Bijlage A - Voorlopige jaarstukken VRU 2025
Tekst van het document
Jaarstukken VRU 2025 Verslag & rekening Algemeen bestuur (vastgesteld 30 maart 2026)
V R U punt N L
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2
Financiële samenvatting Samenvatting toelichting jaarrekeningresultaat Voorstel bestemming jaarrekeningresultaat
7 7 9
Jaarverslag 2025
10
Programmaverantwoording
11
2 Brandweer Toekomstbestendige brandweerzorg 2.1 Wat wilden we bereiken? 2.2 Wat hebben we ervoor gedaan? 2.3 Productie-indicatoren Brandweer 2.4 Prestatie-indicatoren Brandweer
12 12 12 12 14 14
3 Risicobeheersing Veilige en gezonde leefomgeving 3.1 Wat wilden we bereiken? 3.2 Wat hebben we ervoor gedaan? 3.3 Productie-indicatoren Risicobeheersing 3.4 Prestatie-indicatoren Risicobeheersing
15 15 15 15 18 18
4 Crisisbeheersing en GHOR Versterking crisisbeheersing 4.1 Wat wilden we bereiken? 4.2 Wat hebben we ervoor gedaan? 4.3 Productie-indicatoren Crisisbeheersing en GHOR
19 19 19 19 23
5 5.1 5.2 5.3
Meldkamer Midden-Nederland Wat wilden we bereiken? Wat hebben we ervoor gedaan? Productie-indicatoren Meldkamer Midden-Nederland
24 24 24 25
6 6.1 6.2 6.3
Ondersteuning Algemene kosten en dekkingsmiddelen Overhead Great place to work
26 26 26 27
6.4 6.5
Sturen op basis van informatie (voorheen informatieknooppunt) Onvoorzien
27 28
Paragrafen
29
7 7.1 7.2
Weerstandsvermogen en risicobeheersing Weerstandscapaciteit Benodigde weerstandscapaciteit 7.2.1 Omgevingswet 7.2.2 Vrijwilligheid brandweerpersoneel 7.2.3 Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel (OVO’s) 7.2.4 Milieurisico PFAS 7.2.5 Vitaalverklaring veiligheidsregio’s 7.2.6 Indexeringssystematiek 7.2.7 Overige onvoorziene exploitatierisico’s Kengetallen 7.3.1 Netto schuldquote 7.3.2 Solvabiliteitsratio 7.3.3 Structurele exploitatieruimte
30 30 30 31 31 32 33 34 34 35 35 35 35 36
Onderhoud kapitaalgoederen Activeren en afschrijven 8.1.1 Investeringen in gebouwen 8.1.2 Investeringen in overige kapitaalgoederen Onderhoud 8.2.1 Onderhoud gebouwen en installaties 8.2.2 Onderhoud materieel
37 37 37 37 37 37 37
9 9.1 9.2 9.3 9.4
Financiering Kasgeldlimiet Renterisiconorm Renteschema EMU-saldo
38 38 39 39 39
10 10.1
Bedrijfsvoering Personeel 10.1.1 Organisatiestructuur 10.1.2 Organisatieontwikkeling 10.1.3 Formatie en bezetting in fte 10.1.4 Aantal medewerkers en diversiteit
40 40 40 41 41 42
7.3
8 8.1
8.2
10.2 10.3 10.4 10.5 10.6 10.7 10.8
10.1.5 Aantal vrijwilligers Tabel 20 Vrijwilligers 10.1.6 Jeugdbrandweer 10.1.7 Wet banenafspraak 10.1.8 Diversiteit 10.1.9 Verzuim 10.1.10 Stagiairs 10.1.11 Klussenbank 10.1.12 Geestelijke verzorging 10.1.13 Melden van Onveilige Situaties en (bijna) Ongevallen (OSIO) Inhuur Beleidsindicatoren Duurzaamheid Privacy Huisvesting Digitale veiligheid Toelichting op de rechtmatigheidsverantwoording
42 42 42 43 44 45 45 45 45 46 47 47 47 48 48 49
11
Openbaarheid
50
12 12.1
Verbonden partijen Overige partijen 12.1.1 De Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio's (WVSV) 12.1.2 Stichting Risicobeheer Veiligheidsregio’s en Stichting Waarborgfonds Veiligheidsregio’s
52 52 52 52
Jaarrekening 2025
54
1 1.1
Grondslagen voor de waardering en resultaatbepaling Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening 1.1.1 Vaste activa 1.1.2 Vlottende activa 1.1.3 Vaste passiva 1.1.4 Vlottende passiva 1.1.5 Resultaatbepaling
55 55 55 55 56 56 56
2 2.1
Grondslagen voor de rechtmatigheid Grondslagen van de rechtmatigheidsverantwoording
58 58
3 3.1
Overzicht van baten en lasten Overzicht van baten en lasten naar categorie
59 59
3.2
Toelichting op het overzicht van baten en lasten naar categorie 3.2.1 Categorie L1 – Personele lasten 3.2.2 Categorie L2- Kapitaallasten 3.2.3 Categorie L3 – Materiële lasten 3.2.4 Categorie B1 – Bijdrage en vergoedingen gemeenten 3.2.5 Categorie B2 - Rijksbijdrage 3.2.6 Categorie B3 – Overige baten 3.2.7 Categorie R1 – Stortingen reserves 3.2.8 Categorie R2 – Onttrekkingen reserves Overzicht van baten en lasten in de jaarrekening 2025
60 60 61 61 62 62 62 63 63 64 65 65 66 66 66 67 67 68 68 70 70
4.3 4.4 4.5
Balans Balans ultimo boekjaar Toelichting op de balans 4.2.1 Materiële vaste activa 4.2.2 Financiële vaste activa 4.2.3 Uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan 1 jaar 4.2.4 Liquide middelen 4.2.5 Overlopende activa 4.2.6 Eigen vermogen 4.2.7 Voorzieningen 4.2.8 Vaste schulden met een rente typische looptijd korter dan 1 jaar 4.2.9 Netto-vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan één jaar 4.2.10 Overlopende passiva Waarborg en garanties Niet in de balans opgenomen verplichtingen Gebeurtenissen na balansdatum
5 5.1 5.2
Wet normering topinkomens (WNT) Bezoldiging topfunctionarissen 2025 Onbezoldigde topfunctionarissen
73 73 74
6
Single Information Single Audit (SISA)
75
7
Rechtmatigheidsverantwoording
76
8
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
77
9
Bijlage 1 – Gemeentelijke bijdrage en vergoedingen
78
3.3 4 4.1 4.2
70 71 71 71 72
10
Bijlage 2 – Teruggave aan gemeente
79
11
Bijlage 3 – Gerealiseerde baten en lasten per taakveld
80
12
Bijlage 4 – Overzicht samenwerking Meldkamer Midden Nederland
81
1 Financiële samenvatting 1.1
Samenvatting toelichting jaarrekeningresultaat
De realisatiecijfers uit deze jaarstukken worden vergeleken met de geactualiseerde begroting 2025 die door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het jaar 2025 sluit met een positief resultaat voor bestemming van € 2,75 miljoen (2,04% van de begroting). Tabel 1 Samenvatting financiële samenvatting x € 1.000
Begroting
Realisatie
Resultaat
Lasten Personele kosten Kapitaallasten Materiële kosten Totale lasten
107.793 8.726 20.108 136.627
105.624 8.721 20.330 134.674
2.170 5 -222 1.953
-174 5 722 553
2.343 -944 1.399
-397 -397
1.946 -944 1.002
Baten Bijdragen en vergoedingen gemeenten Rijksbijdrage Overige baten Totale baten
103.782 16.455 16.842 137.079
103.998 16.881 17.850 138.729
216 426 1.008 1.650
202 115 -15 303
14 310 1.023 1.348
-310 -702 -1.012
14 322 336
4.998 4.547 -452
4.561 3.253 -1.308
438 -1.294 -1.731
438 -1.294 -856
-
-
-
0
2.747
2.747
-0
Storting reserves Onttrekking reserves Totaal reserves Eindtotaal
Saldoneutrale Resultaat na Incidentele afwijking correctie baten
Reële resultaat
-
-
-
2.747
1.409
1.338
Een deel van de afwijkingen op de verschillende categorieën is technisch van aard en aan elkaar gerelateerd. Per saldo zorgen deze afwijkingen niet voor een resultaateffect. Daarnaast zijn afwijkingen ontstaan door incidentele baten in Q4 2025 en Q1 2026 (CAO). Het reële resultaat 2025 is € 1,34 miljoen (1% van de begroting). Tabel 2 Toelichting resultaat 2025
▪
CAO-uitwerking: De lagere personele kosten worden mede veroorzaakt door een incidenteel voordeel op de salariskosten als gevolg van de uitwerking van de CAO 2025/2027 die nog formeel vastgesteld moet worden in 2026. Dit leidt tot een incidenteel voordeel van € 0,4 miljoen.
MDIEU-subsidie: Vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is een hogere subsidie verstrekt dan voorzien. Voor de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU) bedraagt deze € 0,43 miljoen. ▪ Rijksbijdrage: De hogere (algemene) rijksbijdrage wordt veroorzaakt door de loon- en prijsbijstelling 2025 van de BDuR. Het voordeel ten opzichte van de begroting bedraagt € 0,31 miljoen. ▪ Dieselschandaal: Een claim is ingediend voor het dieselschandaal ter hoogte van € 0,27 miljoen. ▪
De afwijkingen in het reële resultaat betreffen: Personele Lasten Vacatures en inzetvergoedingen Door vacatures en inzetvergoedingen is sprake van € 0,70 miljoen minder salariskosten. Dit betreft een nadeel op de kosten voor vrijwilligers en piketfunctionarissen door meer brandweer uitrukken en een voordeel door vacatureruimte. Inhuur Voor de projecten, met name op het gebied van ondersteuning, bedrijfsvoering en versterking crisisbeheersing, zijn € 0,47 miljoen minder kosten gemaakt voor inhuur. Een deel van deze onderschrijding is gerelateerd aan de overschrijding van materiële lasten. Vakbekwaamheid Voor het trainen en oefenen van operationeel personeel is sprake van een incidentele onderschrijding van € 0,2 miljoen door minder personele capaciteit in verband met andere crisistaken. De opleidingen van kantoorpersoneel en operationeel personeel zijn € 0,1 miljoen lager. Overige vergoedingen en salariskosten Door lagere kosten voor diverse personeel gerelateerde posten, zoals personeelsverzekeringen, kopen van verlofuren door personeel, ontvangen uitkeringen en reiskosten, ontstaat een voordeel van € 0,46 miljoen. Materiële lasten De afwijkingen in de materiële lasten bestaan vooral uit de meerkosten voor het onderhoud van materieel en materiaal (€ 0,5 miljoen) en hogere ICT kosten (€ 0,2 miljoen).
De hogere overige kosten (€ 0,2 miljoen) betreffen onder andere de buitengewone lasten in verband met een inbraak in een brandweerpost. Baten De hogere baten leiden tot een voordeel van € 0,32 miljoen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door meer renteopbrengsten (€ 0,1 miljoen), meer doorbelasting van kosten voor de Meldkamer Midden Nederland (€ 0,13 miljoen) en meerdere kleinere ontvangsten en subsidies (€ 0,08 miljoen).
1.2
Voorstel bestemming jaarrekeningresultaat
Na de analyse van het resultaat komen we tot het volgende resultaatbestemmingsvoorstel. Tabel 3 Voorstel resultaatbestemming
In 2025 heeft de VRU de MDIEU-subsidie ontvangen. Deze subsidie is bedoeld voor activiteiten gericht op onder andere duurzame inzetbaarheid, mentale en fysieke weerbaarheid van medewerkers en het versterken van onze positie als aantrekkelijke werkgever. In 2025 zijn diverse waardevolle initiatieven en activiteiten gestart en (deels) gefinancierd met deze middelen. Een deel van het subsidiebedrag kon echter nog niet worden besteed. Wij stellen voor het resterende budget van € 150K in het komende jaar in te zetten voor vergelijkbare activiteiten met aantoonbare meerwaarde voor onze medewerkers en organisatie. In de kadernota 2027 is € 1,2 miljoen uit de bedrijfsvoering reserve onttrokken voor de overbrugging van de toekomstscenario’s, wat in de resultaatbestemming 2025 teruggestort wordt. Daarnaast heeft een beoordeling plaatsgevonden voor de risico’s die bij de VRU bekend zijn, wat een aanvullende storting van € 0,65 miljoen vraagt. Dit betekent dat een storting van € 1,85 miljoen in de bedrijfsvoering reserve nodig is om het weerstandsvermogen van de VRU op niveau te houden De voorgenomen teruggave aan gemeenten bedraagt € 0,75 miljoen. De voorgenomen teruggave van het rekeningresultaat 2025 vindt plaats naar rato van de begrote bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket in 2025.
Jaarverslag 2025
Programmaverantwoording De begroting bestaat uit één programma: Veiligheidsregio Utrecht. Hierin kennen wij de volgende programmaonderdelen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Brandweer – Toekomstbestendige brandweerzorg Risicobeheersing – Veilige en gezonde leefomgeving Crisisbeheersing en GHOR – Versterking crisisbeheersing Meldkamer Midden-Nederland Veiligheidsregio’s Ondersteuning
De verantwoording per programmaonderdeel wordt gepresenteerd in de volgende hoofdstukken.
2 Brandweer Toekomstbestendige brandweerzorg 2.1
Wat wilden we bereiken?
Binnen de VRU hebben we een fijnmazig netwerk van brandweerposten. Die kazernedichtheid koesteren we en hebben we nodig om de brandweerzorg te leveren. Maar de omgeving verandert. Nieuwe technologieën en maatschappelijke ontwikkelingen brengen zowel nieuwe risico’s als nieuwe mogelijkheden voor de brandweer. Onder andere door de geopolitieke situatie en de gevolgen van klimaatverandering wordt een grotere rol van de brandweer verwacht in het kader van veerkracht en weerbaarheid. De uitdaging is om de samenleving veilig en veerkrachtig te houden, met een brandweerorganisatie die paraat, vakbekwaam en toekomstbestendig is.
2.2
Wat hebben we ervoor gedaan?
De collega's van de brandweer hebben zich in 2025 wederom ingezet vanuit onze 70 posten om 24/7 paraat te staan om de vele incidenten binnen onze regio te bestrijden. Om hen daarin te faciliteren zijn er vanuit de ondersteunende afdelingen nieuwe collega's opgeleid, geoefend en getraind voor het brandweervak, zijn er plannen en procedures geactualiseerd en nieuw ontwikkeld. Verder wordt het materieel op de posten onderhouden in en vanuit onze werkplaatsen en wordt er veel effort gestoken in het up-to-date houden van ons materieel vanuit onze projectorganisatie, zodat onze mensen beschikken over de juiste middelen om de incidenten van vandaag en de toekomst te kunnen managen.
Doorontwikkelen paraatheid Activiteiten waar wij in het kader van paraatheid in 2025 aan gewerkt hebben, zijn onder andere: ▪ Opstellen van het dekkingsplan op basis van gebiedsgerichte opkomsttijden ▪ Implementeren efficiënt roosteren ▪ Afronden inzetbepaling brandweereenheden (verzorgingsgebied per post) ▪ Uitvoeren onderzoek paraatheidsmodellen, inclusief VRU-flexpool ▪ Vervanging randapparatuur (mobilofoons en portofoons), voorbereidingen aanbesteding uitgevoerd ▪ Aanbesteding doorlopen voor een nieuw repressief informatiesysteem (RIS) Versterken vakbekwaamheid Activiteiten waar wij in het kader van vakbekwaamheid in 2025 aan gewerkt hebben, zijn onder andere: ▪ Verder inrichten vakbekwaamheidsorganisatie naar aanleiding van onderzoek naar benodigde capaciteit en middelen ▪ Implementeren nieuwe elektronische leeromgeving ▪ Implementatie ‘mentaal fit’ in leergang manschap ▪ Start onderzoek tijdelijke opleidingslocatie brandweeropleidingen ▪ Aanbesteding vakbekwaamheidsmanagementsysteem ▪ Catalogus Vakbekwaamheid: het aantal trainingen/cursussen dat we aanbieden is verder uitgebreid
Centrum voor digitaal leren en communiceren: de VR-ruimte is verder ingericht; eerste livestreams, lunchlezingen en opname van instructievideo’s zijn uitgevoerd in de nieuwe studio ▪ Er is een lespakket ontwikkeld waarmee posten in kaart kunnen brengen waar de aandachtspunten liggen in geval van een langdurige stroomstoring ▪
Innovatie toepassen t.b.v. arbeidsveiligheid Voor het vergroten van de arbeidsveiligheid door middel van innovatie werken wij in 2025 en 2026 onder andere aan de volgende activiteiten: ▪ Uitvoeren project 360 graden verkenning (Team digitale verkenning – Lucht) ▪ Ervaring opdoen met onderwaterdrones (Team digitale verkenning – Water) ▪ Opzetten project blusrobot (Team digitale verkenning – Land) Verstevigen natuurbrandbeheersing Wij leveren in 2025 en 2026 een bijdrage aan de uitvoering van het programma Natuurbrandbeheersing, waaronder de gebiedsgerichte aanpak per gemeente. Daarnaast heeft de VRU de provincie ondersteund bij het bepalen van de maatregelen voor het realiseren van hoofdcompartimentering in natuurgebieden. Onze brandweermensen (vinden, boeien, binden) Activiteiten waar wij in 2025 aan gewerkt hebben, zijn onder andere: ▪ Realiseren toekomstbestendige aansturing van Repressie van MT tot aan de lokale post. ▪ Organiseren van eigenheid en identiteit van de posten. ▪ Doorontwikkelen tweede loopbaanbeleid voor beroepsmedewerkers.
2.3
Productie-indicatoren Brandweer
Tabel 4 Productie-indicatoren Brandweer
2.4
Prestatie-indicatoren Brandweer
Tabel 5 Prestatie-indicatoren Brandweer
3 Risicobeheersing Veilige en gezonde leefomgeving 3.1
Wat wilden we bereiken?
De VRU zet zich in voor een veilige en gezonde leefomgeving. Samen met andere partijen zoeken we naar de kwetsbaarheden, risico’s en kansen in onze regio. Wij werken risicogericht, dat wil zeggen dat we ons zoveel mogelijk richten op het beperken van die risico’s, waarbij we de meeste veiligheidswinst kunnen boeken. De VRU wil zich samen met gemeenten en andere publieke en private partners, maatschappelijke organisaties en inwoners zo goed mogelijk voorbereiden en toerusten om crises te voorzien, te voorkomen en zo nodig te beheersen. De (zelf)redzaamheid van inwoners, bedrijven en instellingen vormt een cruciaal onderdeel van de veerkracht van een samenleving. Informatie-uitwisseling is voor ons van belang om onze partners in een vroeg stadium te kunnen adviseren over veiligheidsaspecten. Daarbij is een breed gezamenlijk netwerk met partners die bijdragen aan veiligheid voor ons noodzakelijk; niet alleen tijdens een incident of crisis, maar ook in de fase voorafgaand.
3.2
Wat hebben we ervoor gedaan?
Veilige leefomgeving Risicogericht werken (RGW) In 2025 heeft het landelijke programma Risicogericht werken een model opgeleverd om RGW te vertalen naar de praktijk van de veiligheidsregio’s. Dit model geeft inzicht hoe op drie niveaus (strategisch, tactisch en operationeel) prioritaire risico’s geïdentificeerd en beïnvloed kunnen worden, waarbij het Regionaal risicoprofiel (RRP) als uitgangspunt wordt genomen. Voor het beïnvloeden worden zes sporen (manieren) van beïnvloeding beschreven. De VRU heeft op alle drie niveaus stappen gezet om de stappen van het model te implementeren. Op strategisch niveau is in het nieuwe RRP (dat in 2026 moet worden vastgesteld) de basis gelegd voor RGW. Op tactisch niveau is een eerste model opgesteld om met de gemeenten in gesprek te gaan over de prioritering van risico’s en het gebruik van divers instrumentarium om deze risico’s effectief te beïnvloeden. Op operationeel niveau geven de zes sporen van beïnvloeding inzicht in de activiteiten die nodig zijn om de risico’s (zoals natuurbrandbeheersing, waterveiligheid en energietransitie) te beïnvloeden. Voorbereiden op nieuwe risico’s In 2025 hebben we samen met relevante partners gewerkt aan het borgen van kennis en het implementeren van maatregelen voor nieuwe risico’s.
Binnen de gezamenlijke aanpak natuurbrandbeheersing zijn de drie pilotgebieden uit 2024 doorontwikkeld naar fase 2, waarin de voorgestelde maatregelen verder worden uitgewerkt en geprioriteerd. Daarnaast zijn vier nieuwe gebieden gestart met een gebiedsgerichte aanpak fase 1, en is een verkenning gedaan voor de gebieden die in 2026 aan de beurt zijn. Ook is een publiekscampagne uitgerold om bewustwording te vergroten, waarover ook een effectmeting is gedaan. Het project Water en Veiligheid is vertraagd, maar een definitief concept genaamd Routekaart Waterweerbaarheid is in het najaar beschikbaar gekomen om met betrokken stakeholders af te stemmen. Dit wordt in 2026 verder bestuurlijk besproken. De routekaart biedt handvatten voor
de betrokken partijen in de provincie Utrecht om op dezelfde manier waterveiligheid mee te nemen in hun beleid en uitvoering rond wateroverlast en overstromingen. Binnen het thema energietransitie hebben we risico’s van nieuwe ontwikkelingen geanalyseerd en hierover geadviseerd. Gemeenten zijn ondersteund bij vraagstukken rond netcongestie, energieopslag (zoals lithiumaccu’s) en waterstofaggregaten. Daarnaast zijn adviezen opgesteld over brandveiligheid bij duurzaam bouwen en nul-op-de-meter woningen. Om bewoners, bedrijven en instellingen beter te informeren, zijn nieuwe webpagina’s ontwikkeld met voorlichtingsinformatie over energietransitie en brandveiligheid. Nieuwe voorlichtingsactiviteiten in 2025 ▪ Naast de ‘basisles brandveiligheid’ bieden we het basisonderwijs ook de lessen ‘veilig laden’ en ‘natuurbrand’ aan. ▪ We implementeren een digitale brandveiligheidszelfscan voor ondernemers op www.vru.nl via KVO-gebieden. ▪ Op www.vru.nl publiceren we voor verenigingen van eigenaren een nieuwe brandveiligheidsinformatiepagina. ▪ We werken een nieuwe benadering voor de doelgroepen jonge gezinnen en studenten uit. ▪ In het programma Veerkracht werken we aan het opstellen van voorlichtingsmateriaal voor het algemeen publiek met betrekking tot zelfredzaamheid en veerkracht. Veerkrachtige redzame samenleving In januari 2025 is het programma Veerkracht officieel van start gegaan.
Het afgelopen jaar zijn grote stappen gezet op een aantal pijlers binnen het programma. ▪ Er is meegeschreven aan de landelijke handreiking ‘Noodsteunpunten’ die is vastgesteld in het Veiligheidsberaad en de basis vormt voor pilots in alle veiligheidsregio's. ▪ In samenwerking met de gemeente Utrecht is van 8 tot en met 11 december 2025 de allereerste pilot in Nederland georganiseerd met een noodsteunpunt en coördinatiepunt. Tijdens deze pilot is geoefend met het aansluiten van noodstroom, het testen van verbindingen en het openen van een lokaal noodsteunpunt waar inwoners informatie kunnen halen en brengen en fictieve noodmeldingen konden doen. In 2026 volgt een tweede pilot in de gemeente Stichtse Vecht. ▪ De Denk Vooruit-campagne heeft in onze regio veel aandacht gekregen. Zo is samen met andere veiligheidsregio's het ‘meest noodzakelijke kookboekje’ ontwikkeld en verspreid. ▪ Op lokaal niveau zijn veel initiatieven ontstaan in het kader van weerbaarheid: - In Oudewater is een doorleefsessie georganiseerd met sleutelfiguren om het scenario ‘langdurige stroomuitval’ te doorleven; - In Renswoude is een vergelijkbare sessie georganiseerd om een start te maken met een bruikbaar netwerk tijdens een langdurige verstoring; - In Amersfoort worden afspraken gemaakt met belangrijke partnerorganisaties om praktische afspraken te maken en de weerbaarheid te bevorderen.
Deze good practices zijn door de VRU gebundeld in een handzame flyer ‘Netwerkwijs: lessen uit de praktijk’. - De VRU heeft samen met gemeenten een handreiking ontwikkeld om netwerken te inventariseren en activeren. De handreiking bevat praktische tips en tricks, good practices, een kwadrantmodel en een stappenplan voor netwerkopbouw.
-
-
-
In twaalf gemeenten is door de VRU een bezoek gebracht aan een bijeenkomst van de gemeenteraad, het college of het managementteam en is een toelichting gegeven op de weerbaarheidsopgave en het VRU-programma Veerkracht. Er is een startbijeenkomst georganiseerd met de gemeentelijk accounthouders bedrijfsleven, VNO NCW, Platform Veilig Ondernemen en de ROM – met als doel samen te kijken naar de mogelijkheden die er zijn binnen het bedrijfsleven om bij te dragen aan de weerbaarheidsopgave. Op bestuurlijk niveau is veel aandacht geweest voor weerbaarheid. Meerdere themasessies in het algemeen bestuur, toelichting in het GS-Plenair, ROCU-overleggen en gezamenlijke BAC's Crisisbeheersing en Risicobeheersing.
Breed gezamenlijk netwerk In 2025 hebben we op verschillende niveaus gewerkt aan het uitbreiden en versterken van ons netwerk en de samenwerking met gemeenten en andere partners in de regio. Er is veel geïnvesteerd in de samenwerking, vooral op het gebied van advisering, vergunningverlening en toezicht. Bovendien hebben we binnen onderwerpen zoals energietransitie, klimaat en water, natuurbrandbeheersing met diverse partners de samenwerking gezocht of geïntensiveerd, met als doel het uitwisselen van kennis en het samen werken aan het verder beheersen van risico’s. Daarnaast neemt de VRU deel aan diverse samenwerkingsoverleggen met relevante partners binnen en buiten de regio. Het gaat daarbij onder andere om de samenwerking met relevante VTH-partners in het provinciaal samenwerkingsoverleg, met andere veiligheidsregio’s in het kader van Risicogericht werken of themagericht (zoals natuurbrand en waterveiligheid). Tot slot is de samenwerking met de ODU en de GGDU geïntensiveerd, met als doel om op bepaalde thema’s, zoals gezondheid en omgevingsveiligheid te komen tot een vroegtijdige betrokkenheid en uitwisseling van adviezen, waarmee een meer integrale advisering aan gemeenten kan worden bereikt.
3.3
Productie-indicatoren Risicobeheersing
Tabel 6 Productie-indicatoren Risicobeheersing
3.4
Prestatie-indicatoren Risicobeheersing
Tabel 7 Prestatie-indicatoren Risicobeheersing
4 Crisisbeheersing en GHOR Versterking crisisbeheersing 4.1
Wat wilden we bereiken?
Crisisbeheersing We voorkomen, voorzien en minimaliseren de effecten van crises en versterken de weerbaarheid van de samenleving, inclusief de geneeskundige zorgketen. Hierbij gaat het om veiligheid én gezondheid. Crises worden steeds complexer, en langduriger, en overschrijden kolommen en domeinen. Dit vraagt om een adaptieve crisisorganisatie die snel kan opschalen en samenwerken met een grote diversiteit aan partners. Wij investeren daarom in een toekomstbestendige organisatie die voorbereid is op actuele en toekomstige risico’s. Wij kiezen ervoor om als VRU in positie te komen als er sprake is van (dreigende) crises of maatschappelijke ontwrichting. Wij focussen ons hierbij op onze kerntaken en richten ons op de coördinatie en regie. Ons handelen is erop gericht om snel terug te keren naar een stabiele situatie, waarbij de verantwoordelijkheid wordt overgedragen aan – of gelaten bij – de primair verantwoordelijke partij. Daarmee dragen we bij aan het creëren van een veilige en weerbare samenleving voor onze inwoners. GHOR De GHOR coördineert de geneeskundige hulpverlening bij crises en rampen. Daarvoor sturen we een 24/7 crisisorganisatie aan, die geheel onder verantwoordelijkheid van de GHOR /Directeur Publieke Gezondheid (DPG) valt.
Wanneer er géén sprake is van een ramp of crisis werken we door advisering en informatievoorziening aan een goede voorbereiding van de geneeskundige hulpverlening tijdens een crisis. De GHOR speelt een belangrijke verbindende rol tussen de domeinen gezondheid, veiligheid en openbaar bestuur. Wij zien toe op de continuïteit van de zorgketen tijdens crises. Crises worden complexer en dit vraagt om een robuust netwerk dat snel en doeltreffend kan opschalen. Daarom investeren wij in een toekomstbestendige, weerbare GHOR-organisatie die onder leiding van de DPG regie voert bij opgeschaalde zorg. Wij versterken ketenpreparatie en weerbaarheid door ontwikkelingen en aanbevelingen uit de analyse van crisisplannen van acute zorgpartners te vertalen naar verbetering en gezamenlijke afspraken. Daartoe werken we intensief samen met zorgpartners. Ook zetten wij in op vakbekwaamheid en ontwikkelen een lerende structuur met duidelijke processen en systemen, zodat inwoners kunnen blijven rekenen op veilige en toegankelijke zorg, ook tijdens crisis.
4.2
Wat hebben we ervoor gedaan?
Crisisbeheersing Crisismanagement In 2025 heeft de VRU grote stappen gezet in het versterken van de crisisorganisatie. Vier van de vijf permanente Operationele Kernteams (OKT-p) zijn geworven en werken volgens een nieuwe werkwijze voor voorzienbare en langdurige inzetten. Ze waren onder andere actief rondom de afsluiting van de A12 en de jaarwisseling. In 2026 wordt het laatste team geworven, zodat het
OKT-p zich verder kan ontwikkelen tot een hoogwaardig crisisteam dat voor alle typen crises inzetbaar is. Ook op het gebied van vakbekwaamheid is geïnvesteerd in kwaliteit. Er is een opleidingsprogramma ontwikkeld voor kernfunctionarissen en bestuurders, en het piket Technisch Voorzitter is verder ingebed en toegepast in oefeningen van crisispartners: een cyberoefening van Politie Midden-Nederland en een interregionaal waterbeleidsteam van de waterschappen. Daarnaast zijn meerdere bestuurlijke sessies over de wolf georganiseerd om bestuurders goed voor te bereiden. De samenwerking met gemeenten blijft een belangrijk fundament. Gezamenlijk is Bevolkingszorg 3.0 doorontwikkeld met onder andere een handboek crisiscommunicatie, het oprichten van een ambtelijk adviesorgaan op het gebied van crisiscommunicatie ROCC en een koers- en uitvoeringsagenda. Tegelijkertijd versterken we informatiemanagement binnen de kolom bevolkingszorg, werken we aan de paraatheid van piketgroepen en trainen we de nieuwe werkwijze verder in. Continuïteit In 2025 zijn stappen gezet om de continuïteit van de crisisorganisatie te versterken. Het continuïteitsplan ontwikkelt zich verder en, met ondersteuning van Berenschot, is een stresstest stroomuitval uitgevoerd op het regionaal crisiscentrum. Hiermee zijn de kwetsbaarheden in beeld gebracht bij het maatgevende scenario van 72 uur stroomuitval.
Op basis hiervan zijn kortetermijnmaatregelen in gang gezet om de continuïteit van de crisisorganisatie te borgen en is gestart met de verkenning van structurele langetermijnoplossingen. Aanvullend hierop is in 2025 binnen de bestaande middelen gewerkt aan het inzichtelijk maken van risico’s, afhankelijkheden en kwetsbaarheden in de bredere bedrijfscontinuïteit van de VRU. Waar mogelijk zijn reeds maatregelen getroffen om kwetsbaarheden te verkleinen. Daarmee is een eerste samenhangend beeld ontstaan. Tegelijkertijd is vastgesteld dat voor de verdere uitwerking aanvullende samenhang en sturing nodig zijn. In 2025 is daarom de basis gelegd voor een VRU-brede aanpak, vooruitlopend op bestuurlijke besluitvorming in 2026. Informatiemanagement In 2025 is informatiemanagement binnen crisisbeheersing verder versterkt om betrouwbare informatie tijdig beschikbaar te stellen voor besluitvorming. De inzetbaarheid van informatiemanagers op operationeel, tactisch en strategisch niveau is vergroot door te investeren in mensen, middelen en werkwijzen. Dit is zichtbaar in de samenwerking met calamiteitencoördinatoren op de Meldkamer Midden-Nederland en de borging van informatiemanagement binnen het OKT-p. Ook is de netcentrische werkwijze verder verankerd door aangescherpte afspraken met partners, wat de gezamenlijke beeld- en oordeelsvorming en de samenhang tussen crisisteams versterkt.
Daarnaast is het VeiligheidsInformatieCentrum (VIC) Midden-Nederland doorontwikkeld in samenwerking met Flevoland en Gooi & Vechtstreek. Daarbij worden business intelligence, GIS en AI toegepast. Het VIC sluit aan bij landelijke initiatieven zoals KCR2, IGV en LVCb, waarmee uniformiteit, interregionale samenwerking en opschaalbaarheid verder zijn geborgd.
Communicatiemanagement In 2025 zijn concrete stappen gezet om de risicocommunicatie en crisiscommunicatie binnen de regio te versterken. Gemeenten en de VRU hebben hierin een gezamenlijke, mede wettelijk verankerde verantwoordelijkheid richting inwoners. Risicocommunicatie en crisiscommunicatie vormen samen één cyclisch proces, waarin de koude, lauwe en warme fasen elkaar opvolgen en versterken. Communicatie is daarmee een essentieel sturingsinstrument om risico’s en crises te voorkomen, tijdig te duiden en de maatschappelijke impact te beperken. Ter ondersteuning hiervan is in 2025 een nieuw handboek crisiscommunicatie opgeleverd. Daarnaast is de governance van crisiscommunicatie structureel geborgd door de inrichting van het Regionaal Overleg Crisiscommunicatie. Dit overleg, onder voorzitterschap van de CoFu en met deelname van de 26 gemeentelijke accounthouders crisiscommunicatie, vormt het vaste platform voor afstemming, kwaliteitsborging en doorontwikkeling van crisiscommunicatie in de regio. Netwerkmanagement Netwerkmanagement neemt een steeds belangrijkere rol in het verbinden van (vitale) partners met de veiligheidsregio op strategisch en tactisch niveau. Door de toename en veranderende aard van incidenten groeit het aantal partners waarmee afstemming nodig is, waaronder partijen die bijdragen aan de veerkracht en weerbaarheid van onze samenleving.
De frontoffice van de afdeling Partners maakt het voor externe partijen eenvoudiger om de weg te vinden naar de veiligheidsregio. Via netwerkbijeenkomsten worden partners geïnformeerd over risico’s en ketenafhankelijkheden. Met de komst van de adviseur Partner in het OKT-p krijgt netwerkgestuurde crisisbeheersing verder vorm. VRU-support De regionale HUB heeft, als gevolg van het aanhoudende tekort aan opvangplekken en de beperkte mogelijkheden tot doorplaatsing, tot maart 2025 op een waakvlamconstructie gefunctioneerd. Na afronding van deze fase is besloten de HUB definitief te sluiten. Aanvullend hierop zijn gemeenten en het COA in 2025 door de uitvoeringsorganisatie VRU Support ondersteund bij de exploitatie van asielopvanglocaties in de gemeenten Stichtse Vecht, Woerden en Veenendaal. Daarnaast is per 1 januari 2024 de uitvoeringsorganisatie Huisvesting Evacuees, in opdracht van het kerndepartement van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ondergebracht bij de VRU. Deze uitvoeringsorganisatie verzorgt de tijdelijke opvang van niet-zelfredzame personen bij evacuaties en repatriëringen. In 2025 betrof dit de opvang van vluchtelingen uit Libanon en evacués in het kader van Medevac Gaza.
GHOR Beleid en bestuur Op het gebied van weerbaarheid vervulde onze DPG dit jaar een sleutelrol als landelijk portefeuillehouder ketencontinuïteit binnen GGD GHOR Nederland. Ook was hij mede‑initiatiefnemer van de landelijke Coalitie Weerbare Zorg, waarin wordt gewerkt aan een programma om de zorgverlening in een grootschalige en langdurige crisissituatie zo lang mogelijk, met een daarbij passende kwaliteit, toegankelijk te houden. Op regionaal niveau hebben we de samenwerking met het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) en het ondersteunend bureau, het Netwerk Acute Zorg Midden Nederland (NAZMN) geïntensiveerd. De DPG en de voorzitter van het ROAZ hebben hun samenwerking in de koude en warme fase verkend en verdiept. Ook is er een begin gemaakt met een samenwerkingsagenda tussen het NAZMN en de GHOR. Daarnaast heeft de DPG bestuurlijke gesprekken gevoerd met de
acute zorgorganisaties over de staat van paraatheid, zowel binnen de individuele organisaties als in de keten als geheel. Netwerkcoördinatie De in 2025 opgeleverde analyse van de crisisplannen van acute zorgpartners laat zien dat de acute keten robuust is, met duidelijke aandachtspunten voor verdere verbetering. Op basis hiervan zijn ketenbrede acties vastgesteld binnen het ROAZ en zijn organisatiespecifieke verbeterpunten bestuurlijk besproken. Een van de ketenbrede acties is het uitvoeren van het project STREVA, gericht op voorbereiding op langdurige stroomuitval en grootschalige evacuatie. Door onderbezetting liep dit project vertraging op; de oplevering van de resultaten volgt in 2026. Parallel hieraan is in de niet‑acute zorg een 0‑meting in de VVT‑sector uitgevoerd om de mate van crisisvoorbereiding in beeld te brengen; verdere uitrol vindt in 2026 plaats. Zorgrisicoprofiel (ZRP) De landelijke leidraad zorgrisicoprofiel is vastgesteld. Dit jaar hebben we, in lijn met de leidraad, een projectplan opgesteld voor de herziening van het ZRP. Vanwege beperkte capaciteit is de daadwerkelijke start vertraagd en uitgesteld naar 2026. Vakbekwaamheid in de keten Om de vakbekwaamheid in de keten te versterken is een gezamenlijke visie en missie vastgesteld voor vakbekwaamheid van zorgpartners op het terrein van crisisbeheersing en de rol van de GHOR daarin.
Deze is vertaald naar een concreet aanbod dat in 2026, in samenwerking met NAZMN, wordt uitgewerkt in een implementatieplan met begroting en dekkingsplan. Crisisbeheersing Op 1 januari zijn twee GHOR-medewerkers gestart als kolomvertegenwoordiger GHOR (KVG) in het OKT-p. In 2025 lag de focus op hun vakbekwaam worden, de verbinding met de GHORpiketorganisatie en het inrichten van het witte veiligheidsbeeld. Weerbare zorg Naast de bovenstaande activiteiten, zoals het STREVA project en de Coalitie Weerbare Zorg, zijn we ook aangesloten bij het programma Veerkracht. Onze focus ligt op de noodsteunpunten, het inventariseren en activeren van netwerken, evacuatie en stroomuitval. Gezien onze beperkte capaciteit moeten we, soms ongewild, keuzes maken over de wijze en mate van onze bijdrage in het programma. Planvorming Informatiemanagement Evaluatie en Kwaliteit Planvorming is geactualiseerd op basis van landelijke en regionale ontwikkelingen, waaronder infectieziekten. Tegelijkertijd is de doorontwikkeling van informatiemanagement doorgezet, met aandacht voor KCR2, GHOR4ALL, LCMS‑GZ en regionale dashboards, zodat relevante gegevens op het juiste moment beschikbaar zijn voor functionarissen en ketenpartners. Risicobeheersing We hebben onderzocht hoe AI ons kan ondersteunen bij onze integrale evenementenadvisering. Hierin trekken we samen op met Veiligheidsregio Zuid Limburg.
Besluitvorming volgt in 2026.
4.3
Productie-indicatoren Crisisbeheersing en GHOR
Tabel 8 Productie-indicatoren Crisisbeheersing en GHOR
5 Meldkamer Midden-Nederland 5.1
Wat wilden we bereiken?
Per 3 juni 2025 is één gezamenlijke meldkamer Midden‐Nederland operationeel in Hilversum, waarin de meldkamerfuncties brandweer, politie, ambulancedienst en de calamiteitencoördinator samenwerken. Deze ontwikkeling vloeit voort uit de Wet veiligheidsregio’s en de Wijzigingswet meldkamers en betreft de samenvoeging van de meldkamers van de Veiligheidsregio Utrecht, Gooi en Vechtstreek en Flevoland. Het doel van deze samenvoeging is het realiseren van een toekomstbestendige, robuuste en continu beschikbare meldkamer die 24/7 hulpvragen kan aannemen en hulpverleners snel en adequaat kan inzetten. Daarbij wordt zowel monodisciplinair als multidisciplinair samengewerkt, met als beoogd resultaat een versterkte samenwerking tussen de disciplines en een efficiëntere en effectievere afhandeling van incidenten.
5.2
Wat hebben we ervoor gedaan?
Met de opening van de nieuwe meldkamer is het formele werkgeverschap van de meldkamerfuncties belegd bij de VRU. De medewerkers van het team MKMNL-VR zijn per 3 juni 2025 in dienst van de VRU. De drie betrokken regio’s blijven gezamenlijk verantwoordelijk voor de meldkamer Midden-Nederland. De medezeggenschap verloopt, vanuit het werkgeverschap, via de reguliere lijn binnen de VRU. Ter voorbereiding zijn bestuurlijke en organisatorische afspraken gemaakt over onder meer de positie van medewerkers, de inrichting en ondersteuning van de meldkamerorganisatie en de samenwerking tussen de regio's inclusief de geharmoniseerde werkprocessen. Na de start zijn deze afspraken in de praktijk gebracht. Op basis van de eerste ervaringen worden onderdelen waar nodig aangescherpt en verder doorontwikkeld. Volgens afspraak vindt eind 2026 een brede evaluatie plaats. Op basis van feitelijke informatie en praktijkervaringen wordt dan beoordeeld of de huidige inrichting en werkwijze toereikend zijn en waar eventuele aanpassingen wenselijk zijn. Ondanks de ingrijpende organisatorische veranderingen is de continuïteit en kwaliteit van de meldkamerdienstverlening gewaarborgd gebleven. Dit is onder meer zichtbaar gebleken bij de afhandeling van een grote brand in Veenendaal, een GRIP-2-situatie in Naarden en tijdens de jaarwisseling.
5.3
Productie-indicatoren Meldkamer Midden-Nederland
Tabel 9 Productie-indicatoren Meldkamer Midden-Nederland
6 Ondersteuning We zien dat onze omgeving verandert en dat we daarvoor wendbaar moeten zijn. Werken in programma’s helpt daarbij als sturingsinstrument om, naast ons reguliere werk, onze doelen en ambities te behalen. Een programma ondersteunt een strategische beweging, verandering of ontwikkeling en gaat over grenzen binnen een organisatie (organisatieonderdelen) of tussen organisaties (gehele organisaties, ook buiten de VRU, of afdelingen van verschillende organisaties) heen. Dit vraagt om betrokkenheid van verschillende organisatieonderdelen. Binnen het organisatieonderdeel Ondersteuning werken we aan de volgende programma’s: ▪ ▪ ▪
Great place to work Sturen op basis van informatie Digitale veiligheid
6.1
Algemene kosten en dekkingsmiddelen
Tabel 10 Algemene kosten en dekkingsmiddelen
6.2
Overhead
De definitie van overhead uit artikel 1 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) wordt in de meest actuele notitie van de commissie BBV nader geduid als: ‘het geheel van functies gericht op de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Hiertoe behoren ook de systemen en aanverwante lasten die deze functies ondersteunen’. Onderstaand overzicht is opgesteld aan de hand van de geactualiseerde notitie Overhead van de commissie BBV. Deze geactualiseerde notitie geeft een overzicht van de regelgeving met betrekking tot de overhead en geeft op een aantal punten een nadere toelichting. Deze notitie is voor de gemeenschappelijke regelingen van toepassing vanaf (begrotingsjaar) 2026, maar eerder mag ook. De VRU heeft ervoor gekozen om de herziene wijze van toerekening van de overhead al in de geactualiseerde begroting 2025, en daarmee ook in de jaarstukken 2025, op te nemen, zodat we hiermee gelijk oplopen met gemeenten. Dit betekent dat de aanpassingen uit deze notitie zijn verwerkt in de voorliggende jaarstukken. De aanpassingen hebben betrekking op een aantal onderdelen die niet meer als overhead worden aangemerkt, maar op overige taakvelden moeten worden begroot en verantwoord.
Meer specifiek betreft dit de formatieve en formatiegerelateerde lasten voor leidinggevenden en directe softwarelasten/applicaties voor de programmaonderdelen Brandweer, Risicobeheersing en Crisisbeheersing & GHOR. Dit heeft tot gevolg dat we nu meer kosten toerekenen aan het
primaire proces, waardoor het percentage overhead is gedaald. Op basis van de geactualiseerde uitgangspunten is het overzicht van de kosten van overhead voor 2025 als volgt: Tabel 11 Kosten overhead
6.3
Great place to work
Het programma Great place to work draagt bij aan de ambitie uit de bestuursagenda om te komen tot een toekomstbestendige, wendbare en inclusieve organisatie. Het programma richt zich op aantrekkelijk werkgeverschap, goed leiderschap en duurzame inzetbaarheid. Het programma is gestart in 2024 en in 2025 heeft een herziening plaatsgevonden. In 2025 zijn onder andere de volgende resultaten gerealiseerd: Employee Value Proposition (EVP): De EVP is verder uitgewerkt en laat zien dat zingeving en maatschappelijke impact de belangrijkste drijfveren zijn om bij de VRU te werken. Op basis hiervan is in september 2025 een arbeidsmarktcampagne gestart, met groot bereik en een duidelijke bijdrage aan de zichtbaarheid en werving van nieuwe medewerkers. ▪ Duurzame inzetbaarheid: Er is ingezet op het versterken van mentale fitheid en veerkracht, onder meer via KNAK-sessies en structurele aandacht binnen opleidingen voor vakbekwaam worden. In 2026 wordt dit verankerd als onderdeel van vakbekwaam blijven. ▪ Leiderschap: Leidinggevenden hebben hun kennis en vaardigheden versterkt via drie leiderschapsdagen voor ambtelijk leidinggevenden, drie leiderschapsavonden voor postcommandanten, diverse kennissessies en intervisietrajecten.
▪ Persoonlijk leiderschap: Op basis van team- en individuele leerbehoeften is een ontwikkelprogramma voor medewerkers uitgevoerd, bestaande uit kennissessies en workshops. Daarnaast is ingezet op talentontwikkeling via ontwikkelgesprekken en Lumina Spark-sessies. ▪
6.4
Sturen op basis van informatie (voorheen informatieknooppunt)
Informatie is voor ons van cruciaal belang om bij te dragen aan de veiligheid, weerbaarheid en veerkracht in onze regio. De VRU brengt op een veilige manier informatie bij elkaar, duidt deze en stelt het beschikbaar aan medewerkers, netwerkpartners en de omgeving. Het programma Sturen op basis van informatie jaagt de ontwikkeling van informatiegestuurd werken aan, zodat we VRUbreed nog meer sturen op basis van informatie (kennis en feiten, als aanvulling op intuïtie). Dit doen we door te werken aan de randvoorwaarden en/of de inhoud die hiervoor nodig is, samen
met informatiecollega’s binnen en buiten de VRU. In 2025 heeft het programma zich gefocust op vier onderwerpen: 1. Opstellen VRU-brede informatiestrategie om richting en sturing te kunnen geven op informatie in lijn met de bestuursagenda; 2. Articuleren van informatiewensen en deze omzetten naar informatieproducten; 3. Versterken delen van data binnen en buiten de VRU; 4. Bevorderen AI en innovatie. De informatiestrategie is in 2025 opgeleverd en vormt vanaf 2026 de basis voor implementatie volgens een meerjarige roadmap. In 2025 zijn 79 informatiewensen opgehaald en vertaald naar user stories, waarvan de eerste inmiddels zijn gerealiseerd (bijvoorbeeld real-time dronebeelden tijdens inzetten). Tegelijkertijd zijn cruciale randvoorwaarden ingericht, zoals verbeterde GEOsoftware en datatoegang. Databronnen zijn verder ontsloten via het centrale datawarehouse en dashboards zijn beschikbaar gesteld aan organisatie en partners, met toenemende VRUoverstijgende gegevensdeling via landelijke platformen. Op het gebied van AI en innovatie zijn twee chatbot-oplossingen ontwikkeld en getest, en zijn randvoorwaarden (security, software, platformen en governance) versterkt.
Met het nieuwe AI-coördinatieoverleg worden initiatieven structureel getoetst op ethiek, veiligheid, techniek en privacy, zodat de vraag van de business centraal staat en tegelijkertijd integraal wordt meegekeken op deze belangrijke randvoorwaarden.
6.5
Onvoorzien
In de jaarstukken van de VRU is geen post voor onvoorzien opgenomen. Eventuele onvoorziene situaties met de daaruit volgende kosten dienen op dat moment van dekking te worden voorzien. In de risicoparagraaf, die gekoppeld is aan de weerstandscapaciteit, is het risico van onvoorziene uitgaven opgenomen.
Paragrafen Dit hoofdstuk bevat de paragrafen die in het BBV zijn voorgeschreven, met uitzondering van de paragrafen ‘Lokale heffingen’ en ‘Grondbeleid’, die niet van toepassing zijn op onze organisatie. De onderstaande paragrafen worden behandeld: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Weerstandsvermogen en risicobeheersing Onderhoud kapitaalgoederen Financiering Bedrijfsvoering Openbaarheid Verbonden partijen
7 Weerstandsvermogen en risicobeheersing Het weerstandsvermogen kan worden omschreven als de mate waarin de organisatie in staat is om omvangrijke financiële tegenvaller op te vangen, zonder dat het beleid hoeft te worden aangepast. Risicobeheersing is erop gericht om de schadelijke gevolgen van risico’s zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
7.1
Weerstandscapaciteit
De bedrijfsvoeringsreserve laat de weerstandscapaciteit van de VRU zien. Binnen deze capaciteit kunnen de risico’s (mogelijke toekomstige financiële tegenvallers) worden opgevangen. Op basis van de risico-inventarisatie (zie paragraaf 7.2) bedraagt de benodigde weerstandscapaciteit voor 2025 € 2,6 miljoen. Onze beschikbare weerstandscapaciteit is € 2,6 miljoen. Daarmee is de verhouding (beschikbaar/benodigd) groter dan 1 (1,01). Tabel 12 Weerstandscapaciteit
7.2
Benodigde weerstandscapaciteit
In de volgende tabel zijn de belangrijkste financiële risico’s weergegeven, voor zover bekend bij het opstellen van de jaarstukken. Daarbij is een analyse gemaakt van de omvang en de kans dat het risico zich voordoet. De risico’s worden vervolgens nader toegelicht. Tabel 13 Benodigd weerstandscapaciteit
7.2.1 Omgevingswet De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging bouwen zijn per 1 januari 2024 ingevoerd. Het Rijk en de bestuurlijke partners hebben afspraken gemaakt over het monitoren en evalueren van de financiële gevolgen van de stelselherziening Omgevingsrecht. De minister heeft de gemeenten toegezegd naar oplossingen te zoeken als uit de financiële evaluatie blijkt dat de invoeringskosten substantieel hoger zijn dan eerder voorzien. Deze evaluatie is nog niet gereed. De veiligheidsregio’s hebben geen extra middelen gekregen vanuit de rijksoverheid voor de structurele gevolgen van deze stelselherziening. Omdat het uitgangspunt is dat de (structurele) meerkosten worden vergoed door het Rijk, is het risico voor onvoorziene kosten voor de VRU nihil. De implementatie en effecten van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) zijn op dit moment nog onvoldoende duidelijk. Op landelijk niveau is nog geen volledig beeld voor welke gebouwtypen de Wkb zal gaan gelden. Dit zorgt voor onzekerheid in de uitvoeringspraktijk. Een mogelijk risico is dat bij onvoldoende functioneren van kwaliteitsborgers, de verantwoordelijkheid voor niet-gecertificeerde gebouwen alsnog bij gemeenten komt te liggen. Dit raakt ook onze organisatie, specifiek op het terrein van brandveiligheid.
Dit kan leiden tot complexe hercontroles waarbij niet altijd kan worden vastgesteld of aan de brandveiligheidseisen is voldaan. Om deze situaties adequaat te kunnen afhandelen, is inzet van gespecialiseerde inspecteurs noodzakelijk. Dit brengt extra kosten met zich mee, waarvan de omvang en frequentie op dit moment niet zijn in te schatten. Gezien deze onzekerheden achten wij het op dit moment niet passend om dit risico al in de kadernota op te nemen. Om dit risico te blijven volgen hebben we de status aangepast en in de tabel opgenomen als pm. 7.2.2 Vrijwilligheid brandweerpersoneel Het huidige brandweerstelsel is gebaseerd op een combinatie van vrijwillige en beroepsbrandweer, waarbij alle brandweermensen dezelfde taak- en opleidingsvereisten hebben. Vooral de kazernering en consignatie van vrijwilligers blijken echter strijdig met de Europese wetgeving (deeltijdrichtlijn). Volgens juridische experts ontstaat er een 'verplichtend karakter' wanneer vrijwilligers tegen een vergoeding in een gepland rooster werken (kazernering) of beschikbaar zijn (consignatie), waardoor ze aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten als werknemers in loondienst. Dit omvat onder meer dezelfde uurlonen, pensioenopbouw en vakantiedagen. Binnen onze regio wordt op een aantal plaatsen gewerkt met roosters, piketten en kazernering van vrijwilligers.
In 2022 heeft een inventarisatie plaatsgevonden om de omvang voor de VRU in kaart te brengen. Dit leverde het volgende beeld op: ▪ ▪
141 gekazerneerde vrijwilligers. 441 geconsigneerde vrijwilligers en 43 vrijwillige piketfunctionarissen.
Er vindt op landelijk niveau overleg plaats over een implementatieplan en de voorwaarden voor invoering, inclusief mogelijke aanpassing van de arbeidstijdenwetgeving en aanvullende financiële middelen.
Kazernering vrijwilligers Bij kazernering verblijven vrijwilligers tijdens een ingeroosterde dienst op een brandweerpost. Dit kunnen zij doen naast hun reguliere vrijwillige taken. Voor deze gekazerneerde diensten ontvangen zij een vergoeding op basis van hun vrijwilligersaanstelling. In Zeist, bijvoorbeeld, worden vrijwilligers gekazerneerd in de avond en nacht. Als dit door Europese regelgeving zou moeten worden omgezet naar een 24-uursdienst, bedragen de meerkosten naar verwachting € 3,1 miljoen per jaar. Naast de kazernering in Zeist kunnen vrijwilligers ook via een poolregeling 24-uursdiensten draaien op beroepsposten. Dit vult roostertekorten aan en voorkomt inhuur of het buiten dienst zetten van voertuigen op beroepsposten. Consignatie vrijwilligers Bij consignatie ontvangt een vrijwilliger een vergoeding om beschikbaar te zijn voor uitrukken, met een rooster dat opkomst garandeert. De huidige kosten voor deze beschikbaarheidsvergoedingen bedragen circa € 1,5 miljoen per jaar. Als dit in de vorm van een parttime aanstelling zou worden georganiseerd, zouden de kosten naar schatting vier keer hoger uitvallen, van € 1,5 naar € 6 miljoen. Met het wegvallen van de huidige vergoedingen (€ 1,5 miljoen) zouden de meerkosten circa € 4,5 miljoen per jaar bedragen.
Dit bedrag is indicatief en afhankelijk van de precieze organisatievorm en de keuze om wel of niet te eisen dat de opkomst bij een vrijwilligerspost (op basis van vrije instroom) gegarandeerd is. Vergoeding eventuele meerkosten door het Rijk De VRU is van mening dat de huidige werkwijze moet worden voortgezet totdat er landelijk besluitvorming plaatsvindt over de bouwsteen ‘verplichtend karakter’ en de financiering hiervan door het Rijk. Omdat het Rijk verantwoordelijk is voor het brandweer- en crisisbeheerstelsel, zouden wijzigingen hierin ook door het Rijk gefinancierd moeten worden. Toelichting effect en kans Ondertussen blijft het risico bestaan dat op grond van de Europese regelgeving aanspraak wordt gemaakt op de deeltijdrichtlijn. De omvang van het risico wordt ingeschat op € 3,1 miljoen per jaar (meerkosten omzetting naar 24-uursdienst). 7.2.3 Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel (OVO’s) Bij actualisatie van de risico’s is gebleken dat het fiscale risico met betrekking tot de overeenkomst van opdracht (OVO’s) voor instructiewerkzaamheden van eigen personeel per jaar in omvang toeneemt. Dit risico is bij de toekomstscenario’s in beeld gebracht. Omdat dezelfde werkwijze ook bij andere veiligheidsregio’s wordt toegepast, wordt gewerkt aan een landelijke oplossing. Voor 2025 is het risico voor de VRU gekwantificeerd op € 0,3 miljoen.
Inclusief indexatie loopt dit risico tot en met 2027 op tot € 0,95 miljoen. Op basis van de huidige inzichten betekent dit dat de algemene bedrijfsvoeringreserve niet meer toereikend is. Om alle risico’s af te dekken moet deze reserve worden opgehoogd met € 0,65 miljoen.
Een deel van de instructiewerkzaamheden wordt op basis van een overeenkomst van opdracht (OvO) uitgevoerd. Ditzelfde geldt voor een beperkt aantal andere taken. De OvO’s worden meestal verstrekt aan VRU-medewerkers, die deze werkzaamheden vervullen naast hun reguliere werkzaamheden. Gelet op de aard en de omstandigheden van de werkzaamheden bestaat het risico dat er geconstateerd wordt dat er - ondanks de toepassing van de modelovereenkomst (inhuur) - feitelijke sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Dit kan arbeidsvoorwaardelijke en fiscale consequenties hebben. Uitgevoerde beoordelingen (beoordeling arbeidsrelatie externe inhuur) voor de instructiewerkzaamheden wijzen op een (fictieve) dienstbetrekking. Dit geldt in het bijzonder voor OvO’s die worden verstrekt aan eigen personeel. Mede om die reden is in 2021 en 2022 geprobeerd om de OvO’s voor eigen medewerkers af te bouwen. Er is onderzocht of er een wijze van verloning mogelijk is die past binnen de fiscale kaders, onze budgettaire ruimte en de arbeidsjuridische context. Helaas blijkt geen van de onderzochte mogelijkheden in de praktijk te matchen met het bijzondere karakter die onze vakbekwaamheid en daarmee uiteindelijk onze repressieve paraatheid vraagt. De werkwijze met OvO’s wordt ook gehanteerd bij andere veiligheidsregio’s.
In dit licht is besloten om te werken naar een landelijke oplossing die aansluit op de ophanden zijnde ontwikkelingen in het landelijke brandweeronderwijs en de uitkomsten van de onderzoeken rond de mogelijke impact van de zaken rond het verplichtend karakter (vrijwilligheid). In de tussentijd blijven we een deel van de werkzaamheden op basis van een OvO door eigen medewerkers te laten verrichten, waarmee de arbeidsvoorwaardelijke en fiscale risico’s blijven bestaan. Toelichting effect en kans Voor het berekenen van de extra werkgeverslasten zoals loonheffing en aanvullende werkgeverslasten is een opslagpercentage van ruim 50% toegepast op het budget dat nu nodig is voor de instructiewerkzaamheden die op basis van een overeenkomst van opdracht worden uitgevoerd. Tot op heden was het fiscale risico beperkt door het zogenaamde handhavingsmoratorium op de van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Per 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid in Nederland afgeschaft. Dit betekent dat de Belastingdienst vanaf die datum zal gaan handhaven op schijnzelfstandigheid en weer met terugwerkende kracht correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en boetes kan opleggen. Vanaf 2025 worden er boetes opgelegd, mits bedrijven kunnen aantonen dat ze actief werken aan het voorkomen van schijnzelfstandigheid.
De omvang van dit risico neemt elk jaar (cumulatief) toe. De kans dat dit risico zich voordoet in 2026 is ingeschat op 50% (rekening houdend met een scherpere controle). 7.2.4 Milieurisico PFAS Het Veiligheidsberaad heeft de RCDV gevraagd de landelijke ontwikkelingen rond PFAS inzichtelijk te maken en te coördineren. Voor veiligheidsregio’s liggen de belangrijkste risico’s op twee terreinen: gezondheidsrisico’s voor medewerkers door blootstelling via blusschuim en bluspakken, en mogelijke bodem- en grondwaterverontreiniging op (oefen)locaties door het gebruik van PFAShoudend blusschuim. Een eerste landelijke verkenning laat zien dat dit vraagstuk complex is en zowel arbeidsomstandigheden als milieuschade raakt. Structurele middelen voor eventuele sanering of aanvullende beschermingsmaatregelen zijn nu niet beschikbaar. De huidige regionale situatie is dat de VRU aansprakelijk gesteld is door een grondeigenaar van een voormalige brandweerlocatie. Juridisch onderzoek wordt verricht naar de mogelijke
verantwoordelijkheid van de VRU. Tegelijkertijd is de provincie Utrecht gestart met onderzoek naar 13 (voormalige) brandweerlocaties. Bestuurlijke afstemming vindt plaats over de wijze van omgaan met de huidige en de te verwachten toekomstige aansprakelijkheidstelling(en). Toelichting effect en kans Formeel kan de veiligheidsregio aansprakelijk worden gesteld voor sanering of herstel, omdat zij gebruiker is geweest van PFAS-houdend blusschuim. Tegelijkertijd is dit schuim jarenlang in opdracht en conform landelijke normen toegepast. De omvang van het financiële risico is nog onzeker en afhankelijk van de uitkomsten van het landelijke onderzoek dat onder regie van de RCDV wordt uitgevoerd. De kans dat veiligheidsregio’s met kosten worden geconfronteerd wordt vooralsnog ingeschat op middel (50%). Bij de begroting 2027 wordt dit risico opnieuw beoordeeld en opgenomen in de risicoparagraaf. 7.2.5 Vitaalverklaring veiligheidsregio’s Met de aanwijzing als vitale aanbieder (brief JenV 10 juli 2025) is de VRU primair verantwoordelijk voor de continuïteit van drie vitale processen: inzet brandweer, crisiscoördinatie en besluitvorming, en communicatie- en informatievoorziening met en tussen hulpdiensten en crisispartners.
Uit een recente audit blijkt dat de VRU onvoldoende scoort op digitale veiligheid, terwijl van vitale aanbieders wordt verwacht dat zij structureel hun weerbaarheid op orde hebben. Het uitvoeren van de impacttoets zelf heeft geen directe financiële consequenties, maar de te treffen versterkingsmaatregelen kunnen leiden tot aanzienlijke structurele kosten waarvoor nu geen middelen beschikbaar zijn. Toelichting effect en kans De kans dat aanvullende investeringen noodzakelijk zijn wordt ingeschat als groot (75%). De omvang van het financiële risico is nog onzeker en wordt zichtbaar bij de uitkomsten van de impacttoets (2026). Dit risico wordt daarom opgenomen in de risicoparagraaf als pm en geactualiseerd bij het opstellen van de begroting 2027. 7.2.6 Indexeringssystematiek De aanpassing van de indexeringsmethodiek van het gemeentefonds vormde voor een aantal gemeenten aanleiding om samen met de VRU een verkenning te starten naar een werkbare indexeringssystematiek. Deze zou beter moeten aansluiten op de inflatiecorrectie die gemeenten via het gemeentefonds van het Rijk ontvangen. In dit kader is een analyse gemaakt van zowel de indexeringsmethodiek van de VRU als die van het gemeentefonds. Laatstgenoemde methodiek is per 2024 van kracht geworden.
Een eventuele aanpassing van de huidige indexeringssystematiek van de VRU — bijvoorbeeld ten aanzien van de gehanteerde indexen of de timing daarvan — brengt financiële risico’s met zich mee. De omvang van deze risico’s is afhankelijk van de mate waarin de aangepaste methodiek afwijkt van de daadwerkelijke loon- en prijsontwikkelingen binnen de VRU.
Toelichting effect en kans Eén procent minder loonbijstelling ten opzichte van de werkelijke loonontwikkeling leidt tot een structureel tekort van € 0,9 miljoen. Lagere prijsbijstellingen ten opzichte van de werkelijke prijsontwikkeling zijn nu niet in omvang bepaald maar zullen mogelijk tot een tekort leiden in de exploitatie met het risico dat deze kosten bij de jaarrekening door gemeenten gedragen moeten worden. 7.2.7 Overige onvoorziene exploitatierisico’s De veiligheidsregio kan worden geconfronteerd met onvoorziene kosten binnen het begrotingsjaar als gevolg van exogene ontwikkelingen (zoals premiestijgingen, claims, kostenfluctuaties die samenhangen met incidenten en crises). In de begroting van de VRU zijn geen posten voor onvoorziene uitgaven opgenomen. Toelichting effect en kans Als dit risico zich voordoet, zal bijsturing plaatsvinden via de begroting. Het geraamde risico gaat ervan uit dat het maximaal een jaar duurt voordat de maatregelen zijn geëffectueerd. Het geraamde risico wordt ingeschat op 0,5% van de totale kosten (exclusief dotatie reserves).
7.3
Kengetallen
Volgens de richtlijnen van het BBV zijn hieronder vier van de zes verplichte kengetallen weergegeven. De overige twee voorgeschreven kengetallen (grondexploitatie en belastingcapaciteit) zijn niet van toepassing op onze organisatie. De wetgever wil met deze kengetallen inzicht hebben in de financiële weerbaarheid en wendbaarheid (de mate waarin bij een tegenvaller financieel kan worden bijgestuurd). De kengetallen geven aan over hoeveel financiële ruimte wij beschikken om structurele en incidentele lasten te dekken of op te vangen. De kengetallen dienen in samenhang met elkaar en met de financiële positie te worden beoordeeld. Tabel 14 Kengetallen