CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

B04 Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren 20210205

Commissie Samenleving 29 april 2021, gemeente BunschotenBij agendapunt: Ingekomen stuk B04, notitie “fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren “ van St. Maaien waterplanten Randmeren, op verzoek van de ChristenUnie en het CDA17.883 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren deel 1

Inspiratiedocument Januari 2021

Samenvatting De laatste 20 jaar is de waterhelderheid van de randmeren steeds verder toegenomen, eerst op de oostelijke en later ook op de zuidelijke randmeren. Dit ondanks de nog steeds hoge fosfaat-belasting op de meren. De toegenomen helderheid leidde op alle meren tot een uitbundige groei van waterplanten die de van oudsher aanwezige recreatievaart steeds meer in de weg is gaan zitten. Uit recent onderzoek is gebleken dat het helder worden vooral gedragen is door de gezamenlijke filtercapaciteit van een omvangrijke mosselpopulatie. Nu deze sterk is afgenomen is het risico op een omslag naar een ongewenste troebele en algenrijke toestand weer actueel. Vooralsnog werken de vele waterplanten deze omslag nog tegen. Structurele maatregelen zijn dringend gewenst: • • •

verdere reductie van de fosfaatvracht van de rivier de Eem; vergroting van het areaal ondiepe oeverzones ter versterking van het ecologisch fundament van de meren en het verkrijgen van een gezoneerde structuur; verdieping van delen van alle meren ter borging van voldoende bevaarbaar water voor de waterrecreatie.

Oeverzones herbergen bijzondere natuurwaarden niet alleen als broed-, rust en foerageergebied voor moeras- en watervogels en kleine zoogdieren, maar ook als paaigebied, kraamkamer en opgroeigebied voor vis. Ook leggen ze nutriënten vast in de vegetatie en vormen ze een habitat voor algen grazend zoöplankton. Uit een inventarisatie in de randmeren tussen de Hollandse Brug en de Reevesluis blijkt er ruimte om ongeveer 1000 ha water te verondiepen en in te richten als oeverzones. Bij winning van het benodigde materiaal uit de meren zelf komt voor de recreatievaart bijna 900 ha extra water met een diepte tot ca. 4 m beschikbaar. Effectieve oeverzones vragen om een gevarieerde inrichting met aandacht voor peilfluctuaties en natuurlijker peilbeheer. Benutting van beekafvoeren en uitgeslagen polderwater bieden daarvoor mogelijkheden. Door ook aansluiting en verbinding te zoeken met binnendijks gelegen natuurgebieden, bijvoorbeeld middels het achteroever concept van de Koopmanspolder, kunnen de oeverzones een grote ecologische meerwaarde krijgen. De urgentie van de problematiek van de randmeren en de grote potentie om bij te dragen aan het centrale thema van de PAGW nl. “Toekomstbestendige wateren waar hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie” worden onderschat.

Brede bestuurlijke erkenning en opwaardering van de gezamenlijke randmeren tot een volwaardig PAGW project is dringend gewenst. Op korte termijn kan op diverse locaties gestart worden met uitvoering van innovatieve en veelzijdige pilots, waarmee ervaring kan worden opgedaan voor toepassing in het hele IJsselmeergebied.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 1

Inhoudsopgave 1. Inleiding …………………………………………………………………………………………. 3 2. Systeemanalyses en rapport BEZEM ………………………………………………. 5 2.1 Sleutelfactoren 5 2.2 PCLake model 5 2.3 Systeemanalyse zuidelijke randmeren (WenB) 5 2.4 Systeemanalyse zuidelijke randmeren (RWS) 7 2.5 Systeemanalyse oostelijke randmeren 8 2.6 Eindrapport BEZEM 10 2.7 Resultaat van BEZEM 11 2.8 Opschaling aanpak 12 3. Versterking ecologisch fundament …………………………………………………… 13 3.1 Belang oeverzones 13 3.2 Ervaringen in Nederland 14 3.3 Inrichtingsaspecten moeraszones 15 3.4 Peilbeheer IJsselmeergebied en randmeren 15 3.5 Peilfluctuaties binnen het Peilbesluit 2018 16 3.6 Andere bronnen voor peilopzet 17 3.7 Inpompen of inlaten 19 3.8 Zuiverende werking oeverzones 19 3.9 Kades, stuwen en vistrappen 20 4. Resultaten verkennende inventarisatie …………………………………………… 21 4.1 Maatgevoel 22 4.2 Veluwemeer 23 4.3 Wolderwijd 25 4.4 Nijkerkernauw 27 4.5 Eemmeer 29 5. 4.6 Gooimeer 31 6. Globale balans ………………………………………………………………………………… 34 7. 5.1 Het ecologisch fundament 34 5.2 Het recreatieve fundament 35 5.3 De PCLake toets 35 8. Proef- cq. Opstartlocaties ……………………………………………………………….. 37 6.1 Proeflocatie Hulckestein 37 6.2 Proeflocatie Delta Schuitenbeek 39 6.3 Proeflocatie De Paaiplaats 39 6.4 Proeflocatie Baai van Elburg 40 9. De bestuurlijke opgave …………………………………………………………………….

42 7.1 PAGW 42 7.2 Agenda IJsselmeergebied 2050 42 7.3 Preverkenning IJsselmeergebied 43 7.4 Passende aanpak 43 7.5 Bestuurlijke opgave 44 10. Geraadpleegde bronnen ………………………………………………………………….. 45 Bijlagen I t/m VII

46t/m 53 Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 2

1. Inleiding In januari 2020 bracht de Stichting Maaien Waterplanten Randmeren (SMWR) de notitie “Integrale aanpak waterplantenproblematiek Randmeren” naar buiten. Een pleidooi voor een integrale aanpak van de waterplanten problematiek op de randmeren. Toegespitst op het Eemmeer gaat het om een combinatie van verdiepen en verondiepen (moerasvorming) binnen de contouren van een natuurlijk inrichtingsmodel zoals dat door prof. P. Verdonschot van de Wageningen Universiteit wordt voorgestaan.

Figuur 1 - Zonering ondiep – diep conform Verdonschot

De notitie is gepresenteerd op het jaarcongres van de Coöperatie Gastvrije Randmeren (CGR), aangeboden aan de Landelijke Werkgroep Waterplanten en besproken met diverse belanghebbenden zoals representanten van watersportbedrijven en – verenigingen, waterschappen en gemeenten. De reacties waren overwegend positief. Wel is van diverse zijden gewezen op de mogelijk tegenvallende effectiviteit van moeraszones. Dit vanwege het tegennatuurlijk peilbeheer dat op het Markermeer en de randmeren wordt aangehouden. Daarnaast werd ook aanbevolen om mogelijkheden voor natuurontwikkeling niet alleen in het watersysteem zelf te zoeken maar ook er omheen omdat een uitwisselingsrelatie tussen land- en watersystemen tot een extra meerwaarde kan leiden. In 2020 zijn ook twee (water)systeemanalyses gepubliceerd, een van de oostelijke Randmeren uitgevoerd door Adviesbureau Tauw (1) in opdracht van RWS en de andere van de zuidelijke randmeren uitgevoerd door Witteveen en Bos (2) in opdracht van de Coöperatie Gastvrije Randmeren (CGV). Beide analyses wijzen uit dat de hoge fosfaat belasting op de meren niet correspondeert met de heldere toestand waarin de meren al jaren verkeren. Dit beeld wordt voor de zuidelijke randmeren bevestigd door een intern bij RWS uitgevoerde systeemanalyse (3).

Een en ander betekent dat er een risico is, dat de meren kunnen omslaan naar een ongewenste troebele en algenrijke toestand. Het rapport van Witteveen en Bos is het meest expliciet over de te volgen aanpak: • • •

voorzichtig zijn met ingrepen als maaien en verdiepen; de nutriënten belasting vanuit de Eem en de Eempolders verder terugbrengen; inrichtingsmaatregelen nemen zoals het creëren van oeverzones.

Zo wisselden bijval, adviezen, kansen en bedreigingen voor toepassing van de door de Stichting Maaien voorgestane integrale aanpak elkaar af. Tegelijkertijd hebben de systeemanalyses voor een “wake up call” gezorgd. De waarneming van heldere, waterplantenrijke meren blijkt een wankele basis te hebben. Dit inzicht leidt bij diverse betrokken partijen tot een versterkte defensieve opstelling t.a.v. het beheer van waterplanten. Een opstelling die gevoed wordt door de omstandigheid dat de groei van Doorgroeid Fonteinkruid in 2020 zowel op het Markermeer als op de zuidelijke randmeren afweek van andere jaren: een groeistagnatie in de eerste maanden. Voor de Stichting Maaien Waterplanten Randmeren is er dan ook voldoende aanleiding voor een vervolg. Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 3

De nu ontstane situatie vraagt om een geïntensiveerde, integrale aanpak waarin de fundamenten van de natuur- en recreatiefunctie van de randmeren op een evenwichtige wijze worden versterkt. Een aanpak die naadloos past in de doelstellingen van de Agenda IJsselmeergebied 2050 en bij het centrale thema van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW): “Toekomstbestendige wateren waar hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie”. Met deze notitie beoogt de SMWR een aantal bouwstenen aan te dragen. Bedoeld toepassing in het gebied van de randmeren tussen de Hollandse Brug en de Reevesluis, zoals in figuur 1 in beeld gebracht. De meren vormen de langgerekte kern van een groter, samenhangend stroomgebied waartoe ook de Gelderse Vallei, de Noord-West Veluwe en de hoge Afdeling van de Flevopolders behoren. Bijlage I bevat een overzicht van dit stroomgebied. De SMWR is geen wetenschappelijk instituut of adviesbureau maar een Stichting met een praktische opdracht: het maaien van een aantal plaatsen waar waterplanten zich het meest hinderlijk voor de waterrecreatie manifesteren. Het bestuur bestaat uit representanten van watersportverenigingen en -bedrijven in het gebied van de randmeren.

In dit gezelschap zijn niet alleen de nodige praktische inzichten in de recreatieve, economische en maatschappelijke betekenis van het gebied samengebracht, maar ook kennis van én waardering voor de bijzondere natuur- en landschapswaarden. De gezamenlijke bestuursleden beschikken daarbij over een breed, functioneel netwerk. Bij het schrijven van de notities van de SMWR wordt ruim uit deze bronnen geput. Tegen deze achtergrond moet deze notitie worden gelezen als een goed gefundeerd inspiratiedocument.

Figuur 2 - De randmeren van Hollandse Brug tot Reevesluis

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 4

2.

Systeemanalyses en rapport BEZEM (Bestrijding Eutrofiëring Zuidelijke Randmeren)

Opstellers van systeemanalyses maken gebruik van gestructureerde methodieken en rekeninstrumenten, zoals de methodiek van de 9 Sleutelfactoren en het PCLake model. Deze worden voor de niet ingevoerde lezer kort toegelicht. Daarna wordt ingegaan op de diverse systeemanalyses. Ook passeren in dit hoofdstuk de hoofdpunten van het “Eindrapport Bezem Eerlijk Helder Water” (4) uit 2006 de revue, de basis voor een maatregelenpakket gericht op het verlagen van de fosfaatbelasting vanuit de Gelderse Vallei op het Eemmeer. De rapporten bieden de nodige aanknopingspunten voor een verdere, integrale aanpak. 2.1 Sleutelfactoren De Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) heeft voor de beoordeling van de ecologische toestand van watersystemen de methodiek van de zgn. sleutelfactoren ontwikkeld. Voor stilstaande wateren gaat het om 9 sleutelfactoren die o.m. betrekking hebben op de hoeveelheid nutriënten in het water en in de waterbodem, het doorzicht, de eisen die organismen stellen aan hun leefomgeving en de effecten van bv. maaibeheer en vraat. De sleutelfactoren bevatten de belangrijkste voorwaarden die nodig zijn voor een gezond watersysteem. Ze bieden tevens handvatten voor gerichte verbetering. Voor diverse sleutelfactoren zijn rekentools beschikbaar die doorrekening mogelijk maken. Het PC Lake model is een van die tools.

2.2 PC Lake model De Helpdesk Water (RWS WVL) beschrijft het PCLake model als een model ter voorspelling van de effecten van eutrofiëring op de kwaliteit van het water en het aquatisch ecosysteem in (m.n. ondiepe) meren en plassen. Het model voorspelt de nutriëntengehalten, algenconcentratie, doorzicht, vis- en plantenbiomassa als gevolg van de nutrientenbelasting en factoren als verblijftijd, diepte, inrichting en bodemtype. Er kan b.v. worden gesimuleerd bij welke fosfaat belasting de overgang ligt tussen de troebele en de heldere toestand van een meer. Behalve vermesting scenario’s kunnen ook de effecten van andere ingrepen, zoals baggeren, visbeheer, hydrologische veranderingen en moerasontwikkeling worden doorgerekend. Kern van het PC Lake model is de vergelijking tussen de werkelijke fosfaatbelasting van het systeem met de door het model berekende belasting waarbij een omslag plaats vindt, de zgn. kritische belasting. De omslag van helder naar troebel vindt plaats bij een hogere kritische belasting dan de omslag van troebel naar helder. Dit omdat in een helder systeem de aanwezigheid van bv. waterplanten, mosselen en zoöplankton de potentiële terugval naar de troebele toestand tegenwerken. Het PC Lake model is een complex model. De onzekerheidsmarges van de berekende kritische Pbelastingen worden geschat op + of – 30 á 40% (5).

Voor eerste verkenningen kent het PCLake model een vereenvoudigde versie: het Meta model. 2.3 Systeemanalyse zuidelijke randmeren: Gooi- en Eemmeer (W en B) In 2020 is in opdracht van de Coöperatie Gastvrije Randmeren door Advies- en ingenieursbureau Witteveen en Bos een systeemanalyse van de zuidelijke randmeren uitgevoerd (2). Doel van de analyse was om te verkennen welke speelruimte er is voor het uitvoeren van beheersmaatregelen

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 5

die de door de watersport ervaren hinder van waterplanten tegengaan. De resultaten van de verkenning zijn gebaseerd op toepassing van het PCLake model. Een belangrijke uitkomst van de systeemanalyse is dat de nutriënten belasting, met name die van fosfaat, te hoog is en dat beide meren zich feitelijk in de troebele toestand zouden moeten bevinden. In de praktijk is dat al jaren niet meer het geval. De verklaring van deze paradox is dat de (zeer) grote aantallen mosselen door intensieve filtering van het water voor de gewenste helderheid hebben gezorgd. Aanvullend onderzoek heeft uitgewezen dat de mosselstand de laatste jaren sterk achteruit is gegaan en daarmee de filtercapaciteit van de gezamenlijke mosselpopulatie. De actuele fosfaatbelasting is daardoor boven de kritische belasting komen te liggen, zodat beide meren het risico lopen terug te vallen in de troebele toestand. Foto 1 Mosselbank foto John van Schie Figuur 4, ontleend aan (2), illustreert de relatie tussen de hoogte van de kritische belasting en de mate van filtering door mosselen. De gekleurde balkjes corresponderen met de filtercapaciteit en variëren van ca. 7 x het totale volume van het meer per dag (paars) tot ca. 0,35 x (rood). De in 2020 vastgestelde mosselpopulatie hoort bij het rode balkje en levert dus een kritische belasting op onder de berekende actuele belasting.

Figuur 3 Kritische belasting en filtercapaciteit

Het verschil tussen het Eemmeer en Gooimeer is een gevolg van de verschillende systeemkenmerken van deze meren. In beide gevallen blijkt de ligging van de kritische belasting t.o.v. de werkelijke belasting sterk afhankelijk te zijn van de mosselstand. Deze is de afgelopen jaren aan de nodige variaties onderhevig geweest. Domineerde aanvankelijk de driehoeksmossel, rond 2010 is deze in enkele jaren grotendeels verdwenen en vervangen door een invasieve exoot: de Quaggamossel. Een mossel met een grote filtercapaciteit mede op grond van zijn soms massale aanwezigheid. Er zijn concentraties tot 7000 Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 6

exemplaren per m2 geconstateerd (6). In 2020 blijkt deze mossel in de zuidelijke randmeren weer sterk op zijn retour. Mogelijk omdat de Quaggamossel inmiddels door predatoren als voedzame hap is herkend en als zodanig wordt belaagd, waardoor een sterk verlaagd evewichtsniveau is ontstaan. Wachten en hopen op herstel biedt om die reden geen zekerheid voor een duurzaam systeem. Witteveen en Bos adviseert dan ook een meer structurele aanpak: • •

voor de korte termijn: voorzichtig met verdiepen en met beheersmaatregelen als maaien; voor de (middel)lange termijn: - verdere reductie van de nutriënten belasting vanuit de Eem en de Eempolders - het versterken van de meren met een aangepaste inrichting: het verondiepen van diepere zones en het aanleggen van luwtestructuren en moeras.

Achtergrond van dit advies is dat waterplanten bij een blijvend te hoge P-belasting de terugval remmen, maar uiteindelijk niet voorkomen. Er is dus nog ruimte om in elk geval een begin te maken met een aanvullende, structurele aanpak. Deze aanpak spoort met de Stowa publicatie “Van helder naar troebel en terug …” (7). Er is overigens wel sprake van de nodige urgentie, omdat er een veel grotere inspanning nodig is om een eenmaal naar troebel omgeslagen systeem weer terug te krijgen naar de heldere toestand. Ook geldt dat het uitbreiden van het areaal oeverzones alleen effect heeft als ook de fosfaatbelasting wordt teruggebracht. 2.4 Systeemanalyse zuidelijke randmeren: Gooi- en Eemmeer (RWS) Begin 2020 is door RWS Midden Nederland intern een systeemanalyse van de zuidelijke randmeren uitgevoerd op basis van de methodiek van de Ecologische Sleutelfactoren (3). Doel van de analyse was om inzicht te krijgen in het ecologisch functioneren van het watersysteem én in de functionaliteit van de gebruikte methodiek. Het rapport bevestigt de bevindingen van Witteveen en Bos: hoge nutriëntengehalten in water en bodem waardoor het systeem zich in de troebele toestand zou moeten bevinden. Er is gerekend met zowel het metamodel als het complete PCLake model waarbij overigens niet alle parameters van het model zijn ingevuld zoals bv. de oppervlakte oeverzone.

Een van de conclusies is dat Figuur 4 Sleutelfactor Productiviteit water het metamodel niet geschikt is voor de berekening van de kritische P-waarden onder meer omdat de belastingwaarde die is afgeleid van de KRW-norm voor het Eemmeer (0,09 mg P/l) nog boven de kritische waarde voor de omslag van helder naar troebel ligt. De zuidelijke randmeren worden in deze berekeningen als volledig gemengd beschouwd. Wanneer het metamodel op de afzonderlijke meren Nijkerkernauw, Eemmeer en Gooimeer wordt toegepast, ontstaat een genuanceerder beeld. De berekeningen met het complete PCLake model leiden eveneens tot de conclusie dat de zuidelijke randmeren inmiddels troebel hadden moeten zijn. Als mogelijke verklaring wordt vermeld “dat het aandeel van verschillende nutriënten en/of algen opnemende factoren in het watersysteem groter is dan er in PCLake is aangenomen”. Meer concreet worden mosselen, zoöplankton en waterplanten als factoren genoemd, die de ongewenste omslag kunnen tegengaan. Volgens het rapport staat de sleutelfactor Habitatgeschiktheid voor de 3 onderzochte dieptezones w.o. de oeverzone op rood: ze verkeren niet in één van de gewenste toestanden. Aanpassing van het Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 7

eventuele te steile talud bij land/water overgangen wordt aanbevolen om verbreding van de oeverzones en rietkragen mogelijk te maken. Daarbij is nader onderzoek naar de effecten van peilfluctuatie en voedselrijkdom van de bodem gewenst. Het rapport geeft geen kwantitatieve doelstelling voor de omvang van de oeverzone. Bij de sleutelfactor ”Verwijdering” wordt bekeken wat de effecten zijn van verwijdering van waterplanten bv. door ganzenvraat of beheersmaatregelen als maaien. Toepassing van een ondersteunende rekentool bij de sleutelfactor levert een beeld van kwetsbaarheid op voor waterplanten als Doorgroeid Fonteinkruid en riet. Dit lijkt niet de realiteit te zijn omdat riet op vrijwel de gehele zuidoever aanwezig is en Doorgroeid Fonteinkruid in zeer grote hoeveelheden voorkomt. Door de grote afwijking tussen rekentool en realiteit lijkt de toegepaste rekentool niet voldoende betrouwbaar om de effecten van verwijdering van waterplanten te beoordelen. Toepassing van een andere methode wordt om die reden aanbevolen. Tenslotte beveelt het rapport het uitbreiden van het meetnet aan: naast het bestaande meetpunt in het Eemmeer ook meetpunten in het Nijkerkernauw en Gooimeer en bij de Hollandse Brug. 2.5 Systeemanalyse oostelijke randmeren: Veluwemeer en Wolderwijd In 2019 is voor de oostelijke randmeren een systeem analyse uitgevoerd.

Ditmaal door Ingenieurs- en adviesbureau Tauw in opdracht van Rijkswaterstaat. Doel van de analyse was te onderzoeken of deze meren voldoen aan de chemische en ecologische doelen van de Kader Richtlijn Water (KRW). Daarbij is de brede benadering op basis van de 9 ecologische sleutelfactoren gehanteerd. Uit de analyse blijkt dat er geen grote knelpunten zijn. Wel volgen uit 5 van de 9 sleutelfactoren verbeter- en aandachtspunten om aan de KRW-doelen te blijven voldoen en het systeem robuuster te maken. Meer concreet gaat het vooral om de sleutelfactoren “Productiviteit water” en “Habitatgeschiktheid”. Bij de eerste sleutelfactor is de nutriënten belasting geanalyseerd met het PCLake model. Ook hier was de uitkomst dat de actuele P-belasting boven de berekende kritische belasting ligt en de meren dus in de troebele toestand zouden moeten zitten. Dat is op de oostelijke randmeren al jaren niet het geval. Ter verklaring van de paradox wordt gewezen op de onnauwkeurigheidsmarges van de vastgestelde, actuele belasting en de op basis van systeemkenmerken van de meren berekende kritische belasting. Deze marges overlappen elkaar, zoals in beeld gebracht in bijgaande figuur 5 ontleend aan (4 ).

Figuur 5 Actuele en kritische fosfaatbelasting met onzekerheidsmarges 40% voor de kritische belasting en 30% voor de actuele belasting

Tauw stipt wel de mogelijke invloed van mosselen aan, maar gaat daar vervolgens niet dieper op in omdat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn en nader onderzoek op dit punt gewenst is. Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 8

In de eindconclusie vat het rapport de beoordeling van de fosfaatproblematiek als volgt samen: “De gemeten fosfaat concentratie in het systeem is al jaren goed. Het blijft belangrijk om ook in de toekomst aandacht te blijven hebben voor de belasting van het watersysteem Randmeren Oost, hoewel er wel dus wat af te dingen is op de juistheid van de kritische belasting”. Ter illustratie van deze conclusie is in figuur 6 een overzicht gegeven waarin de gemeten fosfaat- en stikstofconcentraties over de afgelopen jaren wordt vergeleken met de KRW-norm die voor deze meren geldt.

Figuur 6

Concentratie P-totaal en N-totaal in mg/l in meetpunt Veluwemeer Midden

In de conclusies t.a.v. de sleutelfactor “Habitatgeschiktheid” wordt met name de oeverzone als knelpunt aangemerkt: de overgang tussen de droge oever en de ondiepe zone is te scherp door steile (basalt)oevers en een tegennatuurlijk peilbeheer. Overstromingsgrasland ontbreekt vrijwel volledig. De oeverzone draagt zo te weinig bij aan het systeemfunctioneren. Bij een eerste inventarisatie is de omvang van de aanwezige oeverzone geschat op ca. 3% (190 ha) van de oppervlakte van de meren, terwijl Figuur 7 Sleutelfactor Habitatgeschiktheid vooralsnog 10% gewenst lijkt. In elk geval laten de modelruns met PCLake zien dat oeverzones in deze orde van grootte (of meer) de kritische P-belasting tot boven de actuele P-belasting brengen en daarmee de robuustheid van het systeem vergroten (zie figuur 12). Er wordt geadviseerd de oeverzones nader te inventariseren en oorzaken, die de ontwikkeling van een oeverzone remmen, nader te onderzoeken. Een en ander t.b.v. het nemen van maatregelen op Figuur 8 Sleutelfactor Verwijdering locatieniveau. Tot slot lijkt ook de conclusie t.a.v. de sleutelfactor “Verwijdering” relevant. Op basis van een quick scan en een beoordeling van het gevoerde maaibeleid, de ingeschatte graasdruk door ganzen en de bedekkingen van waterplanten wordt verwijdering (van waterplanten) niet als knelpunt aangemerkt.

Over de niet boven het water uitstekende submerse vegetatie merkt het rapport zelfs op dat de bedekkingen in het Veluwemeer, Wolderwijd en Nuldernauw boven het MEP (maximaal ecologisch potentieel = natuurlijke referentie) liggen, wat aangeeft “dat de bedekking zelfs iets te hoog is”.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 9

2.6 Eindrapport BEZEM: Eerlijk helder water In 2006 komen RWS, Waterschap Vallei en Eem, waterschap Amstel Gooi en Vecht, provincie Utrecht, gemeenten, ministerie van LNV en agrariërs een breed pakket aan maatregelen overeen met het doel de afvoer van fosfaat door de rivier de Eem naar het Eemmeer vergaand terug te brengen. Dit om in 2015 de op basis van de Europese Kader Richtlijn Water vastgelegde ecologische doelstellingen te bereiken. De samenwerkende partijen kozen voor uitvoering van een samenhangend pakket van maatregelen, het zgn. consensus scenario. Belangrijke onderdelen van het uitvoeringsprogramma waren onder andere: • • • • • • •

uitbreiding van 7 rioolwaterzuiveringen (RWZI’s) in de Gelderse Vallei met een zgn. 4e trap voor vergaande fosfaatverwijdering sanering 15 gemeentelijke riool overstorten Figuur 9 Schutblad rapport Bezem verminderen met c.q. extensiveren van 7000 ha landbouw areaal nautisch en onderhouds baggeren in het Eemstroomgebied, de Eem en de Eemmonding slibvang uitdunningsvisserij stimulering ontwikkeling waterplanten

Bijlage (II) geeft een volledig overzicht van het programma met vermelding van de uitvoerende partijen en de bijbehorende kosten. Aan het eindrapport gaan diverse deelrapporten vooraf waarin een veelheid aan grote en kleinere maatregelen de revue passeren, maar die om redenen van haalbaarheid en kosteneffectiviteit het consensus scenario niet hebben gehaald. Opvallende elementen daarbij waren: • het uit productie nemen van vrijwel het gehele landbouwareaal in de Gelderse Vallei; • een schutsluis in de Eemmonding om chemisch defosfateren van de Eemafvoer te mogelijk te maken; • het deels defosfateren van het Eemwater met een helofytenfilter met een oppervlakte van 500 ha; • doorspoelvarianten met water uit het IJmeer, Nuldernauw en inlaat vanuit de Rijn. Voor de bepaling van de effecten van de diverse maatregelen is gebruik gemaakt van een op het Gooi- en Eemmeer toegesneden rekenmodel voor doorrekening van de volgende relatieketen: P-belasting

P-concentratie

chlorofyl-a concentratie

doorzicht

Na uitvoering van dit programma zou de fosfaat vracht van de Eem op het Eemmeer meer dan gehalveerd moeten zijn tot ca. 53.800 kg fosfaat per jaar. De grootste bijdragen aan dit resultaat worden geleverd door de maatregelen op de RWZI’s en door het baggeren. De emissie vanuit diffuse bronnen, onder meer af- en uitspoeling van landbouwgronden, is moeilijk grijpbaar. Ook na uitvoering van het programma (uiterlijk in 2015) blijft dit de grootste leverancier van fosfaat. Daarbij ging men ervan uit dat de effecten van de reductie van deze emissie pas op langere termijn merkbaar zou zijn. De verwachting was dat het Gooimeer als gevolg van de maatregelen in de stabiel heldere toestand zou komen, maar dat er voor het Eemmeer extra maatregelen nodig zouden zijn om dit resultaat te bereiken.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 10

Aan het gehanteerde scenario was een prognose voor de groei van waterplanten gekoppeld: een externe waterplantenbedekking van 60% op het Gooimeer en 53% op het Eemmeer. Opvallend in het Bezem rapport is dat de opstellers al in 2006 wijzen op de noodzaak om, naast maatregelen gericht op P-reductie en stabilisering van de waterkwaliteit, zgn. mitigerende maatregelen te nemen in de vorm van uitbreiding van de oevervegetatie. Dit omdat juist de oevervegetatie door het kunstmatige karakter van de randmeren beperkt is. Als kansrijk voor de vormgeving en inrichting worden aangemerkt: • creëren van omdijkte, lokale inundatiezones met fluctuerend peil; • aanleg van ondiep-waterzones voor riet zonder fluctuerend peil. 2.7 Het resultaat van BEZEM Het is lastig om het resultaat van het uitgevoerde Bezem scenario per maatregel in beeld te brengen. Figuur 10, ontleend (2), brengt de ontwikkeling van de totale fosfaatvracht op het Eemmeer sinds 2000 in beeld.

Figuur 10 Berekende fosfaat-belasting (mg/m2/dag) op jaarbasis opgesplitst per bron voor het Eemmeer

De vrachten variëren nogal, o.m. als gevolg van de per jaar wisselende neerslaghoeveelheid. Vanaf 2006/2007 lijkt er sprake van een beperkte daling. Uitgaande van een gemiddelde van 17,5 mg/m2/dag, zijnde het gemiddelde van de jaren 2017 (relatief nat jaar) en 2018 (erg droog jaar) en een oppervlakte van 1540 ha voor het Eemmeer en Nijkerkernauw, kan een fosfaatvracht van de Eem op het Eemmeer van 99.000 kg op jaarbasis worden berekend. Dit is bijna het dubbele van de doelstelling van het BEZEM programma voor het jaar 2015. Deze end of pipe check laat in elk geval zien dat de BEZEM doelstelling niet gehaald is. De uitgevoerde maatregelen hebben kennelijk onvoldoende succes gehad. In 2015 heeft, voor zover bekend, geen formele evaluatie van het maatregelenpakket van het consensusscenario plaatsgevonden. Figuur 11, ontleend aan www.krw-nutrend, laat de ontwikkeling van het fosfaatgehalte op het Eemmeer zien uitgedrukt in mg/l: Een snelle daling tot ca. 2000, gevolgd door een wat grillige periode tot ca. 2012 met tot op heden een stabilisering op een te hoog niveau namelijk ruim boven de KRW norm van 0,09 mg/l. Een tweede numerieke aansporing dat er nog het nodige gedaan moet worden aan de waterkwaliteit op het Eemmeer.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 11

Figuur 11 P-totaal concentratie in mg/l Meetpunt Eemmeer

2.8 Opschalen aanpak De afgelopen jaren was het doorzicht in het Gooi- en Eemmeer erg goed. Ongetwijfeld heeft dit bijgedragen aan de sterk toegenomen bedekkingen van m.n. Doorgroeid Fonteinkruid. Beide recent uitgevoerde systeemanalyses ((2) en (3)) hebben echter ook duidelijk gemaakt dat de schijn kan bedriegen. De helderheid, hoopvol toegeschreven aan succes van de BEZEM- en andere maatregelen, blijkt een wankele basis te hebben in de vooralsnog tijdelijke aanwezigheid van Quagga mosselen. De nu geconstateerde gebreken zijn een directe bedreiging voor het ecologisch functioneren van de randmeren en een risico voor een ongewenste terugval naar een troebele toestand. En op de korte termijn ook een rem op het nemen van structurele maatregelen ter verbetering van de bevaarbaarheid voor de recreatievaart. De SMWR vindt een geïntensiveerde aanpak dringend noodzakelijk. Zo’n aanpak kan echter niet eendimensionaal op ecologie en waterkwaliteit gericht zijn. Inmiddels is voldoende gebleken dat de waterrecreatie op de randmeren steeds minder uit de voeten kan. Juist omdat verondieping nodig is voor de ontwikkeling van oeverzones en verdieping de basis is voor verbetering van de recreatieve bevaarbaarheid is een koppeling van beide belangen mogelijk. Zo kan tegelijkertijd worden gewerkt aan de versterking van het ecologische én het recreatieve fundament.

Een integrale benadering met een potentieel groot maatschappelijk rendement. Zowel de watersysteemanalyses als het Bezemrapport geven, ondanks een tijdverschil van 15 jaar, een gelijkluidende hoofdrichting voor een verdere aanpak aan: • uitbreiding van de oeverzones met al dan niet natuurlijk peilbeheer • (verdere) reductie van de fosfaatbelasting Uitbreidingsmogelijkheden van de oeverzones ter versterking van het ecologisch fundament van de randmeren is het hoofdonderwerp van het volgende hoofdstuk. De zoekrichting wordt daarbij sterk bepaald door de wens om zoveel mogelijk meerwaarde te creëren. Dit kan door: • verondiepingen voor de natuur en verdiepingen voor de watersport te koppelen; • functionele, ecologische relaties met het achterland tot stand te brengen; • waar redelijkerwijs mogelijk de inrichting van de oeverzones mede te baseren op natuurlijk peilbeheer en helofyten functie. De SMWR is zich ervan bewust dat alleen het uitbreiden van het areaal aan oeverzones en dieper, goed bevaarbaar water voor de recreatievaart niet voldoende zal zijn. Kernprobleem van de zuidelijke randmeren is en blijft de te hoge fosfaatbelasting vanuit de Eem op het Eemmeer. Oeverzones hebben vooral positieve effecten als ook de fosfaat belasting verder wordt verlaagd. De gedachten van de SMWR over dit vraagstuk zijn onderwerp voor volgende notitie.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 12

3.

Versterking ecologisch fundament

De randmeren zijn ontstaan als “bijproduct” van de inpoldering van beide Flevopolders. De meren remmen nl. de verlaging van de grondwaterstand in het aangrenzende oude land en dragen zo bij aan het voorkomen van de verdroging aldaar. Achteraf kan worden vastgesteld dat een kustzone van een voormalige binnenzee met civieltechnische maatregelen als forse, kale dijken is omgevormd tot een stelsel van meerdere meren. Meren met een maat en schaalgrootte die meer overeenkomen met de meren in Zuidwest Friesland. Zie voor een vergelijking ook bijlage III. En dus vergelijkbaar zijn als drager van natuur- én recreatieve functies. Al in 1977 is geprobeerd deze beide functies ruimtelijk te ordenen met het RWS-rapport “Concept-nota Structuurvisie Recreatief Gebruik Randmeren” (8). Op een aantal plaatsen langs de nieuwe kust zijn vooral zanderige voorlanden met stranden en veelal smalle rietkragen aanwezig. De meren ontberen echter de ecologische infrastructuur die bij de nieuwe maat en schaal horen. Sinds het IIVR proces is daar in de oostelijke randmeren geleidelijk verandering in gekomen door uitvoering van diverse projecten gericht op rietherstel en inrichting van nieuwe oeverzones, een en ander met behoud van de vereiste dijksterkten.

Desondanks zijn het inrichtingsmodel van Verdonschot, het Bezem rapport en de adviezen Tauw en Witteveen en Bos expliciete oproepen om de tekortkomingen van de eerste aanleg op een aanzienlijk grotere schaal te herstellen. In dit hoofdstuk komen een aantal randvoorwaarden aan de orde die bijdragen aan de versterking van het ecologisch fundament van de randmeren. Daarbij wordt eerst het belang van oeverzones in beeld gebracht. Tevens worden een aantal relevante aspecten belicht die van invloed zijn op inrichtingsvraagstukken zoals de problematiek van het tegennatuurlijke peilbeheer en de mogelijkheden om daarin te voorzien. In hoofdstuk 4 worden de kansrijke locaties in de meren concreet geïnventariseerd en voorzien van een samenvattende, motiverende toelichting. 3.1 Belang oeverzones De 3 recente systeemanalyses van de randmeren vragen in hun afsluitende conclusies aandacht voor de oeverzones langs de meren. Tauw (1) noemt de oeverzones in de oostelijke randmeren een knelpunt met als toelichting: •

• •

de overgang tussen de droge oever en de ondiepe zone is te scherp door steile (basalt) oevers en een tegennatuurlijk peilverloop; Foto 2 (moeras)oeverzone overstromingsgrasland ontbreekt vrijwel volledig; de emerse zone met planten zoals riet en biezen is op te weinig plekken ontwikkeld en draagt daardoor onvoldoende bij aan het systeemfunctioneren.

Witteveen en Bos (2) komt voor de zuidelijke randmeren met vergelijkbare aanbevelingen: • •

diepere zones verondiepen luwtestructuren en moeras aanleggen.

Ook RWS MN komt in de eigen systeemanalyse (3) met een voorzet in dezelfde richting.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 13

De aanbevelingen passen naadloos in de visie op de opbouw van een natuurlijk functionerend meerecosysteem zoals dat door prof. P. Verdonschot wordt uitgedragen: een samenhangende, gezoneerde opbouw bestaande uit ondiepe, moerasachtige oeverzones, waterplantrijke overgangszones en een diepe zone. Oeveren overgangszones zorgen voor een hoge biodiversiteit en produceren veel organisch materiaal. In dit opzicht zijn ze vergelijkbaar met het ecosysteem van het tropisch regenwoud. Zie ter illustratie figuur 12. Bijlage IV geeft een uitgebreide beschrijving van het functioneren van een dergelijk watersysteem.

Figuur 12 Organische productie in diverse ecosystemen

Samengevat binnen het kader van deze notitie is de betekenis van gevarieerd ingerichte oeverzones tweeledig. Enerzijds is er sprake van bijzondere natuurwaarden als broed-, rust en foerageergebied voor moeras- en watervogels en kleine zoogdieren en als paaigebied, kraamkamer en opgroeigebied voor vis. Anderzijds hebben moerassen zuiverende eigenschappen doordat ze slib met daaraan geadsorbeerde nutriënten invangen, nutriënten opnemen en vastleggen in de vegetatie en een habitat vormen voor algen grazend zoöplankton. Een intensieve uitwisseling tussen moerassige oeverzones en open water is van belang voor het handhaven van lage algendichtheden en helder water (9). De effectiviteit van de zuiverende werking wordt o.a. beïnvloed door het groeiseizoen, het vegetatietype en het maaibeheer.

3.2 Ervaringen in Nederland In Nederland is inmiddels veel ervaring op gedaan met het inrichten en beheer van oeverzones met uiteenlopende oppervlaktes en uitvoeringen. Ook in het randmerengebied. Zo zijn de IJsselmonding en de zuidrand van het Zwartemeer (foto 3) voorbeelden van grootschalige inrichtingsprojecten.

Foto 3 Grootschalige oeverzone Zwartemeer

Langs de oude land oever van het Veluwemeer zijn diverse, kleinschaliger projecten uitgevoerd ter versterking en uitbreiding van de rietkragen. Deze projecten behoren deels tot het IIVR programma en deels tot het KRWverbeterprogramma voor het IJsselmeergebied (onderdeel Ontwikkelen door beheer: vispassages en rietontwikkeling). In vergelijking met het Zwartemeer gaat het om projecten met een veelal beperkte schaalgrootte. Deze bescheiden ambitie is o.m. gebaseerd op een Preverkenning IJsselmeergebied van RWS (10).

Foto 4 De Paaiplaats Oever Veluwemeer

Een bijzonder voorbeeld is “De Paaiplaats”, een project van ca. 10 ha aan de Veluwemeerkust. Daar is geprobeerd om tot het instellen van een natuurlijker peilverloop te komen door gebruik te maken van de winterafvoer van de Bovenbeek. Desondanks is de rietontwikkeling ook daar kwetsbaar gebleken.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 14

Recent is de voorbereiding afgerond van een tweetal, kleinschaliger projekten in het Wolderwijd (RWS) en Nuldernauw (Coöperatie Gastvrije Randmeren). De uitvoering daarvan zal in 2021 plaatsvinden. 3.3 Inrichtingsaspecten moeraszones Naast de praktijkervaringen biedt ook de ruim beschikbare vakliteratuur het nodige inzicht in de relevante aspecten voor de inrichting en het beheer van natuurlijk functionerende moerasgebieden met een hoog ecologisch rendement:

• • • • • • • •

fluctuerend waterpeil winterpeil 3 dm boven zomerpeil inundatie 3 à 4 maanden geleidelijke land water overgangen incl. overstromingsvlaktes diepte open water ca. 2 m (lokaal ca. 3 m) variatie natte en droge jaren uitwisseling met het aangrenzende open water verbinding en relaties met het achterland

Figuur 13 Optimaal peilverloop Markermeer

Een fluctuerende waterpeil met een winterpeil hoger dan het zomerpeil is een belangrijke randvoorwaarde om tot een goed functionerende oeverzone te komen (11). Figuur 13 geeft een impressie van het gewenste natuurlijk peilverloop over een jaar weer. Het sleutelproces voor riet is peilfluctuatie. Dit remt verlanding doordat strooisel wegspoelt bij hoog water en houdt open water en een boomloos moeras in stand. Bijlage V brengt de positieve invloed van een natuurlijk peilverloop op een gezonde rietgroei in beeld. Bij het ontbreken van voldoende peilfluctuatie raken de wat hogere delen van moerassen snel begroeid met wilgenstruweel en wordt de ontwikkeling van (brede) rietkragen en andere moerasvegetatie bemoeilijkt. Begrazing of maaibeheer zijn dan nodig voor het tegen gaan van verbossing. Ook zijn dit soort moerassen minder geschikt als paaigebied en kraamkamer voor vissen. 3.4 Peilbeheer IJsselmeergebied en randmeren In het IJsselmeergebied en de randmeren is sprake van zgn. tegennatuurlijk peilverloop. Dit is een gevolg van het peilbesluit dat, na jarenlang overleg tussen alle belanghebbende partijen, in 2018 door de minister van I en W voor het gebied is vastgesteld. Het peilbesluit gaat uit van het principe van flexibel peilbeheer waarbij het waterpeil binnen een bepaalde bandbreedte t.o.v. een verschillend zomer- en winterpeil wordt gehandhaafd.

Met een kortdurende extra peilopzet in het voorjaar en een vroegere peilverlaging in het najaar is op het Gooi- en Eemmeer en het Markermeer zoveel mogelijk ingespeeld op natuurbelangen. Figuur 14 op de volgende pagina geeft de peilen over de maanden van het jaar weer voor het Markermeer (links) resp. Veluwerandmeren (rechts).

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 15

Figuur 14 Peilbeheer over het jaar van het Markermeer/IJmeer (links) en de Veluwerandmeren (rechts)

In beide zones is het winterpeil lager dan het zomerpeil, het belangrijkste kenmerk van een tegennatuurlijk peilverloop. 3.5 Peilfluctuaties binnen het Peilbesluit 2018 Binnen het regime van het Peilbesluit 2018 zijn er nog (beperkte) fluctuaties van de waterpeilen. Onder invloed van de wind kunnen er peilveranderingen optreden: het zgn. op- en afwaaien. Figuur 15 brengt dit schematisch in beeld. De peilverschillen manifesteren zich het meest aan de uiteinden van het watersysteem en nemen toe bij een hardere wind en langere strijklengte. Aan de lage wal kan een extra opzet optreden als gevolg van golfoploop.

Figuur 15 Effecten op- en afwaaien

Zo vertonen de effecten van op- en afwaaien zich op de Veluwerandmeren het meest bij de locaties Nijkerkersluis Oost (opwaai bij noordoosten wind) en Reeve sluis Zuid (opwaai bij zuidwesten wind). Halverwege in het gebied ter hoogte van Harderwijk zijn de effecten gering. Het Gooi- en Eemmeer heeft in het Nijkerkernauw een harde afsluiting in de vorm van de Nijkerkersluis en is open naar het IJmeer bij de Hollandse Brug. Bij noordelijke winden is er sprake van opwaaien wat zich over de volle lengte van de meren manifesteert maar het meest in het Nijkerkernauw. Bij sterke zuidwesten wind waaien de beide meren “leeg”. Zo zorgde de zuidwester storm Ciara begin februari 2020 voor een waterhoogte van 1,10 m – NAP (= 0,7 m onder het streefpeil) bij het meetpunt Nijkerk West. Figuur 16 Figuur 16 Waterhoogten december 2020 Nijkerk West geeft een indruk van de peilvariaties in december 2020 bij de locatie Nijkerk West aan het eind van het Nijkerkernauw, de locatie met potentieel de grootste peil-beïnvloeding door op- en afwaaien. Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 16

In deze maand waren de peilverhogingen (m.u.v. de effecten van storm Bella) meestal beperkt van omvang en kortdurend en zeker niet genoeg voor de opbouw van een duurzaam hoger winterpeil. Daarvoor zijn langdurige verhogingen nodig in de orde van grootte van 50 cm t.o.v. het basispeil. Zie ook bijlage VI voor een nadere toelichting. De vertoonde peilschommelingen kunnen wel bijdragen aan door- en uitspoeling van rietzones. 3.6 Andere bronnen voor lokale peilopzet In de situatie van de randmeren zijn in principe ook andere waterbronnen voor peilopzet t.b.v. natuurlijk peilbeheer in zones met een beperkte omvang denkbaar: • • •

effluent beken effluent poldergemalen effluent RWZI’s

Daarbij gaat het op voorhand niet om het geheel van de randmeren maar om beperkte gebieden rond de mondingen of lozingspunten. Er zijn infrastructurele hulpmiddelen als kades en/of drempels nodig. Beken zullen voldoende (winter)debiet moeten hebben en tot een voldoende hoogte gestuwd moeten kunnen worden zonder overlast voor het achterland. Voor poldergemalen en RWZI’s is van belang dat zij voldoende opvoerhoogte hebben om hun effluent tot min. 30 cm boven het zomerpeil te kunnen opvoeren. Het interessante van deze bronnen is wel dat ze een dubbelslag mogelijk kunnen maken. Enerzijds maken ze het inrichten en onderhouden van een productiever en soortenrijker moerassysteem incl. overstromingsvlaktes op basis van natuurlijk peilverloop mogelijk. Tegelijkertijd kan met een toegesneden (peil)beheer ook de helofytenfunctie worden geoptimaliseerd. Daarmee kan een bijdrage worden geleverd aan de reductie van de fosfaatvracht die via deze bronnen op de randmeren wordt gebracht. 3.6.1 Peilopzet m.b.v. effluent beken Tussen Doornspijk en Nulde wateren de beken onder vrij verval af op het Veluwemeer resp. Wolderwijd en Nuldernauw. Bijlage VII geeft een overzicht van de afvoerdebieten van de beken tussen Harderwijk en Doornspijk. De Hierdense beek met een afvoer van 16.000.000 m3 per jaar springt eruit. De afvoer concentreert zich in het najaar en de winter.

In droge zomers is de afvoer veelal verwaarloosbaar. In het RIZA rapport Beekherstel Veluwerandmeren uit 2006 (12) zijn de inrichtingsmogelijkheden met gebruikmaking van beekafvoer verkend. Het rapport richt zich vooral op het creëren van overstromingsvlakten langs de benedenloop. Het stuwen van de benedenloop in combinatie met vergravingen van de oevers kan bv. bij de Hierdense Beek maximaal 3 ha overstromings- en moerasgebied opleveren. Het totale effect kan worden vergroot door het beekwater ook te benutten voor het opzetten van een natuurlijk peilverloop in het aangrenzende kustgebied. Daarvoor is infrastructuur in de vorm van kades, stuwen en overlopen nodig.

Foto 5 Overstromingsvlakte beekoever

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 17

Bij de Schuitenbeek delta is zo’n infrastructuur al grotendeels aanwezig. De delta Schuitenbeek was een van de BOVAR-projecten (Bestrijding OVermatige Algengroei Randmeren) en is aangelegd voor het afleiden van het beekwater tot vlak voor de spuisluis bij de Nijkerkersluis en voor de inrichting van een moerasgebied. Beide projectdoelen waren gericht op het terugbrengen van de P-belasting op het Nuldernauw en Wolderwijd. De al eerder aangehaalde bureaustudie (11) meldt dat het aanleggen van een groot rietveld bij de monding van de Schuitenbeek twee keer is mislukt en dat “om bij een tegennatuurlijk waterpeilbeheer toch moerasontwikkeling mogelijk te maken infrastructurele maatregelen nodig zijn, zoals de aanleg van dammen, verondiepingen, vooroevers en eilanden”. 3.6.2 Peilopzet m.b.v. effluent poldergemalen Naast de onbedijkte delen hebben de randmeren ook bedijkte kustdelen: van Nulde tot de Stichtse Brug en van Doornspijk tot de Reevesluis en natuurlijk de dijken van de Flevopolders. Achter de dijken liggen de polders die door diverse gemalen worden drooggemalen. Het water wordt meestal direct over de dijk in het randmeer gebracht. Tabel 1 geeft een overzicht van de grotere gemalen. Het gemaal Lovink maalt water vanuit de hoge afdeling van de Flevopolders uit.

Tabel 1 Debieten en opvoerhoogten Randmeer gemalen

Foto 6 Gemaal Putten Nuldernauw

Uiteraard malen de gemalen periodiek en met een gemiddeld lagere capaciteit uit, maar wel met volumes waarmee in het winter halfjaar oeverzones met een substantiële omvang voldoende gevoed kunnen worden voor een natuurlijk peilverloop. Uiteraard is er een basis infrastructuur nodig in de vorm van kades, drempels, stuwen en overlaten en zal de opvoerhoogte van het gemaal voldoende moeten zijn voor een opvoerhoogte tot minimaal 30 cm boven het zomerpeil. Dijkhoogte en dijksterkte moeten voldoende zijn voor het hogere peil. Een kade en een relatief ondiep moerasgebied tussen kade en dijk dragen daarentegen weer positief bij aan de veiligheid. 3.6.3 Peilopzet met effluent RWZI’s Op de randmeren lozen 2 RWZI’s van het Waterschap Vallei en Veluwe (Elburg en Harderwijk) en 1 RWZI (Huizen) van het waterschap Amstel Gooi en Vecht rechtstreeks op de randmeren. Tabel 2 geeft een overzicht met DWA (droog weer afvoer) en RWA (regen water afvoer).

Tabel 2 Effluent debieten RWZI's rechtstreeks lozend op de randmeren

Op zich lijken de effluent debieten voldoende voor peilregulering in een substantieel areaal. Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 18

Uiteraard met kades en onder de voorwaarde dat de opvoerhoogte van de gemalen toereikend is. De RWZI van Harderwijk ligt echter ingeklemd tussen een industriegebied en een voormalige diepe zandwinning en beschikt om die reden over weinig ruimte voor moerasvorming. RWZI Huizen is onderwerp van een samenvoegingsstudie die kan leiden tot een verplaatsing naar een nieuwe locatie samen met RWZI Blaricum. In de vorige eeuw is een helofyten filter bij RWZI Elburg aangelegd om het effluent van de zuivering te behandelen. De resultaten van deze filter met een oppervlakte van 14 ha vielen tegen zodat buiten gebruik is gesteld. Het gebied is later als onderdeel van het IIVR programma met succes herontwikkeld tot leef- en voortplantingsgebied voor moerasvogels, vissen en amfibieën. Kortom de mogelijkheden om het effluent van RWZI’s te gebruiken voor natuurlijker peilbeheer lijken vooralsnog gering of afwezig. De beschutte baai van Elburg leent zich overigens wel voor uitbreiding van moerasoevers in combinatie met verdieping voor de recreatie. 3.7 Inpompen of inlaten De eenvoudigste manier om een natuurlijk peilbeheer te realiseren is dat de vereiste hoeveelheid water met een gemaal direct vanuit het omringende water binnen een door een kade omringd gebied wordt gepompt. Bij binnendijkse locaties kan gebruik gemaakt worden van de lagere ligging ten opzichte van het buitenwater.

Door kwel en neerslag aangevuld met ingelaten water kan het gewenste natuurlijke peilverloop worden ingesteld en onderhouden. In het voorjaar wordt de polder vervolgens weer leeggepompt. In de Koopmanspolder bij Andijk is deze laatste variant toegepast. Vanaf 2014 is daar het effect van verschillende waterpeilen op waterkwantiteit en -kwaliteit onderzocht. Het zgn. Foto 7 Koopmanspolder: achteroever concept achteroever concept blijkt de harde landwaterovergangen door dijken te kunnen verzachten en functioneert daarmee als natuurlijke waterzuiveraar, waterberging en paai- en opgroeigebied voor vis. In de polder heeft zich inmiddels een bijzondere vegetatie ontwikkeld en vele vogelsoorten weten de polder te vinden (13). Op de randmeren speelt het aspect van binnendijkse waterberging minder. Desondanks lijkt het achteroever concept daar wel prima toepasbaar. De meren worden over vele kilometers begrensd door dijken, ook aan de kant van het oude land. Daarbij kan ook de combinatie van binnen- en buitendijkse natuurontwikkeling worden gezocht, zoals ook bij de projecten van de PAGW gebeurt. Een dergelijke combinatie heeft zowel voor het binnendijkse als het buitendijkse deel een grote meerwaarde voor de natuur en kan ook bijdragen aan het ecologischer functioneren van het watersysteem.

3.8 Zuiverende werking oeverzones In het algemeen hebben moerassen zuiverende eigenschappen en dragen ze bij aan verlaging van de nutrientenbelasting. De mate waarin dat gebeurt, is afhankelijk van diverse omstandigheden en wijze van inrichting en beheer. Succes is niet altijd verzekerd. Zo vielen indertijd de resultaten van een helofytenfilter in de vorm van een met riet begroeid vloeiveld bij Elburg tegen. In deze filter met een oppervlakte van 14 ha werd het effluent van de RWZI Elburg na voorafgaand

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 19

verblijf in een bezinkput behandeld. De mindere zuiveringsresultaten werden toegeschreven aan de hoge nutriënten belasting, de hoge hydraulische belasting en een peilbeheer dat onvoldoende was afgestemd op een optimale ontwikkeling van de vegetatie. Optredende preferente stroombanen verkortten bovendien de gewenste verblijftijden (13). Het filter is inmiddels heringericht als leef- en voortplantingsgebied voor riet- en moerasvogels, vissen en amfibieën. Daarbij zijn voorzieningen getroffen om een gereguleerd waterpeil mogelijk te maken. De zuiveringsprocessen in helofytenfilters zijn complex. Desondanks worden ze nog steeds toegepast zoals bv. in een compacte uitvoering t.b.v. het Pompveld in het Land van Heusden en Altena (15). Het voorbeeld wordt hier vooral opgevoerd om te illustreren dat een helofyten filter alleen wat oplevert als de procescondities optimaal kunnen worden beheerst. Belangrijke aandachtspunten zijn in elk geval: • • • •

voorbezinking gevarieerde en vitaal te houden vegetatie voorkomen kortsluitstromen onderhoudspaden t.b.v. maaibeheer.

Figuur 17 Ontwerp helofytenfilter Pompveld

De effectiviteit hangt mede af van de nutriëntengehaltes van het ingelaten water, de verblijftijd in het filter en peilvariaties. Helofytenfilters vergen veel ruimte: bij het Pompveld een effectieve oppervlakte van 2 ha voor een debiet van 60 m3/uur. Bij een substantiële uitbreiding van het areaal aan oeverzones bij uitmondingen van beken en poldergemalen kan worden onderzocht of de inrichting mede kan worden afgestemd op het bereiken van een zo groot mogelijk zuiveringseffect. Daarmee zou dan minimaal een deel van het debiet kunnen worden behandeld. Met zijn grote debiet en grote fosfaatvracht zorgt de Eem op afstand voor de grootste belasting van het Eemmeer. Dit klemt temeer omdat de belangrijkste achterliggende bron wordt gevormd door de af- en uitspoeling van landbouwgronden in de Gelderse Vallei. Een situatie waarin, ondanks de inspanningen van de afgelopen jaren, maar beperkt verbetering is gekomen. Ook als het bemestingsvraagstuk wordt opgelost, zal de uitspoeling naar verwachting nog jaren aanhouden. Al met al reden om opnieuw te onderzoeken of en in welke mate de zuiverende werking van een (omvangrijke) oeverzone kan bijdragen aan verlaging van de fosfaatbelasting op het Eemmeer.

3.9 Kades en uitwisseling met het aangrenzende open water In de randmeren zijn kades of kleidrempels nodig voor het lokaal instellen van een natuurlijk waterpeil en op diverse locaties ook voor bescherming tegen golfslag. Deze belemmeren echter de uitwisselingsprocessen tussen de moeraszone en het aangrenzende open water, een belangrijke voorwaarde om tot een ecologischer functioneren van het meer systeem te komen. Mogelijk dat gebruik gemaakt kan worden van zgn. balgstuwen om in de zomerperiode bij gelijk peil aan beide zijden van de kade de uitwisseling zo veel mogelijk Foto 8 Balgstuw Hoge Bat te Roermond te stimuleren.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 20

Dit type stuw is goed inpasbaar in het landschap en maakt brede verbindingsopeningen mogelijk (16). In de periode van ongelijk peil kan de vispassage met open of gesloten (hevel)vistrappen gefaciliteerd worden. Bij het achteroever concept zoals dat in de Koopmanspolder wordt toegepast is een visvriendelijk vijzelgemaal de centrale schakel tussen het buitenwater en het te inunderen gebied

Figuur 19 Hevelvistrap Fishflow

4.

Foto 9 Visvriendelijk vijzelgemaal Koopmanspolder

Resultaten verkennende inventarisatie

In dit hoofdstuk worden de mogelijkheden voor het inrichten van oeverzones in het gebied tussen de Reevesluis en de Hollandse Brug globaal verkend. Om meerwaarde te verkrijgen is nadrukkelijk gekeken naar mogelijkheden om gebruik te kunnen maken van natuurlijk peilbeheer of om aansluiting te zoeken bij binnendijks gelegen natuurgebieden. Voor het ontwikkelen en inrichtingen van oeverzones zijn verondiepingen nodig. Er wordt van uitgegaan dat dit materiaal in de randmeren kan worden gewonnen. De keuze van de verdiepingslocaties is afgestemd om een zo groot mogelijk rendement voor de watersport te verkrijgen. Er is een windiepte van 4 m aangehouden omdat bij deze diepte geen maaibeheer meer noodzakelijk is. De locaties worden per meer in een kaartoverzicht met een korte toelichting in beeld gebracht. Hier en daar worden suggesties gedaan voor inrichtingselementen als overstromingsvlakten en helofyten functies. Nadere detaillering zal later bij uitwerking moeten plaatsvinden. Verdiepingen en verondiepingen zijn van invloed op de omvang van het areaal waterplanten én op de waterverblijftijd in een meer. Beide zijn belangrijke invoerparameters in het PCLake model die de hoogte van de kritische P-belasting rekenkundig mede bepalen. Daardoor hebben ze invloed op het risico van een ongewenste omslag naar de troebele toestand.

Tegen deze achtergrond is de balans tussen verdiepen en verondiepen globaal verkend en per meer in een tabel weergegeven.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 21

4.1 Maatgevoel Om enig maatgevoel voor de benodigde oppervlakte te krijgen, kan in eerste instantie worden aangesloten bij de systeemanalyse van Tauw (1): 10% van de meer oppervlakte ofwel 600 ha als gewenste omvang van de oeverzone voor de oostelijke randmeren. Het bureau baseert zich daarbij op runs die met het PCLake model zijn gedaan. Onderstaande figuur 18 laat zien wat de effecten zijn van vergroting van de oeverzone op de hoogte van de kritische P-belasting.

Figuur 18 PCLake runs: effect areaal oeverzones op kritische fosfaat-belasting

Vanuit zijn visie op een goed gezoneerd meer hanteert Verdonschot voor de oppervlakte van de oeverzone een norm van 10 à 15% van het totale wateroppervlak. Het STOWA rapport Van helder naar troebel ….. en weer terug (7) gaat uit van een areaal moeraszone van minimaal 5% van de meer oppervlakte. Reductie van nutriënten belasting is een belangrijke opgave voor de randmeren. Oeverzones kunnen daarbij een positieve rol spelen. Uit proefberekeningen blijkt dat de effectiviteit vooral substantieel zal zijn bij een groot aandeel oevers (oppervlakte, lengte) t.o.v. het open water (17). daarbij is er sprake van een sterke wisselwerking tussen inrichtingsmaatregelen en peilbeheer Verder is er een noodzaak tot het ontwikkelen van geleidelijke land-waterovergangen in het IJsselmeergebied. Door het tekort aan natuurlijke oeverzones kan dit op zich waterrijke gebied niet volledig tot zijn recht komen onder meer zichtbaar in de slechte visstanden, maar ook in de afgenomen stand van visetende vogels (18). Goed ingerichte oeverzones kunnen uitstekend functioneren als paaigebied, kraamkamer en opgroeigebied voor vis. Tot slot hebben oeverzones ook een belangrijke functie als rust- Figuur 19 Groeicyclus vissen bij natuurlijk peilverloop en foerageergebied voor watervogels. De mooie zomers van de afgelopen jaren hebben laten zien dat de recreatiedruk op de randmeren aanzienlijk kan zijn.

Ruim bemeten oeverzones kunnen dan voor de nodige afscherming zorgen. Al met al lijkt het verstandig om bij een inventarisatie van de mogelijkheden voor oeverzones een ruime maat als uitgangspunt van denken te hanteren.

Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 22

4.2 Veluwemeer Het Veluwemeer is een langgerekt meer bestaande uit een breed en een smal deel. Het brede deel wordt aan de noordzijde begrensd door een kale polderdijk. De oevers aan de oude land kant en de vooroevers aan de polderzijde van het smalle deel worden gekenmerkt door smalle rietkragen.

Overzichtskaart 1 Veluwemeer

Aan de zuidzijde van het meer zijn diverse projecten voor rietaanleg en -herstel uitgevoerd. De natuurlijke waterdiepte varieert van 0,5 tot 2,5 m. De hoofdvaargeul heeft een diepte van ca. 4 m. Daarnaast is er een omvangrijke diepe zone in het zuidwestelijk deel als gevolg van (nog lopende) zandwinning voor de kalkzandsteenproductie. Buiten de vaargeul en de zandwinlocaties is de meerbodem vrijwel geheel begroeit met waterplanten. De bodembedekkers Kranswier en Sterkranswier zijn dominant. Plaatselijk ondervindt de waterrecreatie hinder van langstelige soorten als Doorgroeid Fonteinkruid. Het Veluwemeer ontvangt zijn water door toevoer van beken, kwel vanaf de Veluwezijde, uitgeslagen polderwater en neerslag. De waterkwaliteit is goed o.a. met een lage waarden voor totaal-P en totaal-N (zie figuur 6 in § 2.5). Het meer is aangewezen als Natura 2000 gebied. Het wateroverschot wordt hoofdzakelijk bij Nijkerk op het Nijkerkernauw en Eemmeer gespuid. In het overzicht van het Veluwemeer zijn 4 potentiële locaties voor oeverzones ingetekend. Beide locaties aan de oude landkant, Hierdense Beek (VM 4) en Groene Vangrail Polsmaten (VM 3), vanwege de mogelijkheid om gebruik te maken van de afvoer van beken voor het instellen van een meer natuurlijk peilverloop in (een deel van) deze locaties.

Daarnaast kan wellicht door een doelgerichte inrichting en vegetatiekeuze de zuiverende werking van de moeraszone worden bevorderd. Voor beide locaties geldt dat er recent langs (een de deel van) de kustlijn herstelmaatregelen voor de rietzone zijn uitgevoerd. Fundamentele bouwstenen voor integrale inrichting van de Randmeren – pagina 23

De andere 2 locaties, VM 1 en 2, liggen tegen de huidige kale polderdijk. Een externe bron voor natuurlijk peilbeheer is daar niet beschikbaar. Wel grenzen beide locaties aan binnendijks gelegen natuurgebieden namelijk de Kievietslanden en een uitloper van het Harderbos. Dat biedt mogelijkheden voor toepassing van het achteroever concept zoals zich dat inmiddels in de Koopmanspolder heeft bewezen. Het buitendijkse deel kan dan in een open verbinding met de rest van het meer worden uitgevoerd. Onder andere met vishevelpassages kan verbinding worden gelegd met de binnendijks al aanwezige en wellicht verder te ontwikkelen waterstructuren. Op dit punt is er, met gepaste bescheidenheid gelet op de geringere schaalgrootte, een inhoudelijke parallel te trekken met diverse PAGW-projecten Met name de locatie VM 1 vergt een herverkaveling van de gebruiksruimte op het water. Dit in de vorm van een opschuiven van de hoofdvaargeul en de snelle boten baan om ruimte te maken voor de moeraszone langs de dijk. Het materiaal dat vrijkomt uit het baggeren van de nieuwe vaargeul kan worden gebruikt voor de aanleg van de moeraszone. De Coöperatie Gastvrije Randmeren heeft vergunning voor het verdiepen van 3 gebieden tot een diepte van ca. 2 m. Het gaat hier om uitvoeringsprojecten op basis van het IIVR programma ter vergroting van de vaarmogelijkheden voor de recreatievaart.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10023766/1