CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Overzicht wijzigingen verordeningen sociaal domein

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1181936 Verordening Sociaal Domein 202417.554 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Overzicht wijzigingen verordeningen sociaal domein Oude tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2.4.2. Verval van recht

Artikel 2.4.2. Verval van recht

Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen zes maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.

Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen drie maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.

Hoofdstuk 3 algemene toelichting

Hoofdstuk 3 algemene toelichting

De gemeente heeft in de Participatiewet de opdracht gekregen om bij verordening regels te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.

De gemeente heeft in de Participatiewet de opdracht gekregen om bij verordening regels te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt. Artikel 3.1. doelgroep De gemeente helpt de volgende inwoners op weg naar werk: 1 inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden. 2 Inwoners met een indicatie voor beschut werk en/of opgenomen in het Doelgroepenregister.

3 inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven. 4 jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo of vwo-diploma of mbodiploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of

Artikel 3.1. doelgroep De gemeente helpt de volgende inwoners op weg naar werk: 1 inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden. 2 inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven. 3 jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo of vwo-diploma of mbodiploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg.

Toelichting artikel 3.1. Doelgroep In artikel 10 van de Participatiewet is bepaald dat personen uit de doelgroep aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de verordening. De personen uit de doelgroep staan beschreven in artikel 7, lid 1 van de Participatiewet: 1. personen die algemene bijstand ontvangen, 2. personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend, 3. personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Participatiewet, 4. personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet 5. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) 6. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en 7.

niet-uitkeringsgerechtigden Voor inwoners met een uitkering is het verplicht om ondersteuning van de gemeente te accepteren. De ondersteuning wordt vastgelegd in een plan van aanpak. Zorgtaken Bij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar wordt rekening gehouden met de zorgtaken die ze hebben. Alleenstaande ouders kunnen op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde re-integratie-activiteiten. Mantelzorg is geen reden voor ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Wel houdt de gemeente rekening met de omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten voor kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte, adequate oplossingen zijn.

zorg. Toelichting artikel 3.1. doelgroep In artikel 10 van de Participatiewet is bepaald dat personen uit de doelgroep aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de verordening. De personen uit de doelgroep staan beschreven in artikel 7, lid 1 onder a van de Participatiewet: 1. personen die algemene bijstand ontvangen, 2. personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend, 3. personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Participatiewet, 4. personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet 5. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) 6. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en 7.

niet-uitkeringsgerechtigden Voor inwoners met een uitkering is het verplicht om ondersteuning van de gemeente te accepteren. De ondersteuning wordt vastgelegd in een plan van aanpak.

Artikel 3.4. voorzieningen - werk

Artikel 3.4. Evenwichtige verdeling en evaluatie

1

1

De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de positie op de arbeidsmarkt. Voor inwoners met een grote kans op betaald werk wordt andere hulp ingezet dan voor inwoners met een kleine kans op betaald werk. 2 De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. a. Voorzieningen die kunnen worden ingezet bij alle inwoners uit de doelgroep:  solliciteren  scholing  nazorg  vergoeding kosten b. Voorziening die kan worden ingezet bij inwoners uit de doelgroep met een grote kans op betaald werk is proefplaatsing. c. Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een kleine kans op betaald werk zijn:  sociale activering / vrijwilligerswerk  participatieplaats  persoonlijke ondersteuning  werkgeverssubsidie  loonkostensubsidie  beschut werk 3 De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget. Toelichting De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden.

Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement, het leren van vaardigheden, het vergaren van kennis, of het opdoen van werkervaring. De ondersteuning kan ook eenvoudigweg bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties.

2

3

4

5.

De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de positie op de arbeidsmarkt. Voor inwoners met een grote kans op betaald werk wordt andere hulp ingezet dan voor inwoners met een kleine kans op betaald werk. De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. Alle voorzieningen die genoemd worden in de verordening kunnen ingezet worden voor de doelgroep. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen, de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk en de beschikbaarheid van voldoende budget. De gemeente kan een voorziening weigeren als: a. De persoon niet tot de doelgroep hoort b. De persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek c. De persoon een beroep kan doen op een voorliggende voorziening d. De voorziening onvoldoende bijdraagt aan het vinden van een baan. e. Er niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden van de voorziening. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a.

de persoon die aan de voorziening deelneemt, niet behoort tot de doelgroep b. de persoon aan het werk gaat waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, c. de voorziening niet helpt bij het snel vinden van werk d. de voorziening niet geschikt is voor een persoon e. de persoon onvoldoende gebruik maakt van de voorziening f. de persoon voldoet niet meer aan de voorwaarden die gesteld worden voor de voorziening.

6

7

8.

De gemeente biedt de beste voorziening aan tegen de laagste kosten. De gemeente houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen in kader van het sociaal domein en stemt dit aanbod af, zodat dit bijdraagt aan optimale integrale dienstverlening. De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de re-integratie in de praktijk. Het verslag wordt ter informatie verstuurd naar het cliëntenpanel en/of Adviesraadraad Sociaal domein. In het verslag staat informatie over het bijstandsvolume, uitstroomcijfers en cijfers m.b.t. de banenafspraak en beschut werk.

Toelichting De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement, het leren van vaardigheden, het vergaren van kennis, of het opdoen van werkervaring. De ondersteuning kan ook eenvoudigweg bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties. Zorgtaken Bij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar wordt rekening gehouden met de zorgtaken die ze hebben. Alleenstaande ouders kunnen op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde re-integratie-activiteiten. Mantelzorg is geen reden voor ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Wel houdt de gemeente rekening met de omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten voor kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte, adequate oplossingen zijn.

Weigeringsgronden Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen

dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Beëindigingsgronden Het vijfde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3.4 vijfde lid. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt.

Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 14-092006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.

Afstemming Het zesde lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, het beste instrument tegen de laagste kosten verstrekt. Zijn er meerdere passende opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt. Het zesde lid geeft ons regionale uitgangspunt bij het inzetten van voorzieningen weer; het beste instrument tegen de laagste kosten. Het zesde lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de Participatiewet dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen.

Verslag doeltreffendheid Het college informeert de gemeenteraad over de effecten van de verordening in de praktijk (achtste lid). Hiertoe verzamelt het college systematisch de in het achtste lid genoemde gegevens. Met het opnemen van een jaarlijks verslag en toezending aan de cliëntenraad en/of Adviesraad Sociaal domein wordt aangesloten bij de huidige werkwijze. Artikel 3.4.2. scholing

Artikel 3.4.2. scholing

1

1

2

De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken of werk te behouden. De scholing duurt maximaal één jaar. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.

2 3

De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken. Het scholingstraject moet de baankans aanzienlijk vergroten. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.

Toelichting Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7,

derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet).

Artikel 3.4.4. tegemoetkoming kinderopvang

Artikel 3.4.4. tegemoetkoming kinderopvang

1

1

2

Inwoners komen in aanmerking voor een tegemoetkoming kinderopvang: a. als de inwoner als afgesproken in het verslag meedoet aan een activiteit die nodig is om dichterbij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, of b. een inwoner die op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft, en c. opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. Kosten van kinderopvang die voor rekening van de inwoner blijven en niet via de Belastingdienst Toeslagen (Kinderopvangtoeslag) worden vergoed, worden door de gemeente vergoed. Een inkomensafhankelijke eigen bijdrage is mogelijk als kinderopvang nodig is op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang.

Artikel 3.4.5 andere voorzieningen en vergoedingen

2

Inwoners komen in aanmerking voor een tegemoetkoming kinderopvang: a. als de inwoner als afgesproken in het verslag meedoet aan een activiteit die nodig is om dichterbij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, of b. een inwoner die op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft, en c. opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner of er geen sprake is van een andere voorliggende voorziening. Kosten van kinderopvang die voor rekening van de inwoner blijven en niet via de Belastingdienst Toeslagen (Kinderopvangtoeslag) worden vergoed, worden door de gemeente vergoed. Een inkomensafhankelijke eigen bijdrage is mogelijk als kinderopvang nodig is op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang.

Artikel 3.4.5 verwijderd

1 De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. 2 De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Artikel 3.4.6. proefplaatsing

Artikel 3.4.5. proefplaatsing

1

1

2

3

4

De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk. Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal zes maanden, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de werkzoekende goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Als de

2

3

4

De gemeente kan met enige terughoudendheid een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. Het doel van de proefplaatsing is het krijgen van een betaalde baan waar de persoon langere tijd kan werken (duurzame uitstroom). Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal zes maanden, zonder proeftijd, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. De gemeente biedt de proefplaatsing alleen

5

proefplaatsing niet wordt omgezet in een dienstverband, moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de werknemer te begeleiden. De proefplaatsing duurt maximaal twee maanden en kan eenmalig met één maand worden verlengd, als dat voor de werkgever noodzakelijk is om een goed beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner.

aan als: a. de verwachting is dat de proefplaatsing leidt tot werk voor een langere periode. b. de werkgever de inwoner goed begeleidt c. de werkgever de intentie uitspreekt om de inwoner na een geslaagde proefplaatsing een arbeidsovereenkomst aan te bieden d. de werkzaamheden passend zijn, gelet op de vaardigheden en capaciteiten van de inwoner e. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. f. De werkzaamheden van de inwoner niet eerder beloond zijn door de werkgever 5. De proefplaatsing duurt maximaal twee maanden en kan met maximaal vier maanden worden verlengd, als dat voor de werkgever noodzakelijk is om een goed beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner. 6

7

8

Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor het toepassen van de maximale periode niet meegeteld. Een proefplaatsing kan niet ingezet worden als er na de proefplaatsing direct sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie. De proefplaatsing kan niet worden ingezet als de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk.

Toelichting Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 11a geeft hier invulling aan. De proefplaatsing wordt met enige terughoudendheid toegekend, vanwege mogelijke verdringing op de arbeidsmarkt. Een

participatieplaats en een proefplaatsing mogen elkaar niet uitsluiten, waardoor switchen tussen deze re-integratieinstrumenten mogelijk is als de situatie hier om vraagt. Artikel 3.4.7. Sociale activering

Artikel 3.4.6. Sociale activering

1

1

2

De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichterbij werk brengen. Dit heet sociale activering. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.

2 3

Toelichting Volgens de Participatiewet in artikel 6, lid 1 onder c wordt onder sociale activering verstaan: “het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vrijwilligerswerk. Sociale activering moet uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.

4

5

De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichterbij werk brengen. Dit heet sociale activering. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. De gemeente stelt de duur en de werkzaamheden af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner. Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. Werkzaamheden als lid van een stembureau ziet de gemeente ook als een vorm van sociale activering. De vrijwilligersvergoeding die een persoon hiervoor ontvangt stelt de gemeente gelijk aan de reguliere vrijwilligersvergoeding. Dit betekent dat deze niet in mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering voor zover de maximale vrijlating voor vrijwilligersvergoedingen in een jaar nog niet is bereikt.

Toelichting Volgens de Participatiewet in artikel 6, lid 1 onder c wordt onder sociale activering verstaan: “het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vrijwilligerswerk. Sociale activering moet uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Expliciet noemen wij hier ook werkzaamheden als lid van een stembureau. De aard van deze werkzaamheden zijn anders dan regulier vrijwilligerswerk omdat deze werkzaamheden niet met een bepaalde regelmatig gedurende een jaar plaatsvinden. De gemeente Bunschoten ziet dit wel als een vorm van

participeren aan de samenleving waarvoor wij aan inwoners onze waardering willen laten blijken. De rechter heeft in een uitspraak in 2015 echter bepaald dat de vrijwilligersvergoeding voor deze werkzaamheden belast moeten worden (ECLI:NL:GHAMS:2015:1479). Hier kunnen wij als gemeente niets aan veranderen. Wij zijn echter van mening dat dit niet meer in lijn is met de huidige wet- en regelgeving waarbij het minimumuurloon al vele malen hoger is geworden sinds 2015. Deze vrijwilligersvergoeding is daarmee niet in lijn gestegen en dus stellen wij dat het hier niet gaat om een “marktconforme beloning”. Door deze vrij te laten voor de bijstandsuitkering gelijk de reguliere vrijwilligersvergoeding zoals omschreven in de Pwet art. 31 lid 2 onder k, wijken wij dus af van de huidige wetgeving maar zijn wij van mening wel in de geest te handelen van de Participatiewet Doelgroep sociale activering Voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening.

Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400). College stemt duur activiteiten af op de persoon Het derde lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn. Geen verdringing In het vierde lid is bepaald dat de sociale activering uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan

Artikel 3.4.8 participatieplaats 1. De gemeente kan een inwoner die algemene bijstand ontvangt en weinig kans heeft op werk een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: eigen initiatief van de werknemer handicap ouderdomspensioen vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of gewettigd ontslag om dringende redenen. Artikel 3.4.7 participatieplaats 1

2.

3.

4.

De gemeente kan een inwoner die algemene bijstand ontvangt en weinig kans heeft op werk een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties De gemeente verstrekt € 50 premie per zes maanden aan personen die gebruik maken van een participatieplaats.

Toelichting Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende

terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet). Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet).

Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007/08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens € 50,- per zes maanden. Daarmee houden we rekening met de risico’s van een armoedeval. Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een

persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling van de persoon in het arbeidsproces. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.

Artikel 3.4.9. Persoonlijke ondersteuning 1

2

3 4

De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. Persoonlijke ondersteuning wordt aangeboden door inzet van een jobcoach, door training van een begeleider bij de werkgever of in de vorm van een vergoeding aan de werkgever voor een eigen gekwalificeerde jobcoach; Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet en legt dit vast in een overeenkomst met de werkgever.

Artikel 3.4.12. Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1

2

3

4 5 6

De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een inwoner met een arbeidsbeperking. De gemeente stelt de volgende voorwaarden voor persoonlijke ondersteuning en overige voorzieningen: a. De persoon behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en is minimaal achttien jaar oud, tenzij de inwoner VSO/PRO onderwijs heeft gevolgd; b. De inwoner kan zonder deze ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen c. de werkgever biedt een dienstverband aan van minimaal zes maanden d. Het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is e. Het betreft geen meeneembare voorziening die standaard bij de werkgever gebruikt wordt of algemeen aanwezig is in de organisatie f. Er is geen sprake van een werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd g. De kosten van de voorziening(en) zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering moet opwegen tegen de opbrengsten. Een aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan worden ingediend bij de gemeente door de inwoner en zijn werkgever. Er kan hiervoor een aanvraagformulier worden vastgesteld. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag. De gemeente kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als dit de beoordeling van een aanvraag mogelijk maakt. De gemeente bepaalt, in overleg met de inwoner en indien van toepassing met de

7

8

werkgever, welke ondersteuning of voorziening het beste kan bijdragen aan het goed uitvoeren van het werk van de inwoner. De gemeente onderzoekt, wanneer de persoonlijke situatie van de inwoner daarom vraagt, welke mogelijkheden er zijn tot samenwerking met verschillende partijen, onder meer op het gebied van jeugdhulp, onderwijs, (publieke) gezondheid en schuldhulpverlening. Dit om de inwoner een zo goed mogelijke afgestemde integrale dienstverlening aan te kunnen bieden, met als doel de mogelijkheden tot het verrichten van werk te vergroten. In een beschikking voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is in ieder geval opgenomen: a. Welke ondersteuning wordt gegeven b. De hoogte van de vergoeding als een vergoeding wordt gegeven. c. Duur en intensiteit d. De startdatum e. Als iets anders wordt toegekend dan aangevraagd, wordt dit gemotiveerd met een reden.

Toelichting Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet

verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g). Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning.

In het zevende lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening. Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet daaraan stellen. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet te voldoen. Werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie of werkgeverssubsidie komen volgens artikel 10da van de Participatiewet in aanmerking voor persoonlijke ondersteuning. De ondersteuning moet noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie

dat hij uiteindelijk zonder begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. (Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz. 115). De persoonlijke ondersteuning kan worden aangeboden in de vorm van een jobcoach. In overleg met de werkgever wordt gezocht naar de juiste inhoud en vorm voor een werknemer. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de regelgeving van het UWV. Geen bestaand artikel. Een deel van artikel 3.4.9. is toegevoegd.

Artikel 3.4.13. Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider 1. De gemeente kan een inwoner op de werkplek een jobcoach aanbieden door middel van een jobcoach die werkzaam is bij de gemeente of in opdracht werkt van de gemeente. Een jobcoach kan ook worden ingezet bij een proefplaats of een leer-werktraject. Een jobcoach kan ook ingezet worden bij het ondersteunen van vinden van werk of onderwijs. Wel moet de gemeente hier vooraf toestemming voor geven. 2. De gemeente kan, op aanvraag, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider. Als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen uitvoeren, kan de gemeente een vergoeding geven aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan de interne werkbegeleiding. De gemeente kan een training aanbieden aan medewerkers om hen in staat te stellen aan personen tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. 3. De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 8 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.

Altijd worden individuele omstandigheden gewogen, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit worden gewogen. 4. Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt moet werknemer op de hoogte zijn van de aanvraag en instemmen met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding. 5. Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar

mogelijk zichzelf te ontwikkelen. 6. De jobcoach of interne werkbegeleiding stemt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever af en legt dit vast in een plan van aanpak. 7. De gemeente bepaalt de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden, de intensiteit in duur en aantal uren en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever. Afstemming is aanwezig met werkgever en werknemer. 8. Om te bepalen hoeveel uur jobcoaching in te zetten wordt gebruik gemaakt van de begeleidingsregimes licht (3%), midden (6%) en zwaar (10%. Er wordt minimaal één keer per jaar geëvalueerd. Naar aanleiding hiervan kan de intensiteit van de jobcoaching aangepast worden. 9. De gemeente kan van de begeleidingsregimes afwijken en maatwerk leveren, wanneer dit aansluit bij de persoonlijke behoeften en omstandigheden van de inwoner. 10. Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de bijlage (Erkenningseisen Jobcoach 2023) 11. Het college maakt jaarlijks de maximumtarieven voor jobcoaching bekend. Het tarief van de interne jobcoach is altijd 50% van het maximale tarief van de externe jobcoach. 12. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de eisen van het coachingsplan, welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren en hoe de evaluatie plaatsvindt.

Toelichting Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beiden benoemd. Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). Subsidie kan niet verstrekt worden voor de kosten van opleiding tot jobcoach. De werkgever kan ook een collega van de

werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). Met het eerste lid wordt duidelijk gemaakt dat het college niet alleen subsidie kan verlenen voor jobcoaching die is bedoeld om de persoon in staat te stellen om de aan hem opgedragen taken in het kader van de arbeidsovereenkomst uit te voeren, maar dat de gesubsidieerde jobcoach ook een breder takenpakket kan uitvoeren. De jobcoach kan enkel ondersteuning geven gericht op het vinden van werk of bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs als de gemeente nadrukkelijk daar vooraf toestemming voor heeft gegeven. Deze ondersteuning kan ook alleen geboden worden als de werknemer op dat moment al betaald werk uitvoert en jobcoaching voor het behouden van werk al ontvangt. Het college kan een training voor de collega van de persoon toekennen (interne werkbegeleider), zodat deze de begeleiding op een verantwoorde wijze kan bieden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Harrie-training” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20). Het derde lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening.

Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Er is voor het indienen van een aanvraag gekozen voor een redelijke termijn van 8 weken na indiensttreding. Het achtste lid is een uitwerking van de uit artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordeningsplicht. Hierin zijn de huidige richtlijnen vanuit de uitvoering opgenomen. Dit wordt minimaal 1 keer per jaar geëvalueerd. Het regime kan in de tijd mogelijk worden verlicht. Inzet hiervan is altijd maatwerk waarin de evaluatie momenten van belang zijn. Het negende lid bevat een mogelijkheid om in

bijzondere situaties af te wijken van de begeleidingsregimes. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. Het tiende lid is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach.

Artikel 3.4.11. Loonkostensubsidie 1

2

3

De gemeente kent de werkgever een loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de methode toe die in bijlage 1 is omschreven. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd.

Toelichting De gemeente kan aan de werkgever loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet, verstrekken om in geval van een lagere arbeidsproductiviteit van de

Het 11e lid geeft aan op welke wijze de hoogte van de subsidie voor jobcoaching door het college kenbaar wordt gemaakt. Het college moet er voor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan bijvoorbeeld door de tarieven te vermelden op de website van de gemeente. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen. Artikel 3.4.9. Loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking 1. De gemeente kent de werkgever een loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2 Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. 3 De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen.

Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de methode toe om dit te beoordelen. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd. 4 Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de

werknemer (tijdelijk) het verschil te compenseren. Loonkostensubsidie kan worden ingezet in geval van matching met een baan uit de banenafspraak, beschut werk en bij plaatsing op een reguliere baan. Loonkostensubsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de werknemer heeft. Deze loonwaarde is samen met de overeengekomen arbeidsduur rechtstreeks bepalend voor de hoogte van de loonkostensubsidie voor de werkgever. Als de loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 70 procent, dat wil zeggen dat deze persoon een productiviteit heeft van 70 procent in vergelijking met andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan heeft de werkgever recht op een loonkostensubsidie van 30 procent van het wettelijk minimumloon (de subsidie vult de vastgestelde loonwaarde aan tot 100 procent WML). De gemeente bepaalt de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld wanneer een werkgever het voornemen heeft een persoon die tot de doelgroep behoort een baan aan te bieden. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt de gemeente opgaven en inlichtingen van de inwoner, zijn (voormalige) begeleiders en de werkgever over de praktijkervaringen van de inwoner, bijvoorbeeld tijdens een stage van school, een leerwerkstage of proefplaatsing. Binnen de arbeidsmarktregio moeten gemeenten met eenzelfde methodiek voor de loonwaardebepaling werken.

De arbeidsmarktregio Amersfoort heeft gekozen voor de methodiek van Dariuz. In de bijlage van de verordening staat deze methode beschreven.

gemeente de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer de aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. 5 Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als de inwoner niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort gedaan door middel van de Praktijkroute. 6 De loonwaarde wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, tenzij in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend. 7 De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. Meer informatie staat op www.normaalstezaak.nl Toelichting De gemeente kan aan de werkgever loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet, verstrekken om in geval van een lagere arbeidsproductiviteit van de werknemer (tijdelijk) het verschil te compenseren. Loonkostensubsidie kan worden ingezet in geval van matching met een baan uit de banenafspraak, beschut werk en bij plaatsing op een reguliere baan. Loonkostensubsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de werknemer heeft.

Deze loonwaarde is samen met de overeengekomen arbeidsduur rechtstreeks bepalend voor de hoogte van de loonkostensubsidie voor de werkgever. Als de loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 70 procent, dat wil zeggen dat deze persoon een productiviteit heeft van 70 procent in vergelijking met andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan heeft de werkgever recht op een loonkostensubsidie van 30 procent van het wettelijk minimumloon (de subsidie vult de vastgestelde loonwaarde aan tot 100 procent WML). De gemeente bepaalt de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld wanneer een werkgever het voornemen heeft een persoon die tot de doelgroep behoort een baan aan te bieden. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt de gemeente opgaven en inlichtingen van de inwoner, zijn (voormalige) begeleiders en de werkgever over de praktijkervaringen van

de inwoner, bijvoorbeeld tijdens een stage van school, een leerwerkstage of proefplaatsing. Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. Het onder de doelgroep brengen gebeurt volgens de in artikel 1 gedefinieerde praktijkroute. Het zesde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Daarbij wordt aangesloten bij de periode van de forfaitaire loonkostensubsidie van maximaal 6 maanden. Er kan 6 maanden forfaitaire loonkostensubsidie ingezet worden, zodat binnen deze 6 maanden een beoordeling moet plaatsvinden.

Nog geen bestaand artikel

Het zevende lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie. Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen.) Artikel 3.4.10. Loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers 1.

2.

3.

Naast de wettelijke loonkostensubsidie kan de gemeente loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die een kwetsbare inwoner in dienst nemen. De loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers bedraagt ten hoogste 50% van de loonkosten gedurende zes maanden met mogelijkheid tot verlenging met nog eens zes maanden. Onder een kwetsbare werknemer kan worden verstaan de persoon die: a. Voorafgaand aan de indiensttreding gedurende zes maanden geen baan heeft kunnen behouden b. Geen startkwalificatie bezit c. Ouder is dan 50 jaar d. Alleenstaande ouder is

e. 4.

5.

De Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst. Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de kwetsbare werknemer. De loonkostensubsidie wordt ook niet verstrekt als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kwetsbare werknemer ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.

Toelichting Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 3.4.10 geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 3.4.9. De in artikel 3.4.10 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet). Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling. Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten.

Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). In het derde lid is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen.

Geen verdringing Het vierde lid bevat een verdringingsbepaling. Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 3.4.6 in de toelichting. Noodzakelijk De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt als de werkgever geen aanspraak kan maken op een andere regeling die hem (gedeeltelijk) compenseert voor het feit dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer nog niet direct volledig inzetbaar is en mogelijk extra begeleiding nodig heeft. Ook als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer zonder subsidie ook wel kan worden aangenomen, bijvoorbeeld vanwege de krapte op de arbeidsmarkt, wordt de subsidie niet verstrekt. Het is aan het college om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de kwetsbare werknemer.

Artikel 3.4.12 beschut werk

Artikel 3.4.11 beschut werk

1

1

2

3

4

5

De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: a. hulp bij het invullen van de dag; b. sociale activering; c. scholing; d. loonkostensubsidie; e. werkgeverssubsidie; en f. schuldhulpverlening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13884048/2