eerst opgewaardeerd met een (centrale) warmtepomp. In tegenstelling tot een wko-systeem hoeft er bij ondiepe geothermie geen balans te zijn in de koude- en warmteonttrekking. Omdat ondiepe geothermie hoge investeringskosten vraagt, is er een minimale gegarandeerde afzet nodig om de techniek financieel haalbaar te laten zijn. Voor ondiepe geothermie is de minimale schaalgrootte tussen de 1.000 en 2.500 woningen afhankelijk van de brondiepte. Daarnaast is een hoge woningdichtheid (oftewel warmtevraagdichtheid) een vereiste om de kosten van het warmtenet te beperken. In deze analyse is de grens gesteld op een minimum van 40 woonequivalenten per hectare. Diepe (en ultradiepe) geothermie Wanneer er nog dieper wordt geboord, spreekt men van diepe geothermie (1.500 tot 4.000 meter) en ultra diepe geothermie (dieper dan 4.000 meter). Diepe geothermie wordt al langer toegepast in sectoren met een continue, hoge warmtevraag, zoals de glastuinbouw en kan temperaturen leveren tot 100°C (stoom). Net als bij ondiepe geothermie, is een minimale afzet een vereiste voor het ontwikkelen van een geothermische boring.

Woningen lenen zich al minder voor deze techniek, omdat de warmtevraag sterk fluctueert tussen de zomer en winter. Voor een geothermische boring wordt in het algemeen uitgegaan van een minimale afzet van 4.000 tot 5.000 woningen. Omdat er veel verlies optreedt in transport en een hoogtemperatuurwarmtenet duur is, moeten deze woningen dicht bij elkaar en dicht bij de bron staan. Een serie van galerijflats in een stadscentrum is dan ook het meest gunstige scenario voor het toepassen van geothermie voor woningen (40-50 woningen per hectare). De exacte potentie van zowel ondiepe als diepe (en ultradiepe) geothermie in Bunschoten is onbekend. ThermoGIS geeft een voorzichtige indicatie van het potentieel (> 5 MW). Er spelen ontwikkelingen op het gebied van geothermie in de regio Eemland. De omvang en bebouwingsdichtheid van de gebouwde omgeving in Bunschoten is echter niet groot genoeg voor een financieel haalbaar warmtenet op geothermie.

Biomassa Vaste biomassa, zoals hout, gebruiken voor het verwarmen van woningen is omstreden. Het is een goedkope optie (bij resthout en snoeiafval) en levert hoogtemperatuurwarmte, maar er komt fijnstof en CO2 vrij bij verbranding. Er zijn vraagtekens over het effect op de CO2-uitstoot door biomassa: op papier is dit energieneutraal, maar onder andere het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) en de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) waarschuwen dat biomassa in de praktijk een grotere uitstoot dan kolen kan hebben, met name als niet alleen snoeiafval wordt verbrand13. Daarnaast is er in Nederland veel te weinig biomassa beschikbaar om in onze warmtevraag te kunnen voorzien. Met name in stedelijk gebied is het zeer de vraag waar de biomassa vandaan komt. Bij het ontwikkelen van een biomassacentrale is het dan ook van groot belang dat over een lange periode een toestroom van lokale restbiomassa gegarandeerd kan worden. Zo moet voorkomen worden dat er biomassa uit andere landen moet worden gehaald of minder duurzame biomassa wordt gebruikt. Het geschatte potentieel aan warmte uit huishoudelijk snoeiafval in Bunschoten is 10.000 GJ (Warmteatlas, 2018) met een correctiefactor van 0,5. Met houtkachels kunnen hiermee rond de 250 woningen worden verwarmd.

Bij voorgenomen gebruik van biomassa moet realistisch gekeken worden naar de wenselijkheid van het gebruik van deze bron.

13

Zie onder andere Visiedocument KNAW (2015), Biobrandstof en hout als energiebronnen – Effect op uitstoot van broeikasgassen, en PBL (2013), Climate effects of wood used for bio-energy.-- KNAW heeft bevestigd dat rapport ook in 2020 nog steeds relevant is.

Pagina 41 van 50

Groengas Biogas is het gas dat vrijkomt bij de vergisting van natte biomassa, zoals mest en gft-afval. Biogas zelf kan niet worden gebruikt met onze huidige apparatuur, omdat er naar ratio te veel koolstofdioxide, stikstof- en zwaveloxiden in het gas zitten. Deze kunnen worden verwijderd om zo biogas om te zetten naar groengas: gas dat 1:1 aardgas kan vervangen. Dit opwaarderen van biogas naar groengas kost ongeveer 5% van de energetische waarde van het totale volume aan groengas en de kosten van een dergelijke installatie zijn hoog. Maar hiermee kan het gas worden gebruikt in onze bestaande aardgasleidingen, wat logischerwijs vele voordelen oplevert. Het aanbod aan biogas is op dit moment zeer beperkt en kan volgens de sector in 2030 ongeveer 5% van onze huidige gasconsumptie vervullen14. Dit stelt de grootste discussie rondom groengas aan de kaak: moeten we dit gas in willen zetten voor de gebouwde omgeving? Met de energietransitie (en een stijgende CO 2-belasting) gaat op termijn ook de industrie, die nu aardgas gebruikt voor ondervuring of als grondstof, een alternatief zoeken. En ook mobiliteit is een sector waar biogas goed gebruikt kan worden: zwaar transport is nog steeds moeilijk te verwezenlijken met een elektrische motor. Deze sectoren hebben weinig tot geen alternatieven, omdat zij de hoge ontbranding van gas nodig hebben.

Woningen daarentegen kunnen al verwarmd worden met een temperatuur van 40°C. Het is daarom de vraag of het verstandig is om deze beperkte bron nu al in zijn geheel te reserveren voor de gebouwde omgeving. De invloed van een verhoogde vraag naar biogas vanuit de industrie kan ook gevolgen hebben voor de marktprijs van biogas waardoor dit straks niet meer betaalbaar is voor woningeigenaren. Groengas nú inzetten via het bestaande aardgasnet als transitiewarmtebron is wel een goede keuze. Idealiter in combinatie met een hybride warmtepomp. Dit maakt het mogelijk om woningen die zich niet in één keer laten verduurzamen, of waarvoor er nu nog geen betaalbare warmtetechnieken zijn, toch van het aardgas af te halen en de warmtepomp vermindert het totale energieverbruik. Stedin geeft aan dat op dit moment (oktober 2021) per uur circa 5.400 m 3 groengas door de biogascentrale A. van de Groep en Zonen B.V. wordt ingevoed in het gasnet, waardoor een mengsel van aardgas en groengas bij de gebruikers terecht komt.

Waterstof Waterstof wordt vaak genoemd als kansrijke warmtebron voor de transitie. Belangrijk om te beseffen, is dat waterstof geen energiebron is, maar een energiedrager. Het moet geproduceerd worden. De duurzaamheid van waterstof hangt af van de productiewijze. Op dit moment wordt waterstof vooral gemaakt uit aardgas waarbij CO 2 vrijkomt. In de toekomst wordt waterstof meer en meer CO2-arm of -neutraal geproduceerd door het afvangen van CO2 en productie met elektrolyse met hernieuwbare elektriciteit. Waterstof speelt in de periode tot 2030 naar verwachting geen significante rol in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het kost veel elektriciteit om waterstof te maken en voorlopig hebben we hernieuwbare elektriciteit nog hard nodig om de elektriciteitsvoorziening te verduurzamen. Daarna neemt de beschikbaarheid toe, maar is het onduidelijk of waterstof na 2030 al concurrerend is of pas in 2050 zal zijn. Wijken die moeilijk te verduurzamen zijn, zoals monumentale stadscentra, is waterstof een interessante optie, omdat alternatieven niet toepasbaar of duur zijn. Het wordt echter pas na 2030 duidelijk of deze optie beschikbaar en enigszins betaalbaar zijn. Ook in die situatie verdient het de overweging om de waterstofketel te combineren met het gebruik van een warmtepomp (hybride opstelling), waardoor de warmtevraag deels elektrisch ingevuld kan worden.

14

Green gas Roadmap Netherlands, juli 2014. De geraamde hoeveelheid is het equivalent van 2,2 miljard m³ aardgas. Woningen en de industrie gebruiken allebei ongeveer 20 miljard m³ aardgas per jaar, samen ruim 40 miljard m³.

Pagina 42 van 50

Tabel B1.1 Technische potentie warmtebronnen

Warmtebron

Technisch potentieel in gigajoule (GJ) per jaar

Potentieel in Potentieel in woningequivalenten woningequivalenten na huidig verbruik (WEQ) rendabel isoleren (WEQ)

Toepassingsgebied

Databron

Omgevingswarmte (lucht)

Ongelimiteerd

> 11.900

> 11.900

Overal

Niet van toepassing

Thermische energie uit oppervlaktewater, TEO

3.400.000

> 11.900

> 11.900

Spakenburg, Broerswetering, Koenraadswetering

STOWA (Waterschap Vallei en Veluwe)

Thermische energie uit afvalwater, TEA

13.000

350

400

Spakenburg

STOWA (Waterschap Vallei en Veluwe)

Restwarmte

115.000 – 150.000

3.000 - 4.000

3.375 - 4.500

De Kronkels, Zuidwenk

Warmteatlas

Bodemlus

4.500.000

> 11.900

> 11.900

Overal behalve hoogbouw en Nationaal georegister, verbodsgebied drinkwaterbescherming WKOtool

Warmte-koudeopslag

10.000.000

> 11.900

> 11.900

Gebouwen met zowel warmte- als koudevraag

Nationaal georegister, WKOtool

Geothermie

Voorzichtige indicatie (> 5 MW)

n.v.t.

n.v.t.

Niet van toepassing

ThermoGIS

Biomassa

10.000

250

280

Alleen in buitengebied

Warmteatlas

Groengas

270.000

7.400

8.300

Voornamelijk buitengebied en daar waar geen goede alternatieven zijn

Warmteatlas, RVO, gemeente Bunschoten

Pagina 43 van 50

Bijlage 2 - Marktrijpheid technieken

Toelichting assenkruis Dit assenkruis is een manier om de alternatieve warmtetechnieken in te delen. Met marktrijpheid bedoelen we: kan deze techniek al op grote schaal toegepast worden? Is het haalbaar en betaalbaar? Met aannemelijkheid bedoelen we: is het aannemelijk dat deze techniek wordt toegepast in de gebouwde omgeving? Waterstof staat bijvoorbeeld bij niet aannemelijk omdat we weten dat wanneer het beschikbaar komt dit eerst naar de industrie en het zware vervoer gaat. Deze indeling is voortdurend in beweging en afhankelijk van ontwikkelingen in de markt.

Pagina 44 van 50

Bijlage 3 - Bestaande bodemsystemen

Figuur B3.1 Snapshot bodemenergiesystemen in gemeente Bunschoten (bron: wkotool.nl)

Pagina 45 van 50

Bijlage 4 - Kaarten gebouwde omgeving

Pagina 46 van 50

Pagina 47 van 50

Situatie woningcorporaties Er zijn geen plannen voor grootschalige renovatie bij woningcorporatie Het Gooi en Omstreken. Bijna al het corporatiebezit in Bunschoten zit al op energielabel B. Bij Eemland Wonen, de andere woningcorporatie met bezit in gemeente Bunschoten, is gezien de recente bouw van de complexen renovatie niet aan de orde.

Pagina 48 van 50

Bijlage 5 - Startanalyse van het PBL Voor elke gemeente is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een analyse uitgevoerd welke techniek of strategie de laagste nationale kosten per vermeden ton CO 2 geeft. Het model van PBL, de Startanalyse bekijkt de volgende strategieën. 1

Individuele elektrische warmtepomp (lucht- of bodemwarmtepomp).

2

Warmtenet met MT- of HT-bron.

3

Warmtenet met LT-bron.

4

Groengas (met hybride warmtepomp of HR-ketel).

5

Waterstof (met hybride warmtepomp of HR-ketel).

De analyse houdt ook (tot op zeker hoogte) rekening met technische uitvoerbaarheid door bijvoorbeeld de aanwezigheid van warmtebronnen in acht te nemen. Echter, het model treedt niet in het detailniveau of die warmtebron ook daadwerkelijk te benutten is. Een lokale analyse van warmtebronnen geeft daar een beter beeld van. Ook de output van het model, techniek en kosten per ton vermeden CO 2, is een globale inschatting per buurt en gemeente. De tool wordt dan ook geraadpleegd om resultaten uit de lokale analyse van gemeente Bunschoten te spiegelen. De Startanalyse kiest doorgaans een strategie met groengas voor het buitengebied met verspreide woningen van een gemeente. In verband met de beperkte hoeveelheid beschikbaar groengas wordt deze strategie door het model gekozen voor de buurten in heel Nederland waar het kostenverschil tussen de strategie groengas en het eerstvolgende goedkoopste alternatief het grootst is. Dit doet het model totdat het aantal m3 groengas op is (uitgangspunt is 1,5 miljard m3 groengas). Opvallend is juist dat het model in gemeente Bunschoten in het buitengebied kiest voor de strategie van individuele warmtepompen.

Verder valt op dat voor de buurten Spakenburg en Bunschoten, met een relatief hoge bebouwingsdichtheid het model kiest voor individuele oplossing (strategie 1), maar in Koenraadswetering (woningen gebouwd na 1992) voor een warmtenet met een MT-bron.

Figuur B5.1 Snapshot gemeente Bunschoten PBL Startanalyse

Pagina 49 van 50

Bijlage 6 - Openingsbod van Stedin Het Openingsbod is een tool van Stedin dat aangeeft op buurtniveau welke uitkomst maatschappelijk de beste keuze is voor een duurzame warmtevoorziening. Het Openingsbod vergelijkt de uitkomsten van de drie meest gebruikte modellen voor de gebouwde omgeving met elkaar en de uitkomst van het model zegt iets over de robuustheid en aannemelijkheid van de voorkeursoptie per buurt. Als er veel overlap zit tussen de uitkomsten van de drie modellen, dan is de buurt kansrijk om op korte termijn over te stappen op nieuwe warmte. De uitkomsten uit de tool zijn: all-electric, MT/HT-warmtenet, LT-warmtenet en duurzaam gas. De modellen die het Openingsbod met elkaar vergelijkt zijn: Vesta-MAIS model van PBL (model van de Startanalyse), CEGOIA model van CE Delft en het Energietransitiemodel (ETM) van Quintel Intelligence. De gebiedsanalysetool, Quickscan en het Openingsbod zijn door Stedin ontwikkeld om tot een gedegen WUP te komen. Het Openingsbod15 gebruikt verschillende variabelen (zoals kosten en CO2 besparing) en rekent vervolgens met drie verschillende toekomstbeelden. •

Ruim warmte en ruim duurzaam gas.

•

Ruim warmte en beperkt duurzaam gas.

•

Beperkt warmte en beperkt duurzaam gas.

Alle drie de modellen werken met andere uitgangspunten en een verschillende methodiek en elk model heeft andere uitkomsten met de bovengenoemde toekomstbeelden. Hoe meer overeenkomsten er zijn tussen uitkomsten uit de modellen, hoe robuuster de uitkomsten van het Openingsbod en hoe aannemelijker de voorkeursoptie is in die wijk of buurt. De buurten met de hoogste robuustheidsscore zijn robuust en de rest heeft een onzekere uitkomst. Hierbij hanteert het model als grens dat 20% van alle woningequivalenten in het verzorgingsgebied van Stedin met de hoogste robuustheidscore worden gecategoriseerd als ‘robuust’. De overige 80% omvat alle andere buurten die op dit moment nog ‘onzeker’ zijn. De uitkomsten in gemeente Bunschoten laten zien dat in Rengerswetering en Verspreide huizen all-electric de robuuste voorkeursoptie is, hier is dus veel overeenstemming tussen de vergeleken modellen. Bij de andere buurten in gemeente Bunschoten is er minder overeenstemming. De technieken in deze buurten zijn onzeker.

Figuur B6.1 Snapshot gemeente Bunschoten Openingsbod van Stedin

15

Naast het Openingsbod heeft Stedin ook een gebiedsanalaysetool en een Quickscan beschikbaar om te komen tot een gedegen wijkuitvoeringsplan.

Pagina 50 van 50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10788757/1