CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijk_Voorstel_provincie_Utrecht_bijlagenrapport_navigeerbaar_12-12-2023 (1)

Commissie Ruimte 15 mei 2024, gemeente BunschotenBij agendapunt: Mededelingen en rapportage samenwerkingsverbanden43.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen 83

83

en in kwaliteit) van het groen, waardoor er meer mensen gebruik van kunnen maken. Dit om ook tegemoet te komen aan gewenste rust en ruimte. Waar Gehele provincie Utrecht: ƒ Omgevingsvisie provincie Utrecht, kaart 5 Milieu en gezondheid behorend bij thema Stad en land gezond. ƒ Omgevingsvisie provincie Utrecht, kaart 6 Recreatie en toerisme behorend bij thema Stad en land gezond

de inhoud van het Groen Groeit Mee Pact te ondersteunen om daarmee de ambities, het belang van een gezamenlijke inspanning te onderschrijven en hierover afspraken te maken. Zie: Omgevingsvisie provincie Utrecht, paragraaf 4.1.2 Recreatie en toerisme.

Wanneer 2022 – 2030, 2030 – 2040, 2040 – 2050. Wie Rijk (Ministeries van BZK, IenW, LNV en VWS), provincie Utrecht, gemeenten in regio’s U10, Amersfoort, Foodvalley (Utrechtse gedeelte) en de vier Utrechtse waterschappen. Hoe ƒ Bewegen stimuleren: Wij stimuleren en faciliteren ook andere partijen de leefomgeving zo inrichten dat deze uitnodigt tot bewegen. Dit doen we door middel van onder andere het aanbod van ondersteunende instrumenten en het delen van kennis en informatie. Wij richten ons ook op het ontwikkelen daarvan. ƒ Handhaven van stilte in stiltegebieden: Ter bescherming van de stiltegebieden hebben we regels in onze Omgevingsverordening opgenomen. Hiermee beperken we geluid producerende activiteiten. Zie: Omgevingsvisie provincie Utrecht, paragraaf 4.1.1 Milieu en gezondheid. ƒ Ontwikkelen van een samenhangend groenblauw netwerk: In het programma Groen Groeit Mee werken partners samen aan het krachtig positioneren van groene opgaven. Om bij de totstandkoming van verstedelijking de ontwikkeling van het (recreatief) groen gelijke tred te laten houden, onderzoeken we samen met onze partners hoe we groen kwantitatief en kwalitatief mee kunnen laten groeien. Dit kan zowel via groenblauwe dooradering door de kernen, groene scheggen als via (recreatie)groen en blauw en routes buiten de kernen.

Wij richten ons op het meenemen van groen (als randvoorwaarde) in ieder ruimtelijk plan en de daadwerkelijke realisatie van (recreatie)groen in gebieden. Het Rijk heeft aangegeven

84

Bijlage B | Beantwoording Startpakket Bijlage B: Beantwoording Startpakket

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen

84

Bijlage C: Ruimtegebruik Inleiding

Landgebruik in de afgelopen 30 jaar

In het Ruimtelijk Voorstel provincie Utrecht zijn uitdagingen, kansen en agendapunten voor diverse grote ruimtelijke opgaven opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om de transitie in het landelijk gebied, de energietransitie en de verstedelijkingsopgave. Het aanpakken van de opgaven vraagt vanzelfsprekend om ruimte.

In de provincie Utrecht doen zich continu ruimtelijke veranderingen voor. Analyse van het landgebruik de afgelopen decennia laat zien hoe de omgeving van kleur is verschoten. Het bebouwd gebied is fors in omvang toegenomen en ook het areaal bos, natuur en water is gegroeid. Het landbouwareaal is in omvang afgenomen. De grafiek in afbeelding 1 toont het veranderende ruimtegebruik vanaf 1992.

In deze bijlage is een indicatief beeld opgenomen van het ruimtegebruik, nu en in de toekomst. De bestaande omvang van de verschillende functies in de provincie is in beeld gebracht. Daarnaast is voor de toekomstige opgaven een inschatting gemaakt van de mogelijke nieuwe ruimtebehoefte. Dit betreft een globale inschatting op basis van de huidige kennis over groei van functies en kengetallen van de bijbehorende ruimtebehoefte. Om de oplossingen voor de ruimtelijke opgaven een goede plek te geven in onze provincie, zal vanzelfsprekend gewerkt worden vanuit onze beleidsuitgangspunten: combineren en concentreren en het zoeken van evenwicht tussen opgaven en kwaliteiten. Dit betreft complexe vraagstukken die in de Omgevingsvisie zijn beschreven en waarin met het Ruimtelijk Voorstel een volgende stap wordt gezet. Deze bijlage is bedoeld om scherper in beeld te krijgen tot welke mogelijke fysieke ruimtebehoefte de sectorale opgaven kunnen gaan leiden. Ook wordt er kort ingegaan op de mogelijke combineerbaarheid van de opgaven en beperkingen voor andere functies, aan de hand van een aantal voorbeelden.

Legenda Landbouw

60

Bebouwd gebied & infrastructuur

50

Bos & Natuur

40

Water

30 20 10 0 1992

Deze ruimtelijke doorrekening is de tweede versie. De eerste versie is eind 2022 gemaakt. Hierin zijn ook uitgebreidere onderbouwingen van o.a. het historische landgebruik te vinden.

Bijlage C: Ruimtegebruik

1999

2004

2020

Afbeelding 1 - Ontwikkeling van het landgebruik in de afgelopen 30 jaar (bron: provincie Utrecht)

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen 85

85

Bij de analyse van het veranderende landgebruik in de afgelopen 30 jaar horen enige nuances. Zo is de totale oppervlakte van de provincie toegenomen door een aantal grenswijzigingen. Daarnaast leidt ook de toegenomen precisie in het meten van landgebruik tot relatieve verschuivingen. De totale oppervlakte van de provincie is door grenswijzigingen telkens per saldo toegenomen. Het betreft: ƒ 1998: grenscorrectie met provincie Gelderland bij Amersfoort en Veenendaal; ƒ 2002: gemeente Vianen gaat van provincie Zuid-Holland naar provincie Utrecht en gemeente Loosdrecht gaat van provincie Utrecht naar provincie Noord-Holland (in nieuwe gemeente Wijdemeren); ƒ 2019: gemeenten Leerdam en Zederik gaan van provincie Zuid-Holland naar provincie Utrecht en gaan samen met gemeente Vianen op in nieuwe gemeente Vijfheerenlanden. Tabel 1 toont vier hoofdcategorieën ruimtegebruik op de vier peilmomenten met daarbij afzonderlijk de gewijzigde delen. De relatieve verdeling van het ruimtegebruik in de gewijzigde delen kan verschillen ten opzichte van de verdeling in de gehele provincie. In afbeelding 1 is dit ruimtelijk in beeld gebracht. Hoofdcategorie

1992

Grenswijziging 1998

1999

Grenswijziging 2002

2004

Grenswijziging 2019

2020

Water

69,1

0,1

75,2

-14,7

61,7

4,3

89,0

Bos & Natuur

194,3

0,0

203,2

-0,9

210,9

9,4

265,1

Landbouw

861,9

3,7

820,7

22,7

819,1

83,9

794,3

Bebouwd gebied & Infrastructuur

309,1

1,4

340,5

2,8

357,9

12,8

411,6

1.434,4

5,2

1.439,6

9,9

1.449,6

110,4

1.560,0

Totaal

Tabel 1 - Oppervlakte provincie Utrecht in km2 naar landgebruik op vier peilmomenten (gebaseerd op LGN)

86

Bijlage C | Ruimtegebruik Bijlage C: Ruimtegebruik

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen

86

Inschatting van de ruimtevraag van de opgaven Verschillende typen functies kennen nu en in de toekomst een opgave die een impact heeft op het ruimtegebruik in de provincie Utrecht. In tabel 2 is dit tot en met 2030 per functie in km2 weergegeven. Het type ruimtelijke impact is niet gelijk voor elke opgave en het kwantificeren hiervan kent daardoor haar beperkingen. In tabel 2 wordt samengevat in km2 wat het ruimtegebruik per opgave tot en met 2030 is, maar de combinatiemogelijkheden met en/of beperkingen voor andere opgaven verschillen sterk per opgave. Er is daarom geen optelling van deze aantallen gemaakt. Belangrijker is de toelichting per opgave, die een vertrekpunt vormt voor de gebiedsgerichte uitvoering van de opgaven.

Hierna is voor de hoofdcategorieën uit het Ruimtelijk Voorstel aangegeven waarop de inschatting van de ruimtevraag is gebaseerd, welke aannames hier eventueel onder liggen en in hoeverre de ruimtevraag al een locatie toegewezen heeft gekregen. Dit leidt tot een conclusie over de netto-opgave voor de betreffende functie. Daarbij wordt ook, waar mogelijk, een doorkijk gegeven voor de periode na 2030. De inschatting van de ruimtevraag per hoofdcategorie betreft: ƒ Water en bodem; ƒ Landbouw en natuur; ƒ Energie; ƒ Wonen, werken en recreatie. In de laatste paragraaf is een indruk gegeven van de combineerbaarheid van de opgaven en beperkingen voor andere functies, aan de hand van een aantal voorbeelden.

Hoofdcategorie

Opgave in km2 tot 2030 indicatief *

Inschatting van de ruimtevraag voor water en bodem

Waterberging

PM

Drinkwater

36

De ruimtevraag voor het thema water en bodem betreft waterberging, drinkwater uit grondwater en zwemwater. Voor drinkwater uit grondwater is de ruimtevraag al te kwantificeren, voor waterberging en zwemwater niet.

Zwemwater

PM

Bos & Natuur

5

Landbouw

PM

Energie

12

Bebouwd gebied (inclusief infrastructuur)

5

Groen (recreatie)

20

Tabel 2 - Ruimtelijke impact van de opgaven tot en met 2030 * met indicatief wordt in deze tabel bedoeld dat het ruimtebeslag van een opgave een inschatting is o.b.v. die sectorale opgave, zonder rekening te houden met combinatiemogelijkheden of eventuele ruimtelijke beperkingen die deze opgave voor andere gebruiksfuncties met zich meebrengt. Met PM wordt in deze en volgende tabellen bedoeld dat er (nog) geen getal kan worden gegeven.

Bijlage C: Ruimtegebruik

Ruimtevraag voor waterberging Zowel bij ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied als bij uitbreidingslocaties is het van belang om voldoende waterberging te realiseren, teneinde wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te beperken. Dit is onderdeel van het klimaat adaptief maken van het stedelijk gebied. Dit ruimtebeslag is in deze notitie meegenomen in het ruimtebeslag voor nieuwe verstedelijking. Er is op dit moment namelijk onvoldoende informatie om deze opgave apart weer te geven. Ook het klimaat adaptief maken van het buitengebied kan ruimtebeslag met zich meebrengen, denk aan waterberging bij wateroverlast en vergroening. Aan de oostkant van de provincie zijn in de Omgevingsverordening enkele waterbergingsgebieden opgenomen. Deze zijn op de kaart achterin deze bijlage weergegeven. Hoewel de ruimtelijke impact nog niet te kwantificeren is, zal waterberging waarschijnlijk de grootste ruimtevrager worden. Dit gaat om ruimte reserveringen voor piekberging. Dit is nodig voor het opvangen van het te veel aan water bij grote hoeveelheden neerslag. Voor waterconservering, water bewaren om watertekort in droge periodes te

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen 87

87

voorkomen, is het ruimtebeslag mede afhankelijk van de bodem. In het algemeen kan gezegd worden dat de benodigde ruimte voor piekberging en waterconservering vaak niet met elkaar te verenigen zijn. Piekberging gaat namelijk om locaties die hiervoor ingericht worden. Bij water­conservering zal het vaak gaan om het hoog opzetten van de grondwaterpeilen. Voor veenweide bijvoorbeeld is berekend dat voor het tegen gaan van bodemdaling ca 30% van het gebied omgevormd/ vernat moet worden om een systeem te creëren dat geen water aanvoer mee nodig heeft. In andere gebieden buiten veenweide liggen deze percentages lager tot ca 5%. Gemiddeld zal 5-30% van het oppervlak nodig zijn voor waterconservering en zal er op die plekken aandacht moeten zijn voor een veranderend landgebruik. Ruimtevraag voor drinkwater Drinkwaterwinning maakt geen deel uit van de uitsplitsing naar huidig grondgebruik. De drinkwaterwinning uit oppervlaktewater, zoals in de Bethunepolder, valt onder de categorie water bij het feitelijke ruimtegebruik. De bescherming van oppervlakte- en grondwater voor drinkwater is geregeld via de Omgevingsverordening. Nieuwe drinkwaterwinningen worden gezocht in de ondergrond. Ze leveren beperkingen op voor andere functies. Om die reden zijn ze in beeld gebracht. Voor de toename in functies zoals wonen en werken is extra drinkwaterwinning nodig.

Ook vanwege klimaatadaptatie is extra drinkwater nodig (in droge perioden gebruiken inwoners meer drinkwater). De huidige opgave tot 2030 betreft ongeveer 14 miljoen m3/jaar meer vergunningsruimte (bron: Waterbeschikbaarheid voor de bereiding van drinkwater tot 2030 – knelpunten en oplossingsrichtingen, RIVM 2023). Hiervoor worden twee nieuwe grondwater bronnen gezocht, aangevuld met uitbreiding van bestaande locaties. Omdat de locaties nog niet zijn vergund, is uitgegaan van de gemiddelde omvang van een winlocatie (aan het maaiveld). Deze heeft een diameter van 4 km en dus een oppervlakte van ongeveer 12 km2. Voor twee bronnen gaat het dus om 24 km2, aangevuld met de uitbreiding van bestaande winlocaties (+12) = 36 km2. Ruimtevraag voor zwemwater Mogelijkheden voor verkoeling zijn ook belangrijk. Naast natuur, groen en recreatie­ voorzieningen gaat het hierbij om zwemwater. De omvang van het extra benodigde zwemwater wordt onderzocht. In het totaaloverzicht van ruimtebeslag is het zwemwater daarom op PM gezet.

88

Bijlage C | Ruimtegebruik Bijlage C: Ruimtegebruik

Overzicht totale ruimtevraag vanuit water en bodem De ruimtevraag voor water is maar deels in beeld. Voor waterberging is de ruimtevraag nog niet te kwantificeren. Wel wordt aangenomen dat dit een grote ruimtevrager zal zijn, voor zowel waterconservering als piekberging. In het totaaloverzicht van ruimtebeslag is de waterbergingsopgave voor stedelijk en landelijk gebied op PM gezet. Ook de ruimtevraag voor zwemwater is nog niet te kwantificeren. Mogelijk kan hier wel een getal aan gehangen worden in een volgende update van de berekening van de ruimtevraag. De ruimtevraag voor drinkwater is groot, 36 km2, en ligt grotendeels ondergronds. Ruimtevraag

Soort water

Omvang

Netto ruimtevraag

Waterberging

PM

Netto ruimtevraag

Drinkwaterwinning uit grondwater

36 km2

Netto ruimtevraag

Zwemwater

PM

Tabel 3 - Ruimtevraag water tot en met 2030

Inschatting van de ruimtevraag voor landbouw en natuur De ruimtevraag voor natuur betreft het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Groene contour (GC) en bos. Deels is deze ruimtevraag al opgenomen in de Omgevingsverordening. Daarnaast komen er ruimtevragen aan voor de Vogel- en Habitatrichtlijn en voor groenblauwe dooradering. Voor landbouw is de ruimtevraag om diverse redenen onzeker. Dit wordt hierna toegelicht. Ruimtevraag Natuurnetwerk Nederland Het NNN ligt er grotendeels. In de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is hiervoor al 3.373 ha gelokaliseerd. Deels moet dit nog gerealiseerd worden. Er is gestart met realisatie van de laatste hectares, te weten 1.570 ha NNN. Einddatum voor realisatie (verwerving, functiewijziging en inrichting als hoogwaardige natuur) is 2027. (zie: Omgevingsvisie provincie Utrecht, pagina 117). Het gaat bij realisatie om vervanging van de huidige functie, veelal landbouw. Deze natuur is niet altijd even goed combineerbaar met andere ruimtevragers. Bij bepaalde natuurdoeltypen kan een combinatie mogelijk zijn met extensieve landbouw (meer als beheerder), extensieve recreatie of duurzame energie.

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen

88

Dat NNN grotendeels al een locatie heeft, betekent niet dat er geen omvorming meer nodig is. De stand van zaken hiervan is als volgt. Op 1 januari 2011 was de opgave voor de realisatie van nieuwe natuur in de provincie Utrecht het inrichten van 4.200 ha, waarvan nog 1.506 ha van functie moest veranderen (van agrarisch naar natuur). Met de gemeentelijke herindeling van de gemeente Vijfheerenlanden is daar 64 ha inrichting en functieverandering bijgekomen. Dat bracht de totale opgave voor Utrecht op 4.264 ha inrichting waarvan 1.570 ha ook van functie moest veranderen. Van deze opgave is per 1-1-2022 1.987 ha reeds ingericht en van de 1.570 ha is 971 ha reeds van functie veranderd. Dit resulteert in een restanttaakstelling van 599 ha functieverandering en 2.277 ha inrichting. De realisatie van het NNN blijft achter bij de verwachte voortgang. Daarom is de Realisatiestrategie natuuropgave provincie Utrecht opgesteld (vastgesteld door GS 13-12-2022). Hierin is vastgelegd dat de NNN-opgave nu ook in de Groene Contour (GC) en de agrarische percelen in het NNN kan landen, zodat de NNN-opgave versneld uitgevoerd kan worden. De NNN-opgave krijgt voorrang op de GC-opgave (zie hierna). Hiermee wordt het zoekgebied voor de ontwikkeling van nieuwe NNN-natuur uitgebreid met bijna 4.691 hectare. Het NNN wordt via de Omgevingsverordening beschermd.

Binnen het NNN liggen ook de Natura 2000-gebieden die een nog hogere bescherming kennen. In de provincie liggen daarnaast weidevogelkerngebieden waar ontwikkelingen beperkt mogelijk zijn en ganzenrustgebieden waar alleen landbouw mogelijk is. Ruimtevraag groene contour Er is een opgave voor de realisatie van 3.000 ha groene contour (zie: Omgevingsvisie provincie Utrecht, pagina 118). Op de kaart van de Interim Omgevingsverordening omvatten de Groene contourgebieden 2.518 ha. Hiervan is inmiddels circa 170 ha gerealiseerd. Na realisatie wordt de natuur toegevoegd aan het NNN. In de Omgevingsverordening die op 1-1-2024 in werking treedt omvat de Groene contour nog 2.348 ha. Er is daarnaast 500 ha aan zwevende Groene contour beschikbaar met als voorwaarde dat de invulling met nieuwe natuur het functioneren van het NNN in voldoende mate versterkt. Dit impliceert onder andere een ligging direct grenzend aan het NNN. Eind­datum voor realisatie en toevoeging aan het NNN is 2040. Groene contour wordt in principe door anderen gerealiseerd. Ook hier gaat het bij realisatie meestal om

Bijlage C: Ruimtegebruik

vervanging van de huidige functie landbouw. Groene contour kan ook een volgfunctie op duurzame energie zijn of gecombineerd worden met windenergie. In de Omgevings­ verordening wordt de groene contour beschermd. Ruimtevraag bos Het Strategisch bosbeleid van de provincie Utrecht richt zich op meer, vitaal, toekomstbestendig, beschermd en maatschappelijk gewaardeerd bos in 2040. Het heeft als kwantitatief doel het areaal bos te vergroten met 1.500 hectare. De voorlopige onder­verdeling is 500 hectare in het Natuur Netwerk Nederland (NNN), 500 hectare in de Groene contour en 500 hectare buiten het NNN (agro-forestry, kleine landschapselementen, rondom en in steden en dorpen). Zie voor meer informatie: Strategisch Bosbeleid, pagina 3. Dit betekent dus dat de ruimtevraag van 1.500 ha deels kan samengaan met realisatie van NNN, groene contour en recreatiegroen (zie voor dit laatste verderop in dit memo). Aanplant en behoud van bossen draagt ook bij aan het vastleggen van koolstof. Afhankelijk van de gekozen bomen verschilt de vastleggingssnelheid. Gemiddeld is dit zo’n 1,4 ton koolstof per hectare per jaar, maximaal zo’n 4,6 ton koolstof per hectare per jaar. Het areaal bos vergroten met 1.500 hectare komt dan dus overeen met 2.100 tot 6.900 ton koolstof per jaar of omgerekend, 7.707 tot 25.323 ton CO2 per jaar.

Ruimtevraag Vogel- en Habitatrichtlijn Er is door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit indicatief in beeld gebracht hoeveel extra areaal (agrarische) natuur per provincie nodig is om aan de doelstellingen in de Vogel- en Habitatrichtlijn te voldoen. Daarbij geldt dat in 2030 een doelbereik van 30% moet zijn. Het is nog onduidelijk wanneer deze indicatieve verdeling over de provincies een definitieve status krijgt. Om die reden zijn de hierover nu bekende gegevens hierna wel opgenomen, maar is dit nog niet meegenomen in de berekeningen. Mogelijk kan in 2024, als de Europese verordening natuurherstel naar verwachting in werking treedt, dit onderwerp toegevoegd worden aan de berekening van ruimtevragers. De Europese verordening natuurherstel zal een bindende planning verbinden aan de verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn om populaties van beschermde soorten en habitats in een gunstige staat van instandhouding te brengen in 2050, met als

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen 89

89

tussenstap 30% doelbereik in 2030. Indicatief is aangegeven dat dit voor Utrecht het volgende kan betekenen. ƒ VHR-agrarische natuur (met agrarisch natuurbeheer): – Indicatief 8.100 hectare (2030) tot 27.000 hectare (2050) extra open grasland (voor weidevogels). – Indicatief 345 hectare (2030) tot 1500 hectare (2050) extra open akkerland. – Indicatief 2.760 hectare (2030) tot 9.200 hectare (2050) extra groenblauwe dooradering. ƒ VHR-natuur NB: doelen vanuit het Rijk voor de provincies zijn nog indicatief – Indicatief 848 hectare (2030) tot 2.825 hectare (2050) nieuwe natuur buiten de huidige NNN, bedoeld voor moerassen, vochtige bossen en vochtige schraalgraslanden. – Indicatief 117 hectare (2030) tot 391 hectare (2050) nieuwe natuur binnen de huidige NNN via omvorming, bedoeld voor moerassen, vochtige bossen en vochtige schraalgraslanden. Uit de omschrijving blijkt al dat deze extra hectares in ieder geval deels samen kunnen vallen met de ruimtevraag voor natuur en landbouw. De mate van deze functiecombinaties en wat dat als extra mogelijke ruimtevraag op gaat leveren is nu nog niet aan te geven. Ruimtevraag groenblauwe dooradering In het Nationaal Programma Landelijk Gebied heeft het Kabinet ook een opgave opgenomen voor het realiseren van groenblauwe dooradering in het landelijk gebied. Het gaat om 5% groenblauwe dooradering in 2030 en 10% in 2050.

Voor NPLG-prioritaire gebieden geldt zelfs dat die 10% in 2030 gehaald moet zijn. Deze opgave kan volledig samenvallen met andere ruimtevragers, te weten natuur, landbouw en recreatiegroen. Om die reden is dit in deze berekening van toekomstige ruimtevraag niet opgenomen in het totaaloverzicht voor natuur en bos. Overzicht totale ruimtevraag voor natuur De bruto ruimtevraag, oftewel de optelsom van de opgaven voor NNN, GC en bos, is 6.070 ha. Dit heeft grotendeels vanuit het bestaand beleid al een plek aangewezen gekregen, maar is nog niet gerealiseerd. Voor 500 ha groene contour en voor 500 ha bos (buiten NNN en groene contour) moet nog een locatie gevonden worden buiten het

90

Bijlage C | Ruimtegebruik Bijlage C: Ruimtegebruik

bestaande gebied van natuur en groene contour (volgens de Omgevingsverordening). De netto additionele zoekruimte is dus 1.000 ha of 10 km2. Deze ruimtevraag kan gecombineerd worden met andere functies. Het doel is de natuur zo snel mogelijk te realiseren, en in ieder geval voor 2040. Omdat er geen onderscheid is gemaakt tussen voor en na 2030, is in onderstaande tabel de helft toegerekend aan de periode tot en met 2030. Dit is in totaal 5 km2. In de periode 2031 – 2040 zal eveneens voor 5 km2 een plek gevonden moeten worden. Ruimtevraag

Soort natuur

Omvang

Gelokaliseerd

Natuurnetwerk Nederland

373,7 km2

Gelokaliseerd

Groene Contour

23,5 km2

Netto ruimtevraag

Groene contour

2,5 km2

Netto ruimtevraag

Bos (buiten NNN en groene contour)

2,5 km2

Totale ruimtevraag

n.v.t.

5,0 km2

Tabel 4 - Ruimtevraag natuur en bos tot en met 2030 Ruimtevraag voor landbouw In het staatje met de ruimtevraag staat de functie landbouw en veeteelt op PM. Deze functie is vanzelfsprekend wel meegenomen is in het huidige ruimtegebruik. De reden voor deze PM is, dat in de huidige situatie niet met voldoende zekerheid te zeggen is waar het naar toe gaat met de groeiende ruimtebehoefte door extensiveren van de landbouw aan de ene kant en het aantal stoppende boeren aan de andere kant. De omvang van de ruimtelijk opgave voor de functie landbouw is dus niet eenduidig weer te geven. Er is ook een cruciale verschil met de andere opgaven. Het gaat hier namelijk niet om functieverandering. Het gaat in de praktijk om agrarische grond dat agrarisch blijft. Alleen bestaat de noodzaak en tot op bepaalde hoogte de wens (want het is vanuit de overheid en sector gezien een van de mogelijke ontwikkelpaden) om te komen tot een extensivering van de landbouw. Er bestaat dus geen concrete opgave waaruit een bepaald hoeveel grondbehoefte uitrolt.

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen

90

Vanuit de landbouw ligt er een grote opgave op het gebied van stikstof, water en klimaat. Deze opgave is beschreven in het ‘Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied’. Utrecht heeft een opgave van 46% voor de stikstofreductie, grotendeels gericht op het verdunnen van de stikstofdeken. In overgangszones van 1 km rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden wordt gestreefd naar een hoge ammoniakreductie en zeer extensief grondgebruik. Verder wordt voor stikstof ingezet op doelsturing met absolute getallen voor individuele agrarische bedrijven. Op deze manier krijgen reeds duurzamere bedrijven een kleinere of zelfs geen reductieopgave. Voor water gaat het om het realiseren van de KRW-doelen in 2027, o.a. door: reductie van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. Doel is dat in 2027 de concentraties nutriënten (Fosfor (P) en Stikstof (N)) in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan wettelijke normen. Ook moeten de concentraties gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan wettelijke normen. Grondwater­ lichamen moeten in 2027 voldoen aan de norm voor een goede kwantitatieve toestand. En de hydrologische condities in en voor Natura 2000-gebieden moeten op orde zijn. Ook vanuit klimaat zijn er opgaven voor het landelijk gebied.

Dit gaat naast de veenweideopgave (zie verderop in deze paragraaf) ook om het verminderen van met name methaanemissies uit de veehouderij. Voor de provinciale klimaatdoelstellingen, is het van belang dat alle emissies omlaag gaan. De sector landbouw is verantwoordelijk voor 17% van onze totale emissies, verreweg het grootste deel daarvan (52%) zijn emissies van rundvee. Deze opgave is impactvol omdat deze ook vraagt om het verminderen van het aantal dieren. De aanpak is gericht op een combinatie van innovatie en voer- en managementmaatregelen. Bovendien zal de combinatie van de verschillende opgaven sowieso al leiden tot een vermindering van het aantal dieren en hiermee de uitstoot aan broeikasgassen. Hiervoor wordt aangesloten bij natuurlijk verloop via stoppers en het zoeken naar kansen via gebiedsprocessen. Onderscheidend van deze sector is dat het naast dat het een oorzaak van emissies is, ook nog een sector is waar kansen liggen om koolstof vast te leggen. Landbouw kan koolstof vastleggen in bodems en biomassa. Gedacht kan dan worden aan het omzetten van tijdelijk grasland in blijvend grasland of meer planten en bomen door agroforestry. De technische potentie voor koolstofvastlegging in Nederlandse landbouw is 0,9 Mton CO2. Voor de provincie Utrecht wordt dit geschat op 0,04 Mton CO2 per jaar of 4% van de emissies in deze sector.

Bijlage C: Ruimtegebruik

Om de maatschappelijke opgaven in het landelijk gebied te realiseren is extensivering van de landbouw een belangrijke optie. Deze extensivering kan via twee wegen, per bedrijf meer grond of een vermindering van het aantal stuks vee. In de Verdiepende landbouwanalyse, uitgevoerd door DLV en Connecting Agri & Food is berekend wat de impact op de grondvraag is van extensivering voor deze twee richtingen. In het onderzoek is hierbij uitgegaan van een gelijkblijvende veebezetting. Momenteel wordt in de Omgevingsverordening een norm voor grondgebondenheid gehanteerd van 2,5 grootvee-eenheid per hectare (GVE/ha). Een aantal bedrijven in de provincie zit hier nog boven. Als de uitgangspunten van het onderzoek hierop toegepast worden, dan is er voor extensivering van deze bedrijven richting 2,5 GVE/ha een bijkomende hoeveelheid areaal van 1.514 ha benodigd. Voor verdere verlaging van de intensiteit van de melkveehouderij naar 2,25 GVE/ha is dan in totaal 3.299 ha extra grond nodig. Er is tot wel 22.818 extra hectare nodig op het moment dat de norm van 1,5 GVE/ha gehanteerd zou gaan worden. Deze norm past bij een grondgebonden bedrijf dat bij afschaffing van derogatie alle mest op eigen land kan uitrijden. Een norm van 1,5 GVE/ha past ook bij een natuurinclusieve of biologische bedrijfsvoering.

Zoals aangegeven gaat het bij landbouw echter niet om een opgave waaruit extra grondbehoefte rolt, maar om een extensivering van de landbouw binnen de voor de landbouw beschikbare grond. Om die reden geven deze getallen slechts een indicatie en worden ze niet gebruikt voor het berekenen van de ruimtebehoefte van landbouw. Een andere mogelijkheid om te extensiveren is door vermindering van het aantal melkkoeien/jongvee op het bedrijf. Vermindering naar een maximum van 2,5 GVE/ha ten opzichte van de huidige situatie vraagt een afname van 4%, voor verdere aanscherping naar 2,25 GVE/ha een daling van 7%. Indien de grenswaarde voor grondgebondenheid op 1,5 GVE/ha wordt gesteld dan zal het aantal stuks vee verminderd dienen te worden met 34.227 GVE (dit is circa een derde van het totaal aantal koeien in de provincie). Voor een gemiddelde melkveehouder vormen de ‘melkopbrengsten’ verreweg het grootste deel van de inkomsten. Een vermindering van het aantal melkkoeien leidt dus direct tot een fikse inkomstendaling die opgevangen moet worden. Verbreding van de bedrijfsvoering of een betere verwaardig van de producten (verkoop in de korte keten, biologische landbouw) vormen hiervoor opties maar zijn niet altijd eenvoudig te realiseren. Zeker niet voor de sector als geheel.

Verlagen van het aandeel jongvee heeft geen direct negatieve impact op het rendement, kan deels invulling geven aan deze reductie en is dus een toepasbare optie.

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen 91

91

Voor het mogelijk stoppen met een agrarisch bedrijf zijn verschillende redenen, zo zijn er oudere boeren zonder een opvolger, zal op sommige locaties de grond niet langer geschikt zijn en zullen andere boeren stoppen vanwege de maatregelen rondom stikstof, Kader Richtlijn Water en klimaat. Voor een inschatting van het aantal stoppende boeren kan ter referentie gekeken worden naar de ontwikkeling door de jaren heen. Tussen 2000 en 2021 is het aantal boerenbedrijven landelijk afgenomen van 97.389 naar 52.107 bedrijven (bron: CBS-cijfers van aantal landbouwbedrijven). Dit is dus bijna een halvering. Veel van de grond van deze stoppers is overgenomen door andere boerenbedrijven. Wanneer specifieker naar de gegevens van het CBS gekeken wordt, dan valt op dat de vermindering van het aantal bedrijven tussen 2000 en 2015 gemiddeld bijna 3% per jaar was. Tussen 2016 en 2020 gaat het om een afname van gemiddeld 1% per jaar. In de periode 2016 – 2020 is het areaal landbouwgrond nauwelijks veranderd. Maar wanneer je kijkt naar de periode 2000 – 2020 dan is het areaal met gemiddeld 0,4% per jaar verminderd (bron: CBS-rapportage Staat van landbouw en voedsel). De vraag is wel of deze trend doorgetrokken kan worden naar de toekomst, vanwege de stikstofaanpak die het Rijk nu voor staat.

De inschatting van de minister van natuur en stikstof is dat in 2030 landelijk ongeveer 30% van de pakweg 50.000 boerenbedrijven die we in Nederland nu nog hebben zal zijn gestopt. Regionaal kan dit vanzelfsprekend enorm verschillend uitpakken. Daarbij komt, dat stoppen niet de enige optie is. Bedrijven kunnen ook verplaatsen, krimpen, extensiveren of natuurinclusiever worden. En aan die opties zijn verschillende grondbehoeftes verbonden. De verwachting is dus dat het aantal agrarische bedrijven met circa een derde zal afnemen. Een gedeelte van de productiecapaciteit van de stoppende bedrijven zal worden overgenomen door de blijvers. Het aantal dieren neemt daardoor af met circa 20-25%. Het tempo van de afname wordt bepaald door ontwikkelingen in wet- en regelgeving, zoals de afschaffing van derogatie en termijnen waarop emissiereducties behaald moeten zijn. De ervaring leert dat wanneer agrariërs stoppen met veehouderij­ activiteiten de grond niet direct beschikbaar komen op de markt. Agrariërs houden de grond vast. Dit is afhankelijk van functionaliteiten en grondprijzen. Op basis van het berekende aantal stoppende bedrijven en de gemiddelde aanwezige hoeveelheid grond op deze bedrijven is berekend hoeveel landbouwgrond op deze bedrijven aanwezig is, dit ligt tussen de 10.000 en 17.000 hectare. Dit is een flinke hoeveelheid grond, die voor

92

Bijlage C | Ruimtegebruik Bijlage C: Ruimtegebruik

een deel ingezet gaat worden voor andere functies, maar daarnaast ook kan dienen voor boeren die willen extensiveren. In de praktijk gaat dit helaas niet altijd zo soepel, omdat de hoeveelheid stoppers per gebied verschillen, gronden niet altijd gunstig gelegen zijn voor boeren die willen extensiveren, of grond komt niet direct beschikbaar. Dit vraagt gebiedsprocessen en kavelruilen om gebieden opnieuw in te richten. Omdat er veel opgaven in het landelijk gebied zijn, is het goed om te zoeken naar combinaties van functies, zoals samengaan van landbouw en natuur in natuurinclusieve landbouw of agroforestry. Bedrijven die gaan extensiveren of overschakelen op bijvoorbeeld biologische bedrijfs­voering of kringlooplandbouw krijgen, zoals beschreven, per hectare een lagere productie en dus een lagere opbrengst. Daarom hebben ze meer ruimte nodig om met lagere productiviteit per ha tot rendabel bedrijfsvoering te komen. Naast in meer land, kan een deel van de oplossing ook gezocht worden in een combinatie met andere functies om de opbrengst aan te vullen. Hoeveel meer ruimte een bedrijf nodig heeft is sterk verschillend naar soort bedrijf (bijvoorbeeld veeteelt of akkerbouw en intensief of grondgebonden), naar de bodemsoort waarop de landbouw plaats vindt (bijvoorbeeld zand, klei of veen) en of de omvang van het bedrijf gaat wijzigen (bijvoorbeeld minder dieren houden).

Ook om die reden zijn er geen algemene percentages te geven van extra grondbehoefte voor de bedrijven die doorgaan met gewijzigde bedrijfsvoering. In het algemeen wordt wel aangegeven, dat als bedrijven die nu een intensieve bedrijfsvoering kennen over gaan schakelen en dieren blijven houden, ze een grotere ruimtebehoefte zullen hebben voor bijvoorbeeld de uitloop van dieren, dan bedrijven die nu al grond­ gebonden zijn. In de veenweidegebieden komt daar nog een opgave bij. In algemene zin kan aan­gegeven worden, dat de peilopzet in veenweidegebieden het gebruik van de grond zal gaan beperken. Deze peilopzet is nodig vanwege de emissies uit de bodem. Door de tot nu doorgaande drooglegging en verlaging van het grondwaterpeil komen broeikasgassen vrij. Dit effect is veel sterker dan de mogelijkheden voor vastlegging in van deze gassen in de bodem en in biomassa. We moeten dit proces dus zoveel als mogelijk stoppen. In de Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse Veenweiden (RVS) staat dat het Utrechtse Veenweidegebied 42000 ha = 420 km2 beslaat. In de RVS wordt gesproken dat we voor 2030 in ca 10% hiervan (dus ca 42 km2) een transitie in het

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen

92

grondgebruik voorzien. Dat kan om natte teelten gaan maar ook om hele andere functies dan landbouw. Bron: Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse Veenweiden. Concluderend kan er geen inschatting gegeven worden van de hoeveelheid grond die potentieel vrij kan komen als er veel boeren stoppen, net zo min als er een inschatting gemaakt kan worden van de hoeveelheid extra ruimte die nodig is voor extensivering van de landbouw. Deze gegevens zijn van te veel factoren afhankelijk. De te verwachten toekomstige ruimtevraag van de landbouw is dus niet te kwantificeren, want de onzeker­ heid is te groot. Wel is duidelijk dat de ontwikkelingen zoals extensivering, afname van het aantal agrarische bedrijven en verandering van bedrijfsvoering zullen leiden tot een verandering van het gebruik, ook binnen het agrarisch grondgebied. Dit leidt ook tot nieuwe mogelijkheden en beperkingen voor de combinatie met andere functies.

Inschatting van de ruimtevraag voor energie De ruimtevraag voor ordenende netwerken betreft alleen energie. Dit wijkt af van de onderwerpen die binnen het ‘Perspectief voor ordenende netwerken voor energie en (circulaire) economie’ aan bod komen in het Ruimtelijk Voorstel provincie Utrecht. De ruimtevraag voor (circulaire) economie is in deze bijlage opgenomen in het pers­ pectief voor leefbare steden en regio’s onder ‘bedrijventerreinen’. Ruimtevraag voor energie Voor energie betreft de ruimtevraag die in beeld gebracht kan worden met opwekken van elektriciteit met de windmolens en zonnevelden die via de drie RES’en gerealiseerd gaan worden. Opgeteld hebben de drie RES’en (Utrechtse deel ervan) als doel om in 2030 2,4 Twh aan duurzame opwek te hebben gerealiseerd (Bron: RES 1.0 van Regio U16, RES 1.0 van Regio Amersfoort en RES 1.0 van Regio Foodvalley). Dit sluit aan bij de ambitie uit de Omgevingsvisie om in 2030 minimaal 55% hernieuwbare elektriciteit op te wekken in de provincie Utrecht. De ruimtevraag voor de periode na 2030, om aan de doelstelling van CO2-neutraal in 2050 te voldoen, is nog niet in beeld. Deze is dan ook niet opgenomen in het overzicht van ruimtevragers. Met de ruimtevraag voor zonne- en windenergie komt er ook een ruimtevraag bij voor de energienetwerk-infrastructuur.

Hiervan is voor de periode tot 2030 een eerste inschatting gemaakt op basis van kengetallen van het Nationaal Programma RES (Bron: Basisdocument over energie-infrastructuur). Ook in de periode 2030 – 2050

Bijlage C: Ruimtegebruik

zullen er veel aanpassingen nodig zijn aan de energie-netwerkinfrastructuur. Dit hangt samen met aan de duurzame opwek en met veranderingen in de vraag (verstedelijking, het elektrificeren van de maatschappij). Deze ruimtevraag en het mogelijk bijbehorende beperkingengebied is nog niet in beeld te brengen. Naast de opgave voor elektriciteit is er ook een opgave voor duurzame warmte. Ook hieraan is een ruimtevraag verbonden. Het ruimtebeslag hiervan is deels ondergrond (geothermie) en deels betreft het water (aquathermie) met installaties daarvoor. Er zal echter ook rekening gehouden moeten worden bij bijvoorbeeld warmtebuffers in wijken. Welke ruimtevraag en eventueel beperkingengebied aan de opgave voor warmte is verbonden is nog niet in beeld te brengen. Fysiek ruimtebeslag zon op land: De ambitie voor zon is totaal 1,4 Twh tot en met 2030. Daarvan wordt op basis van de RES’en 0,488 – 0,688 Twh (= gemiddeld 0,588 Twh) via grootschalig zon op daken gerealiseerd. Het resterende deel (0,812 Twh) wordt via zon op land gerealiseerd. Met de vuistregels van het Nationaal programma RES betekent dit een ruimtebeslag van 1.137 ha, of afgerond 0,1 km2 voor zon op land tot en met 2030. De oppervlakte van de gelokaliseerde zoekgebieden en -zones voor zon binnen de Provincie Utrecht bedraagt 12.455 ha.

Buiten de gelokaliseerde zoekgebieden en -zones is ook zon op land mogelijk op basis van gemeentelijke afwegingskaders. Er is dus veel meer potentiële ruimte beschikbaar dan in de periode tot en met 2030 nodig is. Fysieke ruimtebeslag wind: Vanuit de RES’en is er behoefte aan ongeveer 1 Twh opwek van windenergie. Hiervoor zijn circa 60 turbines nodig. Voor de fundering en toegangswegen is per turbine circa 1.650m2 nodig Bij 60 windturbines levert dit een ruimtebeslag op van afgerond circa 10 ha tot en met 2030. De oppervlakte van de gelokaliseerde zoekgebieden voor wind binnen de Provincie Utrecht bedraagt in de planMER Wind ongeveer 3.818 ha. Ook voor windenergie is er dus meer potentiële ruimte beschikbaar dan nu nodig is. Energie-netwerkinfrastructuur: Tot en met 2030 zijn er drie grote hoogspannings­ stations nodig met in totaal circa 50 ha ruimtebeslag (exclusief hoogspanningslijnen die een grondoppervlak hebben en een beperkingengebied met zich meebrengen). De ruimtevraag van midden- en laagspanningsstations inclusief de vele extra

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen 93

93

transformatorhuisjes zal ook fors zijn en ligt verspreid over de gehele provincie. Er kan op dit moment geen kwantitatieve inschatting van dit ruimtebeslag gemaakt worden. De bruto ruimtevraag, oftewel de optelsom van deze opgaven, is tot 2030 dus 1.197 ha of 11,97 km2. In de tabel is dit afgerond op 12 km2. Voor de ruimtevraag voor energie wordt voor het geheel nog naar locaties gezocht. De netto ruimtevraag is dus gelijk aan de bruto ruimtevraag. Deze ruimtevraag kan onderling gecombineerd worden (zon met wind) en kan deels gecombineerd worden met andere functies. Ruimtevraag

Soort energie

Omvang

Gelokaliseerd zoekgebied

Zoekgebied/ zoekzone zonne-energie

125 km2

Gelokaliseerd zoekgebied

Zoekgebied windenergie

38 km2

Netto ruimtevraag

Zonne-energie

11,4 km2

Netto ruimtevraag

Windenergie

0,1 km2

Netto ruimtevraag

Energie-netwerkinfrastructuur

0,5 km2

Totale ruimtevraag

n.v.t.

12,0 km2

Tabel 5 - Ruimtevraag energie en netwerken tot 2030

Inschatting van de ruimtevraag voor leefbare steden en regio’s De ruimtevraag voor leefbare steden en regio’s is gekwantificeerd voor bebouwd gebied en recreatiegroen. Bebouwd gebied is opgesplitst in wonen en werken. Voor wonen is hierbij uitgegaan van de ruimtevraag voor volledige woonmilieus inclusief voorzieningen, groen, ontsluiting en combineerbare bedrijvigheid en is er gewerkt met bandbreedtes en variabelen in de mate van uitleg en woningdichtheid. Voor werken is de ruimtevraag specifiek voor bedrijventerreinen gekwantificeerd, ook daarin is gewerkt met bandbreedtes. Ruimtevraag voor bebouwd gebied – wonen Bij bebouwd gebied gaat het in deze analyse eerst om de opgave voor wonen, waarbij diverse functies mee ontwikkeld worden, zoals voorzieningen, lokaal groen, ontsluiting en combineerbare bedrijvigheid. Op die manier worden geen losse woningen toegevoegd, maar complete woonwijken. Voor het bepalen van het ruimtebeslag voor wonen kan in de basis gebruik worden gemaakt van het Kader voor regionaal programmeren wonen en werken 2022 (Kader RPWW 2022, PS 21-09-2022). Hierin zijn de volgende bandbreedtes opgenomen: Periode

Regio Foodvalley

Regio Amersfoort

U16

Provincie Utrecht

2022 t/m 2030 (9 jaar)

4.400 - 6.200

16.800 - 19.800

48.500 - 66.600

69.700 - 92.700

2022 t/m 2039 (18 jaar) 8.000 - 9.500

29.300 - 34.300

81.800 - 105.400

119.000 - 149.200

Kader 2020, 2020 t/m 2039 (20 jaar)

26.100 - 31.000

99.200 - 125.600

133.200 - 165.700

7.900 - 9.100

Tabel 6 - Bandbreedte woningbouw tot 2040 (Bron: Kader RPWW 2022) Voor de periode tot en met 2030 heeft de provincie Utrecht het Rijk een woonbod gedaan (vastgelegd in bestuurlijke afspraken met het Rijk). Hierin staat het aantal van 83.500 te bouwen woningen (bruto toevoeging). Hiermee is de bandbreedte voor de eerste periode dus concreter ingevuld. Het genoemde aantal woningen is onder andere gebaseerd op het kwantitatieve programma uit het Provinciaal Programma Wonen en Werken (PPWW) 2023. Daarin staan concrete locaties die reeds in plannen van de gemeenten waren opgenomen. Referentie hierbij is de actuele plancapaciteit, het bod

94

Bijlage C | Ruimtegebruik Bijlage C: Ruimtegebruik

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen

94

aan het Rijk en de toets die in dat kader is uitgevoerd. Op basis van PPWW 2023 lijkt het de verwachting dat de plannen in het te actualiseren programma voor het nieuwe PPWW grotendeels binnen het bestaand bebouwd gebied liggen. Uitgaande van het bestaande stedelijk gebied zoals opgenomen in de Omgevingsverordening betreft ongeveer 10% (circa 9000 woningen) van de opgave uitleglocaties die aansluitend aan het bestaande stedelijk gebied liggen. Voor deze analyse gaan we uit van 10%.

de bandbreedte voor de periode 2022 t/m 2039, dan resteert er een bandbreedte van 35.500 – 65.700 woningen. We reken met het gemiddelde hiervan, te weten 50.600 woningen, omdat de bovenkant van de bandbreedte is gebaseerd op het volledig inlopen van het woningtekort. Dit is niet de ambitie, omdat over het algemeen een tekort van 2% wordt gezien als een percentage waarbij sprake is van een gezond evenwicht. Dit helpt om overschotten en leegstand te voorkomen.

Voor het ruimtebeslag van deze opgave wordt gerekend met het gemiddeld ruimtebeslag van uitleglocaties van 40 woningen per hectare. Dit betekent dat uitgegaan wordt van het realiseren van een stedelijk woonmilieu. 10% van 83.500 buitenstedelijk resulteert bij 40 woningen/ha in een ruimtevraag van 222 ha, oftewel 2,2 km2. Als er gebouwd wordt in een lagere dichtheid, wordt het ruimtebeslag vanzelfsprekend groter. Zie ook de scenario’s voor de ruimtevraag in de periode 2031 – 2040. Deze oppervlakte betreft het oppervlak bij de netto woningdichtheid en omvat de oppervlakte voor woningen, tuinen, blokgroen en de bijbehorende verharding. Een woonwijk is echter meer dan dat. Dit wordt de bruto woningdichtheid genoemd. Deze omvat ook de oppervlakte voor bebouwde en onbebouwde voorzieningen, zoals parken, scholen, wijkgebouwen, etc., de omvang van klimaat-, gezondheid- en watermaatregelen en de omvang van de in de woonwijk passende bedrijvigheid en ontsluiting (wandelen, fietsen, auto). Hiervoor is 1,5 tot 2 keer het netto oppervlak nodig. Bij een rekenfactor van 1,75 levert dit een ruimtevraag op van circa 3,9 km2.

Voor het ruimtebeslag van deze opgave wordt ook weer gerekend met 40 woningen per hectare. Het percentage uitleglocaties is echter onzeker. We rekenen daarom met een bandbreedte tussen de 5% en 15%. Dit levert een ruimtevraag op van tussen de 63 ha en 190 ha. Met gebruik van dezelfde rekenfactor (1,75) voor de bruto woningdichtheid levert dit een totale ruimtevraag op van tussen de 111 en 332 ha, oftewel 1,1 en 3,3 km2.

Deze bruto woningdichtheid is nog iets anders dan de ‘barcode’ waarmee de stad Utrecht werkt, zie hiervoor één van de agendapunten. De bruto woningdichtheid gaat over de woonwijk en de direct bij de woonwijk behorende andere functies. In de barcode van de stad is alles meegenomen. Per 10.000 woningen laat de Utrechtse barcode zien wat er verder allemaal in de stad moet komen en hoeveel ruimte daarvoor nodig is. De barcode laat zien dan voor een hoeveelheid van 10.000 woningen er een oppervlakte van ongeveer 540 voetbalvelden (tussen 350 – 400 ha) extra ruimte nodig is in de stad. Het gaat dan om ruimte voor alle voorzieningen, dus ook bijvoorbeeld stedelijk groen, werkplekken, infrastructuur en energie. Deze functies zijn op een andere manier in deze ruimtelijke doorrekening meegenomen.

Op basis van de dichtheid waarmee gerekend wordt, heeft een woonwijk een groter of kleiner ruimtebeslag. Hiervoor is gerekend met 40 woningen per hectare. Hoogstedelijke gebieden hebben een dichtheid van 60 of meer woningen per hectare en kennen veelal gestapelde bouw. Landelijke bebouwing heeft minder dan 25 woningen per hectare. Het kan dan ook om een villa- of bungalowwijk gaan. De andere variabele die van invloed is op het ruimtebeslag is de mate van inbreiding en uitleg. Meer uitleg levert een groter ruimtebeslag op. Deze variabelen zijn hieronder toegepast op de opgave tussen 2031 en 2040. Dit levert het volgende beeld van ruimtebeslag op: Opgave 2031 tot 2040

25 won/ha

40 won/ha

60 won/ha

50.600 woningen (gem. van bandbreedte)

2.024 ha

1.265 ha

843 ha

Factor 1,75 voor bruto ruimtebeslag

3.542 ha

2.214 ha

1.475 ha

15% uitleg

531 ha

332 ha

221 ha

10% uitleg

354 ha

221 ha

148 ha

5% uitleg

177 ha

111 ha

74 ha

Tabel 7 - Variabelen in woningdichtheid en mate van uitleg bij woningbouw

Het aantal van 83.500 woningen ligt ongeveer halverwege de bandbreedte voor de periode 2022 t/m 2030 zoals opgenomen in tabel 6. Als dit aantal afgehaald wordt van

Bijlage C: Ruimtegebruik

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen 95

95

Uit tabel 10 wordt duidelijk dat het ruimtebeslag voor woningbouw sterk afhankelijk is van de gebruikte aannames. In deze analyse is gebruik gemaakt van het gemiddelde van 40 woningen per hectare. Mochten de daadwerkelijke plannen hier veel van afwijken, dan kan dit een ander ruimtebeslag opleveren. Datzelfde geldt ook voor de binnen­ stedelijke woningbouw en het aantal woningen per hectare dat daar gerealiseerd wordt. Ook is goed te realiseren dat meer uitleg een andere modal split oplevert met minder fiets en OV en meer ruimte voor de auto. Voor verstedelijking (woningbouw en bijbehorende functies) is er ook een klimaat­ opgave. Maatregelen hiervoor zijn onder te verdelen in nieuwbouw en bestaande bouw. Voor bestaande bouw worden maatregelen genomen om het energieverbruik naar beneden te brengen. O.a. de beweging om van het gas af te gaan en focus op isolatie zijn invulling hiervan. Dit zal niet leiden tot een toegenomen ruimtevraag. Voor nieuwbouw is het zaak dat de woningen (en ook de bedrijven) zo energiezuinig gebouwd moeten worden. De ruimtevraag verandert ook hierdoor niet significant. Wel moet rekening worden gehouden met het feit dat nieuwbouw leidt tot een toename van burgers en forenzen in de provincie. Dit zorgt voor meer emissies die aan de provincie Utrecht worden toegerekend.

Een gemiddelde Nederlander heeft een broeikasgasvoetafdruk van 15,4 ton CO2-equivalenten per jaar, waarvan minstens 26% direct is toe te wijzen aan de woning en het wonen. Een toename van 100.000 inwoners betekent dan dus een toename van zo’n 0,4 Mton CO2-equivalenten per jaar, ofwel een toename van ongeveer 5% op onze totale emissies puur door de toename van inwoners. Ruimtevraag voor bebouwd gebied - werken Bij bebouwd gebied gaat het, naast de opgave voor wonen, om de opgave voor werken. In deze analyse is enkel de ruimtevraag voor specifiek bedrijventerreinen gekwantificeerd. Voor het bepalen van het ruimtebeslag kan gebruik worden gemaakt van het Kader voor regionaal programmeren wonen en werken 2022 (PS 21-09-2022). 3. Hierin is de volgende ruimte voor bedrijventerreinen opgenomen:

96

Bijlage C | Ruimtegebruik Bijlage C: Ruimtegebruik

Bandbreedte ruimtebehoefte

Regio Foodvalley

Regio Amersfoort

U16

Provincie Utrecht

Bandbreedte nieuw terrein t/m 2030

4 - 24

7 - 22

42 - 43

53 - 89

Opgenomen in realisatiedeel PPWW 2021

4,0

10,7

39,5

54,2

Max. nog in te vullen bandbreedte t/m 2030

20

11,3

3,5

34,8

Tabel 8 - Bandbreedte bedrijventerrein tot en met 2030, in netto hectares (Bron: Kader RPWW 2022) Bandbreedte ruimtebehoefte

Regio Foodvalley

Regio U16 Amersfoort

Provincie Utrecht

Behoefte 2031 t/m 2040 (WLO hoog)

8

35

93

136

-/- Ruimtewinst door intensivering / verduurzaming bestaand terrein, 20 - 30%

2

7 - 11

19 - 28

27 - 41

-/- Reservering: niet accommoderen 10%

1

3

9

13

Bandbreedte nieuw terrein 2031 t/m 2040, 60 - 70%

5

21 - 25

56 - 65

82 - 96

+ Harde vervangingsvraag (80%)

PM

PM

PM

PM

Totale nog in te vullen bandbreedte 2022 t/m 2040

5 -25

21 - 36,3

56 - 68,5

82 - 130,8

Tabel 9 - Bandbreedte bedrijventerrein 2031 t/m 2040, in netto hectares (Bron: Kader RPWW 2022) De ruimtevraag van deze opgave is dus 53 – 89 ha t/m 2030 en 82 – 96 ha in de periode 2031 t/m 2040. In totaal gaat het dus om 135 – 185 ha. Hierbij zijn de volgende opmerkingen te plaatsen: ƒ In de cijfers is nog geen rekening gehouden met de complete vervangingsvraag na transformatie. Daar is nu nog geen beeld van. Daarom goed om veiligheidshalve aan de bovenkant bandbreedte te gaan zitten. Wel is in deze cijfers al rekening gehouden met een intensiveringsslag. ƒ Daarnaast gaat het om netto uitgeefbare hectares. Om het bruto-ruimtebeslag (de eigenlijke ruimtevraag voor het terrein zelf, inclusief wegen, groen e.d., maar exclusief infrastructuur naar het terrein toe) te berekenen zou je dit minstens x 1,3 moeten doen. Dat levert de volgende cijfers op: – t/m 2030: 89 ha x 1,3 = 115,70 ha / 1,16 km2; – 2031 – 2040: 96 ha x 1,3 = 124,80 ha / 1,25 km2; – Totaal: 240,50 ha / 2,41 km2.

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen

96

Iedere vier jaar onderzoekt de provincie of er genoeg ruimte is voor ondernemers om te groeien of zich te vestigen. Begin november is het nieuwste onderzoek gepresenteerd. Hieruit blijkt dat de uitbreidingsvraag voor bedrijventerreinen groter is dan de vorige raming (2019), door sterke groei van banen en omdat meer bedrijven bijvoorbeeld circulair willen werken. Ook hebben bedrijventerreinen meer ruimte nodig door uitbreiding van het energienetwerk, klimaatadaptatie en vergroening. Het onderzoek laat zien dat tot 2030 er - afhankelijk van het economisch groeiscenario - rekening gehouden moet worden met een fors tekort aan bedrijventerreinen van 90-230 hectare. Met hoeveel ruimtebehoefte er in deze berekening rekening gehouden moet worden, aanvullend op de hiervoor opgenomen aantallen, wordt later bepaald. Provinciale Staten beslissen in het Kader voor het Provinciaal Programma Wonen en Werken hoe de geconstateerde ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen wordt omgezet in programmeringsruimte. Daaropvolgend wordt samen met gemeenten in het provinciaal programma wonen en werken gezocht naar locaties hiervoor. Deze getallen kunnen in een volgende versie van de ruimtelijke doorrekening worden verwerkt.

Ruimtevraag voor infrastructuur Met de invulling van de opgave voor bebouwd gebied is er ook behoefte aan ontsluiting via diverse vormen van infrastructuur (weg, spoor, fietspad, wandelpad e.d.). Dit soort nieuwe infrastructuur ter ontsluiting van nieuwe woonwijken, bedrijventerreinen en logistieke overslaglocaties is in de berekening van het ruimtebeslag daarvan mee­ genomen. Het inpassen van verbredingen of nieuwe infrastructuur op lokaal niveau leidt wel tot ruimtelijke ontwerpopgaven. Daarnaast kan er ook behoefte zijn aan extra infrastructuur voor meer nationale doelen, zoals de doorstroming van het wegverkeer of de uitbreiding van het OV-netwerk. Er zijn op dat niveau nu geen voornemens voor nieuwe provinciale of Rijkswegen of voor nieuwe spoorlijnen bekend. Er is wel sprake van enkele verbredingen van of verbeteringen aan wegen. Dit is echter niet concreet te maken in oppervlakte nieuw ruimtebeslag. Er is wel een nieuwe hoogwaardig openbaar vervoerlijn in de planning vanuit Utrecht richting Nieuwegein, de Merwedelijn. Deze loopt door bestaand stedelijk gebied en levert daardoor in deze berekening geen extra ruimtebeslag op.

verplaatst is er daardoor ook een groot wegennet en veel parkeerruimte nodig. Door in te zetten op modal shift (verandering in de wijze hoe we ons verplaatsen) en bijvoorbeeld fietsen en ov te stimuleren is er – op termijn – ook minder ruimtebeslag nodig. Deze vormen van mobiliteit maken namelijk efficiënter gebruik van de ruimte voor het verplaatsen en vraagt minder parkeerruimte. Deze omslag vraagt om een grote ambitie en inzet, niet alleen van de provincie, maar ook van het Rijk. Totale omvang van ruimtevraag voor bebouwd gebied Voor wonen is er voor de periode t/m 2030 op basis van de huidige inzichten en de geschetste aannames, een aanvullend ruimtebeslag nodig van 3,9 km2 ten opzichte van het stedelijk gebied (zoals opgenomen in de Omgevingsverordening) en voor de periode 2031 – 2040 gaat het om tussen de 1,1 en 3,3 km2. Deze inschattingen zijn gebaseerd op aannames en bevatten (met name na 2030) nog veel onzekerheid, zoals de mate van uitleg en de woningdichtheid. Voor specifiek bedrijventerrein is er voor de periode t/m 2030 een aanvullend ruimtebeslag nodig van 1,16 km2 en voor de periode 2031 – 2040 gaat het om 1,25 km2. In totaal is de ruimtebehoefte 2,41 km2. Deze inschatting bevat (met name na 2030) nog veel onzekerheid, zoals de mate van intensivering op bestaande bedrijventerreinen.

De berekening leidt tot het volgende overzicht van extra ruimte­ beslag voor wonen en werken de periode tot 2030. In de kaartenreeks achterin deze bijlage zijn ook de voorgenomen locaties voor deze ruimtevraag opgenomen. Het gaat hierbij om puntlocaties. De precieze ligging van deze gebieden is nog niet bekend. Daardoor kan er geen oppervlakte zoekgebied aangegeven worden. Ruimtevraag

Soort bebouwing

Omvang

Gelokaliseerd zoekgebied

Woonwijken

PM km2

Gelokaliseerd zoekgebied

Bedrijventerreinen

PM km2

Netto ruimtevraag

Woonwijken

3,9 km2

Netto ruimtevraag

Bedrijventerreinen

1,2 km2

Totale ruimtevraag

n.v.t.

5,1 km2

Tabel 10 - Ruimtevraag bebouwd gebied tot en met 2030

Met het verduurzamen van deze sector zijn er kansen om het ruimtegebruik ten opzicht van nu te verminderen. Wanneer men zich nog grotendeels individueel per auto

Bijlage C: Ruimtegebruik

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen 97

97

Ruimtevraag voor recreatiegroen De ruimtevraag voor recreatie betreft de vraag naar multifunctioneel groen waar ruimte voor recreatie is. Hiermee wordt gewerkt aan een gezonde groene leefomgeving die meegroeit met de verstedelijking. Deze ruimtevraag is in eerste instantie globaal geraamd op 500 m2 per nieuw te realiseren woning. Als dit gebruikt wordt op de aantallen woningen in deze notitie gaat het voor de periode t/m 2030 om 41,75 km2. Voor de periode 2031 – 2040 gaat het om 17,75 – 32,85 km2, het gemiddelde hiervan is 25,30 km2. Dit komt dus neer op een totale globale ruimtevraag van 67,05 km2. Dit is een zeer globaal getal, waarbij nog geen rekening is gehouden met functiecombinaties, medegebruik van bestaand groen, verbeteren van bestaand groen e.d.. In het programma Groen Groeit Mee (Bron: Groen Groeit Mee - Opgaven in beeld) is onderzocht welke groenontwikkelingen geïdentificeerd kunnen worden die invulling kunnen geven aan deze opgave. Dit leidt tot het volgende bij dat programma opgeleverde overzicht: Soort recreatie (2023 – 2040)

Oppervlakte (ha)

Aantal / km

Nieuwe recreatiegebieden

1.015

n.v.t.

Recreatieve verbindingen met een groene en ecologische inrichting

2.200

98

Recreatieve dooradering landbouwgebieden

350

n.v.t.

Groene contourgebieden met naast natuur recreatief medegebruik

2.527

n.v.t.

Nieuwe natuurkernen met recreatief medegebruik

397

n.v.t.

Ecologische verbindingen met waterberging en recreatief medegebruik

1.376

n.v.t.

Herstel erfbeplanting/ kleine landschapselementen

125

n.v.t.

Levendige boerensloten (regio U16)

n.v.t.

10.000

De getallen zoals opgenomen in de tabel komen hoger uit dan de globale inschatting laat zien en zijn redelijk precies. Dit komt, doordat er gebruik is gemaakt van documenten, schetsen en kaarten van de provincie, de drie regio’s in de provincie en de vier waterschappen in de provincie. De ideeën die hierin staan zijn overgenomen, waarbij ook een indicatie is opgenomen van de hardheid van de plannen. Voor deze harde plannen, zoals de groene contour, is veelal helaas nog geen financiering beschikbaar. Het overzicht is dus gebaseerd op bestaand beleid, plannen en ambities. Het gaat daarbij om de nieuwe groenblauwe opgave in het buitengebied die voortkomt uit de opgave voor woningbouw en duurzame energie. Het groen in het binnenstedelijk gebied is niet meegenomen. Dit maakt onderdeel uit van het bruto ruimtebeslag van woonwijken, zoals in de betreffende paragraaf is beschreven. Voor recreatie is ook rekening gehouden met de bestaande tekorten. De opgave voor bos is meegenomen in de hectares in de tabel en is niet apart inzichtelijk gemaakt. In de voorliggende analyse naar toekomstig ruimtebeslag is de in de tabel vermelde oppervlakte gehanteerd. De aantallen toe te voegen kilometers en objecten zijn buiten beschouwen gelaten. Dit komt dus neer op een totaal van 9.901 ha of 99 km2. Een deel daarvan gaat om recreatief medegebruik van natuur of landbouw.

In deze analyse van ruimtebeslag worden die opgenomen onder de categorieën natuur en landbouw. Alleen de nieuwe recreatiegebieden en de recreatieve verbindingen zijn specifiek toe te rekenen aan de categorie recreatiegroen. Dat gaat dus om een ruimtevraag van 3.215 ha of 32,15 km2. Om te berekenen welk deel van deze opgave logischerwijs toegerekend moet worden aan de periode t/m 2030 worden de woningbouwaantallen gebruikt. In deze periode wordt globaal 62% van de totale opgave gerealiseerd. Dit levert een opgave voor recreatiegroen van 19,93 km2. Voor de periode 2031 – 2040 gaat het dan om 12,22 km2. Dit betreft zoals aangegeven de ruimtevraag voor nieuwe recreatiegebieden en recreatieve verbindingen met een groene en ecologische inrichting. Deze ruimtevraag kan grotendeels gecombineerd worden met andere functies.

Groenblauwe dooradering landbouwgebied (Regio’s Amersfoort + Foodvalley) 1.911

n.v.t.

Nieuwe grote infrakunstwerken voor recreatie en ontsluiting

n.v.t.

57

Buitenpoorten

n.v.t.

22

Ruimte voor groeiende wateropgave (nog onderzoeken)

PM

n.v.t.

Ruimte voor zwemwater / water voor verkoeling (nog onderzoeken)

PM

n.v.t.

Ruimtevraag

Soort recreatiegroen

Omvang

Totaal

9.901+PM

-

Netto ruimtevraag

Recreatiegroen uit Groen Groeit Mee

19,9 km2

Tabel 11 - Overzicht potentiële ontwikkeling recreatiegroen uit programma Groen Groeit Mee

Tabel 12 - Ruimtevraag recreatiegroen tot en met 2030

98

Bijlage C | Ruimtegebruik Bijlage C: Ruimtegebruik

Versnellen, Vernieuwen, Verdiepen

98

Combineerbaarheid van de opgaven en beperkingen voor andere functies

totaalresultaat van alle ontwikkelingen samen die bepalend zullen zijn hoe gezond en veilig de leefomgeving is.

Water Uit de analyse blijkt, ondanks de vele onzekerheden waar we mee te maken hebben, dat er vanuit de sectorale opgaven een aanzienlijke ruimtebehoefte is. Dit sluit aan bij het beeld dat al langer bestaat en dat ook in het Ruimtelijk Voorstel wordt geschetst: ‘Grote urgentie, enorme opgaven’. Ruimte voor transformatie wordt steeds schaarser en kostbaarder, wat zal leiden tot uitdagingen om de ruimtevraag te accommoderen. Daarom is het belangrijk om op zoek te gaan naar nieuwe oplossingen en mogelijkheden om functies te combineren, zoals ook de Omgevingsvisie voorschrijft. Dit is een complexe opgave, waar we met de provincie samen met andere overheden en partners aan gaan werken. Met het Ruimtelijk Voorstel zetten we hierin weer een stap. Het zoeken naar mogelijkheden voor functiecombinaties en het slim omgaan met beperkingen die functies ten opzichte van elkaar hebben is een continu proces en werkt door van beleidsontwikkeling tot uitvoeringspraktijk. Onderstaand wordt aan de hand van een aantal voorbeelden geschetst welke functies goed te combineren zijn en waar er juist beperkingen optreden. Dit is geen volledige lijst van alle mogelijke functiecombinaties en beperkingen, maar is een greep uit een aantal voorbeelden. Om in bijvoorbeeld een gebiedsontwikkeling tot goede functiecombinaties te komen volstaat een checklist dan ook niet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14095206/1