Overzicht wijzigingen verordeningen sociaal domein
Tekst van het document
Geen bestaand artikel
2
3
4
5
De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. De gemeente biedt de volgende mogelijkheden aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: a. Arbeidsmatige dagbesteding, zoals bedoeld in artikel 3.6.1. van deze verordening b. sociale activering; c. scholing;
Artikel 3.4.14 Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening 1. De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in vergoeding in geld worden verstrekt 2. De gemeente biedt de vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De inwoner kan door zijn beperking niet
zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. Het vervoer is beperkt tot woonwerkverkeer 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. De gemeente brengt een eventueel bedrag dat verstrekt wordt door de werkgever voor de vervoersvoorziening aan de werknemer, in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Toelichting Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 3.4 en 3.4.12, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 3.4 zesde lid, het beste instrument tegen de laagste kosten het uitgangspunt vormt.
Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. Geen bestaand artikel
Artikel 3.4.15 Ondersteuning bij een motorische handicap 1
De gemeente kan hulp of ondersteuning bieden voor bepaalde taken die de persoon door een motorische handicap (moeite met bewegen) niet kan doen.
Toelichting Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een motorische handicap. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of ged.eeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon.
De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3.4 en 3.4.12.
Geen bestaand artikel
Artikel 3.4.16. Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening 1 De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit noodzakelijk is voor de persoon om te kunnen werken. 2 Er is geen volledige lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als is aangetoond dat het noodzakelijk is om te kunnen werken. 3 De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan de medewerker besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.
Geen bestaand artikel
Toelichting Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3.4 en 3.4.12. Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd op het moment dat deze niet langer nodig zijn. Artikel 3.4.17 Ondersteuning bij werkplekaanpassingen 1. De gemeente kan een werkplekaanpassing toekennen als dit noodzakelijk is voor de persoon om te kunnen werken. Toelichting In artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet wordt uitsluitend gesproken van meeneembare voorzieningen. In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht
Geen bestaand artikel
worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift. Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).] Artikel 3.4.18 Ondersteuning bij een visuele handicap 1.
Artikel 4.1. uitgangspunten bij het bieden van hulp 1
2
3 4
5
Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jongere en de ouders. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouders en hun sociale netwerk. De gemeente betrekt de wensen van de jongere en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door een organisatie die werkt binnen
De gemeente kan hulp of ondersteuning bieden voor bepaalde taken die de persoon door een visuele beperking (niet goed kunnen zien) niet kan doen.
Toelichting Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische beperking. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3.4 en 3.4.12. Artikel 4.1. uitgangspunten bij het bieden van hulp 1
2
3
4
Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jongere en de ouders. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouders en hun sociale netwerk. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door een organisatie die werkt binnen de sociale basisinfrastructuur. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die
de sociale basisinfrastructuur. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt hulpopmaat ingezet.
5 6
6
Artikel 4.3. hulp-op-maat 1 Indien de hulpvraag niet met vrij toegankelijke hulp en begeleiding vanuit het Sociaal team kan worden opgelost, kan de gemeente de volgende hulp–op–maat aanbieden: a. Ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van advies en cursussen b. een plek in een pleeggezin, gezinshuis, of verblijf in een instelling. Pleegzorg of gezinshuis heeft hierbij de voorkeur; c. specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; d. vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdhulp wordt geboden; e. respijtzorg
hulp, dan wordt hulpopmaat ingezet. Als een collectieve, groepsgewijze voorziening beschikbaar is, deze voor gaat op een individuele hulp-op-maat Ook kunnen jeugdigen of ouders alleen in aanmerking komen voor hulp-op-maat als zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: De hulpvraag van de jongere of ouder wordt integraal in samenhang met vraagstukken op andere domeinen onderzocht. Jongeren of ouders kunnen alleen in aanmerking komen voor hulp-op-maat als zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door: a. Gebruik te maken van een andere voorziening. Een andere voorziening is voorliggend aan een voorziening die op grond van de Jeugdwet beschikbaar wordt gesteld, hierbij bestaat het aanbod o.a. uit: i. Ondersteuning vanuit de Zorgverzekeringswet ii. Ondersteuningsstructuur op school vanuit de Wet passend onderwijs iii. Ondersteuning vanuit de Leerplichtwet iv. Ondersteuningsstructuur vanuit de Wet kinderopvang en/of de Wet primair onderwijs v. Ondersteuning op grond van de Wmo 2015 en/of Participatiewet. b. Gebruik te maken van hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder ook wordt verstaan het aanspreken van een afgesloten aanvullende zorgverzekering.
Artikel 4.3. hulp-op-maat 1 Indien de hulpvraag niet met vrij toegankelijke hulp en begeleiding vanuit het Sociaal team kan worden opgelost, kan de gemeente de volgende hulp–op–maat aanbieden: a. een plek in een pleeggezin, gezinshuis, of verblijf in een instelling. Pleegzorg of gezinshuis heeft hierbij de voorkeur; b. ambulante specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; c. crisiszorg d. ernstige dyslexiezorg (ED) e. vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdhulp wordt geboden; f. dagbesteding g. respijtzorg
Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, of een besluit van de gemeente.
Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, of een besluit van de gemeente.
Artikel 4.4. overgang van 18- naar 18+
Artikel 4.4. overgang van 18- naar 18+
1
1
2
3
4
De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jongeren uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente zorgt voor een plan voor de jongere op alle belangrijke leefgebieden voordat de jongere 18 jaar wordt. Dit perspectiefplan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: a. scholing, werk of participatie b. wonen c. inkomen d. zorg en ondersteuning e. vrije tijd f. het netwerk van de jongeren Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan. Als sprake is van pleegzorg, dan wordt in alle gevallen onderzocht of verlenging hiervan wenselijk is. Pleegzorg loopt standaard totdat de jongere 21 jaar wordt. Van 21 tot 23 jaar kan sprake zijn van verlengde jeugdzorg.
2 a. b. c. d. e. f. 3
4
5
6
Geen artikel
De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jongeren uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente zorgt voor een plan voor de jongere op alle belangrijke leefgebieden voordat de jongere 18 jaar wordt. Als de jongere na hun 18e levensjaar een ondersteuningsvraag hebben, vindt tijdige afstemming plaats welke andere voorzieningen nodig zijn na het 18e levensjaar Dit perspectiefplan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: scholing, werk of participatie wonen inkomen zorg en ondersteuning vrije tijd het netwerk van de jongeren Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan. Als sprake is van pleegzorg, dan wordt in alle gevallen onderzocht of verlenging hiervan wenselijk is. Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis loopt standaard totdat de jongere 21 jaar wordt. Van 21 tot 23 jaar kan sprake zijn van verlengde jeugdzorg. Indien de zorg vanaf de 18e verjaardag onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet valt en de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige wordt voorgezet, voldoet het besluit over de voortzetting van de zorg aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars.
In de gevallen bedoeld in het vorige lid wijst het college de jeugdige en zijn ouders erop dat de zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt en legt het uit welke gevolgen dat heeft. Indien continuïteit van de zorg nodig is, spant het college zich daarvoor in.
Artikel 4.6. Afstemming langdurige zorg 1. De jeugdige of zijn ouders worden ondersteund richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg
op grond van de Wet Langdurige zorg 2. Indien de jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet verplicht een individuelen voorziening toe te kennen op grond van deze verordening. Toelichting Lid 1 overgang naar de WLZ Wanneer jeugdigen levenslang en levensbreed zorg nodig hebben, vallen zij onder de Wet langdurige zorg (WLZ). De gemeente ondersteunt de jeugdige en zijn ouders, zo nodig, bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat. Lid 2 Dit is gebaseerd op de Jeugdwet, artikel 1.2 eerste lid onderdeel C: ‘Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen: indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe’. Hierbij zal natuurlijk altijd het belang van het kind voorop staan. De jeugdige mag nooit het slachtoffer mogen worden van onwillige ouders. Artikel 6.3.1 voorwaarden
Artikel 6.3.1 voorwaarden
1
1
2
3
4
In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmohulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan. De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner kan motiveren waarom een pgb de voorkeur heeft boven hulp-op-maat. Uitzondering hierop zijn voorzieningen die niet in hulp in natura kunnen worden aangeboden. Een pgb voor beschermd wonen is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3
2
3
4
In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmohulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan. De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner kan motiveren waarom een pgb de voorkeur heeft boven hulp-op-maat. De inwoner moet motiveren waarom hulp-opmaat door de gemeente voorgestelde aanbieder niet passend wordt geacht. Een pgb voor beschermd wonen is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3
5 6
7
en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan: De bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden. De bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappelijke ruimte hebben voor gezamenlijke activiteiten. Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm. Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s). De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. b. Het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer. c. Uit het door de inwoner ingediende pgbplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. d. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgbbeheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener.
5 6
7
en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan: De bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden. De bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappelijke ruimte hebben voor gezamenlijke activiteiten. Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm. Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag bij het pgb. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s). e. een eenmalige uitkering f. kosten voor scholing of lidmaatschappen De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. b. Voor activiteiten die normaal door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: a. (sociale) activiteiten ondernemen met de inwoner; b. het doen van boodschappen c. lichte huishoudelijke taken d.
eenvoudige hulp bij administratie e. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met artsen f. vervoer naar afspraken met artsen c. Het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer. d. Uit het door de inwoner ingediende pgbplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. e. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgbbeheerder is dezelfde persoon als de beoogde
hulpverlener. f. Er sprake is van formele pleegzorg. g. Er sprake is van crisishulp/crisisopvang/ spoedeisende zorg h. Het een minderjarige betreft die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen of een jeugdige die is opgenomen in een gesloten accommodatie i. Er sprake is van bezwaren van overwegende aard. Ter beoordeling daarvan kan het college nadere gegevens inwinnen of van de aanvrager verlangen, waaronder een verklaring omtrent het gedrag (VOG) of diploma’s van de te kiezen zorgverlener j. De gemeente heeft eerder toepassing gegeven aan artikel 8.1.4. eerste lid, onderdeel a, d en e van de Jeugdwet k. Een pgb wordt gebruikt om inkomen aan te vullen of om inkomstenderving op te vangen l. Het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland. Toelichting Onder zevende lid onder K inkomstenderving Uit jurisprudentie volgt dat in beginsel van ouders mag worden verwacht meer dan gebruikelijke hulp te verrichten voor hun kind, dus ook hulp die niet gebruikelijk is. Dat geldt ook als een van ouders zijn of haar baan heeft opgezegd in verband met ondersteuning van het kind. Wel moet mogelijk worden uitgezocht of er sprake is van financiële zelfredzaamheid van de ouders. Onder zevende lid onder L besteding in het buitenland Uit jurisprudentie volgt dat een pgb kan worden gebruikt om in een ander EU-lidstaat hulp in te kopen.
Omdat onvoldoende controle op kwaliteit kan worden uitgeoefend gaat de gemeente hier erg terughoudend mee om. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als het om hulp gaat die al in Nederland wordt ingezet en waarbij het gaat om een voortzetting in het buitenland van maximaal 6 weken. Toelichting op formele pleegzorg (artikel 6.3.1.7.F) Pleegzorg is zorg voor kinderen tot 21 jaar die door omstandigheden korte of langere tijd niet thuis kunnen wonen. Deze kinderen worden opgenomen in een pleeggezin. Er is onderscheid tussen informele zorg voor elkaar en formele pleegzorg. Bij formele pleegzorg is er een verleningsbeschikking voor pleegzorg afgegeven en krijgen pleegouders begeleiding
(of inzet jeugdhulp) en een pleegzorgvergoeding van de pleegzorgaanbieder. Dit staat beschreven in de wet. Om deze reden is er bij formele pleegzorg geen recht op een individuele voorziening. Artikel 6.3.2. pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk
Artikel 6.3.2. pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk
1
1
2
De persoon die hulp geeft mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden: a. Deze persoon hanteert een tarief dat binnen het minimum en maximumbedrag valt. Het minimumbedrag is het wettelijk minimum uurloon voor een persoon van 22 jaar of ouder inclusief vakantiebijslag en bij een 36 urige werkweek. Het maximumbedrag is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor hulp die nodig is (hulp-in-natura-tarief). Het percentage van het bedrag dat kan worden uitgekeerd aan een persoon uit het sociale netwerk is afhankelijk van de vorm van hulp-op-maat.. b. Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken. Hulp door bloed-of aanverwanten in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien.
2
De persoon die hulp geeft mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden: a. Deze persoon hanteert een tarief dat binnen het minimum en maximumbedrag valt. Het minimumbedrag is de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren en bij een volledige werkweek. Het maximumbedrag is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor hulp die nodig is (hulp-innatura-tarief). Het percentage van het bedrag dat kan worden uitgekeerd aan een persoon uit het sociale netwerk is afhankelijk van de vorm van hulp-op-maat.. b. Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken. c. De persoon doet melding bij de gemeente van iedere calamiteit of geweldsincident die bij verlening van de jeugdhulp plaatsvindt. d. De persoon stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te voeren. e. De zorgverlener beschikt over een VOG (behalve als de zorgverlener een ouder is) Hulp door bloed-of aanverwanten in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien.
Artikel 6.3.3 hoogte en tarief pgb
Artikel 6.3.3 hoogte en tarief pgb
1
1
De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan
De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan
2 3
4
5
6
7
pgb. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna het pgb vast stellen. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd. Het college stelt maximale tarieven voor pgb vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en maakt deze Tarievenlijst bekend. De gemeente baseert de hoogte van het pgb op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. De kostprijs mag niet hoger zijn dat wat gebruikelijk is voor de dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximum bedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura –tarief). Wanneer de offerte hoger is dat dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhoud- en verzekeringskosten. Bij de verschillende vormen van hulp op maat horen verschillende tarieven.
Als de kosten in het budgetplan pgb lager zijn dan het tarief zoals vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo, dan geldt het tarief uit het budgetplan pgb. De gemeente heeft verschillende pgb tarieven voor de volgende vormen van hulp op maat: a. dagbesteding en een schone en leefbare woning: de persoon die in dienst is van een aanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst. de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief; de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief b. persoonlijke begeleiding, ambulante behandeling jeugd en respijtverblijf (ontlasting mantelzorger/timeoutvoorziening): de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder ontvangt het maximale tarief zoals
2 3
4
5
6
7
pgb. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna het pgb vast stellen. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd. Het college stelt maximale tarieven voor pgb vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en maakt deze Tarievenlijst bekend. De gemeente baseert de hoogte van het pgb op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. Voor het verkrijgen van een pgb kan het vergaren van één of meerdere offertes door de aanvrager verplicht worden gesteld. De kostprijs mag niet hoger zijn dat wat gebruikelijk is voor de dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximum bedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura –tarief). Wanneer de offerte hoger is dat dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhoud- en verzekeringskosten.
Bij de verschillende vormen van hulp op maat horen verschillende tarieven. Als de kosten in het budgetplan pgb lager zijn dan het tarief zoals vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo, dan geldt het tarief uit het budgetplan pgb. De gemeente heeft verschillende pgb tarieven voor de volgende vormen van hulp op maat: a. dagbesteding en een schone en leefbare woning: de persoon die in dienst is van een aanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst. de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief; de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief, met als ondergrens (bij het bestaan van een dienstbetrekking) de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de
opgenomen in de Tarievenlijst. Hierbij is het functieniveau van de persoon in dienst van de zorgaanbieder bepalend voor de hoogte van het tarief. de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief; de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief. c. beschermd wonen: de hoogte van het pgb voor beschermd wonen vloeit voort uit het voor de inwoner van toepassing zijnde zorgarrangement. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en het pgb-plan. het pgb uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN en door het college vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. Indien sprake is van overgangsrecht geldt een tarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief. als de inwoner in een accommodatie verblijft of zal verblijven die voldoet aan de eisen zoals genoemd in artikel 5.2.3 van deze verordening, dan kan de gemeente een wooninitiatieventoeslag verstrekken. De hoogte van de wooninitiatieventoeslag is opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. d.
contact met anderen en meedoen aan sportactiviteiten: voor de taxi en rolstoeltaxi geldt een pgb tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo met een maximum van 2000 kilometer per jaar voor een vervoersvoorziening geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes, maar daarbij wel moet
desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren b. persoonlijke begeleiding, ambulante behandeling jeugd en respijtverblijf (ontlasting mantelzorger/timeoutvoorziening): de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst. Hierbij is het functieniveau van de persoon in dienst van de zorgaanbieder bepalend voor de hoogte van het tarief. de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief; de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief, met als ondergrens (bij het bestaan van een dienstbetrekking) de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren c. beschermd wonen: de hoogte van het pgb voor beschermd wonen vloeit voort uit het voor de inwoner van toepassing zijnde zorgarrangement. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en het pgb-plan. het pgb uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN en door het college vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.
Indien sprake is van overgangsrecht geldt een tarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief. als de inwoner in een accommodatie verblijft of zal verblijven die voldoet aan de eisen zoals genoemd in artikel
worden voldaan aan een programma van eisen voor een sportrolstoel geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes en dat moet worden voldaan aan een programma van eisen, zoals in de toelichting bij deze verordening opgenomen. e. geschikte woning: de hulp op maat wordt berekend op basis van en de laagste kostprijs in de hand van twee offertes, maar daarbij moet wel worden voldaan aan een programma van eisen. als de gemeente de hulp op maat regelt door een gecontracteerde aanbieder te vragen, dan is de hoogte van het pgb het bedrag dat de aanbieder rekent.
5.2.3 van deze verordening, dan kan de gemeente een wooninitiatieventoeslag verstrekken. De hoogte van de wooninitiatieventoeslag is opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. d. contact met anderen en meedoen aan sportactiviteiten: voor de taxi en rolstoeltaxi geldt een pgb tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo met een maximum van 2000 kilometer per jaar voor een vervoersvoorziening geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes, maar daarbij wel moet worden voldaan aan een programma van eisen voor een sportrolstoel geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes en dat moet worden voldaan aan een programma van eisen, zoals in de toelichting bij deze verordening opgenomen. e. geschikte woning: de hulp op maat wordt berekend op basis van en de laagste kostprijs in de hand van twee offertes, maar daarbij moet wel worden voldaan aan een programma van eisen. als de gemeente de hulp op maat regelt door een gecontracteerde aanbieder te vragen, dan is de hoogte van het pgb het bedrag dat de aanbieder rekent. Toelichting Toelichting op het 50% tarief voor informele hulp Een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB:2023:1580 d.d. 16-08-2023) heeft er voor gezorgd dat het minimumloon voor informele hulp is komen te vervallen.
De Raad oordeelt dat de hoogte van het pgb-uurtarief voor individuele begeleiding door iemand uit het sociaal netwerk moet worden gekoppeld aan het hoogste periodieke loon volgens de Functie Waardering Gezondheidszorg 30 (FWG 30) van de cao Verpleeg-en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), inclusief vakantietoeslag en verlofuren.
Artikel 6.4. wat is de eigen bijdrage? 5. De inwoner betaalt een eigen bijdrage in de kosten van Wmo-hulp voor de volgende andere voorzieningen: a. het schoon en leefbaar houden van de woning voor een mantelzorger van een inwoner (hulp in de huishouding). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. b. collectief taxivervoer. De eigen bijdrage is € 2,75 per zone. Wanneer een inwoner geïndiceerd is voor collectief taxivervoer kan deze tegen gereduceerd tarief gebruik maken> De eigen bijdrage is dan € 1,15 per zone.
Artikel 6.4. wat is de eigen bijdrage? 5. De inwoner betaalt een eigen bijdrage in de kosten van de Wmo-hulp voor de andere voorzieningen: A: het schoon en leefbaar houden van de woning voor een mantelzorger van een inwoner (hulp in de huishouding). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 B: collectief taxivervoer. De eigen bijdrage is € 2,75 per zone. Wanneer een inwoner geïndiceerd is voor collectief taxivervoer kan deze tegen gereduceerd tarief gebruik maken van collectief taxivervoer. De eigen bijdragen is dan € 1,20 per zone.
Artikel 7.4.1. doelgroep
Artikel 7.4.1. doelgroep
1
1
2
De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner: a. die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager of gelijk is aan 100% van de bijstandsnorm plus het bedrag dat maximaal vrijgelaten kan worden, waarbij de kostendelersnorm niet wordt toegepast. De periode van verblijf in een asielzoekerscentrum telt mee in de 36 maanden, en b. Geen zicht heeft op inkomensverbetering, zoals afronding van een opleiding of verkrijgen van werk, en wel alles heeft geprobeerd om meer inkomen te krijgen. Gehuwden of samenwonenden moeten beiden aan alle voorwaarden voldoen.
Toelichting In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie, plus in die referteperiode maximaal het bedrag dat wettelijk vrijgelaten kan worden als inkomstenvrijlating in de wet, als bedoeld in artikel 31, lid 2 onder n (Per 1 januari 2017 bedraagt dit 6 maal € 200 is € 1.200 in totaal. Dit bedrag wijzigt bij iedere normwijziging van de bijstand.), r en y. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag. Artikel 8.2.8 te weinig besef van
2
De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner: a. die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager of gelijk is aan 115% van de bijstandsnorm, waarbij de kostendelersnorm wel wordt toegepast. De periode van verblijf in een asielzoekerscentrum telt mee in de 36 maanden, en b. Geen zicht heeft op inkomensverbetering, zoals afronding van een opleiding of verkrijgen van werk, en wel alles heeft geprobeerd om meer inkomen te krijgen. Gehuwden of samenwonenden moeten beiden aan alle voorwaarden voldoen.
Toelichting In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 115% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag. Centrale raad van beroep heeft geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2023:1788) dat een gemeenteraad in de verordening mag aangeven wat zij onder een laag inkomen verstaat bij de individuele inkomenstoeslag. Dit is gelijk getrokken met ons minimabeleid Artikel 8.2.8. te weinig besef van
verantwoordelijkheid 1 De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag). 2 De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op: a. 10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000, -; b. 20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf €1.000, - tot € 2.000, -; c. 40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000, - tot € 4.000, -; d. 100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000, - . Toelichting Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat inwoner eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat inwoner eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): het te snel interen van vermogen; het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening. Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 8.2.5. van deze verordening. Op grond van dit artikel kan een verlaging worden opgelegd wegens het tonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot
verantwoordelijkheid 1 De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag). 2 De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op: a) 10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000, -; b) 20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf €1.000, - tot € 2.000, -; c) 40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000, - tot € 4.000, -; d. 100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000, - . 3 Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden en hierdoor geen recht heeft op een WW-uitkering verlaagt de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 100% gedurende één maand. 4 Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden, maar geen WW rechten heeft opgebouwd, verlaagd de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 50% gedurende een maand. Toelichting Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand.
Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat inwoner eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat inwoner eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): het te snel interen van vermogen; het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening. Het door eigen toedoen niet behouden van
uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. Bijstand in de vorm van een geldlening Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan de gemeente tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als de gemeente besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.
algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 8.2.5. van deze verordening. Op grond van dit artikel kan een verlaging worden opgelegd wegens het tonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. Lid 3 en 4 gaan specifiek in op de situatie als de bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Bij aanvraag wordt altijd gekeken naar voorliggende voorzieningen. Als blijk dat door eigen toedoen verwijtbaar geen gebruik gemaakt kan worden van een voorliggende voorziening ziet de wetgever dit ook als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Een WW uitkering is een voorliggende voorziening van het UWV.
Bijstand in de vorm van een geldlening Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan de gemeente tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als de gemeente besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.
Artikel 11.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) Geen artikel
Artikel 11.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1. genoemde wetten of de doelen van de verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
Hoofdstuk 12 begrippen
Hoofdstuk 12 begrippen
Andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulpopmaat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.
Andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulpopmaat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen. In het kader van de Jeugdwet wordt met andere voorziening een voorziening bedoeld op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Interne werkbegeleiding: Door een collega geboden dagelijks werkbegeleiding, aan een inwoner behorende tot de doelgroep uit de Participatiewet, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek. Jobcoaching: Door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk. Overige voorzieningen Voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid
met het begrip ‘overige voorzieningen’. Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9).
Praktijkroute: Het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis va een loonwaardevaststelling op de werkplek Werkgever: Degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden i zijn organisatie.
Algemene toelichting
Werknemer: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de Participatiewet met wie de werkgever een dienstvetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is. Algemene toelichting
Beleidskader Sociaal Domein 2019-2022 De aanleiding voor deze verordening, is het beleidskader Sociaal Domein 2019 – 2022, die de raad op 1 november 2018 heeft vastgesteld. Daarmee zijn we de lijn ingezet om te streven naar meer integraliteit, zowel in beleidsontwikkeling als in beleidsuitvoering. Dit om verkokering tegen te gaan en de inwoners vanuit een totaal plaatje van dienst te kunnen zijn. Bij de gemeente Bunschoten betreft het de
Beleidskader Sociaal Domein De aanleiding voor deze verordening, is het beleidskader Sociaal Domein 2019 – 2022, die de raad op 1 november 2018 heeft vastgesteld. Daarmee zijn we de lijn ingezet om te streven naar meer integraliteit, zowel in beleidsontwikkeling als in beleidsuitvoering. Dit om verkokering tegen te gaan en de inwoners vanuit een totaal plaatje van dienst te kunnen zijn. Bij de gemeente Bunschoten betreft het de
kanteling naar meer dienstverlenend werken vanuit zelfsturende teams. Maar ook vanuit de principes om inwoners zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk te laten zijn, in plaats van de verantwoordelijkheid bij de overheid te leggen. Daarnaast worden de ontwikkelingen van een verzorgingsstaat naar een participatieve samenleving - zowel lokaal als landelijk - meer en meer vorm gegeven. Dit is een verandering ten opzichte van uitvoeren vóór de decentralisaties, waarin vooral gekeken werd waar de mensen recht op hebben.
kanteling naar meer dienstverlenend werken vanuit zelfsturende teams. Maar ook vanuit de principes om inwoners zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk te laten zijn, in plaats van de verantwoordelijkheid bij de overheid te leggen. Daarnaast worden de ontwikkelingen van een verzorgingsstaat naar een participatieve samenleving - zowel lokaal als landelijk - meer en meer vorm gegeven. Dit is een verandering ten opzichte van uitvoeren vóór de decentralisaties, waarin vooral gekeken werd waar de mensen recht op hebben. Het daaropvolgende Integraal beleidskader sociaal domein 2024-2027 is vastgesteld door de gemeenteraad in december 2023. Integraliteit is in dit beleidskader ook weer een belangrijk thema.