B01 Het kan met gemak - wind op zee en zon op dak NLVOW en Windalarm 28-08-2022-1
Tekst van het document
Klimaatmaatregelen die de persoonlijke levenssfeer van burgers direct raken zijn pas acceptabel als andere maatregelen zichtbaar maximaal zijn toegepast en de overheid een streng beleid voert tegen grote vervuilende sectoren Bescherm lage inkomens en voorkom dat de kloof tussen arm en rijk groter wordt De vervuiler moet betalen De baten van een maatregel moeten hoger zijn dan de kosten en er mag geen beter alternatief zijn.
De acceptatie van klimaatmaatregelen die de persoonlijke levenssfeer van burgers direct raken – zoals windmolens op land – zal hoger zijn als duidelijk zichtbaar is dat de overheid er alles aan gedaan heeft om maatregelen te nemen die niet of nauwelijks worden ervaren als een directe aantasting van de persoonlijke levenssfeer (o.a. bouwen van windmolens op zee, stimuleren van isolatie van woningen, stimuleren zonnepanelen op daken, afdwingen energiebesparing industrie). Zichtbaarheid is hierbij erg belangrijk. Daken die vol liggen met zonnepanelen werken beter dan een plan om dit in de toekomst te realiseren. Panelen met lichter gewicht kunnen daartoe gestimuleerd worden. Wanneer de overheid wil dat ambitieuzer klimaatbeleid wordt gesteund door de middengroep, dan is het verstandig om sterk in te zetten op maatregelen die het best scoren op de vier voorwaarden vanuit die 75% van de middengroep. Dat zijn o.a. windmolens op zee, aanscherping CO2-heffing industrie en stimuleren van isolatie van woningen. Ook het verhogen van subsidie op CO2-reductie in de industrie, het verhogen van de vliegbelasting en het investeren in groene waterstof scoren goed en kunnen op steun rekenen van de middengroep.” Einde citaat. Recent onderzoek door I&O Research op verzoek van JA21 laat zien dat meer mensen tegen extra wind op land zijn dan voor.
Ondanks het door de overheid breed verspreide narratief dat daardoor de “klimaatdoelen niet gehaald kunnen worden”.
33 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
• •
43 % wil meer windmolens op land. 50 % wil een moratorium of afbouw wind op land. Rondom zonneparken op landbouwgrond is de weerstand nog veel groter. 51 % wil een moratorium terwijl slechts 39 % een uitbreiding wil.
Ondanks dat de overheid en de klimaatakkoordpartijen stellen dat we “zonder extra wind op land” de Parijs doelen niet gaan halen zijn er meer voor dan tegenstanders van een moratorium op wind op land. Indien de overheid eerlijk zou vertellen dat het ook zonder wind op land kan, dan zou het aantal voorstanders van een moratorium uiteraard veel groter zijn. De meeste tegenstanders van een moratorium zien windmolens op land immers als een noodzakelijk kwaad. Zij maken deel uit van de 75% middengroepen. Via het principe van cognitieve dissonantie is dat waarschijnlijk een verklaring voor het feit dat Nederland (van de 40 onderzochte landen) het land is met de meeste mensen (41 %) die het klimaatprobleem als zodanig bagatelliseren (Oxford universiteit, 2020). Door ontkenning van de klimaaturgentie vinden mensen immers een uitweg om te beargumenteren dat er geen wind op land meer bij hoeft, want zonder extra wind op land gaan we het immers niet redden volgens het officiële narratief. Door dan maar het klimaatprobleem te bagatelliseren klopt het weer: “ik ben tegen meer windmolens op land, dan halen we de Parijs doelen niet, maar dat is niet erg want het klimaatprobleem is er niet echt.” Een soortgelijk onderzoek onder Europese inwoners komt tot een vergelijkbare conclusie. 42 % van de Nederlanders maakt zich niet druk over klimaatverandering.
In Polen, niet echt een voorloper op klimaat, is dat bijvoorbeeld slechts 25 %.
34 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
35 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Het feit dat veel mensen (met name in de landelijke gebieden?) in een afweging tussen klimaat en leefomgeving voor hun leefomgeving kiezen geeft aan hoe sterk de weerstand is rondom wind op land en zon in weiland. Nederlanders zijn blijkbaar zeer gehecht aan een relatief rustige woonomgeving en een open intact landschap. Dat maakt Nederland in de wereld ook uniek en raakt aan onze identiteit. De basis is een rationele en strenge ruimtelijke ordening, waarbij niemand een uitzonderingspositie krijgt. Windmolens uitstrooien over het land gaat hier dwars tegenin. De overheid dient dit sentiment dan ook uiterst serieus te nemen en dus gewoon haar stinkende best te doen om zowel de klimaatdoelen te halen als aan de wensen van haar inwoners tegemoet te komen. Dit rapport laat zien dat dat kan, met gemak. Bijzonder hoogleraar Transities in de Publieke Sector en VVD-senator Caspar van den Berg in het NRC (31-07-2022) hierover: „De politiek moet zich afvragen: welke inhoudelijke uitdagingen komen op ons af? Dat gaat om ruimtelijkeordeningsvraagstukken, om publieke voorzieningen.” In regio’s hebben burgers en bestuurders volgens hem goed door dat de grote transities met stikstof, klimaat en landbouw forse ingrepen in hún omgeving vergen – terwijl de politieke wens daartoe vooral van kiezers uit het centrum komt.
Van den Berg: „Ze zijn bezorgd dat hun gebied en de ruimtelijke kwaliteit wordt opgeofferd en ze daar weinig voor terug zullen zien. Daar moet Den Haag een veel beter antwoord op vinden.” Indien de klimaatdoelen wel gehaald kunnen worden zonder wind op land, dan zouden de 75 % middengroepen hier voor kiezen. Ook zou de algehele steun voor klimaatmaatregelen toenemen. Met minder mogelijke nadelen in de persoonlijke levenssfeer is er immers ook minder reden om het probleem als zodanig (klimaatverandering) te bagatelliseren. De overgrote meerderheid van de inwoners wil geen wind op land en zon op weiland indien dit niet strikt noodzakelijk is. De overheid dient daarom, in het kader van behoorlijk bestuur, te bewijzen dat het niet anders kan en dient haar overwegingen helder te maken in plaats van de inwoners door voorlichtingscampagnes met veelal misleidende informatie iets op te leggen wat ze niet willen. Door te stoppen met (inmiddels onnodige) opwek opties die heel sterk raken aan de persoonlijke levenssfeer zal naar verwachting niet alleen het draagvlak voor de energietransitie maar ook het vertrouwen in de overheid toenemen.
36 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
3.2. Klimaatakkoord afspraak Het rapport van de Werkgroep Extra Opgave refereert aan de heldere afspraak in het Klimaatakkoord met betrekking tot verhoging van de doelstelling: “In het klimaatakkoord is afgesproken dat partijen bereid zijn om het gesprek aan te gaan over een eventuele verhoging van de ambitie voor Hernieuwbaar op land, onder de voorwaarde dat allereerst gekeken wordt naar de mogelijkheden voor Wind op Zee en kleinschalig zon. Het belang van deze afspraak is ook bevestigd in het overleg met de Reflectiegroep.” Pag 17 rapport Werkgroep Extra Opgave. We hebben de achtergrond van deze klimaatakkoordafspraak niet kunnen achterhalen. Maar naast de maatschappelijke voorkeur heeft naar alle waarschijnlijkheid ook meegespeeld dat het verder alleen inzetten op wind op zee effectiever is voor het halen van de klimaatdoelen door hogere systeem vollasturen voor zon en wind samen (zie 2.3). Het klimaatakkoord noemt als voorwaarde voor het implementeren van deze afspraak dat in 2030 minimaal 6 GW extra wind op zee geplaatst kan worden. Inmiddels heeft het kabinet ruimte gemaakt voor 10 GW extra wind op zee. Hiervan wordt 6 GW in 2030 en 4 GW in 2031 gerealiseerd. Aan de voorwaarde tot het stoppen met wind op land is dus voldaan. Het rapport van de Werkgroep Extra Opgave refereert aan de afspraak van het klimaatakkoord maar gaat er verder niet op in.
Zij maakt in het geheel niet duidelijk waarom we niet verder kunnen zonder extra wind op land en zon op weiland.
3.3. NOVI en verkiezingsprogramma’s De bovenstaande afspraak uit het klimaatakkoord past ook binnen de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), die wind op zee en zon op dak prefereert boven wind op land en zon in weiland. Minister Ollongren bij de presentatie van de NOVI tegen de NOS stelde ze toen, als voorbeeld van ruimtelijke keuzes die het dichtbevolkte Nederland zou moeten maken: “Elke regio moet meer woningen bouwen. Doe dat dan op plekken die goed bereikbaar zijn en waar ook werk is. Bouw geen zonneweides, maar plaats zonnepanelen zo veel mogelijk op daken. Laten we windmolens zo veel mogelijk op zee bouwen.” Ook bijna alle nationale verkiezingsprogramma’s (2021) stellen volgens het PBL dat bij het verhogen van de doelstelling dit door wind op zee en zon op dak zal worden ingevuld. Alleen de Christen Unie en Groen Links pleiten voor de verhoging van de doelstelling voor wind op land. Daarnaast geeft ook het rapport Bestemming Parijs wegwijzer voor klimaatkeuze 2030, 2050 aan dat extra wind op land niet te prefereren is vanwege “de maatschappelijke weerstand en hoge kosten per vermeden ton CO2”.
37 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
4. Extra opgave met draagvlak 4.1. Illustratief pakket als dwingende optie De Werkgroep Extra Opgave komt op basis van het TNO rapport Extra opgave elektriciteitsvoorziening 2030 tot een extra opgave van 41 TWh in 2030. TNO zelf komt overigens in haar conclusies tot een tekort van slechts 23 TWh doordat zij de extra wind op zee die in 2031 ter beschikking komt toerekent aan de 2030 doelstelling: De sterk toenemende elektriciteitsvraag leidt tot een tekort aan binnenlandse elektriciteitsproductie ten opzichte van de verwachte binnenlandse vraag. Als we uitgaan van het aanbod van elektriciteit op basis van de KEV 2021 en daar de aangekondigde plannen voor 6 GW extra wind op zee in 2030 en 4 GW extra wind op zee in 2031 bij optellen, komt het totale elektriciteitsaanbod op ongeveer 183 TWh. Ten opzichte van de vraag in het 55%+RED III-scenario ontstaat dus een tekort van ongeveer 23 TWh. (pagina 32) De werkgroep noemt in haar rapport de volgende opties om het door haar vastgestelde 41 TWh tekort in te vullen: Opties Extra wind en waterstof productie op zee Extra kleinschalig zon op dak Extra hernieuwbaar op land Import van waterstof Extra (CO2 vrije) regelvrije productie Totaal potentieel extra aanbod
Minimum 9 4 10 23 13 59
Maximum 9 4 20 58 13 104
Vervolgens komt de Werkgroep op basis van de vele door haar genoemde opties tot slechts één illustratief pakket.
38 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Hierbij wordt uitgegaan van 10 TWh extra grootschalige zon en wind op land. De Klimaatakkoord doelstelling hernieuwbaar op land wordt daarmee verhoogd van 35 TWh naar 45 TWh. Daarbij wordt impliciet extra wind op land en zon op weiland als doel meegenomen omdat het rapport tegelijkertijd stelt dat er een publiekscampagne (met woordvoerderslijn) moet komen én dat de lokale overheden van kennis en middelen moeten worden voorzien om de publieke weerstand te pareren. Vervolgens wordt in de samenvatting en de conclusies het illustratieve pakket als enige oplossingsrichting gepresenteerd en wordt gepleit voor voortzetting van de SDE subsidie en zelfs een extra “kwaliteitsbudget” om de weerstand van de inwoners te pareren.
“Schrap de beperking van 35 TWh voor zon en wind in de SDE++ en zorg dat er ook na 2025, bij beëindiging van de SDE++ voor nieuwe wind- en zonprojecten, er nog steeds een beleidskader is dat voldoende investeringszekerheid biedt voor nieuwe projecten.” (pag 27) “Stel een kwaliteitsbudget in voor draagvlak en natuur in de SDE++ in lijn met de adviezen van de ‘Werkgroep Energie in Natuur en Landschap’ en ‘SDE en maatschappelijke kosten’ van het NP-RES.” “versterk uitvoeringscapaciteit decentrale overheden: regel voldoende procesgeld van het Rijk voor de decentrale uitvoering van de RES’en en regel voldoende organisatiekracht bij het Rijk om projecten te kunnen ontwikkelen op Rijksgronden.”
39 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
4.2. Waar hebben we het over? Het door de Werkgroep Extra Opgave genoemde illustratieve pakket gaat uit van 10 TWh extra grootschalige zon en wind op land (boven huidige 35 TWh doelstelling). Daarvan zal waarschijnlijk meer dan de helft uit zon op grote daken bestaan (conform aanbod RES 1.0). Hiervoor is groot maatschappelijk draagvlak. Dan blijft maximaal 5 TWh over die uit extra wind op land en zon in landschap gerealiseerd zou moeten worden. Voor onze verdere argumentatielijn stellen we dat hiervan 4 TWh door wind op land en 1 TWh door zon in weiland en zal worden ingevuld. TWh Zon op grootschalig dak Zon in weiland (schatting) Wind op land Totaal (TWh)
Klimaatakkoord 11 1 23 35
Voorstel Werkgroep 5 1 4 10
Totaal
Impact
16 2 27 45
1000 hectare extra 258 extra windturbines
Hoewel 5 TWh extra wind op land en zon op weiland op het totaal plaatje (206 TWh) marginaal is heeft dit een aanzienlijke impact op de leefbaarheid en de natuur. 1 TWh zon in weiland staat gelijk aan 1000 hectare. Daarnaast zou de productie van 4 TWh extra wind bij 3100 vollasturen tot 1290 MW extra wind op land leiden. Dat zijn 258 windturbines van 5 MW. Bij het huidige beleid van verstrooien van de doelstelling over Nederland zou dat kunnen betekenen dat in 52 gemeenten 5 extra windturbines geplaatst moeten worden met een hoogte van minimaal 2 keer de Domtoren in Utrecht. Deze zijn zichtbaar tot 25 km in de omgeving. In veel stedelijke gebieden, waaronder Amsterdam en Utrecht zullen ze direct bij woonwijken geplaatst worden. Maar ook in de vele kleinschalige landschappen waar molens gepland zijn zullen ze dicht op dorpen en woningen terecht komen. Het niet op zee plaatsen van deze 258 windturbines leidt tevens tot een extra uitstoot van 4 TWh x 39.625 ton = 158.500 ton CO2 per jaar (zie 2.3). Bij een marktprijs van 100 Euro per ton vertegenwoordigd dit een extra maatschappelijke kostenpost van 15,8 miljoen euro per jaar. Op zee zou 4 TWh kunnen worden opgewekt door 85 windturbines op een oppervlakte van minder dan 100 Km2. Dat is minder dan de helft van de oppervlakte van de gemeente Amsterdam. De Nederlandse Noordzee heeft een oppervlakte van 58.000 km2.
De vraag is dan ook of en op welke manier we de 5 TWh zogenaamde maatschappelijke weerstand opties op een andere manier kunnen invullen. Het betreft hier dus slechts een marginale beleidsverschuiving van 5 van de 206 TWh.
4.3. Alternatieve opties Hieronder laten we zien op welke wijze de klimaatakkoordpartijen toeredeneren naar extra wind op land en grootschalige zon in landschap door realistische en vaak betere (goedkoper, minder CO2 uitstoot) alternatieve opwek opties niet mee te nemen of op onnavolgbare wijze weg te redeneren. 40 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
We nemen daarbij het “illustratief pakket” van de Werkgroep Extra Opgave als uitgangspunt en kijken op welke wijze we de indicatieve 5 TWh extra wind op land / zon in landschap kunnen vervangen door alternatieve opties. Daarmee voldoen we aan de afspraak uit het klimaatakkoord en de maatschappelijke voorkeurswens en komen we tegelijkertijd tot de gewenste hogere opgave.
A. Wind op zee 2031 meenemen De Werkgroep Extra Opgave gaat uit van 77 TWh wind op zee in 2030. Deze bestaat uit 49 TWh (11 GW) wind op zee uit het klimaatakkoord (2019) en 28 TWh (6 GW) wind op zee als deel van de 45 TWh (10 GW) extra opgave wind op zee waar het kabinet onlangs (2022) toe besloten heeft. Het rapport van de werkgroep stelt echter ook: “In 2031 kan TenneT nog eens 4 GW (18 TWh) elektriciteit uit wind op zee aansluiten op het Nederlandse net. Omdat we hier focussen op 2030 en de elektriciteitsvraag ook na 2030 nog zal doorgroeien nemen we die hier niet mee.” In het TNO rapport Extra opgave elektriciteitsvoorziening 2030 (pag. 23) word de 4 GW (18 TWh) die in 2031 ter beschikking komt wel degelijk meegerekend voor de 2030 doelstelling: Voor het elektriciteitsaanbod in 2030 gaan we in deze notitie uit van de inschatting als opgesteld in de KEV 2021 en de recente aankondiging van 10 GW extra wind op zee van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, 2021).29 Daarbij wordt 6 GW extra wind op zee verwacht in 2030 en nog eens 4 GW extra wind op zee in 2031.
De onderstaande tabel komt uit het TNO rapport, en laat zien dat het wel meenemen van de reeds voorziene opwek 2031 de “extra opgave” zou reduceren met 18 TWh naar 23 TWh (206-183 TWh) in plaats van 41 TWh.
41 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
In het TNO rapport staat hierover verder het volgende: Voor 2030 kan het tekort oplopen tot 23 TWh, terwijl dat in 2031 nog een tekort van 5 TWh oplevert. In beide gevallen kan daar nog 18 TWh bijkomen als gevolg van RED III, waardoor het tekort uitkomt op 41 TWh in 2030 en 23 TWh in 2031.(Pagina 25) Als we uitgaan van het aanbod van elektriciteit op basis van de KEV 2021 en daar de aangekondigde plannen voor 6 GW extra wind op zee in 2030 en 4 GW extra wind op zee in 2031 bij optellen, komt het totale elektriciteitsaanbod op ongeveer 183 TWh. Ten opzichte van de vraag in het 55%+RED III-scenario ontstaat dus een tekort van ongeveer 23 TWh. (pagina 32) De extra 4 GW (18 TWh) wind op zee die in 2031 ter beschikking komt (als deel van de 10 GW Extra Opgave wind op zee) wordt door de Werkgroep Extra Opgave om onbegrijpelijke redenen geheel buiten beschouwing gelaten. Het zou dus kunnen betekenen dat we nu gaan inzetten op vergroten van het aanbod wind-op-land en zon in weiland om de 2030 deadline te halen, terwijl als je slechts 5 TWh van die deadline een jaar zou opschuiven je op land geen extra wind en zon in landschap meer hoeft te doen, en dus ook veel inpassingskosten kunt besparen en maatschappelijke weerstand kunt voorkomen.
Gezien de hogere vollasturen van wind op zee heb je bovendien minder vaak regelbaar vermogen nodig en spaart dit dus gas / CO2 uitstoot (voor de volle levensduur van de wind op land molens). De vertraging van een jaar voor de laatste 5 TWh (van de 206 TWh) wordt zodoende klimaat technisch ruim ingehaald. Als alternatief zou je ook voor een jaar 5 TWh extra waterstof kunnen importeren, om dan in 2031 voor dat deel weer op eigen productie te kunnen omschakelen. In het CE Delft / TNO rapport “50 % Green Hydrogen for Dutch industry”, dat een onderliggend rapport voor de Werkgroep Extra Opgave is, wordt ook de suggestie gedaan dat Nederland bij de Europese Commissie kan bepleiten dat zij langer de tijd krijgt om de waterstofdoelstelling te halen 42 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
(pagina 50). De onderhandelingen vinden nog plaats. Dat is niet onlogisch gezien de relatief grote opgave voor Nederland (veel waterstof vraag bij beperkte ruimtelijke opwekopties) en de relatief korte termijn waarop de doelstelling gerealiseerd moet worden. Uiteraard groeien we na 2030/31 door met ons stroomverbruik. Dat kan echter prima met wind op zee door nu al te starten met additionele plannen voor na 2030/2031. De Noordzee heeft meer dan voldoende ruimte om aan onze verwachte eindbehoefte aan wind opwek te voldoen (zie 5.2.). Door een klein deel van de FIT for 55 doelstelling naar 2031 te verplaatsen kan 18 TWh extra elektriciteit gerealiseerd worden. Alleen al hiermee is 5 TWh extra wind op land en zon op weiland niet meer nodig.
B. Meenemen innovaties windturbines op zee De Werkgroep Extra Opgave gaat uit van 77 TWh wind op zee in 2030 en 95 TWh wind op zee in 2031. Voor het berekenen van de opbrengst voor de nog te realiseren windparken gaat de overheid uit van 4500 vollasturen en 10 MW windturbines. Hierbij is nog geen rekening gehouden met een nieuwe generatie turbines die vanaf 2024 geïnstalleerd worden en hogere vollasturen zullen hebben. Bij alle wind op zee tenders tot nu toe is de uiteindelijke opbrengst aanzienlijk hoger dan oorspronkelijk voorzien door snelle innovatie. De nieuwe VESTAS V236-15.0 MW turbine rekent bijvoorbeeld met een productie potentie van 80 GWh en de GE Haliade-X 14 MW met 74 GWh. Dat komt neer op ongeveer 5.300 Vollasturen. Er is een wettelijke verplichting (vanaf de recente 2022 wind op zee tender) om turbines van minimaal 14 TWh te installeren omdat ze hoger zijn en daardoor minder impact hebben op zeevogels (die er beter onder door vliegen). Vergeleken bij een VASTAS 9,5 MW windmolen levert de VESTAS 15 MW 5 % meer energie per MW op. The VESTAS V236-15.0 MW offers 65 percent higher annual energy production than the V174-9.5 MW, and for a 900 MW wind park it boosts production by 5% with 34 fewer turbines.
It offers excellent partial-load production, resulting in more stable energy production, and a capacity factor over 60 percent depending on site-specific conditions," „Je kunt per gebied meer energie leveren”, zegt Anna Borg, ceo van het Zweedse energiebedrijf Vattenfall. Dat levert voor het windpark-in-aanbouw Hollandse Kust Zuid bij de Haagse kust de turbines die per stuk 11 megawatt capaciteit bieden. Voor de ontwikkeling van een volgend windpark 53 kilometer ver op zee, Hollandse Kust West, heeft Vattenfall zich net als Shell, BP en andere grote energiebedrijven ingeschreven voor de overheidstender, een veiling. Daar wil het turbines leveren met 15 megawatt capaciteit. In ontwikkeling zijn windturbines voor de Zweden die met 20 megawatt het dubbele van de huidige exemplaren gaan leveren, bevestigt zij. „Die worden nu getest. Ook de volgende worden steeds groter”, zegt Borg van het bedrijf. (Telegraaf, 18-05-2022)
43 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Door uit te gaan van gemiddeld hogere vollasturen komt de totale productie wind op zee in 2030/31 dan ook hoger uit. Inclusief de 2022 tender zal in totaal 17,4 GW van de 21 GW 2031 doelstelling bestaan uit windturbines van minimaal 14 MW. Bij 4500 vollasturen geeft dit een rekenopbrengst van 78,3 TWh. Die is nu al door de reeds te implementeren innovaties al 5 % hoger. Dat is 4 TWh extra. Verdere innovaties volgen elkaar in snel tempo op en worden zeker voor 2031 gerealiseerd. In plaats van 95 TWh wind op zee in 2030 / 31 komen we dan uit op minimaal 100 TWh wind op zee in 2030/31. Bijkomend voordeel is dat de grotere turbines niet alleen veel meer maar ook constanter stroom leveren waardoor het huidige klimaatvoordeel ten opzichte van wind op land alleen maar groter zal worden (zie 2.3). Door snelle innovatie gaan meer vollasturen gehaald worden dan voorzien. Hiermee zal naar verwachting minimaal 5 TWh extra opbrengst gerealiseerd worden. Alleen al hiermee is de 5 TWh extra wind op land en zon in weiland niet meer nodig.
C. Vernieuwing oude windparken op zee Volgens het 2019 Urgenda rapport “Het kan als je het wilt, plan voor een klimaat neutrale energievoorziening in 2030” kunnen in 2027/28 na 20 jaar levensduur, de eerste 4 windparken op zee gemoderniseerd worden. Verouderde 2 MW turbines worden dan vervangen door moderne 15 MW turbines. Dit leidt tot een additionele capaciteit van 4 GW (zie onderstaande staatje uit het Urgenda rapport, grijze vlak). Daarmee komt een extra opbrengst van minimaal 18 TWh ter beschikking. Op dit moment stelt EZK (desgevraagd) dat er nog niet besloten is of en hoe de parken vervangen worden. Voor de discussie en planning is het van belang dat hier snel helderheid over gegeven wordt. Deze parken staan dicht op de Noord Hollandse kust en zouden bijvoorbeeld de verduurzaming van Tata steel kunnen ondersteunen. TNO schat de extra stroombehoefte van TATA steel voor 2030 in op 8,3 TWh. Deze is onderdeel van de totale 2030 behoefte van 206 TWh.
Door de oude parken te moderniseren (in plaats van uitfaseren) komt volgens Urgenda 18 TWh extra stroom beschikbaar. Alleen al hiermee is de 5 TWh extra wind op land en zon in landschap niet meer nodig. 44 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
D. Extra zon op dak en op infrastructuur De Werkgroep Extra Opgave ziet voor 2030 een potentie van 20 TWh extra grootschalige zon en wind op land (mede op basis van het RES 1.0 aanbod). Zij stelt in haar illustratieve pakket voor om van deze potentie 10 TWh te benutten. Gezien het feit dat het RES 1.0 aanbod voor grootschalige zon en wind op land grotendeels uit zon op dak en infrastructuur bestaat zou het volledig invullen van deze 10 TWh door zon op dak en infrastructuur geen probleem moeten zijn. Daarmee is geen extra wind op land en zon in weiland meer nodig. Binnen het illustratief pakket is 14 TWh (10 + 4) zon op kleine daken voorzien. Daarnaast verwacht de Werkgroep dat 13 TWh grootschalige zon met de huidige plannen reeds gerealiseerd gaat worden. Met 10 TWh extra grootschalige zon op dak en infra komt de totale zon doelstelling in 2030 op 37 TWh. Urgenda ziet in haar 2021 rapport Tussen Kolen en Parijs voor 2030 overigens een potentie voor zon op dak en infrastructuur van 55 TWh. Tot 2030/31 kunnen veel (netwerk)knelpunten worden weggewerkt en kan tijdelijke opslag via autobatterijen op grote schaal gerealiseerd worden. Daarnaast toepassen energieplanologie om juist daar zon op dak en infra te ontwikkelen waar voldoende lokale vraag en netwerk capaciteit is (bijvoorbeeld Amsterdam).
Meer zon is goed voor zon-wind balans Voor optimale systeem vollasturen (minder overschotten en tekorten) wordt een verhouding tussen wind en zon van 3:1 aangehouden (vuistregel). Voor 2030/31 wordt minimaal 95 TWh wind op zee + 23 TWh wind op land = 118 TWh wind verwacht. Daar moet dan idealiter 39 TWh zon tegenover staan. Met het volledig invullen van de 10 TWh extra RES opgave hernieuwbaar op land door zon dragen we dus bij aan een optimale zon-wind balans in 2030/31 (37 TWh). Gezien de verdere grootschalige uitrol van wind op zee tot 2040/50, zal op land dus volop op zon moeten worden ingezet voor de balans. Juist wind op zee en zon op land optimaliseren samen het duurzame energiesysteem. Zon op dak gaat bovendien goed samen met eigen gebruik waardoor het netwerk ontlast wordt én met toekomstige opslag in autobatterijen en andere vormen van congestiemanagement. Wind op land is hierbij veelal een spelbreker (zie 2.3). De opties en relevantie van veel meer extra zon worden onderschat. Alleen al voor een wind-zon balans zou in 2031 7 TWh extra zon nodig zijn (bovenop het illustratieve pakket). Deze kan op dak en infra en is reeds onderdeel van het RES 1.0 aanbod. Alleen al hiermee is de 5 TWh extra wind op land en zon in weiland niet meer nodig. 45 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
E. Meer waterstof import Nederland moet conform het “Fit for 55” voorstel van de Europese Commissie in 2030 50 % van haar industriële waterstof gebruik vergroenen. Daarnaast ook een klein percentage van de transportbrandstoffen (kerosine, zware olie voor scheepvaart). Deze waterstof wordt momenteel gemaakt van aardgas en is “grijs”. Door met behulp van duurzame stroom deze waterstof te produceren krijgt deze het predicaat “groen”. Om aan de doelstelling te voldoen is 39 TWh (!) extra duurzame stroom nodig. In het illustratief pakket komt 9 TWh van directe waterstofproductie door extra windturbines op zee, 25 TWh wordt door in Nederland opgewekte elektriciteit geproduceerd (op zee en op land) en slechts 5 TWh (13 %) is import. De algemene tendens in de discussie over waterstof is dat minimaal 50 % van onze groene waterstof zal worden geïmporteerd. De Europese Unie heeft een ambitie van 50 % eigen productie en 50 % import (rapport CE Delft / TNO, 50 % green hydrogen prodution for Dutch industry). Daarbij wordt Nederland gezien als een land waar meer import dan eigen productie zal plaatsvinden gezien de grote vraag en beperkte opwekopties. Ook het Ministerie van EZK gaf onlangs aan dat Nederland inzet op waterstof import: “Vanuit de verwachte vraag naar energie ligt aanzienlijke import voor de hand.
Ook wanneer we de vraag naar energie weten te beperken zou het een enorme uitdaging zijn in die vraag te voorzien met energieproductie alleen uit eigen land. Import van energiedragers kan de druk op schaarse ruimte verminderen en is cruciaal voor het handhaven van energie-intensieve industrie in Nederland.” Contouren Nationaal plan energiesysteem, 10 juni 2022 De vraag is waarom de Werkgroep Extra Opgave inzet op 87 % productie van waterstof in Nederland (waardoor er dus volgens haar meer windmolens op land moeten komen). In een recent artikel van Follow the Money stelde Machiel Mulder, hoogleraar Regulering van Energiemarkten aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), het volgende:
“De bedrijven die inzetten op waterstof productie in Nederland zijn vooral bezig met het creëren van een verdienmodel. Dat is ook niet gek, want dat is hoe de markt werkt. ‘Gasunie heeft een nieuw verdienmodel nodig als de gaswinning stopt. En ook voor ontwikkelaars van windparken is de productie van groene waterstof voordelig. Hoe vaker er nu een overschot aan windenergie is, hoe slechter dat is voor hun businesscase, want dan dalen de stroomprijzen. Waterstof zorgt voor vraag en daarmee voor hoge prijzen.’ Volgens verschillende studies is het goedkoper om groene waterstof met zonne- en windparken in bijvoorbeeld Noord-Afrika te produceren en hierheen te verschepen. Waarom bedrijven als Shell dan wel voor Nederland kiezen? Mulder: ‘Subsidies. Het is een politieke afweging, waardoor het economisch aantrekkelijk wordt. We willen onafhankelijk zijn van het buitenland voor onze energievoorziening, daar speelt de industrie handig op in.’
46 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
De waterstof import potentie in 2030 zoals genoemd in het rapport van de Werkgroep Extra Opgave is minimaal 23 TWh en maximaal 58 TWh. Bij 50 % import komen we op 19,5 TWh in plaats van 5 TWh waterstof import. Ruim binnen dat wat minimaal haalbaar is. Alleen al hiermee verandert het hele plaatje. Ook het TNO rapport Extra opgave elektriciteitsvoorziening 2030 (p30) noemt waterstof import nadrukkelijk als oplossingsrichting voor het tekort: In het 55%+RED3-scenario is de totale vraag 206 TWh, waarvan 39 TWh voor de productie van groene waterstof. Het tekort van 41 TWh (206 TWh minus 165 TWh) zou dus ook in dit scenario bijna helemaal verdwijnen bij volledige import van groene waterstof. Door uit te gaan van slechts 26 % (10 TWh) waterstof import is er geen extra wind op land en zon in landschap meer nodig. Een (iets) hogere import optie dient daarom wel in een illustratief pakket te worden gegeven naast het bestaande pakket met slechts 5 TWh import en het daarbij neerleggen van de extra opgave op het vaste land van Nederland, met haar beperkte opwekruimte (voor wind). Door uit te gaan van slechts 26 % waterstof import is 5 TWh minder opwek in Nederland nodig dan het rapport “Alles uit de Kast” nu stelt. Alleen al hiermee is geen 5 TWh extra wind op land en zon in landschap meer nodig.
F. Verplaatsen energie intensieve industrie Bij het kost wat kost produceren van 87 % (34 van 39 TWh) van de industriële groene waterstof behoefte in eigen land met als voorziene impact dat Nederland verder belast wordt met hinder en impact van windturbines op land en zonneweides, dient de vraag naar nut en noodzaak van het behouden van bepaalde industriële activiteiten gesteld te worden. Nederland is nu na Duitsland de grootste verbruiker van industriële waterstof in Europa. Dat heeft onder andere te maken met het feit dat Nederland historisch een energieland is en gunstige voorwaarden kon bieden aan energie intensieve bedrijfstakken. De vraag is of dit in de toekomst nog wenselijk / mogelijk is. Alleen al voor de productie van kunstmest (90 % is bestemd voor de export) is naar schatting 23,4 TWh equivalent stroom nodig (30 % van de totale waterstofbehoefte). Hiervan dient dan in 2030 de helft (11,7 TWh) met duurzame stroom te worden geproduceerd. Dat is bijna 6 keer meer dan de door de Werkgroep geschatte extra stroombehoefte voor de Nederlandse datacentra (2 TWh). Hier was in 2021 grote publieke verontwaardiging over.
Het kan simpel gesteld toch niet zo zijn dat dat honderdduizenden inwoners (ernstige) overlast gaan ondervinden van windturbines bij woonwijken zodat Nederland zelf zijn waterstof kan produceren voor de productie van kunstmest en plastics voor de export, of voor het handhaven van de overstap functie op Schiphol. Een NOS artikel stelde onlangs: “Volgens critici kan Nederland prima zonder kunstmestfabriek. Als de fabriek verdwijnt, helpt dat om de klimaatdoelen te halen én het gasverbruik neemt in één klap met twee miljard kubieke meter per jaar af. Dat komt overeen met het gebruik 47 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
van 1,3 miljoen huishoudens en betekent een flinke hap uit de Russische gasimporten.” Directeur Donald Pols van milieudefensie pleit hierom dan ook in het zelfde artikel voor het afschaffen de kunstmestproductie in Nederland: "Onze hele economische structuur is gebouwd op het feit dat we in Groningen gas gevonden hebben, heel goedkoop gas." Dat hielp volgens Pols om grote industriële gasverbruikers naar Nederland te halen. "Maar dat gas hebben we nu niet meer". Daarom moet Nederland nu kiezen, vindt Pols, waarbij de keuze wat hem betreft niet op de kunstmestindustrie valt. "Er is geen behoefte aan kunstmestproductie in Nederland en Europa, dat laat de stikstofcrisis zien. De kunstmest moet uit de landbouw gefaseerd worden." De directeur van de kunstmestfabriek pleit in het NOS artikel voor de productie van kunstmest met behulp van windmolens in Nederland en staat dus aan de kant van de klimaatakkoordpartijen. Buiten de vraag over nut en noodzaak van kunstmest (waar de meningen over verschillen) moet de vraag beantwoord worden of Nederland een van de belangrijkste kunstmest export landen moet blijven (op plaats 5 na Rusland, China, Qatar en Saoedi Arabië).
Om draagvlak te houden voor een (maximale) productie van duurzame energie in Nederland dienen dan ook allereerst de maatschappelijke randvoorwaarden heel scherp te worden gedefinieerd (= geen extra wind op land bij bewoners en natuur). Zo ontstaat klimaatrechtvaardigheid en een breed draagvlak voor duurzame energie-opwek, zelfs mét een energie intensieve industrie. De hele weerstand tegen mega datacentra heeft alles te maken met het feit dat mensen dit een op een koppelen aan de negatieve impact van windturbines in het landschap en op hun welzijn. Er is ze immers voorgehouden door overheidscommunicatie dat verduurzaming alleen kan door ook meer windturbines op land te plaatsen. Dan gaat zich dit keren tegen industriële grootverbruikers vanuit het rechtvaardigheidsbeginsel dat winstmaximalisatie van private partijen niet ten koste mag gaan van de leefbaarheid in Nederland. De overheid is hier op zijn minst verantwoording schuldig over de belangenafweging die zij gemaakt heeft op basis van een maatschappelijke kosten bate analyse. Is het behoud van kunstmestproductie in Nederland het waard dat honderdduizenden mensen in windmolen overlast zones komen te wonen (zie TNO onderzoek woning waardedaling, 2.1C)? Die discussie moet in alle openheid gevoerd kunnen worden.
48 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Consumptie industriële waterstof Europese landen (FCHO 2020)
Transparantie energieverbruik industrie Wij zijn van mening dat in het rapport van de Werkgroep Extra Opgave de specifieke waterstof en gerelateerde electriciteitsbehoefte van de energie intensieve industrie helder had moeten worden weergegeven (wie verbruikt wat en wat is de maatschappelijke meerwaarde, zie tabel hieronder als eerste aanzet). We hadden dit de voorzitter van de werkgroep gevraagd, maar hij stelde dit niet te willen doen. Deze informatie was echter wel van belang voor een van de onderzoekvragen van de Werkgroep Extra Opgave “Op welke manier kan de opgave aan de aanbodkant mogelijk worden verkleind (zijn er mogelijkheden om de behoefte aan extra elektriciteit te laten afnemen)”. Ook TNO verwijst in haar rapport naar de optie dat bepaalde industrieen uit Nederland verdwijnen. Alleen al de kunstmest industrie is verantwoordelijk voor 5 % van het gasverbruik in Nederland. Gezien het gastekort in Europa door het uitfaseren van Russisch gas kan het een deel van de oplossing zijn om de kunstmest productie (voor export buiten Europa) te verplaatsen naar de VS of andere landen met een aardgasoverschot en /of goede condities voor goedkope groene stroom. Daarmee worden we (sneller) minder afhankelijk van Rusisch gas en hoeft de doelstelling wind op land niet verhoogd te worden.
Ook moet gekeken worden naar de toegevoegde waarde van het behouden van bepaalde chemische bulk industrie in Nederland (zie plaatje). Hier zijn maatschappelijke afwegingen te maken die de werkgroep had moeten expliceren. In plaats daarvan leggen de klimaatakkoordpartijen eenzijdig en zonder enige overweging alle lasten bij de inwoners neer. De overheid wordt vervolgens opgedragen de “lastige boodschap” te verkopen als het “eerlijke verhaal” en kan opdraaien voor de inpassingskosten en dure participatietrajecten. 49 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Alleen al de productie van kunstmest voor de export zal naar schatting 12 TWh aan groene stroom vergen in 2030. Door deze (deels) te verplaatsen naar het verre (gasrijke en / of zonnige) buitenland is geen 5 TWh extra wind op land en zon in landschap meer nodig. Op de korte termijn kan dit Europa ook onafhankelijker maken van Russisch gas.
G. Extra Energiebesparing Het TNO rapport, dat de basis vormt voor de analyse van de Werkgroep Extra Opgave, stelt dat de potentie voor energiebesparing groter is dan meegenomen en dat dat dus de maximale elektriciteitsbehoefte in 2030 nog kan drukken. De NVDE wijst er in een recent persbericht op dat een verbeterde energiebesparingsplicht 1 miljard kubieke meter gas en 5
50 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
TWh elektriciteit per jaar kan besparen. De notie dat de opties voor energiebesparing in Nederland worden onderbenut (zowel huishoudens als industrie) wordt breed gedragen. Door hoger in te zetten op energiebesparing kan de totale vraag met 5 TWh dalen. Alleen al hiermee is de 5 TWh extra wind op land en zon in weiland niet meer nodig.
4.4. Overzicht extra opties ten opzichte van illustratief pakket In conclusie komen we tot het volgende overzicht van opties om de indicatieve 5 TWh extra wind op land en zon in weiland (“maatschappelijke weerstand optie”) te vervangen door alternatieve opties met breed draagvlak en in lijn met de afspraken binnen het klimaatakkoord.
A. B. C. D. E. F. G.
Extra opties 2030 ten opzichte van illustratief pakket ter vervanging van voorgestelde 5 TWh extra wind op land en zon in landschap Extra aanbod 4 GW wind op zee 2031 meenemen Meenemen innovaties windturbines op zee Vernieuwing oude wind op zee parken Meer zon op grote daken / infra (RES aanbod) Import 50 % van groene waterstof behoefte (import potentie = 23-58 TWh) Vraagvermindering Energie-intensieve industrie verplaatsen naar waterstof productie landen. Maximaal inzetten op energiebesparing Totaal Waarvan extra aanbod Waarvan extra aanbod wind op zee (A+B+C) Waarvan extra vraagvermindering
TWh 18 5 18 5 18 12 5 81 64 41 17
Ad A) Meenemen van de 4 GW (18 TWh) Extra wind op zee welke in 2031 ter beschikking komt door 2031 als doeljaar te nemen of eventuele belemmeringen op te lossen zodat de doelen in 2030 gehaald kunnen worden. Ad B) Rekenen met meer up-to-date vollasturen voor wind op zee. Dat geeft naar schatting 5 TWh extra binnen de huidige reeds te implementeren innovaties. Ad C) Meenemen van de extra capaciteit die beschikbaar kan komen bij modernisering van de oudere wind op zee parken (dicht op de kust). Dit levert 18 TWh op welke bijvoorbeeld kan worden ingezet voor waterstof productie voor hoogovens (de parken liggen hiervoor gunstig). Ad D). Meer zon op daken en infra (dat kan op plekken waar nog wel ruimte op het net is). Realisatie zon in illustratief voorbeeld in 2030 is 32 TWh. 5 TWh extra (totaal 37 TWh) wordt ook door de Werkgroep Extra Opgave als haalbaar gezien en past binnen het RES aanbod.
51 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Ad E) Meer import van waterstof. Door nu te investeren in projecten in het buitenland, waar betere condities gelden, kan deze waterstofproductie capaciteit op tijd gereed zijn. Deels inzetten op import kan ook de havens in Rotterdam en Amsterdam ondersteunen om belangrijke import en verwerkingshavens voor waterstof te worden. De import potentie zoals genoemd in het rapport van de Werkgroep Extra Opgave is 23-58 TWh. Realisatie in illustratief pakket in 2030 is 5 TWh. Binnen beleidsdocumenten wordt uitgegaan van minimaal 50 % import. Dat zou 19 TWh zijn bij een behoefte van 39 TWh. Dat valt ruim binnen de in het rapport genoemde minimale potentie. Ad F) Door het verplaatsen van de energie intensieve industrie naar landen met goedkoper gas, groene waterstof of meer ruimte hoeft deze niet in Nederland te worden geproduceerd en drukt dit direct de nationale elektriciteitsvraag. Dat scheelt alleen al voor de kunstmest productie in 2030 naar schatting 12 TWh. Totaal overzicht 2030 Met inachtname van het rapport van de Werkgroep Extra Opgave en onze eigen analyse komen we tot het volgende overzicht waarin alle gegevens overzichtelijk bij elkaar staan.
Met 64 TWh extra aanbod-opties uit de voorgaande tabel en het achterwege laten van de naar schatting 5 TWh wind op land en zon in landschap, kan zelfs 59 TWh per jaar extra worden gerealiseerd bovenop het illustratieve voorbeeld waarin al sprake is van 41 TWh extra opwek. De totale potentie komt daarmee uit op 165 + 41 TWh + 64 TWh - 5 TWh = 265 TWh. Extra aanbod opties (groen) 2030/31, niet meegenomen door de Werkgroep Extra Opgave
Al voorzien aanbod 2030
Extra aanbod Illustratief voorbeeld Werkgroep Extra Opgave
Totaal Fit for 55 doelstelling 2030 in illustratief voorbeeld
Extra opties bovenop illustratief voorbeeld
Totaal opties maatschappelijke voorkeur (moratorium wind op land en zon in landschap)
Wind op zee
77
0
77
41
118
Zon op huizen (< 15 kW)
10
4
14
0
14
12
5
17
5
23
1
1
2
-1
1
23
4
27
-4
23
Waterstof op zee
0
9
9
0
9
Import van waterstof Regelbare productie (25 %), inclusief biomassa (3,1) en kernergie (3,5)
0
5
5
18
23
41,6
13
54,6
0
54,6
165
41
206
59
265
TWh
Zon op dak en infra (> 15 kW) Zon in landschap (schatting) Wind op land
Totaal
De stelling dat we alle opties nodig hebben klopt dus in het geheel niet. We redden het makkelijk zonder 4 TWh extra wind op land en 1 TWh extra zon in weiland en hebben daarbinnen nog talloze keuzemogelijkheden (59 TWh). Hierbij hebben we de opties die tot 52 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
vraagvermindering leiden (energiebesparing, verplaatsen energie-intensieve sectoren) nog niet eens meegenomen.
4.5. Conclusie Wij zijn van mening dat minimaal één van de gepresenteerde illustratieve pakketten/ scenario’s een optie had moeten zijn zonder verdere uitbreiding van wind op land. Het invoegen van een dergelijk pakket sluit aan bij het statement in het Klimaatakkoord waarbij bij eventuele ophoging van de doelstelling voor hernieuwbaar op land eerst gekeken moet worden naar wind op zee en zon op dak. Wind op zee en zon op dak is ook het voorkeursscenario van de meeste Nederlanders. Deze wordt door de (lokale) overheid onterecht uitgelegd als “de weerstand” waar veel over gesproken wordt en waarom wordt opgeroepen tot een “publiekscampagne”. Achter de zogenaamde “weerstand” zitten valide argumenten (zie hoofdstuk 2 en 3), die door het wegzetten als (te beïnvloeden) NIMBY onbesproken blijven en waarvoor geen maatschappelijke oplossing wordt gezocht. We constateren dan ook dat de klimaatakkoordpartijen op geen enkele wijze hun best doen om te kijken of de belofte van het klimaatakkoord realiseerbaar is om na het behalen van de 35 TWh doelstelling te stoppen met wind op land en zon op weiland. De doelstelling van het voortgangsoverleg is immers om het klimaatakkoord te implementeren en niet om nieuwe doelen te stellen die een bepaald deelbelang vertegenwoordigen.
In plaats daarvan pleit men voor voortzetting van de (SDE) subsidie plus nog eens een extra “kwaliteitsbudget” om naast extra zon op dak ook tot meer wind op land en zon in landschap te komen én het pareren van de te verwachten maatschappelijke weerstand door een publiekscampagne en “kennissessies” met lokale overheden. Alsof de weerstand onterechte argumenten zou hebben en met informatie en marketing zou zijn weg te nemen. Ondertussen vindt het gesprek over de argumenten en alternatieven onvoldoende plaats. Beter is het de wens van de inwoners serieus te nemen en daadwerkelijk alles uit de kast te halen om verdere uitrol van wind op land en zon in landschap te vermijden. Vreemd genoeg heeft de overheid nooit een onderzoek uitgezet (bij bijvoorbeeld TNO of CE Delft) om te kijken of dit echt niet kan. Ook de Werkgroep Extra Opgave doet geen enkele poging te onderzoeken of de maatschappelijk voorkeursoptie realiseerbaar is. Zou ze dat wel hebben gedaan dan had ze ook op basis van haar eigen cijfers de optie “geen extra groei wind op land en zon in landschap” als “illustratief pakket” kunnen noemen. Al was het alleen maar om tot een eerlijke maatschappelijke afweging te kunnen komen.
Door zo duidelijk in haar samenvatting en conclusies toe te redeneren naar meer wind op land en maatschappelijk meer wensbare opties niet eens op tafel te leggen of te benoemen laten de klimaatakkoordpartijen helder zien dat ze zich door deelbelangen laten leiden, die mogelijk van private en/of ideologische (zelfvoorziening op lokaal niveau) aard zijn.
53 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
5. Eindplaatje 2050 De energietransitie zal veel sneller gaan dan we nu verwachten. Er is een klimaat en geopolitieke noodzaak, maar bovenal zullen de nieuwe technieken de goedkopere optie blijken waardoor systemen abrupt kunnen transformeren. Daarom is het goed een mogelijk eindplaatje in zicht te hebben zowel qua vraag als aanbod. Met name bij aanbod lijken er veel meer opties dan we uiteindelijke nodig hebben. Het oorspronkelijk kostenvoordeel van wind op land ten opzichte van wind op zee is verdwenen en zon zal naar verwachting de goedkoopste optie zijn in 2030 (zie 2.2). Deze ontwikkelingen geven ons de kans om de energietransitie niet alleen economisch maar ook maatschappelijk te optimaliseren. Dat geeft draagvlak waardoor ook indien nodig snel kan worden opgeschaald. Het idee van de Werkgroep Extra Opgave was dan ook om een doorkijk te geven naar 2040/2050. Dat heeft zij niet gedaan maar dit is wel essentieel voor een eerlijke discussie over welke opwek opties we gaan kiezen voor 2030. Een veelgehoord argument is immers “We kunnen niet stoppen met wind op land, want na 2030 wordt de opgave nog veel groter”. De vraag is dus of we voldoende opwek opties hebben om ook na 2030 zonder extra wind op land en zon in weiland te kunnen?
5.1. Eindvraag 2050 De meeste scenario’s gaan uit van een eindvraag voor elektriciteit in het jaar 2050 van 300400 TWh. Dan hebben we dus een volledig duurzame energievoorziening.
Rapport ruimtelijke potentieel zonne-energie (Generation Energy en TKI Urban Energy), maart 2022
54 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Een presentatie van TNO van de verschillende scenario’s (op de dag van het Klimaatakkoord, november 2021) bevestigt bovenstaande inschattingen.
Het verschil tussen 300 en 500 TWh zit met name in de vraag hoeveel van onze (industriële) waterstof behoefte we zelf gaan produceren en hoeveel we gaan importeren. Dat is enerzijds een maatschappelijke afweging. Gaan we de waterstof produceren met behulp van windmolens bij woonwijken in Amsterdam of Utrecht, of gaan we dit doen in woestijnlanden met veel ruimte en zon. Anderzijds is het kwestie van kosten (zie plaatje hieronder), waarbij het te verwachten is dat in de meeste delen van Europa waterstof niet concurrerend geproduceerd kan worden. Internationaal transport Niet meegenomen in bovenstaande vraaginschattingen is de brandstofbehoefte (synthetische brandstoffen en H2) voor internationaal transport (scheep- en luchtvaart) welke naar schatting op basis van huidig gebruik nog eens 280 TWh bedraagt, waarvan 200 TWh voor scheepvaart en 80 TWh voor luchtvaart (Berenschot rapport klimaat neutrale energiescenario’s 2050, p29). Hierbij dient te worden opgemerkt dat momenteel bijna de helft van de internationale scheepvaart bestaat uit het vervoer van (fossiele) energie, dat zal aanzienlijk minder worden. De verwachting is ook dat Nederland (als klein distributieland) deze synthetische brandstof het beste kan importeren (schepen kunnen onderweg de duurzame brandstoffen tanken in de waterstof productielanden). Groene e-kerosine 55 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
(vloeistof) voor de luchtvaart kan eenvoudig met schepen worden geïmporteerd. Dit zal naar verwachting ook goedkoper zijn dan productie in Nederland.
Dat brengt de totale vraag naar elektriciteit op naar schatting 300-400 TWh zonder eigen productie van brandstoffen voor internationaal transport en 600-700 TWh met eigen productie van deze brandstoffen.
5.2. Opwekopties 2050 Tegenover een eindvraag van 300-700 TWh staat de volgende potentie. A. Potentie Wind op zee Er is voor 70 GW aan potentie wind op zee ingetekend op de Noordzee. Dat geeft bij 4.700 vollasturen een opbrengst van 330 TWh. Daarbij wordt nog maar 12,5 % van de Noordzee benut voor windenergie. In Duitsland zet men in op bijna 22 % en in België zelfs op bijna 40 %. Nederland heeft dan ook relatief per inwoner veel meer zee dan haar buurlanden.
56 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
NVDE directeur Olof van der Gaag in de Telegraaf (17 maart 2022) stelt: Bedrijven willen windparken uitbreiden, maar de Noordzee wordt toch te vol? ”Er komt nog voor 11 gigawatt vermogen aan, en rond 2030 is nog eens 10 gigawatt gereed. Er is voor 70 gigawatt windenergie ruimte ingetekend op zee. Het is er druk, je moet inderdaad scheepvaartroutes verleggen, en de natuureffecten van plaatsing bekijken - maar er is nog ruimte. Tegenover de bezwaren staat dat je weinig alternatieven hebt en die turbines ongelooflijk efficiënt zijn.” B. Potentie Zon op dak en infrastructuur De potentie zon op daken en infrastructuur is eveneens zeer groot. Een recent rapport (Ruimtelijk potentieel zonnestroom in NL, Topsector Energie maart 2022) stelt het volgende: “Uit deze verkenningen blijkt dat de ruimtelijke potentiëlen voor zonnestroom groot zijn in verhouding tot het huidige geïnstalleerde vermogen, de ambities voor 2030 en de voorspellingen over het geïnstalleerde zonnestroomvermogen in 2050. De schattingen over de energieopbrengst en het deel van het oppervlak dat te benutten is in 2050 vallen in deze studie veelal hoger uit dan in eerdere studies op dit gebied.
Dit is grotendeels te verklaren doordat ze in deze studie met een hoger gemiddelde rendement rekenen (23%), een lagere ondergrens hanteren voor minimale benodigde instraling (~500kWh/(kWp*jr)), met hogere maximale bedekkingsgraden rekenen voor daken (65-80%), en doordat ze enkele innovatieve systeemtypologieën – zoals lichtgewicht panelen – hebben opgenomen die het mogelijk maken additioneel oppervlak te benutten. Het ruimtelijk potentieel op daken en verharde terreinen is voldoende om een groot deel van de opwek te kunnen herbergen bij een opgave van 70 Twh/jr en ook bij een grotere opgave van 200 Twh/jr in 2050. Dit wordt geïllustreerd met scenariovarianten 'focus op daken'. De resultaten van deze studie laten zien dat zonnestroom van Nederlandse bodem ruimtelijk gezien een grote rol kan spelen in onze toekomstige energievoorziening en dat er nog veel keuzeruimte is om invulling te geven aan de zonnestroomopgave in 2050.”
57 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
De potentie voor zon op huizen (81 TWh), zon op grote daken (98 TWh) en zon op infrastructuur (636 TWh) samen is 815 TWh waarvan in het bovenstaande scenario “focus op daken” minder dan 25 % wordt benut. Dus zelfs met alleen zon op dak en infrastructuur valt er nog heel veel te kiezen. C. Overige opwek bronnen Naast zon en wind en waterstof import zijn er natuurlijk nog andere bronnen waarvan de potentie als volgt wordt ingeschat. Dit zijn allen technieken die onder “regelbaar vermogen” vallen. Bron Kernenergie
TWh 23 TWh
Geothermie
55 TWh
Groen gas
30 TWh
Totaal
108 TWh
Toelichting Borsele levert nu 500 MW (3,3 TWh) aan elektriciteit. Samen met de door het kabinet voorgestelde twee nieuwe centrales (elk 1500 MW) komen we uit op een productie van 23 TWh. De sector zelf stelt "Aardwarmte krijgt in de energietransitie naar verwachting de komende jaren een belangrijkere plaats. De sector wil groeien naar een warmteproductie van 5,6 PJ per jaar in 2020 naar 50 PJ per jaar in 2030 (14 TWh) en meer dan 200 PJ (55 TWh)in 2050." Dit is overigens in warmte equivalent en (nog) geen elektriciteit. De sector zelf ziet een potentie van 30 TWh voor groen gas. Dit is overigens in warmte equivalent en (nog) geen elektriciteit.
5.3. Vraag versus aanbod 2050 58 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Indien we alleen de potentie wind en zon bij elkaar optellen en op 3 delen wind 1 deel zon zetten (voor de 300 en 400 TWh scenario’s) komen we tot het volgend overzicht om de vraag te matchen met een deel van het potentiële aanbod. Opwekvorm
Potentie TWh
300 TWh vraag 400 TWh vraag 700 TWh vraag
1
Wind op zee (70 GW)
330
202
277
330
2
Wind op land (bestaand/pijplijn)
23
23
23
23
3
Zon (dak huizen)
81
15
21
40
4
Zon (grote daken)
97
30
36
65
5
Zon (infrastractuur)
636
29
42
241
6
Zon in landschap (bestaand / pijplijn)
1
1
1
1
1168
300
400
700
Totaal
Met name de potentie zon hoeft hierbij maar voor een (zeer) klein deel benut te worden. Ook de potentie wind op zee is overigens veel groter dan hierboven vermeld daar ook in het scenario volledige energieneutraliteit (700 TWh) slechts 12,5 % van de Noordzee benut zal gaan worden voor windenergie. Duitsland en België willen meer dan 20 % van hun zee benutten. Daarnaast zijn er natuurlijk nog de bovengenoemde andere opwek opties dan zon en wind die bij elkaar ook nog eens 50-100 TWh kunnen opleveren. Niet voor niets stelde Frans Rooijers directeur van CE Delft onlangs dat Nederland (vanwege haar enorme Noordzee potentie) een energie exporteur kan worden. “De hele Noordzee wordt vol gezet met windmolens”, “Nederland gaat op termijn structureel overschotten duurzame elektriciteit produceren”, “We kunnen het transporteren naar omringende landen, die geen of minder windparken op zee hebben”. Het Planbureau voor de Leefomgeving stelde onlangs in de Volkskrant:
Niet iedereen is enthousiast over de grootschalige ontginning van de Noordzee voor windenergie. Milieuorganisaties en de visserijsector vrezen de gevolgen voor het zeemilieu en de inkomsten uit visvangst. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is er genoeg ruimte om alle doelen uit te voeren: als Nederland 60 gigawatt aan windturbines op de Noordzee plaatst, blijft driekwart van het Nederlandse deel onbebouwd. Hoeveel Nederland precies wil plaatsen, is nog niet bekend, betrokkenen gaan uit van 70 gigawatt. Conclusie 59 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Kortom ook in de richting van een 100 % duurzaam systeem valt er nog veel te kiezen. Zonder extra wind op land en zon in weiland en zelfs zonder import van waterstof. We zouden zelfs de brandstof voor internationaal transport kunnen opwekken. De verwachting is echter dat we (net als nu) de helft van onze energie zullen importeren omdat dat goedkoper zal zijn. We komen daarmee uit op een electriciteitsvraag van 300-400 TWh. Dan kunnen we uit met minder dan 10 % van de Noordzee voor onze behoefte aan windenergie. Door binnen het maatschappelijke debat de nadruk te leggen op “keuzes binnen overvloed” en daadwerkelijk het gesprek aan te gaan over deze keuzes, in plaats van “er is schaarste, het is lastig, het is duur en alles moet” ontstaat er draagvlak voor de energietransitie en voorkomen we tevens dat bepaalde grootverbruikers zoals datacentra, chemische industrie en internationaal (vlieg)transport onder druk komen te staan om zich naar het buitenland te verplaatsen. We behouden daarmee ook de maatschappelijke vrede en creëren weer vertrouwen in de overheid, omdat zij doet wat rationeel is en het beste voor Nederland en haar inwoners.
5.3. De visie van onafhankelijke partijen voor 2050 De meeste maatschappelijke partijen, inclusief aan de overheid gelieerde onderzoeksinstituten zoals PBL en TNO houden zich aan de binnen de klimaattafels afgesproken woordvoerderslijn (“zonder extra wind op land redden we het niet”). Een aantal onafhankelijke partijen heeft echter een afwijkende positie ingenomen, waaronder het KIVI en Urgenda. A. Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI) Het KIVI gaat in haar rapport “CO2 vrije energievoorziening in 2050” uit van een eindbehoefte van 414 TWh elektriciteit, dat overeenkomt met de inschatting onder 4.2. Dit wordt ingevuld met 269 TWh wind op zee, 71 TWh zon en slechts 14 TWh wind op land. 60 TWh komt van andere duurzame bronnen en beperkte waterstof import (voor stroomproductie). KIVI komt in haar systeemoptimalisatie uit op 4 delen wind op 1 deel zon. KIVI adviseert te stoppen met verdere uitrol wind op land omdat dit moeilijk in te passen is in een optimaal duurzaam energiesysteem vanwege lage vollasturen en onstabiele productie (zie ook 2.3). Met meer wind op land zouden er veel meer batterijen voor korte termijn opslag nodig zijn of meer waterstofimport.
60 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
61 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
B. Urgenda In het kader van haar rapport Tussen Kolen en Parijs (2021) waarbij ze een plan presenteert voor een 100 % klimaatneutraal energiesysteem in 2030 stelt Urgenda: “Met bijvoorbeeld allerlei vormen van kleinschalige zonneenergieprojecten alleen al valt een opbrengst van 57 TWh te realiseren – veel meer dan de 35 TWh die aan de RES’en gevraagd wordt. Samen met windenergie die er al staat of al is toegezegd en bestaande grote zonnevelden, hoeft er niet veel meer aan grootschalig zon en wind toegevoegd te worden. Het kan veel creatiever en zonder vele mensen tegen de energietransitie in het harnas te jagen. Ook zonder houtige biomassa en zonder kernenergie. Samen met veel meer wind op zee kunnen we dan voldoende duurzame energie opwekken om ook de veel scherpere doelen te halen in 2030.” C. Frans Timmermans Frans Timmermans tijdens een PvdA verkiezingsbijeenkomst in Amsterdam over nut en noodzaak van windturbines bij woonwijken in Amsterdam (10 Maart 2022). “Voor Nederland is de meeste winst te halen uit zonnepanelen op daken. We hebben nog zoveel gebouwen waar geen zonnepanelen op zitten. Ja en dan zegt iedereen “ja velden vol met zonnepanelen”. Nee dat hoeft helemaal niet. We moeten de hele bebouwde omgeving gebruiken voor zonnepanelen. Ook in historische steden als Amsterdam kun je overal zonnepanelen in verwerken. Laten we daar ons nu eens op concentreren.
Laat dan de mensen die ons klimaatgekkies noemen zich maar druk maken over windturbines die er toch niet komen. Die staan op zee voor het overgrote gedeelte. Kijk naar Schotland. Jaren geleden moesten die honderden miljoenen pond betalen om windturbines te laten plaatsen. Voor het laatste enorme windpark voor de kust van Schotland heeft de exploitant de Schotse regering 700 miljoen pond betaald om te mogen bouwen. Windenergie op zee is nu zó goedkoop dat het een no brainer is voor investeerders. En dat geldt ook voor zonne-energie.”
62 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
6. Nabeschouwing 6.1. Wijze van besluitvorming De vanuit de samenstelling van de werkgroep te verwachten conclusie dat geen enkele optie kan worden uitgesloten is inderdaad gematerialiseerd in het rapport “Alles uit de kast”. Industriële partijen, ook al hebben ze verschillende deelbelangen, spelen elkaar graag de bal toe, zeker indien dit ten koste gaat van partijen / belangen die niet aan tafel zitten (inwoners, belastingbetalers, natuur, woningbouw en zelfs het klimaat). Een aantal andere niet uit de industrie afkomstige partijen die aan de elektriciteitstafel zitten en die we gesproken hebben roemen de “grote inhoudelijke cijfer kennis” van de NVDE en noemen het “gebrek aan tijd en kennis” om zichzelf in alle details te verdiepen. Ook stelden alle gesproken partijen dat je “vertrouwen moet hebben” in de integriteit van de leden van de Werkgroep Extra Opgave (lees NVDE). Het concept rapport zal naar alle waarschijnlijkheid dan ook niet meer dan een hamerstuk zijn geweest binnen het voortgangsoverleg klimaatakkoord. Op haar beurt heeft EZK ons aangegeven dat het “moeilijk” zal zijn een advies te negeren dat door “zoveel partijen” wordt gedragen.