CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

DEF Concept Programma Wonen en Werken Regio Amersfoort.docx

Commissie Ruimte 22 maart 2023, gemeente BunschotenBij agendapunt: Mededelingen en rapportage samenwerkingsverbanden12.186 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een dergelijke samenhang tussen bestaande en nieuwe bedrijventerreinen zal aandacht krijgen bij het uitwerken van een gezamenlijke uitgifterichtlijn.

Vervangingsvraag Zoals hierboven aangegeven zal de omvang van de vervangingsvraag bij de binnenkort op te stellen behoefteraming worden geïnventariseerd. Indicatief is het onderstaande overzicht opgesteld (Tabel 13). In de Regio Amersfoort houden we rekening met de toekomstige transformatie van een aantal bedrijventerreinen. Het is belangrijk deze transformatie zoveel mogelijk te laten plaatsvinden zonder dat hier vervangingsvraag door ontstaat. Op termijn gaat het naar verwachting om minimaal circa 39 ha aan transformatieterrein. Onder ‘gemiddelde omstandigheden` brengt dit een mogelijke vervangingsvraag van circa 32 ha (tabel 8) met zich mee. Ook hier staan we voor de uitdaging het aandeel transformatie met vervangingsvraag zoveel mogelijk te beperken, zodat de locaties hun economische functionaliteit zoveel mogelijk kunnen behouden. In de aanstaande nieuwe behoefteraming bedrijventerreinen en kantoren van de provincie Utrecht (gereed medio 2023), zal ook geïnventariseerd worden welke locaties daadwerkelijk getransformeerd gaan worden (recente besluitvorming en helderheid over verlies aan bedrijfsruimte).

Tabel 13: Bedrijventerreinen met mogelijke vervangingsvraag voortkomend uit transformatie Gemeente

Locatie

Eemnes

Ocrietterrein

3,9

Indicatieve omvang van de vervangingsvraag op basis van kengetallen in hectare 3,1

Amersfoort

Kop van Isselt

0-18

0-14,4

Bunschoten

Zuidwenk

2

1,6

Soest

Soesterberg Noord Nijverheidsweg

9

7,2

3

Transformatie

4

Woudenber g Woudenber

Transformatie van bestaande bedrijventerreinen in hectare

Terreintype

Periode

Functioneelgrootschalig Grootstedelijke werklocatie Functioneel-klein/ middelgroot Functioneel-klein/ middelgroot

20202030 20202030 20202030 20202030

2,4

Functioneel-klein/ middelgroot

20202030

3,2

Functioneel

2020

20 van 27

g divers Bron: inventarisatie gemeenten, medio 2022 Er moeten regionale afspraken gemaakt worden over de inzet van de vervangingsvraag in de regionale programmering. Er kan gekozen worden om een vervangingsvraag prioritair opnieuw te programmeren binnen dezelfde gemeente. Wanneer dit niet mogelijk is, kan de vervangingsvraag toegevoegd worden aan de regionale programmeringsruimte. Op basis van de nieuwe behoefteraming bedrijventerreinen zal de vervangingsvraag bepaald worden en vervolgens leiden tot aanpassing van de programmeringsruimte in het kader voor regionale programmering. 3.1.5 Nieuwe behoefteraming De provincie heeft opdracht gegeven voor een nieuw behoefteonderzoek naar bedrijventerreinen. De uitkomsten daarvan worden in het tweede kwartaal van 2023 verwacht en kunnen worden meegenomen in de 3e cyclus regionaal programmeren. Uiteindelijke vaststelling daarvan is voorzien in 2024. Parallel aan het provinciaal behoefteonderzoek werkt de Regio Amersfoort aan een regionale bedrijventerreinen visie. Het doel is om binnen de provinciale behoefteprognose voor de lange termijn meer zicht te krijgen op de concrete behoefte en knelpunten van het regionale bedrijfsleven. Evenzeer is echter het doel om in regionaal verband op hoofdlijnen af te spreken hoe in de behoefte kan worden voorzien.

Het vertrekpunt daarbij is dat zowel (de uitbreiding, vervanging of revitalisering van) terreinen met een lokale functie als terreinen met een regionale functie moeten bijdragen aan de opvang van de totale regionale behoefte. Gestreefd wordt om een regionale bedrijventerreinvisie medio 2023 vast te stellen. De uitkomsten van een regionaal onderzoek naar opkomende en innovatieve sectoren (december 2022) zullen worden hierbij worden betrokken. In de nieuwe behoefteraming bedrijventerreinen zullen we vraag en aanbod naar terreintype en tijdsperiode met elkaar confronteren, rekening houdend met een potentiële ruimtewinst die op termijn op bestaande bedrijventerreinen ontstaat, en rekening houdend met de vervangingsvraag van terreinen die worden getransformeerd. Op die manier kan worden gesignaleerd dat er op termijn nog aanvullende ruimtebehoefte is aan specifieke segmenten bedrijventerrein. De nieuwe behoefteraming bepaalt ook mede de programmeringsruimte in de volgende cycli van regionaal programmeren. De actualisatie van de bandbreedte in het volgende Kader voor regionaal programmeren zal mede hierop worden gebaseerd. 3.1.6 Monitoring en evaluatie van bedrijventerreinen De planmonitor Bedrijventerreinen / IBIS vormt een belangrijke basis voor het proces om anderhalf jaarlijks te komen tot het Regionaal programma wonen en werken.

In de monitor kunnen alle ambities van gemeenten worden opgenomen, ongeacht planologische status of regionale overeenstemming. Dit is de basis voor het regionale programma. Door IBIS beter te benutten kan dit een belangrijker instrument worden voor nieuwe programmeringscycli. In overleg met andere provincies wordt gekeken hoe IBIS beter en meer als planninginstrument gebruikt kan gaan worden. Met betrekking tot plannen in het programma kan er vanuit partijen een gesprek wenselijk zijn over de kwalitatieve/kwantitatieve invulling van de locatie, danwel het versnellen of vertragen daarvan. Eenmaal per halfjaar wordt de voortgang van de uitvoering van het programma geagendeerd voor het bestuurlijk overleg in de Regio Amersfoort. De uitkomsten daarvan zijn belangrijk voor een goede evaluatie en volgende actualisering van het programma. De provincie monitort het provinciale programma, waarin de essentie van de regionale programma’s in is opgenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van bestaande bronnen. Zowel waar het gaat om de uitgifte van nieuw terrein, als ook waar het gaat om de belangrijke indicatoren van de bestaande terreinen (voor zover beschikbaar), zoals de floor space index en de terreinquotiënt en de duurzaamheidsprestaties.

De provincie Utrecht verzorgt een jaarlijkse Vastgoedmonitor Werklocaties waarin verschillende aspecten, zoals ontwikkeling van de voorraad, aanbod, opname, indicatoren voor zorgvuldig ruimtegebruik en duurzaamheid, worden gevolgd. Dit voor de segmenten bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Dit instrument wordt beschikbaar gesteld aan alle gemeenten en biedt de mogelijkheden om historische analyses te maken en vergelijkingen tussen gemeenten of specifieke werklocaties. Voor een bedrijventerreinenmonitor is het daarnaast praktisch dat er door gemeenten gewerkt kan worden met een pijplijn van bedrijventerreinenplannen die programmeerbaar, nog niet programmeerbaar, en/of een nog vertrouwelijke status hebben, wanneer deze bijvoorbeeld nog niet gedeeld kunnen worden in de regio of met de regiogemeenten.

21 van 27

3.2

Kwalitatieve afspraken werken

De gemeenten in Regio Amersfoort onderkennen het belang van de kwalitatieve thema’s uit het provinciale Kader voor regionale programmering wonen en werken. De gemeenten hebben de intentie om de ambities en afspraken in de onderstaande sub paragrafen zoveel mogelijk na te komen. De provincie Utrecht zal de uitvoering van de afspraken en ambities monitoren via het provinciaal programma. Als blijkt dat bepaalde ambities niet kunnen worden gerealiseerd in de mate die hier wordt beoogd, kunnen de ambities waar nodig in gezamenlijkheid worden aangepast bij een volgende actualisatie

3.2.1 Regionale uitgiftestrategie Het tot uitvoering brengen van de regionale afspraken brengt een cultuuromslag met zich mee in de wijze waarop het EZ-beleid binnen de gemeenten wordt vormgegeven. De aandacht zal meer verschuiven naar de samenhang tussen de bestaande bedrijventerreinen en de nieuwe uitgifte van terrein. Dit vraagt in de eerste plaats dat gemeenten deze samenhang vertalen in een regionale uitgiftestrategie voor nieuwe terreinen, zoals dat in de hierna beschreven kwalitatieve afspraken is opgenomen. De strategie is niet van toepassing op direct uitgeefbaar aanbod en zal ingaan vanaf het moment dat de afspraken uit de strategie zijn vastgelegd. Het strekt tot aanbeveling dat in de voorbereiding van uitgifte van nieuwe bedrijventerreinen reeds rekening wordt gehouden met afspraken over de manier van uitgifte. Momenteel onderzoeken provincie en gemeenten welke (on)mogelijkheden er zijn om regionale afspraken te maken over de uitgifte van bedrijventerreinen. In dit onderzoek wordt gekeken naar de hele keten van sturingsinstrumenten (landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk) om te zien hoe het beste gestuurd kan worden op clustering, selectiviteit en regionale meerwaarde.

3.2.2 Diversiteit in werklocaties Gezamenlijke ambitie: We streven naar een diversiteit in werklocaties in de regio, zodanig dat deze past bij de werkgelegenheid die wij willen bieden en het gewenste economische profiel. Afspraken:  Gemeenten verkennen in de op te stellen bedrijventerreinenvisie hoe zij de behoefte aan werklocaties willen faciliteren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende werkmilieus/segmenten, waarvan sommige zich goed laten mengen met andere stedelijke functies. Zie ook de ambitie en afspraken over ‘integrale stedelijke kwaliteit’ bij wonen (2.2.1.).  Niet alle bedrijvigheid laat zich echter mengen. Daarvoor blijven specifieke bedrijventerreinen nodig, welke we in dit programma samen programmeren. Toelichting:  Gemeenten in de Regio Amersfoort vinden het belangrijk om voldoende monofunctionele bedrijventerreinen te behouden. Op de meeste bedrijventerreinen wordt bewust niet gemengd, daar waar het de ambities op bijvoorbeeld voldoende ruimte voor overslag, logistiek en circulariteit en maakindustrie hindert, of het een ongewenste vervangingsvraag met zich meebrengt. De maakindustrie, bouw en logistiek zijn blijvend grote ruimtevragers.  Functiemenging van wonen en werken op werklocaties zien we met name op binnenstedelijke terreinen, op enkele locaties in Amersfoort (zoals de Kop van Isselt) en op de Zuidwenk in Bunschoten.

Deze terreinen kunnen eventueel organisch ontwikkeld worden naar interactiemilieus, in verband met bereikbaarheid en vormen van duurzame mobiliteit en de druk vanuit diverse functies die daar al merkbaar is. 3.2.3

Zorgvuldig / intensief ruimtegebruik

Gezamenlijke ambitie: We streven naar een zorgvuldige invulling van de (schaarse) ruimte op bestaande en nieuwe bedrijventerreinen. Op termijn (na 2030) streven we naar een verhoging van de floor space index en (waar dat passend is bij de bedrijfsprocessen) een verlaging van de terrein quotiënt ten opzichte van de laatst gemeten situatie (peildatum 2020). Afspraken:

22 van 27

  

Gemeenten zetten stap voor stap in op de intensivering van bedrijventerreinen, rekening houdend met andere omgevingsfactoren en financiële randvoorwaarden. De uitwerking van hoe de intensivering wordt vormgegeven verschilt per terrein(type) en de beschikbaarheid van financiële middelen, schuifruimte op nieuwe bedrijventerreinen en onder meer de aard van de functiemenging op bestaande bedrijventerreinen. Verdichten en zo intensief mogelijk omgaan met bestaande en toekomstige werklocaties vraagt om een transitie in denken en doen. Dit vraagt ook een belangrijke rol van eigenaar-gebruikers en ook van gemeenten om belemmeringen voor verdere intensivering waar mogelijk weg te nemen. Op nieuwe bedrijventerreinen streven we naar een zo hoog mogelijke intensiteit passend bij het terreintype, de sector en activiteit. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de nieuwe terreinen minimaal tot de bovengemiddeld intensieve terreinen behoren binnen onze regio. We zetten bij de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen in op verhoging van het intensief ruimtegebruik, tot minimaal bovengemiddeld van dat terreintype binnen onze regio Bedrijfsverplaatsing als gevolg van transformatie wordt in eerste instantie opgevangen binnen de betreffende gemeente, indien niet mogelijk of wenselijk wordt binnen regio gezocht naar alternatieven.

Gemeenten ontwikkelen in de regionale bedrijventerreinenvisie een gezamenlijke/regionale intensiveringstrategie op basis van de leerervaringen die we opdoen met de pilots.

Toelichting:  Voor de komende 10-15 jaar zal de floor space index nog slechts beperkt verhogen, omdat processen van intensivering een lange doorlooptijd hebben. In de periode 2025 tot en met 2029 verwachten we de uitgangspunten voor intensief ruimtegebruik uit het PS-kader zoveel mogelijk te verzilveren. We monitoren de voortgang van deze ambitie. Na 2030 verwachten we grotere intensiveringsslagen. 3.2.4

Verduurzaming bedrijventerreinen

Gezamenlijke ambitie: We streven zoveel mogelijk naar verduurzaming van (bestaande en nieuwe) bedrijventerreinen. Afspraken:  Op bestaande bedrijventerreinen grijpen we de herstructurering van terreinen aan om de werklocaties te verduurzamen door expliciet in te zetten op klimaatadaptatie en duurzaamheid (bv. verduurzaming bedrijfspanden, inzet op energiecollectieven, vergroening en dakoppervlak voor zonnepanelen)  Gemeenten verkennen hoe de werklocaties stap voor stap zo duurzaam en circulair mogelijk te maken en te houden. Onderdeel van de verkenning is hoe zoveel mogelijk energie lokaal en duurzaam kan worden opgewekt, bijvoorbeeld door zonnepanelen op daken of windmolens, maar ook bijvoorbeeld door ‘restenergie’ van andere bedrijven in het gebied te hergebruiken. Met grote dakoppervlakken kunnen bedrijventerreinen energie-opwekkers zijn, belangrijk is dat de infrastructuur daar ook bij past (problematiek van netcongestie).  Gemeenten stimuleren de samenwerking met en vooral ook tussen bedrijven. Verduurzaming begint met goed georganiseerde ondernemerscollectieven (ondernemersvereniging, industriële kring, bedrijfsinvesteringszone – BIZ, energiecollectief, ondernemersfonds, etc.). In het stimuleren van de organisatiegraad op bedrijventerreinen kan de provincie Utrecht ook ondersteunen.

 Gemeenten stimuleren individuele bedrijventerreinen en bedrijfsruimtegebruikers om mee te gaan in de energietransitie (van het gas af, opwekken van duurzame vormen van energie, uit wind, zon, et cetera). Welke middelen hiervoor worden ingezet zal worden onderzocht.  Gemeenten wijzen de komende 4 jaar een aantal geschikte, goed ontsloten, regionale locaties aan die concrete circulaire samenwerking direct kunnen faciliteren (nieuw en/of bestaand), waarin we het belang van circulariteit wegen ten opzichte van andere belangen (zoals hittestress et cetera). We sluiten daarbij goed aan bij ervaringen zoals die al worden opgedaan op concrete terreinen in onze regio.  Gemeenten behouden voldoende ruimte voor bestaande bedrijvigheid met een hogere milieucategorie, om zowel circulaire ontwikkeling als energietransitie mogelijk te kunnen (blijven) maken. Daarmee doelen we op het borgen van ruimte voor bedrijfsruimtegebruikers die belangrijk zijn in de circulaire ketens in de regio Amersfoort. Toelichting: • Op een duurzame, circulaire werklocatie wordt per activiteit zo min mogelijk energie verbruikt, omdat processen zijn geoptimaliseerd en omdat het vastgoed goed is geïsoleerd. De ruimte wordt zo mogelijk

23 van 27

•

•

multifunctioneel gebruikt. Bouwwerken worden zoveel mogelijk modulair (demontabel) en adaptief gebouwd. Restafval en emissies worden geminimaliseerd. Verduurzaming heeft ook te maken met inrichting van de openbare ruimte: waar mogelijk groen met verblijfskwaliteit, en voor het overige groen en klimaatadaptief. Uitgangspunt is het minimaliseren van verharding om hittestress tegen te gaan (denk aan groen en halfverharding voor o.a. parkeerplaatsen). Verduurzaming kan op locatieniveau strijdig kan zijn met de ambitie om bedrijventerreinen zo intensief mogelijk te benutten. Het vergroenen van daken en parkeerplaatsen helpt om wateroverlast bij piekbuien te verminderen (hittestress, klimaatadaptie), draagt bij aan de biodiversiteit en maakt van bedrijventerreinen een comfortabelere werkomgeving. Verduurzaming van werklocaties begint met goede samenwerking van bedrijven op werklocaties. De ambities waar we op inzetten, sluiten aan bij wat in wet- en regelgeving mogelijk is.

24 van 27

4 Samenwerking, besluitvorming en monitoring Dit regionale programma is een product van de Utrechtse gemeenten in de Regio Amersfoort en de provincie Utrecht gezamenlijk, op initiatief van de provincie Utrecht. De totstandkoming van dit programma is ambtelijk voorbereid, en beraadslaging en besluitvorming erover vindt plaats in de bestuurlijke overleggen van de regio met deelneming van de verantwoordelijke gedeputeerden. Regionale programmering is een cyclisch en adaptief proces: het programma zal periodiek worden geactualiseerd. Nadat er in een regionaal bestuurlijk overleg overeenstemming is over het regionale programma, zal Gedeputeerde Staten de essentie daarvan vastleggen in een provinciaal programma. Voor dit programma wordt tevens een PlanMER opgesteld. Het Ontwerpprogramma en PlanMER worden ter inzage gelegd. Voor locaties die passen in dit provinciale programma, kunnen gemeenten op basis van de provinciale Interim omgevingsverordening bestemmingsplannen vaststellen. Op basis van de ervaringen tot nu toe is een besluitvormingsmodel vastgesteld ten behoeve van het gezamenlijk sturen op en bewaken van de voortgang van het programma en ten aanzien van de toekomstige actualisaties.

Belangrijke opmerking hierbij is dat dit regionale programma moet worden gezien als een sturingsinstrument: het is als het ware een dashboard dat acties en afspraken met elkaar in verband brengt. Vanuit dit programma worden in principe geen eigen acties gestart: dit programma bouwt geen woningen noch intensiveert bedrijventerreinen, maar we maken de benodigde samenwerkingsafspraken en brengen zo goed mogelijk in kaart wat er gebeurt zodat de afspraken (kwantitatief en kwalitatief) als nodig kunnen worden bijgesteld of aangescherpt. Zo is er een directe relatie met de woondeal voor de Regio Amersfoort en de inzet vanuit de OMU. Provinciale eerste integrale ambtelijke beoordeling van nieuwe uitleglocaties Nieuwe uitleglocaties die gemeenten graag opgenomen willen zien in de aantallen ‘verwachte realisatie woningbouw’” (het eigenlijke programma) worden door de provincie ambtelijk integraal beoordeeld. Op die manier is voor gemeenten al op voorhand duidelijk hoe een bepaalde nieuwe uitbreidingslocatie past binnen het provinciale Omgevingsbeleid. Per jaar worden ca. 2 beoordelingsmomenten ingepland. Voor de 2e cyclus konden gemeenten tot 15 april 2022 nieuwe uitbreidingslocaties voorleggen voor een dergelijke beoordeling. Deze termijn is – helaas - nodig vanwege een goede organisatie en in verband met de benodigde m.e.r.beoordeling.

De uitkomst van de beoordeling wordt teruggekoppeld naar gemeenten. Uiteraard is de provincie bereid om ambtelijk met de gemeente in gesprek te gaan over locaties die niet als kansrijk zijn beoordeeld. Organisatie Het zorgdragen voor en het bewaken van de voortgang van de uitvoering van dit programma wordt primair uitgevoerd door de ambtelijk overleggen wonen en economie van de regio, in aanwezigheid van een betrokken provinciemedewerker. In die overleggen wordt ook de voortgang en actualisatie van het regionale programma wonen en werken regelmatig (ten minste 1x per kwartaal) geagendeerd. Indien relevant wordt de voortgang en actualisering van het programma geagendeerd voor de bestuurlijke overleggen in de regio, met uitnodiging van de verantwoordelijke gedeputeerde(n). Daarna wordt de actualisering voor besluitvorming aan de gemeenten vrijgegeven. Als er in het regionale bestuurlijke overleg tussen gemeenten en provincie overeenstemming is over het regionale programma, wordt dit voorgelegd aan de colleges van de zeven gemeenten, met het verzoek om het regionale programma wonen en werken vast te stellen en de gemeenteraad hierover te informeren.

25 van 27

Voor de uitvoering van het programma, zowel het kwantitatieve als het kwalitatieve deel, vindt waar relevant overleg en afstemming plaats tussen vertegenwoordigers van provincie, regio, gemeenten en andere betrokkenen. Tenminste halfjaarlijks zal de voortgang van het programma worden besproken in een bestuurlijk overleg. Zo zal er ten behoeve van de planvorming van de in het programma opgenomen locaties separaat contact zijn tussen provincie en de desbetreffende gemeente. Opzet monitoring De provincie heeft het initiatief genomen om de monitoring van het provinciale programma in te richten. Dit gaat zowel over de voortgang van de woningbouw en de ontwikkeling van bedrijventerreinen (kwantitatieve deel) als de kwalitatieve afspraken. Hierbij wordt uitsluitend gebruik gemaakt van reeds bestaande gegevens en systemen, zoals bijvoorbeeld de Monitor Wonen van de provincie, IBIS en de Planmonitor Bedrijventerreinen (als onderdeel van de Vastgoedmonitor die gezamenlijk wordt ontwikkeld door gemeente Utrecht, Amersfoort en de provincie). De eerste monitoringsrapportage is in juli 2022 gepubliceerd. Aan gemeenten wordt gevraagd om de gegevens zo volledig en tijdig mogelijk aan te leveren. Dat geldt voor de Planregistratie wonen en andere bestaande systemen.

Evaluatie en actualisatie van het programma De monitoring laat zien wat er gebeurt: hierover vindt een evaluatie plaats zodat bij een volgend programma kan worden bijgestuurd. Begin 2022 is het proces van totstandkoming van de eerste ronde regionale programmering geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie is het proces verder uitgelijnd. Zo is deze eerste actualisatie van het regionale programma begonnen met het opstellen en ter kennis brengen van een startdocument. Planning en tijdpad Het geplande tijdpad voor de komende periode is als volgt:

Tabel 14: Planning regionale programmering Februari 2023 Februari 2023 Februari/mrt Mei/juni 2023

Juli/Augustus 2023

Overeenstemming regionaal programma GS stellen Ontwerp provinciaal programma en PlanMER vast Ter inzagelegging Debat in Commissie RGW over het ontwerpprogramma Wonen en Werken en resultaten inspraak en tevens besluit PS over te programmeren regionaal bedrijventerrein (Regio U16). GS stellen provinciaal programma 2023 en PlanMER definitief vast

Het streven is om dit regionale programma elke anderhalf jaar te actualiseren. Dat betekent dat de derde cyclus begin 2024 zal starten, eindigend met vaststelling van het PPWW 2024 eind dat jaar.

26 van 27

BIJLAGEN Bijlage 1: Openbare binnenstedelijke plannen (planregistratiesysteem Wonen) (aparte bijlage)

Bijlage 2: overzicht betaalbaarheid per gemeente Gemeente

Ambitieniveau betaalbaarheid

Amersfoort

Sociale huur 35% Middelduur 20% Sociale huur 30%

Baarn Bunschoten Eemnes Leusden Soest Woudenberg Regio Amersfoort

Percentage betaalbaarheid 20222025 in planregistratie 62% 36%

Totaal sociale huur, Middelduur (huur en koop) en Goedkope koop 50% Sociale huur en goedkope koop 35% Middelduur 35% < 2025 minimaal sociale huur 30% Sociale huur en Middelduur minimaal 30% Sociale huur 20% Middeldure koop 25%

39%

Sociale huur 30% Goedkope koop 10% -

42%

46% 48% 38%

54%

Toelichting: De ambitieniveaus betaalbaarheid per gemeente zijn gebaseerd op basis van coalitieakkoorden en/of woonvisies. De genoemde percentages hebben over het algemeen betrekking op nieuwbouwprojecten. Het percentage betaalbaarheid is bepaald op basis van de plannen / plancapaciteit 2022-2025 waarvan het prijssegment bekend is (in het planregistratiesysteem is ingevuld). Stand van zaken dd. 27 oktober 2022 Bijlage 3 overzicht ambitieniveaus Convenant Duurzame Woningbouw per gemeente Gemeente

Ambitieniveau CDW

Amersfoort

goud

Baarn

Niet getekend

Bunschoten

Niet getekend

Eemnes

brons

Leusden

brons

Soest

brons

Woudenberg

brons

Bijlage 4 Overzicht woonlocaties Regio Amersfoort opgenomen in PPWW21 (1 e cyclus) Gemeente Baarn

Locatie

Aantal woningen (max.) Alexanderkwartier 98

Toelichting Betreft transformatielocatie in het landelijk gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12457027/2