B04 Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren 20210205
Tekst van het document
Als het opgebaggerde materiaal wordt gebruikt voor moerasontwikkeling ontstaat een vrijwel sluitende materiaal balans. Zie voor een eerste ruwe schatting de bijgevoegde tabel Verkenning materiaalbalans. De snelle boten baan wordt in deze benadering verlegd naar de bestaande, waterplantvrije vaargeul. Mede gelet op de spreiding van de verdiepingen en verondiepingen over het meer ontstaat er geen wijziging van de waterverblijfstijd in het meer en, in de rekentermen van het PCLake model, geen verhoging van het risico van een ongewenste omslag naar de troebele toestand. De op zichzelf staande concessie voor de winning van 6.000.000 m3 zand voor Kalkzandsteenfabriek Calduran is buiten de balans gehouden.
Tabel 3 Materiaalbalans Veluwemeer
Figuur 20 Totale waterplanten bedekking Veluwemeer 2019
Bij verdieping tot ca. 2 m wordt de verse bodem waarschijnlijk snel weer gekoloniseerd door waterplanten. Onderzoek bij verdiepingen in het Veluwemeer tot 1,50 m – NAP heeft uitgewezen uit dat de Kranswierbegroeiing zich in 3 jaar tijd volledig kan herstellen (19). Bij recente verdiepingen ten zuidoosten van Zeewolde is dit ook gebeurd met herbegroeiing met Sterkranswier. Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 24
Daar waar een oeverzone wordt gecreëerd verdwijnen de waterplanten maar keert een ecologisch hoogproductieve moerasbegroeiing terug. Volgens de laatste RWS kartering uit 2019 bedraagt de externe bedekking met waterplanten op het Veluwemeer 83% van de totale oppervlakte van het meer van 3134 ha. Als gevolg van het baggeren van de verlegde vaargeul gaat ca. 65 ha ofwel 3% waterplanten verloren. 4.3 Wolderwijd De totale oppervlakte van het Wolderwijd bedraagt excl. het Nuldernauw ca. 1900 ha. Minimaal 50% van de oevers wordt in beslag genomen door stedelijke en recreatieve functies die op een aantal plaatsen van het water gescheiden worden door rietkragen. In het midden van het meer ligt een voormalige zandwinlocatie met een diepte rond de 5 m. Recent is een deel van de hoofdvaargeul verplaatst naar een zuidelijker tracé. De bodembedekkers Kranswier en Sterkranswier zijn de dominante soorten waterplanten. Aan de noordwestelijke randen van het voormalige zandwingebied komen hinderlijke randen Aarvederkruid en Doorgroeid Fonteinkruid voor. In een brede zone langs de Zeewolderdijk groeien omvangrijke velden Tenger en Schedefonteinkruid. Het meer is aangewezen als Natura 2000 gebied.
Overzichtskaart 2 Wolderwijd
In het kaartoverzicht van het Wolderwijd zijn 6 mogelijke locaties ingetekend voor de ontwikkeling van moeraszones met een gezamenlijke oppervlakte ca. 35 ha. De oeverzones WW 2 en 3, tegen de bestaande, kale polderdijk, hebben elk een omvang van rond de 40 ha. Een moeraszone tegen de Knardijk biedt mogelijkheden om aansluiting en uitwisseling te zoeken met het binnendijkse, waterrijke natuurgebied Harderbroek. Wel moet rekening worden gehouden met een stevige golfslag bij harde zuidwesten wind. Bij bescherming door een kade kan wellicht gebruik gemaakt worden van golfoploop t.b.v. het instellen handhaven van een natuurlijker peilverloop. Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 25
De locatie Harderwijk Zuid (WW 4) is een bestaande natuurzone tussen het stedelijk gebied van Harderwijk en het recreatiegebied Horst. De zone heeft een beperkte breedte. Een al bestaande, afschermende kade aan de zuidwest zijde (afscherming kitesurf gebied) en de uitstroom van 2 beken bieden wellicht mogelijkheden om er (nog) meer van te maken onder andere door natuurlijker peilverloop en overstromingsvlakten. De locatie WW 1 kan meer samenhang brengen in bestaande kleinschalige gebieden met natuurfuncties. Daarvoor moet (een deel van) de recent opgeheven hoofdvaargeul worden opgevuld. Ook dit gebied grenst aan het natuurgebied Harderbroek. De twee zones WW 6 versterken het natuurkarakter van dit deel van het Wolderwijd waarmee de stedelijke aanwezigheid van Harderwijk wordt verzacht. Tegelijkertijd zorgen ze voor een begeleidende structuur bij het knooppunt voor de recreatievaart in dit deel van het Wolderwijd. Direct ten noorden van het haven van Zeewolde is nog een suggestie voor een gebied van ca. 15 ha verbeeld (WW 5). Dit draagt bij aan de spreiding van oeverzones rond het Wolderwijd. De locatie biedt de mogelijkheid om, zonder de barrière van een autoweg op de dijk, een relatie te leggen met een aangrenzend, binnendijks gelegen groenzone. De locatie Delta Schuitenbeek (WW 7) valt buiten het kaartbeeld van het Wolderwijd.
Deze bijzondere locatie is als onderdeel van het BOVAR programma gerealiseerd met de bedoeling het fosfaatrijke water van de Schuitenbeek en het Puttergemaal af te leiden tot voor de spuisluis bij Nijkerk. In § 6.2 wordt deze locatie verder belicht. Het materiaal voor het verondiepen kan in het Wolderwijd worden gewonnen. De overzichtskaart geeft 5 te verdiepen locaties aan, waarbij wordt uitgegaan van verdieping tot een diepte van 4 m voor de locaties WW I t/m IV en 2.5 m voor de locatie WW V. Deze locaties I t/m IV liggen rond een voormalige zandwinlocatie en zorgen voor een vergroting van de waterplantvrije ruimte voor de recreatievaart. Bovendien dragen ze bij aan een gestructureerde, heldere opbouw van het meer: natuurzones aan de randen, een zonder maaien bevaarbaar middendeel met daar tussen litorale overgangszones. Vaardoelen zoals de recreatie eilanden en jachthavens zijn in deze opbouw goed bereikbaar. Ook komt er meer ruimte voor de toegenomen zomerse recreatievaart naar de nieuwe Boulevardhaven van Harderwijk en door het Veluwemeer Aquaduct.
Tabel 4 Materiaalbalans Wolderwijd
Figuur 21 Totale bedekking waterplanten Wolderwijd en Nuldernauw 2019
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 26
Tabel 4 brengt de materiaalbalans in beeld met een globale vergelijking tussen de volumes van verdieping en verondieping. Bij de geschetste combinatie is vrijwel sprake van evenwicht, zodat er geen toename optreedt van het risico van omslag naar de troebele toestand. Er staan in het Wolderwijd , voor zover bekend, geen andere (grootschalige) verdiepingen op het programma. Aannemend dat het positieve effect van de moeraszones de vermindering van het corresponderende areaal aan waterplanten compenseren, resteert het verlies aan waterplanten areaal van ca. 120 ha ofwel 5% van de externe bedekking die volgens de kartering in 2019 aanwezig was. De ondiepe verdieping WV V is buiten beschouwing gelaten omdat verwacht mag worden dat de Kranswier begroeiing zich weer snel zal herstellen (19). 4.4 Nijkerkernauw Het betrekkelijk smalle Nuldernauw wordt aan de zuidzijde begrenst door de voormalige Zuiderzeedijk en aan de noordzijde door de polderdijk met op veel plaatsen de daarvoor liggende voorlanden. De Zuiderzeedijk is kaal en hard, de voorlanden smal en zanderig met relatief smalle rietkragen en harde overgangen. Het meer wordt door de watersport vooral gebruikt voor doorvaart. Aan de westzijde ligt ten zuiden van de hoofdvaargeul een snelle boten baan. Grenzend aan de uitmonding van de Arkervaart ligt het recreatiegebied Nieuw Hulckenstein en jachthaven de Zuidwal.
Overzichtskaart 3 Nijkerkernauw
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 27
Ook in het betrekkelijk smalle Nuldernauw lijken nog diverse mogelijkheden voor verruiming van de oeverzone aanwezig. De ruimte voor vergroting van de voorlanden (de locaties NN 1 en 2) is beperkt omdat de hoofdvaargeul op korte afstand ligt. Er zijn geen externe “waterbronnen”, zodat variaties t.o.v. het algemene tegennatuurlijke peilbeheer alleen gegenereerd worden door op- en afwaaien. Gelet op de ligging van het meer aan het eind van de “pijp” kunnen de waterstandsverschillen aanzienlijk zijn, maar wel van korte duur (zie ook figuur 16 in § 3.5). Met een herinrichting op basis van een combinatie van een beperkte verbreding en vernatting van de bestaande droge zandstrook kan een substantiële en aantrekkelijke oeverzone ontstaan. Het binnendijkse gelegen Hulckesteinse Bos met zijn waterpartijen biedt extra mogelijkheden onder meer voor toepassing van het achteroever concept van de Koopmanspolder. Via de poldertochten is er tevens verbinding te maken met nog grotere Harderwold. De strook water langs de nu vooral kale, voormalige Zuiderzeedijk heeft een potentie vergelijkbaar met de delta Schuitenbeek. Het gemaal Nijkerk kan de basis vormen voor een gevarieerde inrichting van een oeverzone waarin natuurlijk peilverloop kan worden toegepast (de locaties NN 3).
Gelet op de open ligging naar het westen is een beschermingsconstructie in de vorm van een kade of kleidrempel waarschijnlijk noodzakelijk. Hoewel de fosfaatbelasting op het Eemmeer vooral afkomstig is van de Eem kan de inrichting van de oeverzone mede afgestemd worden op het verkrijgen van een zo groot mogelijke zuiverende werking. Het gemaal voert water af uit het Natura 2000 gebied Arkemheen, een belangrijk weidevogelgebied. In enkele delen van de Nijkerkerpolder wordt het peilbeheer voorbereid op de inrichting van reservaatgebieden. Locatie NN 4 is bijzonder omdat hier de monding is van het riviertje de Laak, de grensrivier tussen Utrecht en Gelderland. Het riviertje ontspringt in de Amersfoortse wijk Vathorst, is ca. 7,5 km lang en is grotendeels bedijkt. Het stroomt onder vrij verval uit in het meer. Vloeddeuren verhinderen terugstroom bij te hoge waterstanden in het Nijkerkernauw. De Laak maakt deel uit van een vaarverbinding met Bunschoten. Bij gelegenheid van de recente dijkverhoging zijn natuuroevers ingericht. Mogelijk kunnen die worden verruimd waarbij met de uitstroom van de Laak ingespeeld kan worden op een natuurlijker peilverloop. Bij de locaties NN 5 en NN 6 kan voor eventuele peilopzet gebruik gemaakt worden van het door gemaal Veendijk uitgeslagen water (max. capaciteit 130 m3/min).
Er lijken mogelijkheden voor inrichtingselementen als een helofyten functie en overstromingsgrasland. Wel zal specifieke aandacht besteed moeten worden aan het bereikbaar houden van de aanwezige watersportfuncties en mogelijk de uitvaart van een nog aan te leggen overtoom. Voor de verdere ontwikkeling van het Nijkerkse recreatiegebied Nieuw Hulckestein is een verdieping gewenst (NN I). Een en ander geeft het gebied meer mogelijkheden voor de watersportgebruik dat niet gehinderd wordt door waterplanten. Tegelijkertijd wordt bijgedragen aan een zekere concentratie van de recreatiedruk en daarmee aan ontlasting van de natuurfunctie van de nieuwe oeverzones. De locaties in het Nijkerkernauw worden meegenomen in de materiaalbalans van het Eemmeer. De locaties NN1, NN 2 en NN 6 blijven daarbij buiten beschouwing, omdat er in dit globale kader vooralsnog van uitgegaan wordt dat deze volumeneutraal met materiaal uit vergravingen binnen het gebied kunnen worden (her)ingericht.
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 28
4.5 Eemmeer Het Eemmeer is het kleinste van de 4 brede randmeren. Het meer wordt aan de noordoost zijde over de volle lengte begrenst door een harde, kale polderdijk. Aan de zuidzijde door een stelsel van dijken en kades die het achterland tegen overstroming door de voormalige Zuiderzee en de rivier de Eem moesten beschermen. Ook daar is veelal sprake van harde begrenzingen met betrekkelijk smalle rietkragen. Aan de noordzijde, tussen het eiland de Dode Hond en de A27 is een omvangrijk gebied als oeverzone ingericht met rietzones, ondieptes en eilanden. Foto 10 Basaltoever Eemmeer Het meer wordt aan de polderzijde van zuidoost naar noordwest doorsneden door de hoofdvaargeul. Voor het overige is het meer tamelijk gelijkmatig ondiep (gemiddelde diepte ca. 1,9 m). Diepere delen bv. in de vorm van voormalige zandwingebieden ontbreken met uitzondering van een beperkt gebied ten zuidoosten van Spakenburg. Om die reden meren ondervindt de watersport toenemende beperkingen als gevolg van waterplanten. Doorgroei Fonteinkruid is daarbij de dominante soort. Het Eemmeer is aangewezen als Natura 2000 gebied.
Overzichtskaart 4 Eemmeer
In het overzicht is een langgerekte oeverzone in beeld gebracht in de strook van ca. 200 m breedte tussen de hoofvaargeul en de polderdijk (Em 1). Op zich geen gemakkelijke strook vanwege de ligging op het zuidwesten, maar wel een locatie die voor verzachting van de harde land/water scheiding moet zorgen en voor een natuurlijker opbouw en zonering van het meer. De dijk moet nog worden beoordeeld op het al dan niet voldoen aan dijkhoogte zoals die door de Wet op de Waterkering Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 29
wordt vereist. Mogelijk dat het effect van beschermingsmaatrelen voor de oeverzone in de beoordeling kunnen worden betrokken. Direct ten noordwesten van jachthaven Nieuwboer ligt een waterwingebied van Vitens, de Plasjes van Vitens (Em 2). Het gebied is omringd door een kade en is specifiek voor natuur ingericht met o.a. diverse waterstructuren. Het gebied biedt “onderdak” en “passage” aan vele vogelsoorten. Met de nodige voorzichtigheid kunnen wellicht aan de zuidoost zijde, waar nog extensief agrarisch gebruik plaatsvindt, elementen als een overstromingsvlakte worden toegevoegd. Daarbij gebruik makend van het effluent van het gemaal Westdijk voor het onderhouden van een natuurlijk peilverloop. Naar verluidt zoekt Vitens naar uitbreidingsmogelijkheden voor de drinkwaterwinning. Onderzocht moet worden of een aanpassing van het hydraulisch beheer van de randmeren een bijdrage kan leveren aan de verlaging van de fosfaat belasting op het Eemmeer. Afbuiging van de Eem als onderdeel van een voor de watersport gewenste verdieping kan daarbij aan de orde zijn, al dan niet in combinatie met een slibvang. Voor de begeleiding van een afbuiging kan dan gebruik gemaakt worden van bv. rietzones (Em 3 en 4). In het overzicht is daarvoor een suggestie opgenomen.
Tegelijkertijd ontstaat er aan de oostkant van de Eemmonding ruimte voor een beschut gelegen oeverzone van zo’n 35 ha (Em 5) met de nodige ruimte voor een inrichting op basis van gevarieerde (on)dieptes met glooiende taluds. Externe waterbronnen zijn niet beschikbaar. Peilvariaties op de peilen van het Peilbesluit treden derhalve alleen op als gevolg van op- en afwaaien. Die kunnen aanzienlijk zijn maar meestal altijd van korte duur. Ten noorden van de Dode Hond is ruimte voor een zachtere en meer geleidelijke overgang van de stortstenen kade van het eiland naar de vaargeul (Em 5). Met een omvang zo’n 15 ha en een gevarieerde inrichting kan er een waardevolle aanvulling op de natuurfunctie van de Dode Hond ontstaan. Aan de westzijde van de Eemmonding is een suggestie in beeld gebracht van een grootschalige oeverzone (Em 6) met een oppervlakte van ca 220 ha. Het gebied sluit aan op de reeds gerealiseerde natuurontwikkeling aan de zuidoost zijde van het A 27 tracé. De mogelijkheden voor een actieve helofyten functie met gerichte inrichting en gestuurde procescondities zal moeten worden onderzocht. Gelet op de omvang zal in elk geval een deel van het Eemdebiet in zo’n filter kunnen worden gebracht. Dit om een bijdrage te leveren aan verlaging van de fosfaatvracht op het Eemmeer.
Met het debiet van het gemalen Maatpolder en Gooiergracht en het vanuit de Eem ingebrachte water kan in een groot gebied een natuurlijker peilbeheer worden ingericht. Materiaal voor verondiepingen kan direct in het Eemmeer worden gewonnen. De watersport heeft dringend behoeft aan een redelijk areaal aan bevaarbaar water. Voormalige zandwingebieden ontbreken en bodembedekkers als Kranswier en Sterkranswier zijn de afgelopen 20 jaar op dit meer niet aangeslagen. Partieel verdiepen tot ca. 4 m lijkt dan ook de enige oplossing. In het overzicht is een areaal van ca. 290 ha t.b.v. verdieping in beeld gebracht. De vormgeving is zo gekozen dat verlegging van de vaargeul van de Eem onderdeel van dit areaal is. Dit maakt het uitzetten van olympische wedstrijdbanen met een ruime diameter (> 1000m) zonder doorsnijding van vaargeulen voor de beroepsvaart mogelijk. Met het verdiepte areaal krijgt ook de grote Spakenburgse bottervloot, dé herinnering aan de cultuurhistorie van de voormalige Zuiderzee, weer de nodige ruimte.
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 30
Onderstaande tabel 5 geeft een globale verkenning van de materiaalbalans. Daarnaast is de karteringskaart 2018 voor de totale bedekking aan waterplanten in het Eemmeer/Nijkerkernauw afgebeeld. De externe bedekking was in dat jaar 1241 ha (= 80%), de interne bedekking 388 ha. Door de verdiepingen daalt de externe bedekking tot 62% van de totale wateroppervlakte. Dit is ruim boven de Bezem doelstelling van 53%. Daar staat een mogelijke uitbreiding met ca. 385 ha ecologisch hoog productieve oeverzone tegenover.
Tabel 5 Materiaalbalans Eemmeer en Nijkerkernauw
Figuur 22 Totale waterplanten bedekking Eemmeer/Nijkerkernauw 2018
Uit de balans blijkt dat het volume van het meer toeneemt omdat er meer wordt verdiept dan verondiept. Het overschot aan verdiepingsmateriaal kan worden verwerkt in het Gooimeer waar meer materiaal voor verondieping nodig is dan uit gewenste verdiepingen kan worden gewonnen. Op het Eemmeer neemt de waterverblijftijd en daarmee het risico van een omslag naar de troebele toestand toe. Er zal werk gemaakt moeten worden van verlaging van de fosfaatbelasting op het meer. De inrichting van de oeverzones toesnijden op een zo groot mogelijke zuiverende werking, een slibvang en afleiding van de Eemmonding kunnen daaraan een bijdrage leveren. 4.6 Gooimeer Met een oppervlakte van ca. 2650 ha is het Gooimeer een van de grotere randmeren. Aan de noordzijde wordt het meer over vrijwel de gehele lengte begrensd door een robuuste, kale dijk. De zuidoever heeft alleen tussen Naarden en Huizen nog een min of meer natuurlijke karakter met rietkragen maar wordt voor het overige gedomineerd door stedelijke en recreatieve (stranden) functies. Midden door het meer loopt een brede, vrijwel aaneengesloten zone van voormalige zandwinlocaties met lokaal tot wel 25 m diepe gaten. Tussen de Stichtse en de Hollandse Brug loopt een hoofdvaargeul voor de beroeps- en recreatievaart. In het deel waar geen zand is gewonnen, loopt de diepte van zuid naar noord op van ca. 1 m tot 2,5 à 3 m.
In deze zone is met name Doorgroeid Fonteinkruid de dominante soort, maar
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 31
aan de zuidoever tussen Naarden en Huizen groeit ook veel Kranswier. De zuidrand tussen Naarden en Huizen maakt deel uit van het Natura 2000 gebied Eemmeer en Gooimeer-Zuid. Langs het dijkvak tussen Almere en de Stichtse Brug is een langgerekte oeverzone van ca. 120 ha in beeld gebracht (Gm 1). Om ook aan de oostzijde daarvoor nog een werkbare breedte te creëren is de hoofdvaargeul naar het zuiden verlegd. Op deze wijze is het ook mogelijk om een verbinding met het binnendijkse natuurgebied met de Gooimeerbeek te leggen. Er is geen extra bron voor eventueel natuurlijker peilbeheer beschikbaar en voor het gebied is bescherming tegen forse golfslag nodig gelet op de lange strijklengte vanuit zuidwestelijke richting. Omdat dit deel van het meer aan de oude land zijde nogal verstedelijkt is, zal versterking van het ecologisch fundament sterk afhangen van een succesvol ingerichte oeverzone langs dit dijkvak.
Overzichtskaart 5 Gooimeer
In de noordwesthoek van het meer is op zich ruimte voor een oeverzone (Gm 2) direct grenzend aan het binnendijkse gelegen Kromslootpark met z’n vele waterpartijen. Wel dient daarvoor de bestaande snelle boten baan in oostelijke richting te worden verplaatst. Daarmee komt de baan in een zone met grotere diepte en minder waterplanten te liggen zodat maaibeheer niet of Figuur 23 Kranswier tussen Naarden en Huizen nauwelijks nodig zal zijn. Om conflicten met de surfclub te voorkomen, is verplaatsing van de clubaccommodatie is zuidoostelijke richting gewenst. Het startstrand komt daardoor dichter bij de nu door de surfers gebruikte zone te liggen en het maaien van een verbindingsbaan is dan niet meer nodig. Langs de oude land zijde zijn 2 oeverzones (Gm 3) ingetekend samen goed voor ca. 65 ha. Bij de suggestie is rekening gehouden met de aanwezigheid van Kranswier. Deze bodembedekker is op het Gooimeer al Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 32
geruime tijd aanwezig maar slechts op een beperkte oppervlakte aan de zuidoever. Mogelijk dat deze soort de komende jaren ook de noordzijde van het meer vanuit deze locatie kan koloniseren. Tot slot is er bij Huizen een wat kleinere oeverzone (Gm 4) in beeld gebracht. Bijzondere kenmerken van deze locatie zijn de aanwezigheid van diverse eilandjes en kades én het uitstroompunt van de RWZI Huizen waardoor er bv. mogelijkheden zijn voor het instellen van een natuurlijker peilbeheer met inrichtingselementen als overstromingsvlakten en helofytenfuncties. Verplaatsing van de RWZI is echter in studie. Materiaal voor de verondiepingen nodig voor de inrichting van de oeverzones kan direct uit het Gooimeer worden gewonnen. Met het verdiepen van de locaties Gm I t/m III ontstaat een eenduidig diepe, samenhangende zone die veel ruimte bied aan de watersport. Met name door de verdieping van het gebied Gm II maakt verplaatsing van de recreatiebetonning mogelijk waardoor een extra groot gebied aan het permanent bevaarbaar areaal kan worden toegevoegd. Bij het gebied Gm I zal rekening moeten worden gehouden met een KPN leiding. De gebieden GM IV en V zijn indicatief en meer bedoeld als reservering voor (de uitwerking van) kustvisies die de gemeenten Blaricum en Huizen in voorbereiding resp. in uitwerking hebben. Onderstaande tabel 6 geeft een globale verkenning van de materiaalbalans.
Daarnaast is de karteringskaart 2018 voor de totale bedekking aan waterplanten in het Gooimeer afgebeeld. De externe bedekking was in dat jaar 1749 ha (= 68%), de interne bedekking 923 ha. Door de verdiepingen daalt de externe bedekking tot 59% van de totale wateroppervlakte. Dit komt vrijwel overeen met de Bezem doelstelling. Daar staat de uitbreiding met 270 ha ecologisch hoog productieve oeverzone tegenover.
Tabel 6 Materiaalbalans Gooimeer
Figuur 24 Totale bedekking waterplanten Gooimeer 2018
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 33
5. Globale balans In vorig hoofdstuk zijn de mogelijkheden en kansen voor het inrichten van oeverzones per randmeer geïnventariseerd. De insteek daarbij was om zoveel mogelijk: • • •
de benodigde verondiepingen voor de natuur te koppelen aan verdiepingen voor de watersport; aansluiting te zoeken bij binnendijks gelegen natuurgebieden; zoveel mogelijk meerwaarde te creëren onder meer via toepassing van een natuurlijker peilverloop en achteroever concept.
De totale oogst van de inventarisatie is op hoofdlijnen en cijfermatig samengevat in tabel 7.
Tabel 7 Overzicht inventarisatie
De tabel laat zich bv. voor het Gooimeer als volgt lezen: Door 245 ha te verdiepen naar 4 m kan naar schatting 270 ha aan oeverzone worden aangelegd waardoor de externe bedekking t.o.v. van de RWS kartering uit 2018 vermindert van 1749 ha (= 68%) naar 1504 ha (= 59%), waarvan 270 ha (= 11%) bestaat uit nieuwe (moeras)oeverzones en 1234 ha (= 48%) uit resterende ondiepe zones met waterplanten. NB In deze tabel zijn de 165 ha IIVR verdiepingen in het Veluwemeer en de verdieping WW V in het Wolderwijd niet meegenomen. Deze verdiepingen gaan tot 2 m en hebben daardoor na enkele jaren weer een waterplantenbegroeiing zoals uit onderzoek (12) en bij recente verdiepingen in het Wolderwijd bij Zeewolde is gebleken. In dit hoofdstuk wordt een eerste balans opgemaakt, waarbij niet alleen de “winst” voor natuur en recreatie wordt toegelicht maar ook, tegen de achtergrond van het PCLake model, globaal wordt getoetst of het wel allemaal goud is wat er blinkt. 5.1 Het ecologisch fundament De uitkomst van de inventarisatie levert een potentieel van ca. 1015 ha aan nieuw in te richten oeverzones op. Dit is een globale raming, die echter wel een indruk geeft van de mogelijkheden. Het gaat om een totaal van grotere en kleinere zones, zowel aan de polder- als de oude land zijde en al dan niet deels voorzien van een natuurlijk peilverloop.
Nijkerkernauw en Eemmeer leveren naar verhouding de grootste bijdrage. De forse uitbreiding van de oeverzone in het Eemmeer is mede een gevolg van een grote oeverzone ten westen van de monding van de Eem, aansluitend op de eerder ingerichte zone langs het bruggenhoofd van de A27. Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 34
Naast de ecologische waarde van een echt grootschalige oeverzone is hierbij ook overwogen dat met een toegesneden inrichting en processturing de zuiverende werking kan worden versterkt. Wellicht wordt daarmee een substantiële bijdrage geleverd aan verlaging van de fosfaat belasting door de belangrijkste bron nl. de Eem. Bij invulling van de geïnventariseerde mogelijkheden wordt serieus werk gemaakt van een gezoneerde en natuurlijker opbouw van de meren conform het Verdonschot model. Tegen deze achtergrond is het van belang dat ook aan de polderzijde meer oeverzones worden aangelegd. Al met al krijgen de reeds aanwezige natuurwaarden als broed-, rust en foerageergebied voor moerasen watervogels en kleine zoogdieren en als paaigebied, kraamkamer en opgroeigebied voor vis, een krachtige en brede impuls. Dit is zeker het geval als optimaal gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden voor een natuurlijker peilverloop en relaties met de binnendijkse natuurgebieden via het achteroever concept. 5.2 Het recreatieve fundament Tabel 7 laat ook zien dat, als het materiaal dat nodig is voor de verondiepingen voor de oeverzones uit de meren zelf wordt gewonnen, er een oppervlakte van 885 ha dieper water beschikbaar komt namelijk 720 ha tot 4 m en 165 ha tot 2 m verdiept.
Deze verdiepingen borgen samen met de al aanwezige diepere delen de beschikbaarheid van voldoende en veilig bevaarbaar water voor de watersport en -recreatie en dragen zo bij aan de zeer noodzakelijke versterking van het recreatieve fundament. Op het Gooi- en Eemmeer en het Wolderwijd liggen de diepere zones centraal in de meren en worden ze omgeven door overgangszones met waterplanten. Deze zijn in het voor- en naseizoen bevaarbaar omdat de planten in het vroege voorjaar nog moeten groeien of in het latere najaar weer afgestorven zijn. Dit laatste geldt vooral voor het Gooi- en Eemmeer omdat daar het langstelige Doorgroeid Fonteinkruid dominant is. Op het Wolderwijd en Veluwemeer is de bevaarbaarheid van de overgangszones op dit moment gedurende het hele vaarseizoen redelijk omdat deze voor een belangrijk deel begroeid zijn met lage bodembedekkers als Kranswier en Sterkranswier. Dit is overigens geen vanzelfsprekend stabiele situatie omdat bv. Aarvederkruid en het langstelige Schede Fonteinkruid op veel plaatsen voor de nodige hinder zorgt. In de inventarisatie is bij het Veluwemeer uitgegaan van de reeds vergunde maar nog niet uitgevoerde IIVR verdiepingen (tot 2 m) en de lopende verdiepingen voor de kalkzandsteenindustrie (tot 16 m). Door optimalisatie en betere onderlinge afstemming van deze verdiepingen zou een hoger rendement voor de watersport kunnen worden bereikt.
5.3 De PCLake toets In hoofdstuk 2 is ingegaan op de systeemanalyses van de zuidelijke randmeren. Witteveen en Bos geeft heldere aanbevelingen (2): • • •
voorzichtig met verdiepingen en het maaien van waterplanten; werk aan verdere verlaging van de fosfaat-belasting vanuit de Eem; versterk de meren met een aangepaste inrichting: verondiepen van diepere zones en aanleggen van luwtestructuren en moeras.
De waarschuwing voor het verdiepen en het maaien van waterplanten is gebaseerd op inzichten die met de doorrekeningen met het PCLake model worden verkregen. Verdiepingen leiden tot verlenging van de waterverblijftijd in de meren en vergroten daardoor het risico op een ongewenste omslag Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 35
Naar de troebele toestand. Waterplanten remmen deze omslag juist onder andere omdat ze nutriënten aan het water onttrekken, omwoeling van de bodem tegengaan en beschutting geven aan zoöplankton die algen consumeren. Bij de inventarisatie per meer is globaal getoetst of er een zeker evenwicht is tussen de volumes materiaal van de verdiepingen en verondiepingen. Dat lukt niet altijd per meer, maar over de 4 meren genomen is er globaal sprake van evenwicht. Dit betekent dat wanneer verdiepingen en verondiepingen aan elkaar gekoppeld worden, het volume van de meren en daarmee de waterverblijftijd niet of nauwelijks zal veranderen. De waterplanten toets is complexer. Aangenomen is dat daar waar tot 4 meter wordt verdiept, geen waterplanten meer groeien. Daar waar door verondiepingen oeverzones worden aangelegd verandert de waterplantenvegetatie naar een meer gevarieerde moerasvegetatie met een hoge biodiversiteit en hoge productie van biomassa. Figuur 25 illustreert de hoge positie van wetlands binnen de hiërarchie van ecosystemen. Weliswaar daalt de externe bedekking met waterplanten als gevolg van de verdiepingen, maar de gemiddelde dichtheid en productiviteit van het (omvangrijke) resterende deel stijgt. Dit sterkt de gedachte dat het negatieve effect van de verdiepingen zal worden gecompenseerd met de oeverzones.
Figuur 25 Productiviteit wetlands
Overigens liggen na de ingreep de bedekkingspercentages op het Gooi- en Eemmeer nog steeds op of boven de waarden die met uitvoering van de maatregelen van het BEZEM programma werden nagestreefd nl. 60 resp. 53% (zie § 2.6). De tabel laat zien dat ook bij de andere meren na de verdiepingen nog steeds forse percentages externe bedekkingen resteren. Een voorzichtige conclusie kan dan ook zijn dat grotere ingrepen, mits uitgevoerd in een goede onderlinge balans tussen verdiepen en verondiepen, in PCLake rekentermen niet onmiddellijk tot verhoging van omslagrisico’s hoeven te leiden. Dit laat onverlet dat dergelijke ingrepen alleen positief zullen bijdragen als ze tegelijkertijd gecombineerd worden met maatregelen die leiden tot een verlaging van de fosfaat-belasting vanuit de Eem. Deze kanttekening geldt waarschijnlijk niet voor het Wolderwijd en Veluwemeer omdat de fosfaat-concentratie op deze meren al jaren ver onder de KRW-norm van 0,09 mg/l ligt (zie ook figuur 6 in § 2.5).
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 36
6. Proef- cq. opstartlocaties De SMWR hoopt dat de direct betrokken en verantwoordelijke partijen ook voor een bredere en integrale benadering willen gaan. In dat geval zullen de randmeren in elk geval binnen de PAGW hoger moeten worden ingeschaald dan tot nu toe het geval is. Ook zullen de middelen moeten worden gevonden en toegewezen voor een bredere benadering op een hoger schaalniveau. Daar is de nodige tijd mee gemoeid. Tegelijkertijd gaat het om een omvangrijk en complex programma van gevarieerde maatregelen. Ook al is er in Nederland inmiddels ruime ervaring opgedaan met inrichting en beheer van oeverzones, het lijkt verstandig om een langjarig uitvoeringsprogramma op te starten met locaties waarmee ervaring kan worden opgedaan met een aantal met specifieke inrichtingsaspecten: natuurlijk peilbeheer, overstromingsvlakten, helofytenfunctie , binnen-/buitendijkse verbindingen en het achteroever concept. Het randmerengebied biedt daarvoor een aantal interessante locaties. Deze passeren in de volgende paragrafen de revue. 6.1 Proeflocatie Hulckestein Tussen de Nijkerkersluis en jachthaven de Eemhof wordt de noordzijde van het Nijkerkernauw gevormd door een fors dijklichaam met een smalle zone van zandige voorlanden met veelal, smalle rietkragen en harde land/water overgangen. De ruimte tussen de voorlanden en diepe hoofdvaargeul is beperkt.
Aan de oostkant ligt een ontmantelde afmeervoorziening voor de recreatievaart (Hameland) en verspreid over de zone diverse kleine stranden. De strook grenst aan het binnendijks gelegen natuurgebied Hulckesteinse Bos met terreinen voor diverse vormen voor verblijfsrecreatie en een interessante waterpartij (de Laakse Slenk). Beheerder SBB wil middels een herinrichting tot een herijking van het bestaande gebruik komen.
Overzichtskaart 6 Proeflocatie Hulckestein
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 37
In de systeemanalyse Randmeren Zuid van RWS (3) wordt verondersteld dat het Nijkerkernauw zich niet leent voor versterking van de oeverzone. Door de relatief kleine breedte van het meer zouden door schepen veroorzaakte golven teveel impact hebben op mogelijke natuurvriendelijke oevers. Deze veronderstelling gaat voorbij aan het feit dat zich er wel degelijk rietkragen hebben ontwikkeld evenals in het vergelijkbare Nuldernauw. Uitbreiding van deze rietkragen lijkt vooral te worden geremd door de diepte van het water nl. ca. 1 m. Een herinrichting is gelet op de beperkte ruimte weliswaar geen eenvoudige maar wel een uitdagende en kansrijke opgave met interessante elementen: • omvorming en verbreding van een zanderig voorland naar een waterrijke vooroever indien nodig beschermd door eenvoudige kleidrempels; • regulering stranden; • revitalisering aanlegplaats Hameland; • het vraagstuk hoe, uitgaande van het primaat Foto 11 Achteroever concept Koopmanspolder van dijkveiligheid, een verbinding door of over de dijk te maken t.b.v. toepassing van het achteroever concept van de Koopmanspolder. Mogelijk dat een proefproject ook in een bredere kader van het gebied Hulckesteinse Bos met zijn gevarieerde verblijfvoorzieningen geplaatst kan worden.
Tegen deze achtergrond lijkt hier een mogelijkheid om te komen tot een interessant proefproject, waarmee, zonder dat grootschalige ingrepen nodig zijn, kennis en ervaring kan worden gegenereerd voor toepassing op ander plaatsen in het randmerengebied (en Markermeer). Daar komt nog bij dat in het Nijkerkernauw de doorspoel effecten van peilfluctuaties door op- en waaien het sterkst merkbaar zullen zijn. Een en ander mooi geïllustreerd door de veranderingen in het waterpeil bij het meetpunt Nijkerk-West veroorzaakt door de eind december 2020 langstrekkende zuidwester storm Bella. Figuur 26 Waterhoogten Nijkerkersluis West
De mogelijkheid om zowel binnen- als buitendijks laatste week dec. 2020 inrichtingsmaatregelen te nemen, kan tot een bijzondere meerwaarde leiden. Het binnendijkse gebied hoeft niet op voorhand beperkt gedacht te worden tot het Hulckesteinse Bos. Via de Laakse Slenk en een aantal tochten kan er tevens een verbinding ontstaan met het nabijgelegen Harderwold en de daarin gelegen waterpartijen. RWS inventariseert op dit moment (februari 2021) locaties op de zuidelijke randmeren voor uitvoering van de 3e tranche KRW maatregelen. Het Nijkerkernauw grenzend aan het Hulckesteinse Bos zou daarvoor een bijzondere en veelzijdige locatie kunnen zijn.
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 38
6.2 Proeflocatie Schuitenbeek De Delta Schuitenbeek was een van de maatregelen uit het BOVAR programma. Met een lange kade wordt het fosfaatrijke water van de Schuitenbeek en het Puttergemaal langs de kust afgeleid naar een uitmonding direct voor de Nijkerkersluis. Vandaar wordt het direct via de spuisluis afgevoerd naar het Nijkerkernauw zonder bij te dragen aan de fosfaatbelasting van het Nuldernauw. De rietontwikkeling heeft zich beperkt tot betrekkelijke smalle stroken langs de kade en de voormalige Zuiderzeedijk. De beoogde zuiverende werking is dan ook niet uit de verf gekomen. Diverse pogingen tot rietaanplant zijn mislukt (11 ). Wel biedt het gebied ruimte aan vele soorten broed- en trekvogels.
Overzichtskaart 7 Proeflocatie Schuitenbeek en Putterpolder
De delta grenst aan de binnendijks gelegen Putterpolder, onderdeel van het Natura 2000 gebied Arkemheen. In een deel van deze polder wordt het peilbeheer afgestemd op de functies “Natte natuur” en “Landbouw met natte natuur”. Dit leidt tot plas/dras zones met foerageer mogelijkheden voor waadvogels als lepelaars. In de Delta Schuitenbeek zijn al elementen aanwezig zoals kades, toevoer van beekwater en een uitwaterend gemaal aanwezig. Deze kunnen, samen met een aantal aanvullingen, gebruikt worden voor inrichtingsvarianten op basis van verondiepen en natuurlijk peilbeheer. Specifiek zouden ook de randvoorwaarden voor een optimalisering van de helofyten functie onderwerp van onderzoek kunnen zijn. Het gebied lijkt daarom bijzonder geschikt als proefgebied. De ervaring die daar kan worden opgedaan, is direct inzetbaar bij de omvangrijke Foto 12 Plas-dras zones in de Putterpolder opgave om het ecologisch fundament van de randmeren te versterken. 6.3 De Paaiplaats Een aantal jaren geleden is als onderdeel van het IIVR-project Inrichting Rietzone Veluwemeer een paaiplaats voor limnofiele vissoorten als snoek en rietvoorn ingericht. Het gaat om een perceel van ca. 6 ha direct ten noordoosten van recreatiepark Bad Hoophuizen. De Paaiplaats wordt omgeven door een kade die via een handbediende afsluiter in verbinding staat met de langsstromende Bovenbeek.
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 39
In het perceel wordt een vorm van natuurlijk peilbeheer toegepast: • • •
‘vast peil’ op -0,05 m NAP (= zomerpeil); bij zomerpeil is de afsluiter open zodat er in een groot deel van de paai- en opgroeiperiode een open verbinding met het Veluwemeer is; als het peil in het Veluwemeer (en de benedenloop van de Bovenbeek) zakt, wordt de stuw gesloten; het waterpeil in de paaiplaats wordt op deze manier vastgehouden, waardoor en geen of minder droogval in de winter optreedt.
Het maaiveld is ingericht voor de opgroei van inundatieriet en wordt doorsneden door greppels en watergangen. De rietbegroeiing moet ook zorgen voor een aanvullende biotoop voor moerasvogels. Het aanvankelijk goed aangeslagen riet is door een harde noordwestenwind geheel weggespoeld. Dit biedt wellicht mogelijkheden voor een vernieuwde aanpak waarbij met een regelbare stuw in de Bovenbeek een volledig natuurlijk peilverloop kan worden gecreëerd. Een vispassage kan in de periode van gestuwd water voor een permanente verbinding met het Veluwemeer zorgen. Op deze manier zou de paaiplaats met relatief geringe extra investeringen door beheerder Staats Bosbeheer (SBB) als laboratorium op Figuur 27 Proeflocatie Paaiplaats: 6 ha met kades, greppels en watergangen praktijkschaal kunnen worden ingezet. Aandachtspunten bij extra peilopzet in de winter zijn mogelijke wateroverlast bovenstrooms van de stuw en toename van de wegzijging. Mogelijk kan de nabijgelegen Varelse beek bij gebrek aan water uit de Bovenbeek voor voldoende aanvulling zorgen. De wateroverlast bovenstrooms is ook een kans om tot inrichting van overstromende beekoevers te komen. In 2007 zijn de mogelijkheden daarvoor verkend in het RWS rapport Beekherstel Veluwerandmeren(12). Dat leverde zowel voor de Bovenbeek als voor de Varelse Beek een potentie van ca.
0,6 ha per beek op bij een vergravings breedte van 20 m over een lengte van 300 m. 6.4 Proeflocatie Baai van Elburg Direct ten noorden van de Elburger brug ligt oostelijk van de vaargeul een grotendeels ondiep gebied. Aan de zuidzijde door een strekdam afgescheiden van de vaargeul: de baai van Elburg. Deze baai heeft een totale oppervlakte van ca. 150 ha. Buiten de recreatiebetonning heeft de baai een beperkte diepte nl. max. 0,6 m – NAP. Het betonde deel is als IIVR project op een minimale diepte van 1,0 m gebracht en geëgaliseerd. De RWZI Elburg loost zijn effluent op deze baai. In het kaartbeeld is de voormalige helofytenfilter voor behandeling van het effluent van RWZI Elburg als helofytenfunctie afgebeeld. De resultaten van dit veld met een oppervlakte van 14 ha vielen tegen dat het filter buiten gebruik is gesteld. De mindere zuiveringsresultaten werden toegeschreven aan de hoge nutriënten belasting, de hoge hydraulische belasting, optredende preferente Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 40
stroombanen en een peilbeheer dat onvoldoende was afgestemd op een optimale ontwikkeling van de vegetatie. Later is het als onderdeel van het IIVR programma als rietveld met succes herontwikkeld ter versterking van de ecologische waarden als leef- en voortplantingsgebied voor moerasvogels, vissen en amfibieën. Opnieuw in gebruik stellen is daardoor niet aan de orde.
Overzichtskaart 8 Proeflocatie Elburg
Het gebied biedt in het algemeen interessante mogelijkheden voor een intensivering en uitbreiding van een moeraszone met natuurlijk peilbeheer (voeding effluent RWZI Elburg), overgangszone van moeras naar dieper water, overstromingsvlakten en ’s winters droogvallende slikplaten in het noordelijk deel. Eventueel benodigd materiaal kan worden verkregen door verdieping van het eerder voor de watersport geëgaliseerde deel. Meer in het bijzonder zou er in het gebied een nieuw proeffilter kunnen worden ingericht. Daarmee kunnen procescondities (met fluctuerend peilbeheer) nader worden verkend voor een grootschaliger toepassing bij de Eemmonding.
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 41
7. De bestuurlijke opgave Het randmerengebied is onderdeel van een grotere geografische en waterstaatkundige eenheid: het IJsselmeergebied. Voor de aanleg van de Flevopolders was het daarvan een integraal onderdeel, erna door de tussenliggende polders wat meer naar de achtergrond gemanoeuvreerd. In het IJsselmeergebied spelen diverse vraagstukken en opgaven, maar die worden vooral buiten het randmerengebied. Via twee lijnen nl. de Agenda IJsselmeergebied 2050 en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) wordt richting gegeven aan beleids- en planvorming en uitvoering van (grootschalige) projecten. De randmeren zijn daarbij summier in beeld. 7.1 Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) Nederland investeert al jaren in ecologie en natuur van de grote wateren met maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Natura 2000. Echter door klimaatverandering en een toenemend maatschappelijk gebruik neemt de druk op de grote wateren toe. Zonder een aanvullende inspanning dreigen natuur en ecologische kwaliteit – ondanks de voorgenomen verbetermaatregelen - alsnog te verslechteren Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland werken daarom in opdracht van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) aan de uitwerking van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW).
Het centrale thema van deze aanpak is: “Toekomstbestendige grote wateren waar hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie”. In het Zuidelijk IJsselmeergebied zijn of worden in dit kader diverse grote projecten uitgevoerd, zoals de Markerwadden, Oostvaardersoevers, Noord-Hollandse oevers Markermeer. Bij veel projecten is de ontwikkeling van oeverzones een belangrijk onderdeel van de aanpak: plas- dras zones, natuurvriendelijke oevers en overgangen naar het binnendijkse gebied. De komende jaren kennen de ministeries van I&W en LNV 110 (van de benodigde 244) miljoen euro toe aan natuurprojecten in het IJsselmeergebied aan een viertal grootschalige projecten in het IJsselmeergebied.
Figuur 28 Grote PAGW-projecten in
IJsselmeer en Markermeer Voor het Randmerengebied worden grote ingrepen niet nodig gevonden. RWS Factsheet Grote Wateren van 28 november 2017: “In de Randmeren is al veel gebeurd; grootschalige maatregelen zijn daar niet nodig. Met een beperkt pakket kleinschalige beheersmaatregelen zijn de bestaande natuurwaarden te versterken. Bij mondingen van beken en rivieren, zoals de monding van de Eem, kan de verbinding tussen het IJsselmeergebied en het achterland sterker worden. Ook de relatie met de bossen aan de polderzijde is hiermee te verbeteren”. Voorgaande bescheiden ambitie is op projectniveau vertaald naar “Visbeheer en rietontwikkeling Randmeren”.
7.2 Agenda IJsselmeergebied 2050 In mei 2018 ondertekenden 60 partijen de Agenda IJsselmeergebied 2050, een beschrijving van een ambitieus en wervend toekomstperspectief voor het IJsselmeergebied. De gebiedsagenda is het Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 42
resultaat van een ruim twee jaar durend proces met alle gebiedspartijen: rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en burgers. Bij al deze partijen is veel enthousiasme om mee te werken (20). Via de gebiedsagenda willen al deze partijen de samenwerking verbeteren en nieuwe werkwijzen ontwikkelen voor een meer integrale aanpak. De gebiedsagenda stimuleert partijen om projecten gezamenlijk op te pakken en de grootst mogelijke meerwaarde voor het gebied te creëren. Als gezamenlijk afwegingskader is een aantal leidende ambities en principes geformuleerd. De uitvoering is een kwestie van maatwerk. De uitvoering en bekostiging van de maatregelen vindt plaats in de regio. Daarom is een goede aansluiting op regionale gebiedsprocessen altijd het uitgangspunt. In de recent uitgebrachte Handreiking Omgevingskwaliteit worden invalshoeken en ontwerpprincipes in beeld gebracht. Dit met de bedoeling om gemakkelijker integraal naar een opgave te kijken en doelen in combinatie met elkaar te bereiken. En om te komen tot nieuwe ontwikkelingen die de identiteit van het gebied versterken en verrijken (21) Figuur 29 Schutblad Handreiking
7.3 Achtergrond document Preverkenning IJsselmeergebied Verder is ter voorbereiding op het Agendadocument van de Agenda IJsselmeergebied 2050 een Natuurverkenning IJsselmeergebied uitgevoerd die tevens is gebruikt voor de PAGW. Het Achtergronddocument Preverkenning IJsselmeergebied (10) geeft interessante informatie over de overwegingen die tot de algemene conclusie hebben geleid dat in het randmerengebied een kwestie van optimaliseren is: “Er is de afgelopen decennia veel geïnvesteerd in de inrichting van het gebied. De maatregelen voor onder meer eutrofiëringsbestrijding en inrichting zijn heel succesvol gebleken. Er is daarom ook geen reden voor grootschalige ingrepen in het gebied. Maatregelen hier zijn maatwerk om lokale problemen op te lossen, nieuwe ontwikkelingen in het gebruik in goede banen te leiden en potenties die er nog zijn voor versterking van de natuur te benutten”. Verder wordt geconstateerd dat in de randmeren de discussie speelt over het wel/niet maaien van waterplanten en dat de recreatievaart hier geregeld hinder van ondervindt. Bekeken zou moeten worden of “middels proactieve communicatie de weerstand tegen waterplanten kan worden verminderd” waarbij tevens gedacht kan worden aan “een positieve zonering: vaarroutes die wel mogelijk zijn, kunnen dan zo attractief mogelijk worden vormgegeven bijvoorbeeld door informatieborden over cultuurhistorie”.
Al met al een magere onderbouwing voor de vergaande conclusie om het op de randmeren bij optimaliseren te laten. 7.4 Passende aanpak Inmiddels is wel duidelijk dat de inschattingen van de Preverkenning door de ontwikkelingen van de afgelopen jaren is ingehaald: • met name in de zuidelijke randmeren is de externe en vooral de interne bedekking van waterplanten nog verder toegenomen; • ook breiden de waterplanten velden zich in het westelijke Markermeer zich steeds verder uit; Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 43
•
de diverse systeemanalyses van het afgelopen jaar geven aan dat de maatregelen voor eutrofiëringsbestrijding in de zuidelijke randmeren onvoldoende zijn en dat het aandeel oeverzones in alle randmeren ver onder de ecologisch gewenste maat is.
De ongerustheid over de bevaarbaarheid en veiligheid van grote oppervlakken recreatiewater wordt tegenwoordig breed gedeeld. Dat heeft ertoe geleid dat een groot aantal partijen (provincies NoordHolland en Flevoland, de randmeergemeenten verenigd in de gebiedscoöperatie Gastvrije Randmeren, de gemeenten Almere en Hoorn en de waterrecreatiepartijen Watersportverbond, Hiswa vereniging, Sportvisserij Nederland en Toerzeilers Nederland) zich eind 2019 verbonden hebben in de Landelijke Werkgroep Waterplanten. Vanuit de werkgroep werken zij samen om tot oplossingen voor de waterplanten problematiek te komen. Verdiepen is daarbij een van de denkrichtingen. In januari bracht de SMWR, een representant van de watersportsector in de randmeren, de notitie “Integrale aanpak waterplantenproblematiek Randmeren” uit, een pleidooi voor een meer integrale aanpak van de problematiek op basis van de combinatie verdiepen en verondiepen. Met het onderhavige Inspiratiedocument wordt die aanpak concreter uitgewerkt. Deze aanpak blijkt een stevige impuls te kunnen geven aan de versterking van zowel het ecologische als het recreatieve fundament van de randmeren.
7.5 Bestuurlijke opgave De SMWR hoopt dat op korte termijn op bestuurlijk niveau een stevige basis wordt gelegd voor een kansrijke aanpak gericht op het bereiken van een hoog maatschappelijke rendement met als elementen: • Een door gebiedsoverheden en andere betrokken partijen gedeelde en gedragen opvatting dat oplossingen van de problematiek gezocht moeten worden in een integrale benadering gericht op het creëren van zoveel mogelijke meerwaarde; • Een opwaardering van het randmerengebied van Hollandse Brug tot Reevesluis tot een volwaardig project in het kader van de PAGW; • Een blijvende en medeverantwoordelijke rol voor 4 betrokken provincies: Nd-Holland, Flevoland, Utrecht en Gelderland en de waterschappen Zuiderzeeland, Vallei en Veluwe en Amstel, Gooi en Vecht. Komt een dergelijke basis van de grond, dan kan worden doorgeschakeld naar 2 twee sporen: • naar een ontwerp- en uitwerkingsaanpak naar het voorbeeld van het proces van de Integrale Inrichting Veluwe Randmeren (IIVR) dat eerder succesvol is uitgevoerd in het gebied van de Veluwerandmeren. Geen eenvoudig proces, maar wel een proces waarbij alle belanghebbenden en betrokkenen in staat gesteld worden hun inzichten in te brengen. De randmeren zijn echt aan een renovatie toe, waarbij het niet alleen gaat om een nieuwe keuken, badkamer of uitbouw van de woonkamer.
Er zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de fundamenten. • en tegelijkertijd starten met innovatieve praktijkpilots waarvoor binnen het randmerengebied diverse compacte en veelzijdige Figuur 30 Logo Integraal locaties als Living Labs beschikbaar zijn: Hulckesteinse Bos, Delta Inrichtingsplan Veluwe Randmeren Schuitenbeek en de Paaiplaats. De SMWR heeft met dit inspiratiedocument geprobeerd bruikbare bouwstenen aan te dragen. We doen graag mee aan een goed geregisseerd vervolg. Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 44
8. Geraadpleegde bronnen 1. 2. 3. 4. 5.
Watersysteemanalyse Randmeren Oost (Tauw, 2019) Waterplantenoverlast Gooi- en Eemmeer (Witteveen en Bos, 2020) Watersysteemanalyse Randmeren-Zuid (RWS 2020) Eindrapport Bezem (diverse auteurs, 2006) Estimating the critical phosphorus loading of shallow lakes with the ecosystem model PCLake: Sensitivity, calibration and uncertainty (Janse et al, 2010) 6. Waterplantenoverlast Gooi- en Eemmeer: een heldere blik op een potentieel troebel systeem (v.d. Kamp et al, H2O online jan. 2021) 7. Van helder naar troebel ….. en weer terug (Stowa, 2008) 8. Concept-nota Structuurvisie Recreatief Gebruik Randmeren (RWS, 1977) 9. Helofytenfilters voor verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater in het landelijk gebied, een programmeringsstudie (Staringcentrum, 1990) 10. Achtergronddocument Preverkenning IJsselmeergebied (RWS, 2017) 11. Bureaustudie Natuurlijker Markermeer en IJmeer (Royal HaskoningDHV, 2015) 12. Beekherstel Veluwerandmeren (RWS RIZA, 2007) 13. Pilot Koopmanspolder (Deltares, 2016) 14. Waterharmonica (Stowa 2005) 15. Inrichting helofytenfilter Pompveld (Royal HaskoningDHV, 2018) 16. Balgstuwen (Por Project, 2015) 17. Oeverzones langs ondiepe meren (Universiteit Utrecht, RIZA, 2006) 18. Functies van land-waterovergangen voor vissen (Sportvisserij Nederland, 2020) 19. Effecten van verdiepen op de watervegetatie in het Veluwemeer (RIZA, 2006) 20.
Agenda IJsselmeergebied 2050 (Ministerie van IenW, 2018) 21. Handreiking Omgevingskwaliteit (Min I enW, 2020) 22. Memo: Conclusies uit de Verkenning grote wateren (RWS, 2017) 23. Effecten van maatregelen op de waterkwaliteit van de Zuidelijke Randmeren (RIZA, 2001) 24. 10 jaar BOVAR. Eutrofieringsbestrijding met een blik op de toekomst (H2O, 1996) 25. In the mirror of the lake (RWS, 2007) 26. Ontwikkelingsperspectief Grote Wateren (Min I&W, Min LNV, RWS, 2018)) 27. Factsheet Verkenning Grote Wateren IJsselmeergebied (RWS, 2017) 28. Handboek Groene Waterzuivering (Spoelstra, Truijen, 2010)
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 45
Bijlage I
Stroomgebied Randmeren
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 46
Bijlage II Maatregelenpakket Consensus scenario BEZEM
Van helder naar ..
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 47
Bijlage III De randmeren en meren Zuidwest Friesland
Zuidwest Friesland 2
-
Tjeukemeer
22,0 km
-
Slotermeer
11,2 km
-
Fluessen
21,0 km
-
Heegermeer
6,5 km
-
Sneekermeer 22,8 km
2 2
2 2
Randmeren 2
-
Gooimeer
26,7 km
-
Eemmeer
13,4 km
-
Nijkerkernauw 2,0 km
-
Wolderwijd
18,0 km
-
Veluwemeer
30,0 km
2 2 2
2
incl. Poelen
Totaal
83,5 km
2
Totaal
90,1 km
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 48
2
Bijlage IV Zonering meren conform Verdonschot Moerasgebieden zijn hoogproductieve systemen waar naast de vorming van organisch materiaal in de vorm van afgestorven plantendelen ook plaats is voor een hoge biodiversiteit. Moerasgebieden liggen op de gemiddelde waterlijn en zijn continue nat, bij hoog water staan ze onder water en bij laag water drogen de bovenste centimeters in. Dergelijke moerasgebieden kunnen een zone vormen tussen de dijk en het ondiepe deel van het meer, de zgn. litorale zone. Dit is een zone die vanaf de gemiddelde waterlijn geleidelijk afloopt tot een diepte van circa 1,5 - 2 m. De litorale zone is de zone waarin zich veel waterplanten ontwikkelen en een rijke onderwaterstructuur vormen. In deze zone worden voedingsstoffen opgenomen en omgezet in organisch materiaal. De litorale zone is productief, biedt ruimte en leefhabitat aan veel dieren en voorziet de diepe delen in het meer van organisch materiaal wat de meerbodem verbetert en van voedingsstoffen waarop het voedselweb van het meer functioneert. Het moeras en de litorale zone nemen zo veel voedingsstoffen op en geven minder af waardoor de waterkwaliteit sterk verbetert.
Veel planten en dieren vinden een leefruimte, schuilplaatsen en voedsel in een gradiënt van moeras naar litoraal naar meer. De draagkracht van een dergelijke zonering is groter dan de individuele zones op zich kunnen dragen. Hiermee wordt het meer extra verrijkt en in haar functioneren versterkt. De natuurlijk cyclus van voedingsstoffen wordt robuuster en krijgt meer veerkracht tegen extra voedingsstoffen die van buitenaf worden toegevoerd. De ondiepe waterplantenrijke zones zullen door ophoping van organisch materiaal op de bodem steeds rijker en diverser worden. Veel vissen vinden in deze zone paai- en opgroeiplaatsen. De ongewervelde bodemfauna zorgt samen met de bodembacteriën voor een evenwichtige afbraak en teruggifte van stoffen. Tegelijk zal een klein deel van het organisch materiaal permanent in de bodem worden opgeslagen.
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 49
In een dergelijk gezoneerd systeem ontwikkelt zich door opname en afgifte van nutriënten en door vorming, afbraak, opwerveling en transport uitwisseling plaats van organisch materiaal van en naar de waterbodem en van en naar moeras, litoraal en diepe delen in het meer, een robuust functionerend meer-ecosysteem. Hierdoor wordt het voedselweb in het gehele gebied versterkt en kunnen vissen en vogels in aantal en diversiteit sterk toenemen. Het kunstmatige karakter van de Randmeren kan daarmee worden doorbroken. Er ontstaat een meer natuurlijke balans met de daarbij behorende beheerste groei van waterplanten met hooguit een beperkte overlast voor recreatief gebruik. Het inrichtingsmodel van Verdonschot wordt feitelijk ook toegepast op het Markermeer waar plannen in ontwikkeling zijn om de overgangen tussen dit meer en de oostkust van Noord-Holland en de Oostvaarders- en Lepelaarsplassen in Flevoland natuurlijker te maken. Het gaat hier om grote projecten die net als de Markerwadden deel uitmaken van een landelijk programma: Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW)
eer terug
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 50
Bijlage V Natuurlijk peilverloop en rietgroei
Uit: rapport MER Verdiepingen Veluwemeer en Wolderwijd (Witteveen en Bos, 2009): “Naast de fragmentering van de natuurlijke oude landoever is ook de kwaliteit van de vegetatie in de huidige situatie niet optimaal. Dit is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het gehanteerde tegennatuurlijk waterpeilverloop, met lagere peilen in de wintermaanden dan in het zomer halfjaar. Hierdoor wordt de verjonging cq. uitgroei van riet, lisdodde en biezen in de richting van het water, die vooral droogval in het groeiseizoen nodig heeft, zeer sterk bemoeilijkt. Daarnaast neigt riet dat permanent droogstaat naar verruiging met allerlei ruigtekruiden en houtachtigen als wilg en vlier”.
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 51
Bijlage VI - 47 t/m 54 Peilverhogingen t.b.v. natuurlijk peilbeheer
Peilopzet Gooi- en Eemmeer t.b.v. natuurlijk peilbeheer Peilopzet in m t.o.v. streefpeil
Peilhoogte in m t.o.v. NAP
okt. t/m dec.
0,20 – 0,35
-0,20 - - 0,05
jan. t/m half maart
0,35 – 0,45
half mrt. t/m april mei t/m sept.
Peilopzet Veluwerandmeren t.b.v. natuurlijk peilbeheer Peilopzet in m t.o.v. streefpeil
Peilhoogte in m t.o.v. NAP
okt. t/m dec.
0,25 – 0,40
-0.05 - + 0,10
- 0,05 - + 0,05
jan. t/m half maart
0,40 – 0,55
+ 0,10 - + 0,25
0,30
+ 0,10
half maart t/m april
0,30
+ 0,25
uitzakken
-0,20
mei t/m sept.
uitzakken
- 0,05
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 52
Bijlage VII Beekafvoeren Nd-Veluwe
Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 53