Bijlage A - Voorlopige jaarstukken VRU 2025
Tekst van het document
7.3.1 Netto schuldquote Onze positie met betrekking tot de schuldquote is gunstig te noemen. De norm ligt tussen de 0‐ 100%. Wij liggen hiermee ruimschoots onder het maximum van 100%. De stijging van de schuldquote is veroorzaakt door de hogere baten. 7.3.2 Solvabiliteitsratio Onze positie met betrekking tot de schuldquote is gunstig te noemen. De norm ligt tussen de 0‐ 100%. Wij liggen hiermee ruimschoots onder het maximum van 100%. De stijging van de solvabiliteitsratio is veroorzaakt door een verbeterde vermogenspositie op balansdatum door een incidentele storting in de egalisatiereserve kapitaallasten.
7.3.3 Structurele exploitatieruimte Alle middelen zijn structureel bestemd.
8 Onderhoud kapitaalgoederen 8.1
Activeren en afschrijven
Conform artikel 59 van het BBV activeren wij alle materiële vaste activa. Investeringen schrijven wij lineair af vanaf het jaar volgend op het investeringsjaar. Als uitgangspunt geldt dat activering plaatsvindt vanaf € 10.000 per object. 8.1.1 Investeringen in gebouwen De VRU had ultimo 2025 drie brandweerkazernes in eigendom. De overige kazernes zijn in eigendom van de gemeenten. De kazernes worden om niet ter beschikking gesteld aan de VRU. Investeringen in gebouwen die in eigendom van de gemeenten zijn, komen in principe voor rekening van de betreffende gemeenten. Investeringen in gebouwen die eigendom zijn van de VRU, worden bij de VRU geactiveerd. De kapitaallasten worden doorbelast aan de gemeenten die de gebouwen aan de VRU hebben overgedragen, via het individueel gemeentelijk pluspakket. 8.1.2 Investeringen in overige kapitaalgoederen Ten aanzien van de investeringen in overige kapitaalgoederen (inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal) hanteert de VRU een meerjarig investeringsplan dat periodiek wordt geactualiseerd. In de begroting is een constant bedrag opgenomen voor kapitaallasten. De werkelijke kapitaallasten fluctueren. In samenhang met het meerjaren investeringsplan is daarom een egalisatiereserve kapitaallasten ingesteld om verschillen tussen begrote en werkelijke kapitaallasten op te vangen.
Meerjarig wordt gestuurd op een sluitende investeringsbegroting.
8.2
Onderhoud
8.2.1 Onderhoud gebouwen en installaties Het hoofdkantoor van de VRU is gehuisvest in het provinciehuis. Het onderhoud voor deze locatie is onderdeel van de servicekosten die wij naast de huur aan de provincie Utrecht betalen. De kosten voor het beheer en onderhoud van de brandweerkazernes zijn voor rekening en risico van de gemeenten. 8.2.2 Onderhoud materieel Het onderhoud van materieel wordt grotendeels in eigen beheer uitgevoerd of uitbesteed via het organisatieonderdeel Bedrijf Preparatie Brandweer.
9 Financiering Het financieringsbeleid is gebaseerd op de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido). Het treasurybeleid van de VRU is vastgelegd in het treasurystatuut VRU.
9.1
Kasgeldlimiet
Het kasgeldlimiet laat het maximumbedrag zien waarmee een gemeente of gemeenschappelijke regeling haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. De norm bedraagt 8,2% van het begrotingstotaal aan lasten vóór bestemming van de reserves. Ons netto overschot in 2025 bedroeg gemiddeld € 11 miljoen. De onderstaande tabel laat de berekening zien van de kasgeldlimiet in 2025. Daaruit blijkt dat de gemiddelde liquiditeitspositie over heel 2025 voldoet aan de norm. Tabel 15 Kasgeldlimiet
9.2
Renterisiconorm
De renterisiconorm heeft tot doel het renterisico bij herfinanciering te beperken. De jaarlijkse renteherzieningen en de verplichte aflossingen mogen niet méér bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar. Uit de volgende tabel blijkt dat is voldaan aan de renterisiconorm. Tabel 16 Renterisiconorm
9.3
Renteschema
Tabel 17 Renteschema
Het renteresultaat voor 2025 is 14,1%, deze ligt boven/beneden de norm van 25%.
9.4
EMU-saldo
Tabel 18 EMU-saldo
10 Bedrijfsvoering 10.1 Personeel 10.1.1 Organisatiestructuur Bij de VRU werken mensen met een passie. Een passie om levens te redden, om incidenten te voorkomen en te bestrijden en om samen met burgers en partners de veiligheid en zelfredzaamheid in onze samenleving te vergroten. Onze organisatie is gericht op onze drie hoofdtaken: Brandweer, Risicobeheersing en Crisisbeheersing. Deze onderdelen werken niet alleen onderling nauw samen, maar dat doen we ook met onze partners. Zo zetten we ons met bijna 2.500 betrokken collega’s iedere dag in voor de veiligheid van alle 1,4 miljoen inwoners van de 26 gemeenten in onze regio. Samen dragen wij bij aan de veiligheid. Elke dag weer, steeds beter. De structuur van onze organisatie ziet er als volgt uit:
Figuur 1 Organisatieschema
Samen zijn we één organisatie. Het organisatieonderdeel Ondersteuning is ondersteunend aan de drie hoofdtaken. Samen bouwen wij aan een organisatie waar iedereen zich gezien en gewaardeerd voelt en de ruimte en ondersteuning krijgt om het beste uit zichzelf én elkaar te halen. Met z'n allen zorgen we voor een ‘great place to work’. Ons organisatiemodel maakt deze manier van werken zichtbaar: het laat zien hoe we zijn ingericht én hoe we elkaar vinden in het dagelijks werk. De directie van de VRU bestaat uit de algemeen directeur en twee leden die samen verantwoordelijk zijn voor de hele organisatie. Binnen het directieteam wordt gewerkt met een portefeuilleverdeling. De Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) staat onder leiding van de directeur publieke gezondheid (DPG), die op agendabasis deelneemt aan de vergaderingen van het directieteam. De concerncontroller heeft een onafhankelijke positie in de organisatie en houdt ruggenspraak, informeert en adviseert de algemeen directeur, het dagelijks bestuur, en de accountant van de VRU.
10.1.2 Organisatieontwikkeling Om de uitdagingen van onze huidige tijd aan te gaan, zetten we in op het groeien naar een toekomstbestendige, adaptieve organisatie met oog voor de mens, die effectief kan reageren op in- en externe ontwikkelingen en uitdagingen. Dit vraagt van ons een flexibele en wendbare houding waarin we nog steviger moeten inzetten op onderlinge samenwerking. We kiezen een koers waarbij er kortere lijnen zijn, we een compacte directie hebben en we ruimte bieden aan talenten en aan de lokale en menselijke maat. Onze kernwaarden staan hierbij centraal: vanuit vertrouwen werken we samen en nemen we eigenaarschap. Uitgangspunt is dat we gericht zijn op samenwerking, de inhoud is leidend en vanuit daar vindt afstemming en (integrale) besluitvorming plaats. We beleggen de bevoegdheden zo passend mogelijk. Wat hebben we bereikt: ▪ Er is geïnvesteerd in de cultuurverandering: we zijn één VRU en dragen dat uit. Hiervoor zijn verschillende activiteiten georganiseerd zoals najaar van de uitwisseling, inspiratiesessies, de klussenbank en het VRU Connect event. ▪ Positioneringsvraagstukken zijn opgepakt middels de besturingsfilosofie. ▪ Er is een nieuw organisatiemodel ontwikkeld dat aansluit bij de besturingsfilosofie. ▪ Vanuit het ontwikkelteam zijn verbetervoorstellen gedaan die hebben bijgedragen aan de bedoeling en aan GPTW.
▪ Er is een pool waarderende onderzoekers getraind en er is een waarderend onderzoek uitgevoerd om het leren in de organisatie verder te stimuleren. 10.1.3
Formatie en bezetting in fte
Tabel 19 Formatie en bezetting
Het verschil tussen formatie en bezetting betreft een momentopname. Ten opzichte van 2024 is het verschil tussen de formatie en bezetting kleiner geworden (2024: 7%). De formatie is met 4,2 fte gestegen. 2.1 Recruitment In 2025 waren er 117 vacatures bij de VRU voor een functie als ambtenaar en beroepsbrandweer. In totaal zijn 1.071 sollicitaties ontvangen en zijn 125 nieuwe collega’s gestart. Sinds februari 2025 kunnen medewerkers een vacaturealert instellen. Zij ontvangen een bericht zodra een nieuwe vacature online komt. Eind 2025 hadden 73 collega’s belangstelling voor nieuwe vacatures en klussen binnen de VRU.
10.1.4
Aantal medewerkers en diversiteit
Instroom en uitstroom ambtenaren 100 50
91 71 25
12
0 Instroom totaal
Uitroom intern
Figuur 2 In- en uitstroom ambtenaren Eind 2025 waren er 738 ambtenaren in dienst bij de VRU. Dit is een toename van 19 medewerkers ten opzichte van 2024 (2024: 719). Van de nieuwe collega’s hadden er 25 eerder al een relatie met de VRU, bijvoorbeeld als vrijwilliger, stagiair of via inhuur. Daarnaast bleven 12 uitgestroomde ambtenaren aan de VRU verbonden als vrijwilliger. In 2024 en 2025 zijn drie recruiters aangetrokken om het werving‑ en selectieproces en de arbeidsmarktcommunicatie te versterken. De instroom van ambtenaren is hierdoor gestegen van 42 in 2023 naar 100 in 2024 en 91 in 2025. 10.1.5 Aantal vrijwilligers Tabel 20 Vrijwilligers
In 2025 zijn opnieuw aanstellingsdagen georganiseerd voor de vrijwilligers van de brandweer. Na de lagere instroom in 2024 (77 vrijwilligers) is de instroom in 2025 gestegen naar 110 vrijwilligers. Dit is in balans met de uitstroom, die iets hoger is dan het langjarig gemiddelde van 100 vrijwilligers. Het totaal aantal vrijwilligers bedraagt 1674; de streefsterkte is 1673 vrijwilligers. 10.1.6 Jeugdbrandweer Het gemiddeld aantal jeugdleden, jeugdleiders en hoofdjeugdleiders is gestegen van 443 naar 446. In 2025 zijn 10 mensen van de jeugdbrandweer doorgestroomd naar de functie van aspirant manschap, dat is een daling ten opzichte van 2024 (13 jeugdleden). 10.1.7 Wet banenafspraak De VRU heeft voor 2025 de ambitie vastgesteld om 15 garantiebanen te realiseren. Eind 2025 waren 14,74 garantiebanen gerealiseerd. Daarmee is de ambitie van 15 garantiebanen niet gehaald. In 2024 bedroeg dit aantal 15,53 garantiebanen. Eén garantiebaan staat gelijk aan 25,5 uur per week (0,7 fte).
10.1.8 Diversiteit Na de ondertekening van het Charter Diversiteit in 2023 bij de SER Diversiteit in Bedrijf is in 2024 een plan van aanpak opgesteld en goedgekeurd door de SER. Dit plan richt zich op het vergroten van bewustwording bij leidinggevenden en medewerkers door middel van inspiratiesessies, trainingen en regelmatige communicatie via intranet. Daarnaast blijven we ons inspannen om garantiebanen in het kader van de Wet banenafspraak te realiseren en streven we ernaar de diversiteit van ons personeelsbestand met 25% te vergroten ten opzichte van de huidige situatie. Hierbij richten we ons op geregistreerde diversiteitskenmerken zoals geslacht en leeftijd. Het percentage vrouwen bij de brandweer bedroeg in 2025 8% onder de vrijwilligers en 6% onder de beroepsmedewerkers, hetzelfde als in 2024. Het streven om eind 2025 een percentage van 10% te behalen is helaas niet gehaald. Het percentage ambtenaren jonger dan 30 jaar was in 2025 11%, tegenover 10% in 2024. Dit betekent een kleine stijging, maar nog niet de beoogde 12%, die we als doel stellen voor eind 2026. We zien dat er weinig verschil is ten opzichte van het voorgaande jaar, maar dit soort veranderingen kost tijd. Belangrijk is dat er wel degelijk kleine stappen worden gezet en dat we hiermee op de goede weg zijn.
De gemiddelde leeftijd van ambtenaren steeg van 45 jaar in 2024 naar 46 jaar in 2025, terwijl de gemiddelde leeftijd van vrijwilligers steeg van 41 naar 42 jaar. Naast bewustwording werken we actief aan inclusiever werven door gebruik te maken van inclusieve vacatureteksten en beeldmateriaal, het inzetten van diverse wervingskanalen en het trainen van recruiters in objectieve selectie en beoordeling, ondersteund door de Community of Practice, een intervisiegroep opgezet door AWVN. In 2025 is bovendien het netwerk JongVRU opgericht, om jonge medewerkers binnen onze organisatie met elkaar te verbinden en hun stem beter te laten horen. Daarnaast is er ook een start gemaakt met de oprichting van een Neurodivers netwerk. Ook is de samenwerking met JINC voortgezet om kansengelijkheid voor jongeren in de regio Utrecht te vergroten. In 2025 zijn op verschillende locaties opnieuw bliksemstages georganiseerd, hebben collega’s sollicitatietrainingen verzorgd op VMBO-scholen en hebben we deelgenomen aan het project ‘Baas van Morgen’, waarbij een VMBO-leerling één dag de baas van de VRU was.
Figuur 3 Geslacht beroepsbrandweer
Figuur 4 Geslacht vrijwilligers
Figuur 5 Leeftijd ambtenaren
Figuur 6 Leeftijd vrijwilligers
10.1.9 Verzuim Het verzuimpercentage is in 2025 gedaald en bedroeg 5,65%. Dit is een daling van 0,42% ten opzichte van 2024, toen het verzuim 6,07% bedroeg. Deze daling is voornamelijk te herleiden naar een daling van het langdurig verzuim (43 dagen en langer). Het totale verzuimpercentage ligt net iets boven het streefcijfer van 5%. Kijkend naar de verzuimduurklasse kortdurend verzuim (0-7 dagen) ten opzichte van vorig jaar, is er een lichte stijging 0,48% in 2024 naar 0,57% in 2025. Het middellang verzuim (7-42 dagen) is licht gedaald van 0,70% in 2024 naar 0,60% in 2025. Daarnaast is er een afname van lang verzuim (43 dagen en langer) met 0,4% namelijk 4,89% in 2024 naar 4,48% in 2025. De focus heeft dit jaar gelegen op het terugdringen van langdurig verzuim. Middelen die hieraan hebben bijgedragen zijn onder andere het eerder inzetten van de arbeidsdeskundige en het sturen op het consequent voeren van re-integratie gesprekken tussen medewerker en leidinggevende. Ook de inzet van de adviseur Vitaliteit en Verzuim heeft hieraan bijgedragen, door meer aandacht te geven aan preventie en verzuim. In maart 2025 is de VRU overgegaan naar een nieuwe arbodienst en kijken we gezamenlijk naar een goede afstemming op het verzuimbeleid.
Tijdens het Sociaal Medisch Overleg (SMO) hebben we geïnventariseerd waar de behoeften van de leidinggevenden liggen ten aanzien van verzuimbegeleiding en preventie. Naar aanleiding daarvan is in 2025 een start gemaakt om de providerboog meer onder de aandacht te brengen en processen inzichtelijk te maken. Deze inzet wordt in 2026 gecontinueerd. Ook hebben we deze SMO's gebruikt om specifiek aandacht te geven aan het omgaan met psychisch verzuim. Volgend hierop zijn voor 2026 diverse trainingen ingezet om leidinggevenden te coachen en trainen in het versterken van vaardigheden op het gebied van preventie en het terugdringen van verzuim. Tabel 21 Verzuim
10.1.10 Stagiairs Om het stagebeleid stap voor stap te verbeteren zijn de afgelopen periode een aantal gerichte acties uitgevoerd. We hebben diverse stagevacatures opengesteld waarop veel reacties zijn binnengekomen. Dit bevestigt dat de VRU goed gevonden wordt en aantrekkelijk is voor deze doelgroep. Zowel in 2024 als in 2025 zijn er jaarlijks 27 stagiairs bij de VRU gestart. Dit is een mooie groei ten opzichte van de 18 stagiairs die in 2023 bij de VRU startten. Er zijn twee kick-off bijeenkomsten voor stagiairs georganiseerd, bedoeld om hen een duidelijke start en gezamenlijke basis te geven. Daarnaast zijn er stagespreekuren opgezet in het vorige semester. Verder is er een ‘Goede Start checklist’ voor stagebegeleiders ontwikkeld om begeleiding en verwachtingen beter te structureren. Ook zijn stageopdrachten geïnventariseerd en gebundeld, zodat er meer overzicht is in wat we kunnen aanbieden en waar behoeften liggen. Deze acties vormen een eerste basis; verdere aanscherping van het stagebeleid vraagt nog om keuzes en vervolgacties. 10.1.11 Klussenbank Als VRU willen we een ‘Great Place to Work’ zijn; dit gaat zowel over de ontwikkeling van de organisatie als de ontwikkeling van de medewerker. Een middel om deze gewenste ontwikkeling te stimuleren is het mogelijk maken dat onze medewerkers naast of binnen de vaste functie geregeld een klus of rol op kunnen pakken.
Zo bevorderen we de wendbaarheid en flexibiliteit van de organisatie, benutten we de talenten van onze medewerkers, investeren we in nieuwe samenwerking en stimuleren we (loopbaan)ontwikkeling. De klussenbank staat open voor alle medewerkers (beroeps, vrijwilligers en piketcollega’s) die hierin interesse hebben. In overleg met het team wordt gekeken naar passende taken en beschikbare tijd. De klussenbank bestaat inmiddels 1,5 jaar en voor alle gepubliceerde klussen en rollen zijn geschikte medewerkers gevonden. 10.1.12 Geestelijke verzorging De geestelijke verzorging draagt bij aan het programma Great Place to Work door het individueel begeleiden van collega’s, het trainen van teams in het versterken van de mentale veerkracht en een positieve cultuur, en het adviseren van commandanten en leidinggevenden over het welzijn van medewerkers. De geestelijke verzorging biedt een vrijplaats waar medewerkers te allen tijde hun hart kunnen luchten en een luisterend oor kunnen vinden, om ‘op verhaal’ te komen. Als bijzonder resultaat in 2025 benoemen we de start van een 24-uurs kamp ‘Mentaal Fit’ voor alle nieuwe manschappen van de brandweer. De geestelijke verzorging verzorgt een kampvuursessie ‘zingeving’, om vanaf het eerste moment van de start met de loopbaan bij de brandweer, collega’s toe te rusten in mentale weerbaarheid.
Vervolgens wordt het programma Mentaal Fit vertaald in een programma om ook de overige collega’s in het reguliere oefenprogramma te blijven trainen in mentale weerbaarheid. Daarnaast noemen we de thuisfront-avonden, waarmee we het thuisfront betrekken bij de onderhouden en versterken van de mentale gezondheid en veerkracht van onze medewerkers. De geestelijke verzorger draagt op de werkvloer en door een promotieonderzoek bij aan de ontwikkeling van expertise op het omgaan met PTSS. 10.1.13 Melden van Onveilige Situaties en (bijna) Ongevallen (OSIO) Het melden van incidenten, onveilige situaties en (bijna) ongevallen is bedoeld om te leren van de situatie en de kwaliteit te verbeteren. OSIO-meldingen geven inzicht in de risico’s voor de veiligheid, gezondheid en het welzijn van VRU-medewerkers. Door de meldingen te analyseren
kan er worden geleerd en kunnen maatregelen worden genomen om soortgelijke incidenten en situaties in de toekomst te voorkomen. Door bovendien te kijken naar de meer fundamentele oorzaken (de oorzaak achter de oorzaak), kan de veiligheids- of arbozorg binnen de VRU naar een hoger niveau worden getild. Hierdoor kunnen andersoortige ongevallen, die dezelfde basisoorzaken hebben, worden voorkomen. In het kalenderjaar 2025 zijn er 179 incidenten op medewerkersniveau gemeld. Daarmee is sprake van een daling ten opzichte van 2024, toen 208 incidenten werden geregistreerd. De 179 meldingen in 2025 betreffen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
99 ongevallen 5 ernstige ongevallen 13 bijna ongevallen 39 onveilige situaties 4 meldingen van agressie en geweld richting hulpverleners 19 meldingen van blootstelling of anders
10.2 Inhuur Het volgende overzicht is een weergave van de besteding per inhuurcategorie. Tabel 22 Besteding per inhuurcategorie
10.3 Beleidsindicatoren Apparaatskosten zijn alle personele en materiële kosten die verbonden zijn aan het functioneren van de ambtelijke organisatie. Dit zijn in feite de totale lasten van de VRU minus de jaarlijkse bijdrage aan het WVSV. Tabel 23 Beleidsindicatoren
De externe inhuur bestaat voor 20% uit reguliere inhuur. Het restant van 34% is gerelateerd aan externe inhuur voor de crisistaken, die volledig gedekt worden uit de bijdrage van externe partijen.
10.4 Duurzaamheid De veiligheidsregio’s kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de duurzaamheidsdoelen van gemeenten, gezien de aanzienlijke CO₂-uitstoot van het wagenpark en de huisvesting. Ook de VRU kan hiermee een voorbeeldrol vervullen richting de samenleving. Hoewel het bestuur in de bestuursagenda 2024-2027 de landelijke klimaatdoelstellingen onderschrijft, ontbreken de financiële middelen om de geplande maatregelen uit te voeren. Zolang deze middelen niet beschikbaar zijn, worden de verduurzamingsplannen uitgesteld. Voor nu richt de VRU zich op maatregelen die binnen het bestaande budget passen. We stellen duurzaamheidseisen aan leveranciers, letten bij inkoop op circulaire en milieuvriendelijke producten, en beperken waar mogelijk ons materiaalgebruik. In lopende huisvestingsprojecten passen we duurzame oplossingen toe, zoals de regenwaterkelder in Veenendaal en de warmte-koudeopslag in Utrecht (Belcampostraat). Daarnaast stimuleren we medewerkers via intranet en inspiratiesessies. Als er financiële ruimte ontstaat, worden de uitgestelde plannen alsnog opgepakt.
10.5 Privacy De VRU zet zich in voor de veiligheid van burgers. Het veilig gebruiken van persoonsgegevens is daar een indirect onderdeel van. De VRU verwerkt vooral persoonsgegevens van eigen mensen (repressief en kantoorpersoneel), en incidenteel ook van andere hulpverleners en burgers. Dat gebeurt normaal gesproken alleen in het kader van een brand/incident. De visie van de VRU ten aanzien van de bescherming van de privacy van betrokkenen draait rond het toepassen van de tekst en de bedoeling van de (U)AVG. De VRU ontwikkelt voortdurend, ook rond de bescherming van persoonsgegevens. Privacy is ingebed in de hele organisatie en is een vast element binnen het inkooptraject, waardoor veel vragen al vooraf beantwoord worden. Verwerkingen die een hoog
risico opleveren voor de bescherming van de persoonsgegevens van betrokkenen mogen alleen plaatsvinden als er een reglement is. In 2025 was er vooral aandacht voor analyse en advies. Het Team Digitale Verkenningen werkt veel met camera’s en startte in 2025 met hun werkzaamheden. Met hen is veel gesproken over de (U)AVG, en de werkprocessen zijn ingericht met het oog op privacy en het beperken van gegevensverwerking, waarbij de operationele behoefte toch ingevuld kon worden. In 2025 werden 29 datalekken gemeld. Daarvan bleek een aantal geen datalek te zijn, en een aantal viel onder de verwerkingsverantwoordelijkheid van andere organisaties. Geen datalekken werden bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) gemeld.
10.6 Huisvesting Met betrekking tot de bestuurlijke opdracht voor het wijzigen van de organisatie van de huisvesting heeft het algemeen bestuur in november 2023 het besluit genomen om een drietal scenario’s voor de organisatie van de huisvesting uit te laten werken door de VRU en de 26 gemeenten. Aan de basis van de uitwerking staan de eerder vastgestelde vier bestuurlijke uitgangspunten, waarbij geconstateerd is dat de huidige organisatie niet voldoet aan de uitgangspunten. Wat hebben we bereikt? Tijdens de bestuursdag is het algemeen bestuur in gesprek gegaan over de organisatie van de huisvesting. Daarbij stond de uitwerking van drie scenario's centraal, oplopend in de mate van collectieve sturing, uitvoering en eigendom. De afgelopen periode zijn de gemeenten op verschillende manieren betrokken bij het verder uitwerken van de rapportage ter voorbereiding op besluitvorming. In oktober is hiervoor een doorstart gemaakt met ambtelijke sessies met gemeenten. Diverse bijeenkomsten zijn georganiseerd om met elkaar in gesprek te zijn over het proces en de inhoudelijke uitwerking. Vervolgens heeft verdieping plaatsgevonden in inhoudelijke sessies op thema’s die door gemeenten zijn ingebracht Ook is het onderwerp op 30 oktober besproken in het plenair overleg met alle gemeentesecretarissen. De definitieve besluitvorming is voorzien in maart 2026.
10.7 Digitale veiligheid In 2025 is gestart met de implementatie en gelijktijdige doorontwikkeling van essentiële maatregelen om de digitale veiligheid op orde te brengen en te versterken. Daarmee is een belangrijke eerste stap gezet in het structureel verhogen van onze digitale weerbaarheid en de bescherming van onze continuïteit. Parallel hieraan is inzicht verkregen in waar de organisatie nu staat en welke opgave voor ons ligt. Hiervoor zijn een volwassenheidstoets, een cultuurscan naar cyberbewustzijn onder medewerkers en een integraal dreigingsbeeld opgesteld. Deze inzichten zijn aanvullend geanalyseerd in het licht van veranderende wet- en regelgeving, waaronder NIS2, BIO 2.0 en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (CBW). Uit deze analyses blijkt dat cyberdreiging een structureel en toenemend risico vormt, dat zich bovendien steeds vaker keten- en sectoroverstijgend manifesteert, terwijl het huidige volwassenheidsniveau ontoereikend is om deze dreiging beheerst het hoofd te bieden.
De uitgevoerde analyses vormen samen de onderbouwing voor een meerjarige veranderopgave op het gebied van digitale veiligheid. We zijn op de goede weg, maar tegelijkertijd is duidelijk dat verdere professionalisering en blijvende investeringen noodzakelijk zijn om te blijven voldoen aan wet- en regelgeving en om onze maatschappelijke opgave digitaal te kunnen blijven ondersteunen.
10.8 Toelichting op de rechtmatigheidsverantwoording Begrotingscriterium Ten aanzien van de baten, lasten en reserves zijn aan het einde van het boekjaar onder- en overschrijdingen geconstateerd. Deze afwijkingen zijn gedurende het jaar medegedeeld aan het algemeen bestuur en bij de jaarrekening gemeld. Volgens de financiële verordening dienen wij afwijkingen ten opzichte van de begroting tijdig te melden, zodat deze niet als onrechtmatig worden beschouwd. Melding bij de jaarrekening wordt in dit geval gezien als tijdige melding. De onder‑ en overschrijdingen van de baten en de onderschrijding van de lasten worden daarom niet als onrechtmatig aangemerkt en niet afzonderlijk opgenomen in de jaarrekening. Voorwaardencriterium In 2025 is voor ruim € 0,1 miljoen aan fouten geconstateerd bij de naleving van de Europese aanbestedingsregels. Dit heeft betrekking op één inhuurcontract waarbij kosten zijn gemaakt buiten het geldende contract. Het betreft inhuur van specialistische aard en wordt als een incident beschouwd. Misbruik en oneigenlijk gebruik Misbruik is het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen, dan wel geen of een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen.
Oneigenlijk gebruik is het door het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid. De VRU kent geen subsidies of uitkeringen en doet ook geen heffingen. Daarmee is vastgesteld dat binnen de VRU geen handelingen voorkomen die vallen onder het M&O-criterium.
11 Openbaarheid Sinds 1 mei 2022 is de Wet open overheid (‘Woo’) van kracht. De Woo is de opvolger van de Wob, en richt zich op actieve openbaarmaking van informatie (uit eigen beweging) en op passieve openbaarmaking van informatie (op verzoek). De Woo vraagt ook van overheidsorganisaties dat de informatiehuishouding ingericht is op het openbaar maken van de informatie die te maken heeft met het uitvoeren van de publieke taken. Actieve openbaarmaking De Woo kent 17 categorieën van informatie die een bestuursorgaan actief, dus zonder dat daarom verzocht wordt, openbaar moet maken. Dat zou moeten gebeuren via een centrale voorziening, maar omdat die bij de invoering van de Woo nog niet gereed was, werd besloten de openbaarmaking in delen verplicht te stellen. De eerste tranche trad op 1 november 2024 in werking en verplichtte bestuursorganen om de volgende categorieën documenten actief openbaar te maken: 1. Wetten en algemeen verbindende voorschriften Deze maakt de VRU openbaar via overheid.nl 2. Overige besluiten van algemene strekking Deze naakt de VRU openbaar via overheid.nl 3. Vergaderstukken van de Staten-Generaal Niet van toepassing voor de VRU 4. Documenten over organisatie en werkwijze Voor de VRU staan deze deels op overheid.nl en deels op www.vru.nl 5. Bereikbaarheidsgegevens Deze zijn ook te vinden op www.vru.nl.
Daarnaast publiceert de VRU besluiten op grond van de Woo-verzoeken op haar website www.vru.nl. In december 2025 werd besloten de tweede tranche van de wet, waarbij openbaarmaking van weer nieuwe informatie categorieën verplicht zou worden gesteld, uit te stellen. Dit omdat de centrale voorziening voor openbaarmaking nog niet gereed is. Eind februari 2026 wordt hier meer duidelijkheid over verwacht. De VRU blijft het nieuws hierover volgen, zodat zij er tijdig van op de hoogte is als er nieuwe informatie- categorieën worden toegevoegd en de centrale voorziening voor het openbaar maken van informatie beschikbaar is. Passieve openbaarmaking (op verzoek) In 2025 behandelde de VRU diverse verzoeken tot openbaarmaking van informatie. De VRU constateerde in het afgelopen jaar een toename van dergelijke verzoeken ten opzichte van vorig jaar. Deze toename heeft er een enkele keer toe geleid dat een Woo-verzoek ter behandeling werd voorgelegd aan een extern bureau, maar ook dat kon niet altijd voorkomen dat de doorlooptijd van de verzoeken soms langer werd dan de wet voorschrijft.
De VRU is bezig te onderzoeken of er (technische) hulpmiddelen kunnen worden ingezet om de Woo-verzoeken zo efficiënt mogelijk af te handelen. Door de toename van Woo-verzoeken is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen een prioriteit. In 2025 zijn er twee beroepszaken naar aanleiding van een Woo-verzoek behandeld door de rechter. In een zaak is een tussenvonnis gewezen en moet de definitieve uitspraak nog volgen. De andere zaak werd in het voordeel van de VRU besloten: de rechter oordeelde dat de VRU terecht bepaalde informatie in op verzoek openbaar gemakte documenten had weggelakt. Beleidsvoornemen: informatiehuishouding op orde De VRU blijft werken aan het op orde brengen en houden van de informatiehuishouding en aan digitale toegankelijkheid. Er zijn nu nog fysieke archieven, maar de VRU werkt toe naar een volledig digitaal archief in 2033.
12 Verbonden partijen 12.1 Overige partijen Hieronder is een overzicht opgenomen van derde rechtspersonen waarin wij een bestuurlijk en/of financieel belang hebben. 12.1.1 De Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio's (WVSV) De Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio's is sinds 1 januari 2022 de werkgeversvereniging van de 25 veiligheidsregio’s die met de werknemersorganisaties op landelijk niveau tot afspraken komt over arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers van de veiligheidsregio’s (met uitzondering van het personeel dat onder een eigen cao valt bijvoorbeeld cao Ambulancezorg). Belang De WVSV maakt namens haar leden afspraken met de vakbonden over collectieve arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de veiligheidsregio’s. Deze afspraken worden vastgelegd in de “CAR(-UWO) Veiligheidsregio’s” (voorheen CAR-UWO). Met het vaststellen van de begrotingen voor 2025 heeft de Algemene Vergadering ook het contributiebedrag voor 2025 vastgesteld. Statutair is bepaald dat het lidmaatschap van de veiligheidsregio’s op gelijkwaardige basis plaatsvindt en dat elke veiligheidsregio 1/25ste van het saldo van de begroting bijdraagt.
Financiële informatie Eigen en vreemd vermogen voor bestemming 2025: nog niet bekend Jaarresultaat 2025: nog niet bekend 12.1.2 Stichting Risicobeheer Veiligheidsregio’s en Stichting Waarborgfonds Veiligheidsregio’s De stichtingen, het Expertisebureau Risicobeheer en het Waarborgfonds Veiligheidsregio’s zijn met instemming van alle 25 veiligheidsregio’s opgericht in 2022 en 2023. Per 1 januari 2024 zijn de stichtingen operationeel. Belang Het doel van de stichtingen is een bijdrage te leveren aan het ‘goed werkgeverschap’ van de veiligheidsregio’s als hun medewerkers onverhoopt te maken krijgen met een dienstongeval. Hieraan wordt invulling gegeven door te ondersteunen bij de uitvoering en financiering van de Landelijke regeling aanspraken na dienstongevallen (LRD). De LRD is een regeling die in overleg binnen de veiligheidsregio’s en de vakbonden tot stand is gekomen en per 1 januari 2024 in werking is getreden. Governance Het Expertisebureau Risicobeheer beschikt over een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Tevens staat het Expertisebureau onder toezicht van een Raad van Advies, bestaande uit algemeen directeuren/commandanten en directeuren bedrijfsvoering van de veiligheidsregio’s.
Het Waarborgfonds is vrijgesteld van toezicht door De Nederlandsche Bank (DNB) onder de voorwaarde dat een Raad van Toezicht wordt geïnstalleerd. De Raad van Toezicht is ingesteld en voorziet in de noodzakelijke specifieke deskundigheid die daarmee in het Waarborgfonds is geborgd. Daarnaast zijn er beperkingen gesteld aan de financiële omvang van het fonds. Financiële informatie De 25 veiligheidsregio’s dragen gezamenlijk zorg voor de financiering van de LRD. Dit geschiedt door deelname aan beide stichtingen. Het Waarborgfonds geeft dekking voor aanspraken voor zover deze niet verzekerd zijn. Een deel van de aanspraken is nog verzekerd via een collectieve ongevallenpolis. De kosten van het Expertisebureau Risicobeheer en de inleg in het Waarborgfonds worden betaald uit de premies die de veiligheidsregio’s eerder betaalden voor hun ongevallenverzekering. Het Waarborgfonds heeft als doel om binnen 5 jaar een reserve aan te leggen van € 5 miljoen. Hiermee is er voldoende financiële zekerheid voor de toekomst. In het eerste jaar (2024) heeft het Waarborgfonds een reserve opgebouwd van ruim € 3 miljoen euro. Daarnaast is gewerkt aan het inrichten van de schadeafhandeling en bedrijfsvoering van de stichting ERVRS en het Waarborgfonds.
Jaarrekening 2025
1 Grondslagen voor de waardering en resultaatbepaling De jaarrekening is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) daarvoor geeft.
1.1
Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden. De jaarrekening wordt opgesteld op basis van de continuïteitsveronderstelling. De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en lasten worden slechts genomen voor zo ver zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende, arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en overlopende verlofaanspraken. 1.1.1
Vaste activa
1.1.1.1 Materiële vaste activa De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verminderd met de afschrijvingen en eventuele bijdragen van derden in de kosten van dit actief. Ten aanzien van de investering en afschrijving worden de bepalingen en termijnen toegepast zoals deze zijn vastgelegd in de nota activabeleid VRU. 1.1.1.2 Financiële vaste activa Leningen u/g zijn opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht. 1.1.2
Vlottende activa
1.1.2.1 Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid van de vorderingen wordt een voorziening in mindering gebracht. Deze voorziening wordt statisch bepaald op basis van de geschatte inningskansen.
1.1.3
Vaste passiva
1.1.3.1 Voorzieningen Jaarlijks wordt op basis van bestaande afspraken vastgesteld of de voorzieningen nog toereikend zijn om aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De voorzieningen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. 1.1.3.2 Langlopende schulden Langlopende schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. De langlopende schulden hebben een rente typische looptijd van één jaar of langer. 1.1.4
Vlottende passiva
1.1.4.1 Netto-vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan één jaar De schulden worden gewaardeerd tegen nominale waarde. 1.1.4.2 Overlopende passiva De overlopende passiva worden opgenomen tegen nominale waarde. 1.1.5
Resultaatbepaling
1.1.5.1 Algemeen De baten en de lasten worden toegerekend aan het jaar, waarop zij betrekking hebben. De lasten zijn bepaald met inachtneming van de hierboven vermelde waarderingsgrondslagen en toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben. Baten zijn verantwoord in het jaar waarin de diensten zijn verricht. Verliezen zijn in aanmerking genomen in het jaar waarin ze voorzienbaar zijn. 1.1.5.2 Kapitaallasten De geactiveerde investeringen worden afgeschreven met de lineaire afschrijvingsmethode met de daarbij behorende afschrijvingstermijnen. Hierbij wordt de restwaarde bij de bepaling van de afschrijvingsbedragen op nihil gesteld. Van de activa die in de loop van het jaar 2024 in gebruik zijn genomen, wordt vanaf januari 2025 gestart met afschrijven. Aan de geactiveerde investeringen is een rekenrente van 2,25% toegerekend. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari en jaarlijks ten laste van de exploitatie gebracht. De hoogte van de interne rekenrente wordt bij begroting vastgesteld. 1.1.5.3 Lasten FLO-overgangsrecht Op 1 januari 2006 is het Functioneel leeftijdsontslag (FLO) afgeschaft. Voor medewerkers die nog niet met FLO waren, maar wel onder deze regeling vielen, is landelijk het zogeheten FLOovergangsrecht afgesproken. De kosten voor het FLO-overgangsrecht maken onderdeel uit van het gezamenlijke basistakenpakket.
De begroting van de VRU bevat een structurele post voor de lasten voor het FLO-overgangsrecht. Schommelingen in de begroting worden zoveel mogelijk geëgaliseerd via de bestemmingsreserve FLO-overgangsrecht. Afwijkingen ten aanzien van de realisatie worden toegelicht in de jaarrekening.
Jaarlijks wordt de meerjarenraming voor de lasten voor het FLO-overgangsrecht herijkt. Hierbij wordt getoetst of de beschikbare middelen (in meerjarig perspectief) toereikend zijn. Als ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, wordt de begroting (en de daarin opgenomen bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket) bijgesteld, zodat de VRU te allen tijde aan haar verplichtingen kan (blijven) voldoen.
2
Grondslagen voor de rechtmatigheid
2.1
Grondslagen van de rechtmatigheidsverantwoording
Algemene grondslagen voor de rechtmatigheidsverantwoording De in de jaarrekening opgenomen rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld op basis van de kaders zoals besloten in de financiële verordening en op basis van de kadernota rechtmatigheid van de Commissie BBV van september 2025. Dat betekent dat: De rechtmatigheidsverantwoording toeziet op de financiële rechtmatigheid van baten, lasten en balansmutaties; ▪ De financiële rechtmatigheid waaronder het voorwaardencriterium, het begrotingscriterium en het misbruik & oneigenlijk gebruik criterium omvat: ▪ Voor het voorwaardencriterium bestaat de norm uit het normenkader zoals op 1 december 2025 door het algemeen bestuur is vastgesteld; ▪ Voor het begrotingscriterium geldt dat alle overschrijdingen van lasten en investeringskredieten onrechtmatig zijn, waarbij voor een aantal scenario’s in de financiële verordening is beschreven wanneer deze overschrijdingen acceptabel zijn. Voor over- en onderscheidingen van baten, onderschrijdingen van lasten en onderschrijdingen van investeringskredieten geldt dat deze als onrechtmatig zijn aangemerkt indien ze niet tijdig aan het algemeen bestuur zijn gemeld. ▪ Ten aanzien van het M&O criterium is binnen de Veiligheidsregio Utrecht vooralsnog geen nota M&O beleid opgesteld.
Omdat alleen bij misbruik sprake is van een onrechtmatigheid zijn eventuele gevallen van misbruik (mits cumulatief met andere fouten of onduidelijkheden boven de verantwoordingsgrens) opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. ▪
De rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld binnen de kaders van de kadernota rechtmatigheid 2025 van de Commissie BBV, alsmede onze eigen financiële verordening. Dit betekent dat: Een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de Veiligheidsregio Utrecht exclusief de dotaties aan de reserves (zijnde € 2,69 miljoen) is gehanteerd waarboven cumulatieve fouten en onduidelijkheden in de rechtmatigheidsverantwoording worden opgenomen; ▪ Een rapporteringstolerantie van € 100.000 is gehanteerd waarboven fouten en onduidelijkheden in de paragraaf bedrijfsvoering worden opgenomen. ▪
3
Overzicht van baten en lasten
3.1
Overzicht van baten en lasten naar categorie
Tabel 24 Overzicht van baten en lasten naar categorie x € 1.000
Begroting
Realisatie
Resultaat
Lasten Personele kosten Kapitaallasten Materiële kosten Totale lasten
107.793 8.726 20.108 136.627
105.624 8.721 20.330 134.674
2.170 5 -222 1.953
-174 5 722 553
2.343 -944 1.399
-397 -397
1.946 -944 1.002
Baten Bijdragen en vergoedingen gemeenten Rijksbijdrage Overige baten Totale baten
103.782 16.455 16.842 137.079
103.998 16.881 17.850 138.729
216 426 1.008 1.650
202 115 -15 303
14 310 1.023 1.348
-310 -702 -1.012
14 322 336
4.998 4.547 -452
4.561 3.253 -1.308
438 -1.294 -1.731
438 -1.294 -856
-
-
-
0
2.747
2.747
-0
Storting reserves Onttrekking reserves Totaal reserves Eindtotaal
Saldoneutrale Resultaat na Incidentele afwijking correctie baten
Reële resultaat
-
-
-
2.747
1.409
1.338
Het jaar 2025 sluit met een positief resultaat voor bestemming van € 2,75 miljoen (circa 2,04% van de begroting). Een deel van de afwijkingen ontstaat door incidentele baten, welke ontstaan zijn in Q4 2025 en Q1 2026 (CAO). Het reële resultaat 2025 is € 1,34 miljoen (1 % van de begroting). Tabel 25 Toelichting resultaat 2025
Een deel van de afwijkingen op de verschillende categorieën is technisch van aard en aan elkaar gerelateerd. Per saldo zorgen deze afwijkingen niet voor een resultaateffect. Deze saldo-neutrale afwijkingen zijn apart inzichtelijk gemaakt om vervolgens inzicht te geven in de gecorrigeerde afwijkingen die leiden tot het gerealiseerde rekeningresultaat.
3.2 3.2.1
Toelichting op het overzicht van baten en lasten naar categorie Categorie L1 – Personele lasten
Tabel 26 Personele lasten
1 t/m 8. Saldo-neutrale afwijkingen: Minder kosten inhuur voor het programma Veerkracht, het project Natuurbrandbeheersing, Digitale Veiligheid en de crisisprojecten. 9. Uitwerking CAO € 397K: dit is het gevolg van de uitwerking van de CAO 2025/2026 die in 2026 formeel wordt vastgesteld. 10. Vacatures en inzetvergoedingen € 700K: Door vacatures en inzetvergoedingen is sprake van minder salariskosten. Dit betreft een nadeel op de kosten voor vrijwilligers en piketfunctionarissen door meer brandweer uitrukken en een voordeel door vacatureruimte. 11. Inhuur € 472K: Voor de projecten vooral op het gebied van ondersteuning, bedrijfsvoering en versterking crisisbeheersing zijn minder kosten gemaakt voor inhuur. Een deel van deze onderschrijding is gerelateerd aan de overschrijding van materiele lasten. 12. Overige vergoedingen en salariskosten 463K: Door lagere kosten voor meerdere personeel gerelateerde kosten, zoals personeelsverzekeringen, kopen verlofuren door personeel, ontvangen uitkeringen, reiskosten e.d. ontstaat een voordeel van € 0,46 miljoen. 13. Vakbekwaamheid € 310K: Voor het trainen en oefenen van operationeel personeel is sprake van een incidentele onderschrijding van € 0,2 miljoen door minder personele capaciteit in verband met andere crisistaken. De opleidingen van kantoorpersoneel en operationeel personeel zijn € 0,1 miljoen lager.
3.2.2
Categorie L2- Kapitaallasten
Tabel 27 Kapitaallasten
3.2.3
Categorie L3 – Materiële lasten
Tabel 28 Materiële lasten
1 t/m 7. Saldo-neutrale afwijkingen: Dit betreft lagere kosten voor de crisisnoodopvang, vertraging in werkzaamheden waardoor materiele kosten lager zijn (emblemen, innovatie, pilots, werkplaats). De Vergoeding beheerpakketten betreft de verrekening van de huisvestingskosten. Per saldo heeft bovenstaande geen effect op het resultaat. 8. ICT Middelen € -231K: Dit betreft een structurele overschrijding in verband met hogere licentiekosten voor kantoorautomatisering. 9. Exploitatie voertuigen en operationeel materiaal € -534K: Dit betreft de meerkosten voor het onderhoud en huur van voertuigen (€ 200K). Door het grote aantal grote branden zijn de kosten voor brandweerinzet € 86K hoger. Voor het onderhoud en keuren van operationele materialen is de afwijking € 250K, wat voornamelijk ontstaat door de vertraging in de investering van verbindingsmiddelen. 10. Overige afwijkingen € -179K: De hogere overige kosten betreffen onder andere de buitengewone lasten in verband met een inbraak in een brandweerpost.
3.2.4
Categorie B1 – Bijdrage en vergoedingen gemeenten
Tabel 29 Bijdrage en vergoedingen gemeenten
1. Vergoeding beheerpakketten € 202K: dit betreft de verrekening van de huisvestingskosten, per saldo geen resultaateffect. 3.2.5
Categorie B2 - Rijksbijdrage
Tabel 30 Rijksbijdrage
De hogere rijksbijdrage ontstaat door: 1. Een extra rijksbijdrage voor het programma Veerkracht. 2. De afrekening van een eenjarige subsidie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de kernbezetting en flexibele schil voor de huidige crisistaken. 3. Een hogere vergoeding van het Rijk in verband met loon- en prijsaanpassingen ten opzichte van het bedrag waar in de begroting rekening mee is gehouden. 3.2.6
Categorie B3 – Overige baten
Tabel 31 Overige baten
De hogere overige baten worden veroorzaakt door: 1. Minder opbrengsten overheadvergoeding Crisistaken in verband met een wijziging in de financiering van deze taak. 2. Meer subsidies van het Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid (€ 433K) voor het project Mdieu.
3. De VRU heeft in 2025 een claim ingediend voor de afwikkeling van de ondervonden nadelen uit het dieselschandaal (€ 269K), naar verwachting worden deze baten in 2026 toegekend. 4. Overige afwijkingen zijn opbrengsten uit verkoop activa, meer renteopbrengsten, meer doorbelasting van kosten voor de Meldkamer Midden Nederland en meerdere kleinere ontvangsten en subsidies. 3.2.7
Categorie R1 – Stortingen reserves
Tabel 32 Storting reserves
1. De lagere storting FLO betreft de dotatie van het saldo van de lagere lasten FLO 2. De hogere storting 2e loopbaan betreft de dotatie van het saldo van de lagere lasten 3. De hogere storting kapitaallasten reserve: conform het activabeleid wordt de gerealiseerde boekwinst op verkochte activa gedoteerd aan de egalisatieserve kapitaallasten. De overige afwijking betreft de dotatie van het positieve saldo van de lagere kapitaallasten. Per saldo leidt dit niet tot een resultaateffect. 4. De lagere dotatie aan de reserve incidentele crisistaken betreft minder kosten inhuur en materiële kosten, waardoor een lagere rijksbijdrage en incidentele overheadvergoeding wordt ontvangen. Daarnaast is de financiering van de incidentele crisistaken gewijzigd. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect 3.2.8
Categorie R2 – Onttrekkingen reserves
Tabel 33 Onttrekking reserves Nr
Categorie R2 - Onttrekking reserves
1 Lagere onttrekking Ontwikkel- en egalisatiereserve 2 Lagere onttrekking Kapitaallasten reserve 3 Lagere onttrekking Reserve incidentele crisistaken Totaal categorie R2
Afwijking Structureel/ incidenteel -890 Saldoneutraal -56 Saldoneutraal -348 Saldoneutraal
Relatie met
L1, L3, B2, R2 B3, L3, R1, R2 L1, L3, B2, B3, R1, R2
-1.294
De lagere onttrekkingen uit de reserves betreffen: 1. Voor de ontwikkel- en egalisatiereserve betreft dit onder andere doorgeschoven activiteiten in het programma Veerkracht, de projecten gebiedsgerichte aanpak Natuurbrandbeheersing en digitale veiligheid. Dit programma en deze projecten worden in 2026 voortgezet. 2. Voor de kapitaallasten reserve betreft dit een vertraging op investeringen. De investeringen worden in 2026 afgerond. 3. De lagere onttrekking uit de reserve incidentele crisistaken ontstaat omdat de kernbezetting en flexibele schil ten behoeve van de crisistaken, na het vaststellen van de
begroting, gefinancierd worden door subsidies van verschillende ministeries. Hierdoor is de onttrekking uit de reserve niet noodzakelijk.
3.3
Overzicht van baten en lasten in de jaarrekening 2025
Tabel 34 Overzicht baten en lasten
4
Balans
4.1
Balans ultimo boekjaar
Tabel 35 Balans per 31 december
4.2
Toelichting op de balans
4.2.1 Materiële vaste activa De VRU heeft uitsluitend investeringen met een economisch nut. De volgende tabel geeft het verloop van de boekwaarde van de materiële vaste activa weer. Tabel 36 Materiële vaste activa
De volgende tabel geeft inzicht in de gerealiseerde investeringen € 7.163K ten opzichte van de geactualiseerde begroting € 21.091K. Tabel 37 Investeringen
Het verschil tussen de begroting en de gerealiseerde investeringen wordt voor het grootste deel veroorzaakt door het doorschuiven van (het gereedkomen van) de investeringen. Ten aanzien van deze investeringen is al wel een deel uitgegeven (activa in uitvoering ultimo 2025 bedraagt € 2.032K). 4.2.2
Financiële vaste activa
Tabel 38 Financiële vaste activa
De financiële vaste activa betreft voor de regionalisering verstrekte hypotheken aan personeelsleden die toen in dienst waren van de gemeente. Er worden door de veiligheidsregio geen nieuwe leningen verstrekt. In 2025 werd € 0,2K aan rente ontvangen. 4.2.3 Uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan 1 jaar In de volgende tabel is een nadere specificatie opgenomen van de uitzettingen met een looptijd van één jaar of minder. Tabel 39 Uitzettingen korter dan één jaar
De uitzetting in ’s Rijksschatkist is hoger dan ultimo 2024, doordat in 2025 geen lening is afgesloten voor leningen in tegenstelling tot voorgaand jaar. De regeling schatkistbankieren decentrale overheden geeft de VRU de mogelijkheid om een percentage van het begrotingstotaal aan geldmiddelen buiten ’s Rijksschatkist aan te houden. De volgende tabel toont dat de VRU aan deze bepaling heeft voldaan in 2025. Tabel 40 Regeling schatkistbankieren
4.2.4 Liquide middelen Het saldo van de liquide middelen betreft uitsluitend het saldo van de rekening-courant verhouding met de BNG Bank. Deze middelen staan ter vrije beschikking van de VRU. Tabel 41 Liquide middelen
4.2.5
Overlopende activa
Tabel 42 Overlopende activa
De nog te ontvangen bedragen van de COA hebben betrekking op de voorgeschoten kosten voor de opvang vluchtelingen. Deze kosten worden vergoed door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. De overige nog te ontvangen bedragen hebben voornamelijk betrekking op de doorbelasting van de gemeenschappelijke Meldkamer Midden-Nederland, die worden vergoed door VR Flevoland en VR Gooi & Vechtstreek en subsidieopbrengsten Mdieu. 4.2.6
Eigen vermogen
Tabel 43 Eigen vermogen
Hierna worden de mutaties per reserve toegelicht. De bestemming van het rekeningresultaat over 2025 is verwerkt conform het besluit van het algemeen bestuur. Bedrijfsvoeringreserve Door het aanhouden van een reserve is de VRU in staat om een deel van de risico’s op te vangen, zonder dat dit direct afgewenteld hoeft te worden op de gemeenten. De schommelingen die optreden worden opgevangen met deze reserve. De omvang van de bedrijfsvoeringreserve (weerstandvermogen) is minimaal gelijk aan de op basis benodigde weerstandscapaciteit (zie paragraaf 7.2 van het jaarverslag). De bedrijfsvoeringreserve valt met 1,01% van het begrotingsvolume binnen de afgesproken bandbreedte (1% ‐ 2%).
Egalisatiereserve kapitaallasten Via het meerjarig investeringsplan wordt gestuurd op een meerjarig evenwicht tussen de begrote en gerealiseerde kapitaallasten (afschrijving en rente). Om de kosten van afschrijving en rente over de jaren te egaliseren wordt gebruik gemaakt van een egalisatiereserve. Tekorten op de kapitaallasten worden aan deze reserve onttrokken. Overschotten worden aan deze reserve gedoteerd. Boekwinst (opbrengst activa) of –verlies (versnelde afschrijving) bij afstoten van activa wordt ten gunste of ten laste van de exploitatie gebracht en vervolgens via een dotatie/onttrekking gemuteerd in de reserve egalisatie kapitaallasten. Egalisatiereserve lasten FLO‐overgangsrecht De reserve ‘lasten FLO‐overgangsrecht’ wordt ingezet om de kosten voor het FLO‐overgangsrecht meerjarig te kunnen egaliseren. Hiermee wordt een (structurele of incidentele) stijging van de gemeentelijke bijdrage voorkomen en ontstaat een beperkte buffer om fluctuaties die het gevolg zijn van de afspraken in het FLO‐overgangsrecht in meerjarig perspectief op te vangen. Egalisatiereserve tweede loopbaan Vanwege het wegvallen van het FLO voor repressief brandweerpersoneel is tweede loopbaanbeleid geïntroduceerd. Om hieraan uitvoering te kunnen gaan geven, is de egalisatiereserve tweede loopbaan gevormd.
Jaarlijks wordt een storting gedaan om de kosten voor onder andere om‐/bijscholing en vervanging te dekken. In 2025 is hierin een bedrag gestort van € 94K. De werkelijke kosten voor tweede loopbaanbeleid fluctueren en worden jaarlijks aan deze reserve onttrokken. Ontwikkel‐ en egalisatiereserve Het doel van de ontwikkel‐ en egalisatiereserve is het vermijden van incidentele verhogingen of teruggaven van de gemeentelijke bijdragen. Dit leidt tot financiële stabiliteit in de begroting van de VRU en de bijdrage van de gemeenten. De middelen uit de reserve zijn bestemd voor: Het mogelijk maken van incidentele/projectmatige (beleids)activiteiten om de beleidsdoelstellingen uit het beleidsplan of structurele efficiencyvoordelen te realiseren; ▪ Het dekken van incidentele kosten die voortvloeien uit exogene factoren. Bestemmingsreserve meldkamer De Meldkamer Midden‐Nederland is in 2025 in gebruik genomen worden. Middels deze reserve worden de door het rijk en de Nationale Politie toegekende middelen ingezet als dekking voor de project‐ en frictiekosten. Bestemmingreserve incidentele crisistaken Het doel van de bestemmingsreserve is het in stand houden van een kernbezetting, om de onvoorspelbaarheid en flexibiliteit van crises te waarborgen.
Deze kernbezetting zorgt ervoor dat waardevolle kennis, vaardigheden en ervaring die de afgelopen jaren binnen de VRU zijn opgebouwd, behouden blijven.
4.2.7
Voorzieningen
Tabel 44 Voorzieningen
In 2025 zijn op basis van de regeling verlofsparen bovenwettelijke verlofuren opgenomen en gespaard. De financiële waarde van de gespaarde verlofuren zijn toegevoegd- en de opgenomen verlofuren zijn onttrokken aan de voorziening. Het financiële effect is per saldo € 283K. Medewerkers die gebruik maken van de Regeling Vervroegd Uittreden ontvangen een maandelijks bedrag tot zij de AOW-leeftijd bereiken. Een aantal medewerkers maakt gebruik van deze regeling. De hieruit voortvloeiden verplichting voor 2026 en verder bedraagt € 78K. Hiervoor is geen (structureel) budget opgenomen in de begroting. *€ 105K heeft een kortlopend karakter en zal in 2026 worden uitgekeerd.
4.2.8
Vaste schulden met een rente typische looptijd korter dan 1 jaar
Tabel 45 Vaste schulden langer dan één jaar
De langlopende schulden worden hoofdzakelijk gebruikt voor de financiering van de vaste activa. 4.2.9 Netto-vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan één jaar De in de balans opgenomen netto-vlottende schulden met een rente typische periode korter dan 1 jaar, bestaat uitsluitend uit het crediteurensaldo. Tabel 46 Vlottende schulden korter dan één jaar
4.2.10
Overlopende passiva
Tabel 47 Overlopende passiva
Nog te betalen bedragen Deze post bestaat voornamelijk uit de nog te betalen vrijwilligersvergoedingen van de maanden november en december 2025.
4.3
Waarborg en garanties
In 2021 is een bankgarantie verstrekt van € 56K met betrekking tot de huur van de nieuwe ademluchtbescherming-werkplaats in Houten. De bankgarantie loopt tot en met 2037.
4.4
Niet in de balans opgenomen verplichtingen
Tabel 48 Niet in de balans opgenomen verplichtingen
Huurverplichtingen
Ons hoofdkantoor aan de Archimedeslaan in Utrecht is contractueel tot juli 2026 gevestigd in het Huis van de Provincie te Utrecht. De jaarlijkse huur‐ en servicekosten bedragen € 532K (prijspeil 2025). Vanaf medio 2022 wordt voor 15 jaar een pand in Houten gehuurd waarin de adembeschermingswerkplaats wordt gevestigd. De huur bedraagt € 242K per jaar (prijspeil 2025). Verplichtingen investeringen In het overzicht zijn grote investeringen opgenomen die reeds zijn besteld, maar waarvan de levering nog moet plaatsvinden. Niet opgenomen verlofdagen Ten aanzien van de verlofdagen zijn uitsluitend de feitelijke jaarlasten in de rekening opgenomen. Ultimo 2025 is een totaal openstaand verlofsaldo van 73.904 uur aanwezig, dit is gemiddeld 106,2 uur per FTE. Eind 2024 was het totaal openstaand verlofsaldo 81.989 uur, dit is gemiddeld 120,7 uur per FTE
4.5
Gebeurtenissen na balansdatum
Er is geen sprake van gebeurtenissen na balansdatum met een materiële impact op de jaarrekening 2025.
5
Wet normering topinkomens (WNT)
5.1
Bezoldiging topfunctionarissen 2025
Tabel 49 Bezoldiging topfunctionarissen
5.2
Onbezoldigde topfunctionarissen
Tabel 50 Toezichthoudende topfunctionarissen
6
Single Information Single Audit (SISA)
Figuur 9 Single Information Single Audit
7
Rechtmatigheidsverantwoording
Verantwoordelijkheid dagelijks bestuur De baten en lasten alsmede de balansmutaties moeten getrouw in de jaarrekening worden opgenomen. Uit het getrouw opnemen van de baten en lasten alsmede de balansmutaties, blijken een drietal rechtmatigheidscriteria niet expliciet. Dit betreffen het begrotings‐, voorwaarden‐, en misbruik‐ en oneigenlijk gebruik criterium. In deze rechtmatigheidsverantwoording licht het dagelijks bestuur toe in hoeverre bij de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten, alsmede de balansmutaties het begrotings‐, voorwaarden‐, en misbruik‐ en oneigenlijk gebruik criterium zijn nageleefd. Dit houdt in dat de verantwoorde baten en lasten, alsmede de balansmutaties in overeenstemming zijn met door het algemeen bestuur vastgestelde kaders zoals de begroting en verordeningen en met bepalingen in de relevante wet‐ en regelgeving. Bij de waarderingsgrondslagen in de jaarrekening is het door het algemeen bestuur op 1 december 2025 vastgestelde normenkader van de relevante wet‐ en regelgeving verder toegelicht. Deze verantwoording hanteert een grensbedrag omdat alleen de van belang zijnde aspecten in de verantwoording hoeven te worden betrokken. Deze grens is door het algemeen bestuur bepaald en bedraagt 2% van de totale lasten exclusief toevoegingen aan de reserves en is daarmee vastgesteld op € 2,69 miljoen.
De grondslag voor deze verantwoording is de Kadernota Rechtmatigheid 2025 van de Commissie BBV van september 2025. Conclusie Het dagelijks bestuur is van mening dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten en lasten alsmede de balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen binnen de daarvoor gestelde grens
76
8 Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
77
9 Bijlage 1 – Gemeentelijke bijdrage en vergoedingen Tabel 51 Gemeentelijke bijdragen en vergoedingen 2025
De afwijkingen hebben uitsluitend betrekking op de vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket.
78
10 Bijlage 2 – Teruggave aan gemeente Tabel 52 Teruggave aan gemeente
79
11 Bijlage 3 – Gerealiseerde baten en lasten per taakveld Tabel 533 Gerealiseerde baten en lasten per taakveld
80
12 Bijlage 4 – Overzicht samenwerking Meldkamer Midden Nederland Volgt
81
Colofon Dit is een uitgave van Veiligheidsregio Utrecht
9 april 2026
82