Isolatieprogramma Bunschoten.pdf
Tekst van het document
Het is noodzakelijk om te blijven monitoren of die groep voldoende aan de slag is gegaan. Daarnaast is van belang om het bereik van activiteiten te monitoren en te bepalen of de inzet opgeschaald moet worden. Na 2027 is het zaak dat er wordt gekeken naar de doelgroepen die nu nog niet worden meegenomen in dit activiteitenprogramma, zoals maatschappelijk vastgoed, bedrijven, maar ook de doelgroepen waar tot en met 2027 onderzoek naar wordt gedaan (VvE’s, monumenten en doe-het-zelvers).
24
Colofon Dit rapport is opgesteld door Arcadis | Over Morgen in opdracht van en in samenwerking met gemeente Bunschoten.
Gemeente Bunschoten • •
25
Rieneke Gerkema Silke Ruikes
Over Morgen • • • •
Lou Brandjes Hanna Kreuger Pieter Heesbeen Jessica Klop
Bijlage 1: Overzicht beleid en regelingen Beleid Energiearmoede • Het Rijk voert beleid gericht op bestrijding van energiearmoede door snel de energierekening of het energieverbruik van huishoudens te verlagen. Gemeenten hebben hierin een belangrijke rol. Gemeentes hebben al tweemaal een specifieke uitkering (SpUk) ontvangen bedoeld voor maatregelen in woningen die snel energie kunnen besparen, en zij hebben geld ontvangen om een energietoeslag uit te keren aan huishoudens op of onder 120% van het sociaal minimum. Nationaal Isolatieprogramma • Het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) voorziet in een meerjarige, lokale aanpak van gemeentes voor isolatie van koopwoningen met D, E, F en G-labels. Een eerste uitkering uit het NIP heeft de gemeente ontvangen in juli 2022 (samen met een additioneel bedrag ter bestrijding van energiearmoede). Voor structurele uitkeringen vanaf 2023 uit het NIP moeten gemeenten een ‘meerjarig plan’ opstellen. • Het NIP kent 4 actielijnen: o Actielijn 1 richt zich op de isolatie van 750.000 woningen van eigenaar-bewoners waarbij gemeenten bewoners ondersteunen. Deze actielijn strekt ertoe een specifieke uitkering aan gemeenten mogelijk te maken om slecht geïsoleerde woningen te verduurzamen. Voor deze actielijn 1 is onlangs een regeling gepubliceerd (“NIP-regeling”)21. o Actielijn 2 is gericht op de isolatie van 1 miljoen huurwoningen door verhuurders.
o Actielijn 3 is gericht op het versneld isoleren van 750.000 woningen van eigenaar-bewoners op eigen initiatief. o Actielijn 4 is gericht op het besparen van energie door laagdrempelige maatregelen. • Er zijn landelijke prestatieafspraken gemaakt met de woningcorporaties waarin ook de doelstellingen uit het NIP zijn verwerkt. Belangrijke wijziging is het vervallen van de verhuurdersheffing en het versneld isoleren van woningen in de sociale huursector. Onderdeel van de nieuwe prestatieafspraken is ook de oude afspraak om uiterlijk in 2028 de slechtste energielabels uit te faseren. De landelijke prestatieafspraken moeten doorwerken in de lokale prestatieafspraken22. • Daarnaast breidt het Rijk (bestaande) landelijke regelingen uit voor huiseigenaren, zowel particulieren, VvE’s als verhuurders, zodat zij beter in staat zijn hun woningen te verduurzamen. Het gaat dan om een combinatie van financiële steun (zowel subsidie als leningen) en regels, zogenaamde normering. • Er is een landelijk Programma Hybride Warmtepomp met als doel om voor 2030 1 miljoen hybride warmtepompen te installeren in Nederland. Het Rijk maakt afspraken met de sector om de installatiecapaciteit uit te breiden en de kosten te verlagen. Ook breidt het Rijk subsidieregelingen uit om de hybride warmtepomp te stimuleren.
Het Rijk is voornemens om vanaf 2026 normen te stellen aan nieuwe verwarmingssystemen waardoor de hybride warmtepomp het nieuwe standaard verwarmingssysteem wordt voor woningen waar zij technisch haalbaar zijn en waar gemeenten de komende 10 jaar geen plannen hebben om aardgasvrij te worden. Bij de stimulering of normering van de hybride warmtepomp voorziet het Rijk vooralsnog geen rol voor gemeenten. De plannen worden concreter gemaakt voor de jaren 2022 tot en met 2024 in het Actieplan hybride warmtepompen. • Er zijn landelijke Standaard en Streefwaarden23 voor woningisolatie. De Standaard is een toekomstvaste standaard die aangeeft wanneer een woning transitie-gereed is (gereed voor aardgasvrije verwarming).
Rijksoverheid: https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/nationaal-isolatieprogramma/lokale-aanpak-samen-met-gemeenten Aedes: https://aedes.nl/nationale-prestatieafspraken/wat-omvatten-de-nationale-prestatieafspraken-op-hoofdlijnen 23 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland: https://www.rvo.nl/onderwerpen/wetten-en-regels-gebouwen/standaard-streefwaardenwoningisolatie 21 22
26
•
•
De Streefwaarden zijn technische waarden die voor verschillende bouwdelen aangeven wanneer deze voldoende zijn voor de Standaard. Actielijn 1 van het NIP verdeelt koopwoningen ook in twee groepen: koopwoningen ‘op eigen initiatief’ en koopwoningen waarvoor de gemeente de lokale aanpak organiseert. Koopwoningen op eigen initiatief zijn woningen van eigenaren die de komende jaren zonder gemeentelijke hulp stapsgewijs (kunnen) verduurzamen. Hiervoor zijn landelijke subsidies en financieringsmogelijkheden beschikbaar zoals de ISDE-subsidie en een lening van het Warmtefonds. De nationale campagne ‘Zet ook de knop om’24 en ‘Verbeter je huis’ 25 zijn informatievoorzienend en activerend voor, onder andere, deze groep. Deze campagne en kennisbank hebben specifieke informatie over het isoleren van je woning. De lokale aanpak van gemeenten is daarentegen gericht op intensieve/aanvullende lokale ondersteuning van woningeigenaren in slecht geïsoleerde woningen waarvoor bovengenoemde landelijke subsidies, financieringsmogelijkheden en informatievoorziening niet toereikend zijn om zelfstandig te verduurzamen. Deze woningeigenaren hebben daarom hulp nodig van de gemeente. Gemeenten krijgen vanuit het NIP gelden voor een lokale isolatieaanpak.
De NIP-regeling gebruikt een formule die geld verdeelt over gemeenten op basis van het aantal particuliere woningeigenaren met lage energielabels én met relatief lage inkomens en vermogens. Op basis van deze verdeelsleutel26 gaat het in Bunschoten om 1.080 woningen. De lokale isolatieaanpak moet aansluiten op de Transitievisie Warmte en eventuele bewonersinitiatieven.
Regelingen en instrumenten Landelijke regelingen voor gebouweigenaren Een deel van de regelingen is recentelijk aangepast in het kader van het NIP of wordt binnenkort nog aangepast. Regeling
Doelgroep
Toelichting
Verstrekker en link
Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE)
Particulieren
Investeringssubsidie voor bijvoorbeeld isolatie en warmtepompen.
RVO
Subsidieregeling verduurzaming voor vereniging van eigenaars (SVVE)
VvE’s
RVO
Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH)
Particuliere verhuurders
Investeringssubsidie voor energieadvies en energiebesparende maatregelen. (vervangt SEEH en ISDE-deel voor VvE’s) Investeringssubsidie voor energiebesparende maatregelen
Nationaal Warmtefonds (leningen en hypotheken)
Particulieren en VvE’s
Het Nationaal Warmtefonds verschaft leningen en hypotheken voor energiebesparing tegen de meest gunstige voorwaarden. Per 1 oktober 2022 zijn deze regelingen uitgebreid.
Nationaal Warmtefonds
RVO
Tabel 7: Overzicht van landelijke en lokale regelingen voor woningeigenaren
24
Zet ook de knop om
25
Alles over je huis verduurzamen | Verbeterjehuis
26
Huishoudens met een inkomen tot 290% van het sociaal minimum en de woning hoort tot de 35% laagste energetische kwaliteit en huishouden
heeft een inkomen tot 150% van het sociaal minimum en de woning hoort tot de 65% laagste energetische kwaliteit: Verdeelsleutel Nationaal Isolatieprogramma, 2020 (cbs.nl)
27
De Rijksoverheid richt zich op investeringssubsidies en financieringen. Een belangrijke landelijke regeling is die van het Warmtefonds: deze is per 1 oktober 2022 uitgebreid. Vanaf dat moment kunnen eigenaren met een laag inkomen en zonder leen ruimte, zonder restschuldrisico en tegen 0%-rente een voorfinanciering krijgen in de vorm van de Energie-bespaarhypotheek. Voor overige eigenaren is er de Energiebespaarlening, ook van het Warmtefonds. Uitkering
Toelichting
Bron
Decentralisatieuitkering uitvoeringskosten Klimaatakkoord
Gemeenten krijgen in 2022 tot en met 2030 een uitkering voor de uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord via het gemeentefonds. Deze uitkering is niet alleen bedoeld voor energiebesparing, maar ook voor andere uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord27.
Beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving | Rapport | Rijksoverheid.nl
Specifieke uitkering Lokale Aanpak Isolatie.
Dit betreft een nieuwe regeling waarbij gemeenten aanspraak kunnen maken op geld uit het Nationaal Isolatieprogramma voor de isolatie van koopwoningen met DEFG-labels. Dit geld moet hoofdzakelijk ten gunste komen van isolatiemaatregelen voor eigenaarbewoners.
Specifieke uitkeringen energiearmoede
Dit is een specifieke uitkering aan gemeenten om energiearmoede tegen te gaan met energiebesparende maatregelen.
Volkshuisvestingfonds
Subsidie voor het verbeteren van de leefbaarheid in kwetsbare gebieden.
RVO
Tabel 8: Regelingen voor de gemeente, in te zetten voor een langjarige aanpak voor energiebesparing.
Instrumenten voor de gemeente Hoewel de gemeente de regie heeft over de verduurzaming van de gebouwde omgeving, gaan woningeigenaren over hun eigen woning. De Rijksoverheid werkt aan wetgeving om gemeenten meer bevoegdheden te geven voor het bepalen van de energie-infrastructuur in een wijk. Het Besluit warmtetransitie gebouwde omgeving (Bwig) geeft gemeenten de mogelijkheid om de levering van aardgas in een bepaalde wijk te stoppen na een bepaalde datum. Er moet dan wel perspectief zijn op een alternatieve energievoorziening waar gebouweigenaren op kunnen aansluiten. Aangezien isolatie een randvoorwaarde is voor de meeste duurzame, alternatieve energievoorzieningen, is deze bevoegdheid hooguit een indirecte sturingsmogelijkheid op energiebesparing. De Bwig is in juli 2022 in consultatie gegaan en wordt in 2023 of 2024 verwacht28. De Rijksoverheid werkt daarnaast aan enkele normen, onder andere voor huurwoningen en voor de duurzaamheid van verwarmingsinstallaties. Hierdoor kunnen slecht geïsoleerde woningen vanaf 2030 niet meer worden verhuurd en vervangt de hybride warmtepomp vanaf 2026 de cv-ketel als norm voor verwarmingstoestel. Het is nog onduidelijk hoe de handhaving van deze normen in de praktijk wordt gebracht. Mogelijk krijgen gemeenten hier nog een rol in combinatie met nieuw instrumentarium.
27
Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/06/01/beleidsprogramma-versnelling-verduurzaming-gebouwde-
omgeving 28
Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzaam-bouwen-en-verbouwen/nieuws/2022/07/21/besluit-voor-warmtetransitie-
in-gebouwde-omgeving-in-consultatie
28
Bijlage 2: Definities van slecht geïsoleerde bouwdelen Wanneer is een schilelement slecht
Aanpakken bij
Dak
Indicatie dikte of Rc of Uwaarde Minder dan 9 cm aanwezig / een Rc ≤ 2,0 Rc ≤ 0,5
Hellend/plat dak Zolder/vlieringvloerisolatie
Gevel
Vloer-/bodemisolatie
Glas
Tabel 9. Bron RVO
29
Geen, slechte en matige isolatie Als er geen zolder/vlieringvloerisolatie aanwezig is (als alternatief voor dakisolatie, alleen toe te passen bij een onverwarmde zolder en gesloten vlieringluik of gesloten toegangsdeur) Geen spouwmuurisolatie, voorzetwand of buitengevelisolatie aanwezig Geen of slechte vloer- en bodemisolatie aanwezig, aanpakken bij matige vloerisolatie niet perse noodzakelijk Enkel glas, oud dubbelglas en HR glas Vanaf het jaar 2000 staat het type glas vaak ook vermeld op het metaal tussen de glaslagen. HR+, HR++, triple-glas en vacuümglas is beglazing die wel voldoet.
Rc ≤ 1,1
Minder dan 5 cm aanwezig, Rc ≤ 1,3
Ug waarde ≥ 1,6
Bijlage 3: Standaard voor woningisolatie Er is een landelijke Standaard voor woningisolatie. Openbare gegevens over welke woning al op de Standaard zit ontbreken, maar kunnen benaderd worden met behulp van energielabels. De Standaard komt ongeveer overeen met energielabel A of wanneer een woning na 2005 is gebouwd. Voor vooroorlogse woningen geldt een lagere Standaard omdat deze woningen doorgaans geen spouwmuur hebben. Wanneer een vooroorlogse woning aan de Standaard voldoet is veel lastiger in kaart te brengen, ook met energielabels. Bovendien blijkt uit onderzoek 29 dat ook een vooroorlogse woning met gangbare isolatiemaatregelen naar energielabel A of B gebracht kan worden. Daarom drukken we de isolatieopgave uit in het aantal woningen met een afgemeld energielabel slechter dan A of alle woningen die voor 2005 zijn gebouwd.
Huidig
Standaard
Som van streefwaarden
Figuur 14: Schematische weergave van de relatie tussen de Standaard en Streefwaarden
Bijbehorende streefwaarden voor afzonderlijke bouwdelen ondersteunen het behalen van de Standaard bij een stapsgewijze aanpak. Bouwdelen zijn onderdelen van de woning die de warmtevraag bepalen. De vier ‘grote’ bouwdelen zijn het dak, de vloer, de ramen en de gevel. Daarnaast worden gevelpanelen, de voordeur, de mate van kierdichting en de ventilatie ook tot de bouwdelen gerekend. Het aanpassen van deze laatste onderdelen is relatief eenvoudig en minder kostbaar. En kan vaak gecombineerd worden met een groter bouwdeel, bijvoorbeeld kierdichten bij de kozijnen als het glas vervangen wordt. De streefwaarden gaan verder dan de Standaard. Dat betekent dat een woning op de Standaard kan komen zonder alle bouwdelen te moeten isoleren. Mits de bouwdelen die wel geïsoleerd worden beter geïsoleerd zijn dan de Standaard. De gedachte hierachter is dat een woning met zo min mogelijk stappen de Standaard bereikt, aangezien isolatie-ingrepen door de meeste eigenaren zullen worden ervaren als ingrijpende en kostbare verbouwingen. En zij dus het aantal momenten waarop zij isoleren willen beperken. Het is dan beter om zoveel mogelijk te doen, als je iets doet. Zowel de Standaard als de streefwaarden zijn theoretische concepten. In de praktijk is per woning(type) een deskundige inschatting nodig om te bepalen wat er minimaal moet gebeuren om een woning op de Standaard te krijgen.
Bouwkundig adviseurs, aannemers, energieloketten en energiecoaches spelen hier een belangrijke rol in omdat zij particulieren adviseren. De Rijksoverheid stimuleert de bekendheid van de Standaard bij deze partijen door de Standaard steeds meer als officieel referentiepunt te nemen in bijvoorbeeld subsidieregelingen, het woningwaarderingsstelsel, landelijke communicatie zoals www.verbeterjehuis.nl en het energielabel. Wanneer woningen op de Standaard zitten, zijn zij sowieso gereed voor een vorm van aardgasvrije verwarming. Overigens kunnen woningen ook aardgasvrij worden nog voordat er (veel) is geïsoleerd. De eis is dan dat het aardgasvrije alternatief hoge temperaturen kan leveren. Dit is het geval bij een hoog-temperatuur warmtenet. Bij deze temperatuur moet er al wel iets van isolatie aanwezig zijn, maar hoeft een woning nog niet volledig aan de Standaard te voldoen.
29
30
Nieman: https://aedes.nl/media/document/rapport-botsproef-standaard-en-streefwaarden-woningcorporaties-nieman
Bijlage 4: DEFG doelgroep per bouwjaarcluster In tabel 10 is een uitsplitsing gemaakt van het aantal woningen dat valt in een bepaald bouwjaar en hoeveel woningen daarvan label D, E, F of G hebben. Deze clusters van bouwjaren zijn gebaseerd op de geldende eisen vanuit het bouwbesluit. Bouwperiode (cluster)30
Toelichting clustering
Aantal woningen
Waarvan DEFG-label
1925 – 1945
Voor 1920 zijn bijna alleen maar woningen gebouwd zonder spouwmuren. Er is daarnaast een klein aantal woningen in de oorlog gebouwd, maar dit is (bijna) geen doelgroep.
255
230
1946 – 1964
Na-oorlogse woningen. Label F woningen als er geen actie is ondernomen.
837
615
1965 – 1974
Label E woningen als er geen actie is ondernomen (dezelfde redenering als ‘46-’64). Nauwelijks iets aan isolatie gedaan, vaak alleen na de bouw.
2.149
405
1975 – 1981
Label D woningen. Lastigste doelgroep, daar zit vaak 'iets' in de muur/vloer/dak. Dit is meestal van slechte kwaliteit en/of oud en daarom lastig om na te isoleren. (vaak maatwerk nodig)
1.034
37
TOTAAL: 4.275
TOTAAL: 1.287
Tabel 10. DEFG-label koopwoningen, uitgesplitst per bouwperiode
30
31
Bron aantal woningen in woningvoorraad en bouwjaren: BAG, 2023. Bron voor energielabels: RVO, 2023.
Bijlage 5: Aanbevelingen voor de uitvoering: communicatie Om zoveel mogelijk inwoners zover te krijgen dat ze hun huis isoleren, is het belangrijk om de activiteiten goed te laten aansluiten op de leefsituatie en behoeften van inwoners. Hoewel het buiten de scope van ligt van dit programma om alle activiteiten tot in detail uit te werken, noemen we wel een aantal uitgangspunten en handreikingen die we hierbij gebruiken. Deze helpen om de aanpak effectiever te maken. Sluit aan op het doenvermogen van mensen Het proces voor het isoleren van een woning bestaat uit veel verschillende stappen, ook wel de klantreis genoemd. Denk aan het in kaart brengen van de technische situatie van de woning. En de mogelijkheden om de woning verder te isoleren, waaronder het kiezen van materialen, aansluiten op andere woonwensen, benutten van de financiële mogelijkheden, het kiezen van een isolatiebedrijf, enzovoort. Deze stappen zijn voor geen enkele woning en woningeigenaar precies hetzelfde. In ieder geval doet dit altijd een beroep op de kennis en vaardigheden van mensen. Het is belangrijk om in de uitvoering van het isolatieprogramma aan te sluiten op dit zogenaamde doenvermogen van inwoners. In het rapport ‘Weten is nog geen doen’ beveelt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid 7 aan om beleid en regelgeving te toetsen op het doenvermogen van inwoners.
Met andere woorden: zorg ervoor dat je beleid, regelingen en activiteiten zo opzet dat ze passen bij wat mensen kennen en kunnen. Aangezien het doenvermogen voor iedere inwoner anders is, zorgen we ervoor dat we in de uitvoering van het isolatieprogramma flexibel zijn om hierop zo goed mogelijk aan te sluiten. We nemen dit als uitgangspunt bij het uitwerken van de activiteiten en regelingen in het isolatieprogramma. Hiermee vergroten we de kans dat we mensen met deze activiteiten aanzetten tot isoleren. Ga voor MAST: makkelijk, aantrekkelijk, sociaal en tijdig Een ander uitgangspunt is om de activiteiten en regelingen zo gemakkelijk en aantrekkelijk mogelijk te maken. En qua timing te laten aansluiten op waar een inwoner staat. Een overzicht van manieren waarop je dit voor elkaar krijgt staat in tabel 11. MAST Makkelijk
Belangrijkste tips 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Aantrekkelijk Sociaal
Tijdig
1. 2. 1. 2. 3. 4. 1. 2. 3.
Zet de kernboodschap centraal Maak duidelijk wat de gevraagde actie is Gebruik eenvoudige taal en lay-out Zorg dat mensen weten waar ze terecht kunnen voor vragen Verwijder alle informatie die niet noodzakelijk is voor het uitvoeren van de gewenste actie of die te maken heeft met de gevolgen van het niet uitvoeren van de actie Maak waar mogelijk gebruik van diensten op producten die ondersteunen bij het gewenste gedrag Trek de aandacht Gebruik positieve drijfveren Laat zien dat de meeste mensen het gewenste gedrag vertonen of iets belangrijk vinden Maak gebruik van bestaande netwerken Moedig mensen aan om hun doelen te delen met anderen Maak gebruik van de relatie die jij hebt met de klant Denk na over het communicatiemoment Ondersteun mensen met het plannen en ondernemen van actie Benadruk voordelen op de korte termijn en neem kosten zoveel mogelijk weg
Tabel 11. MAST-model8
We passen dit MAST-model toe op het ontwerp van activiteiten en regelingen én de manier waarop we hierover communiceren met inwoners. Denk bijvoorbeeld aan eenvoudige tekst en voorwaarden van een
32
voucherregeling (makkelijk), de aandacht trekken voor collectieve acties met aansprekende communicatie in de wijken (aantrekkelijk), het inzetten van lokale ambassadeurs (sociaal) en het voorschieten van kosten voordat ze subsidie ontvangen of het werven onder inwoners die net een ander huis hebben gekocht (tijdig). Stress-sensitieve benadering Aansluitend op het MAST-model is het belangrijk om in de aanpak ervoor te zorgen dat het mensen zo min mogelijk stress geeft om te verduurzamen. Voor kwetsbare inwoners is dit extra belangrijk, omdat zij vaak al kampen met bovengemiddeld veel stress door zorgen over hun leefsituatie. Denk aan stress door financiële-, sociale- of lichamelijke problemen. Deze inwoners kampen vaak met chronische stress. Hierdoor vermindert hun denk- en doenvermogen. In het sociaal domein wordt daarom steeds vaker gewerkt volgens de principes van stress-sensitieve dienstverlening. Met deze benadering wordt aangesloten op dit verminderde denk- en doenvermogen. De bouwstenen van deze benadering zijn: • • • • •
Geldrust creëren; Geen stress toevoegen in de dienstverlening; Steunende interactie; Helpende instrumenten en tools; Psycho-educatie.
Voor de uitvoering van het isolatieprogramma benutten we gericht de relevante bouwstenen van stresssensitieve dienstverlening. Op die manier vergroten we de kans dat (kwetsbare) inwoners via onze activiteiten hun woning isoleren. Drijfveren voor isoleren Mensen hebben uiteenlopende redenen om hun woning te isoleren. Veelgenoemde drijfveren zijn lagere energiekosten, wooncomfort en duurzaamheid. Maar ook redenen die minder vaak genoemd worden, zoals verminderde afhankelijkheid van ondemocratische regimes31, minder belasting betalen of de wens om in een huis te wonen dat is gemoderniseerd, hogere verkoopwaarde. Om mensen te verleiden om te isoleren is het dus zaak om aan te sluiten op deze drijfveren. Dat doen we door in de communicatie met inwoners flexibel te zijn. Dit vraagt van de gemeente en uitvoeringspartners om actief te onderzoeken wat de drijfveren van inwoners zijn, en informatie te geven die past bij wat inwoners belangrijk vinden. Aansluiten op stappen die mensen al gezet hebben De ene bewoner heeft meer of andere stappen gezet om zijn of haar woning energiezuiniger en beter te maken. Voor inwoners die nog nooit een bouwdeel hebben geïsoleerd, is die stap groter dan inwoners die dat wel hebben gedaan. Het is belangrijk om daar rekening mee te houden.
Bijvoorbeeld door inwoners eerst te helpen met een aantal kleine maatregelen, voordat ze een aanbod krijgen voor een grote isolatiemaatregel. Of door meer tijd te besteden aan het beantwoorden van vragen en het doornemen van de mogelijkheden en geschatte kostenbesparing van een maatregel. Het is dan ook slim om de activiteiten in het Isolatieprogramma af te stemmen met activiteiten die inzetten op kleine stappen om de woning energiezuiniger te maken. Geef inwoners overzicht en keuzevrijheid Hoewel te veel opties bij mensen leiden tot keuzestress, heeft iedereen behoefte aan een zekere autonomie of keuzevrijheid. Het is de kunst om in de activiteiten van het Isolatieprogramma de keuzes voor inwoners overzichtelijk te maken en ze te laten kiezen waar ze dat willen en kunnen. Een onafhankelijk energieadvies beperkt bijvoorbeeld het aantal opties voor de grote isolatiemaatregelen, maar geeft inwoners nog wel de vrijheid om bijvoorbeeld een isolatiemateriaal en het isolatiebedrijf te kiezen of het moment waarop de maatregel wordt uitgevoerd.
31
33
Voorbeeld: onzekere gasvoorraad vanwege conflictsituatie tussen Oekraïne en Rusland.