B01 Het kan met gemak - wind op zee en zon op dak NLVOW en Windalarm 28-08-2022-1
Tekst van het document
Het kan met gemak wind op zee en zon op dak Vóór een klimaatrechtvaardige energietransitie Beter voor Nederland én het klimaat Reflectie op het rapport “Alles uit de kast” van het voortgangsoverleg Klimaatakkoord aangaande extra opgave duurzame elektriciteitsopwekking 2030 28 Augustus 2022
Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW) Stichting Windalarm
1 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Colofon NLVOW en Windalarm vertegenwoordigen een brede achterban die verdere komst van industriële windturbines op land dichtbij bewoners en in unieke natuur ongewenst en vooral overbodig en contraproductief vindt voor het behalen van de klimaatdoelen. Het perspectief dat zij vertegenwoordigen leeft breed onder inwoners (niet doen tenzij het echt niet anders kan). Beide organisaties ondersteunen een snelle transitie naar een duurzaam energie systeem. We zijn er echter van overtuigd dat dit inmiddels kan plaatsvinden op een rechtvaardige manier (niet de lasten eenzijdig afschuiven op een beperkte groep) en op basis van strenge randvoorwaarden aangaande welzijn, gezondheid, natuur en landschap. Binnen deze kaders zijn er dan nog ruim voldoende en veelal betere opties aanwezig om aan de landelijke doelstellingen te voldoen. Om de discussie te openen hebben we eerder twee position papers geschreven waarvan we op basis van overheidsrapporten vraag en aanbod naast elkaar hebben gezet en tot bovenstaande conclusies zijn gekomen. Deze rapporten zijn tot nu toe niet weerlegd:
Alle wind kan naar zee (2021) Tijd voor een wind op land moratorium (2021)
Op basis daarvan heeft Windalarm een campagne video uitgebracht (met getuigenverslagen van omwonenden uit Windpark Spui) om bovengenoemde boodschap uit te dragen. Daarnaast heeft zij twee landelijke demonstraties gehouden rondom de Tweede Kamer verkiezingen in 2021. Dit heeft de landelijke media onterecht gezien als zijnde weerstand tegen windmolens en de energietransitie. De eigenlijke boodschap van de campagne is dat wind op land en zon in landschap niet meer nodig zijn en zelfs contraproductief voor het klimaat, maar dit heeft minder de aandacht gekregen omdat het niet past binnen het bestaande narratief dat we het niet redden zonder wind op land. Het TNO rapport Extra opgave elektriciteitsvoorziening 2030 (april 2022) heeft voor het eerst op een rij gezet wat de verwachte vraag en het potentiële aanbod aan elektriciteit is in 2030, mede gezien de recente ophoging van de doelen. De conclusie die het rapport Alles uit de Kast van het voortgangsoverleg klimaatakkoord trekt uit het TNO rapport gaat echter lijnrecht in tegen dat wat wij uit dezelfde cijfers lezen en welke onze eerdere conclusies bevestigen. Het kan met gemak, wind op zee en zon op dak. Auteurs Ir. Naut Kusters (milieukundige, ecoloog en klimaatactivist) is hoofdauteur, ondersteund door teams met o.a. Ir. Jan Jaap Tiemersma (energiewaterbouwkundige), Ir. Hendrine Swellengrebel (ruimtelijke ordening), Drs.
Peter Videler (natuurkundige, elektriciteitsnetwerk expert) en Ing. Arthur Koks (natuurkundige). Contact Windalarm: Naut Kusters, n.kusters@windalarm.org NLVOW: janjaap.tiemersma@nlvow.nl 2 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Inhoudsopgave Samenvatting en conclusies 1. Werkgroep Extra Opgave 1.1. Samenstelling 1.2. Advies 2. Wind op land versus wind op zee 2.1. Impact op leefomgeving 2.2. Kosten 2.3. Klimaateffectiviteit 2.4. Overzicht 3. De maatschappelijke voorkeursoptie 3.1. Voorkeursoptie inwoners 3.2. Klimaatakkoord afspraak 3.3. Verkiezingsprogramma’s 4. Extra opgave met draagvlak 4.1. Illustratief pakket als dwingende optie 4.2. Waar hebben we het over? 4.3. Alternatieve opties A. Meenemen wind op zee 2031 B. Meenemen innovaties windturbines op zee C. Vernieuwing oude windparken op zee D. Extra zon op dak en op infrastructuur E. Meer waterstof import F. Verplaatsen energie intensieve industrie G. Extra Energiebesparing 4.4. Overzicht extra (draagvlak) opties ten opzichte van illustratief voorbeeld 5. Eindplaatje 2050 5.1. Eindvraag elektriciteit 5.2. Opwek potentie elektriciteit 5.3. Vraag versus aanbod 5.4. Visie onafhankelijke partijen A. KIVI B. Urgenda C. Frans Timmermans 6. Nabeschouwing 6.1. Wijze van besluitvorming 6.2. Publiek debat i.p.v. publiekscampagne 6.3. Oproep tot een onafhankelijk onderzoek 6.4. Oproep tot aanpassing van het nu te eenzijdige rapport met misleidende titel Bijlage Position paper NLVOW en Windalarm bij aanvaarden deelname aan de reflectiegroep 3 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Samenvatting en conclusies De energietransitie in Nederland zal versnellen richting 2030. Naast de noodzaak in het kader van de klimaatproblematiek is er ook de verhoogde regeerakkoorddoelstelling en een (te verwachten) extra Fit for 55 verplichting vanuit de Europese Unie. Het voortgangsoverleg Klimaatakkoord heeft in het voorjaar van 2022 vanuit haar gelederen een Werkgroep Extra Opgave ingesteld die moest inventariseren (met inachtneming van alle ontwikkelingen en doelstellingen) wat de totale behoefte aan elektriciteit in 2030 zal zijn en op welke wijze deze kan worden opgewekt. De werkgroep kende een maatschappelijke reflectiegroep waarin de NLVOW en Windalarm hebben deelgenomen. Het eindrapport “Alles uit de kast” is inmiddels zonder deze reflectie plaats te geven geaccordeerd door het voortgangsoverleg klimaatakkoord en door Minister Jetten aan de Tweede Kamer aangeboden. Dit position paper reflecteert op de Werkgroep Extra Opgave en bestrijdt haar conclusie dat de verhoogde doelstellingen niet zonder extra wind op land en zon in weiland kunnen worden bereikt. Het “Alles uit de kast” scenario De Werkgroep Extra Opgave voorziet op basis van een onderliggende TNO inventarisatie een electriciteitsvraag van 206 TWh in 2030.
Dit is inclusief 38 TWh stroom voor de productie van waterstof voor de industrie (met name kunstmest en chemische grondstoffen), 8 TWh voor de verduurzaming van TATA steel en 2 TWh voor de groei van datacentra. Zij stelt dat dat 41 TWh meer is dan tot nu toe aan opwek opties voorzien (165 TWh). Het rapport “Alles uit de kast” inventariseert de mogelijkheden die er zijn deze extra electriciteitsvraag op te vangen. Zij komt op een totaal aan opties van tussen de 59 TWh en 104 TWh. Vervolgens kiest zij uit de “vele wegen naar Parijs” maar één ‘illustratief scenario’. Daarin stelt zij voor de huidige 2030 klimaatakkoord doelstelling van 35 TWh grootschalige zon (dak en landschap) en wind op land met 10 TWh te verhogen. Om de maatschappelijke weerstand rond de voorgestelde 10 TWh extra doelstelling te pareren pleit de Werkgroep vervolgens in haar rapport voor een publiekscampagne om de inwoners van de noodzaak voor meer wind op land en zon in weiland te doordringen, kennissessie voor lokale overheden en voor extra proces- en maatschappelijke inpassingssubsidies. Daarmee gaat zij er impliciet van uit dat er ook een ophoging van de doelstelling wind op land en zon op weiland moet plaatsvinden. Immers rondom de derde pijler van de RES, zon op grote daken, is er breed maatschappelijk draagvlak.
Binnen het Klimaatakkoord is echter de afspraak gemaakt dat een eventuele ophoging van de 35 TWh doelstelling bij voorkeur moet plaatsvinden door wind op zee en zon op dak. Dit is ook de voorkeursoptie van de inwoners van Nederland en leidt bovendien tot aanzienlijk 4 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
minder bijstook van fossiele bronnen doordat met wind op zee opgewekte energie gelijkmatiger is (wind op zee haalt meer vollasturen dan wind op land). NLVOW en Windalarm constateren dat de werkgroep niet heeft gekeken of het zonder extra wind op land (beter) kan. Er lijkt zelfs sprake van een doelredenering om toch maar te kunnen doorgaan met meer wind op land en zon in weiland. NLVOW en Windalarm zijn van mening dat de klimaatakkoordpartijen, ondanks het nadrukkelijke advies van de inwoner reflectiegroep om met meerdere scenario’s te komen, onvoldoende het maatschappelijk perspectief hebben meenomen. Het voortgangsoverleg Klimaatakkoord heeft selectief gewinkeld in de spreekwoordelijke (zeer goed gevulde) kast. Alternatieve “Het kan met gemak” scenario’s NLVOW en Windalarm zien naast de door de werkgroep genoemde opties nog tal van additionele opties (grotendeels genoemd in het onderliggende TNO rapport) om de door de werkgroep geadviseerde extra wind op land en zon in weiland te vervangen door alternatieven. Wij gaan er voor de verdere redenatie van uit, dat de 10 TWh verhoging voor grootschalige opwek op land uit het ‘Alles uit de kast’-scenario, als volgt wordt ingevuld: 5 TWh op grote daken, 4 TWh wind op land (258 extra windmolens) en 1 TWh extra zon op weiland (1000 hectare). We geven aan hoe we de laatste twee door alternatieven kunnen vervangen.
Zo neemt Alles uit de kast de 18 TWh (4 GW) wind op zee die in 2031 gerealiseerd gaat worden niet mee, terwijl het onderliggende TNO rapport dit wel doet. Bovendien kan het halen van de laatste 5 TWh van de totale doelstelling van 206 TWh in een zo nodig extra jaar 2031 nog met de Europese Unie worden besproken. Dat is ook een suggestie uit een onderliggend rapport van CE Delft. De werkgroep noemt dit in het geheel niet als optie. Ook gaat de werkgroep in haar enige (!) illustratieve pakket uit van slechts 5 TWh groene waterstof import voor de industrie (van een totale behoefte van 38 TWh). Dit terwijl diezelfde werkgroep een potentie ziet van minimaal 23 TWh waterstof import. Alleen al door de import ambitie te verhogen van 5 naar 10 TWh is extra wind op land en zon in landschap niet meer nodig. Daarnaast zien wij nog talloze andere mogelijkheden om te komen tot een energietransitie met draagvlak, waaronder 10 TWh in plaats van 5 TWh extra zon op dak (welke past binnen het RES aanbod), meer energiebesparing en verplaatsen van waterstof verbruikende industrieën naar toekomstige waterstof overschot landen. Dat laatste zou alleen al voor de kunstmest industrie tot 12 TWh vraagvermindering leiden.
Door dit niet te benoemen en wel te pleiten voor (veel) meer wind op land stellen de klimaatakkoordpartijen impliciet dat behoud van de huidige kunstmest productie (voor de export) belangrijker is dan de leefbaarheid van honderdduizenden Nederlanders. Dat mag, maar laten we daar dan eerst een maatschappelijk debat over voeren.
5 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
A. B. C. D. E. F. G.
Extra opties 2030 ten opzichte van illustratief pakket ter vervanging van voorgestelde 5 TWh extra wind op land en zon in landschap Extra aanbod 4 GW wind op zee 2031 meenemen Meenemen innovaties windturbines op zee Vernieuwing oude wind op zee parken Meer zon op grote daken / infra (RES aanbod) Import 50 % van groene waterstof behoefte (import potentie = 23-58 TWh) Vraagvermindering Energie-intensieve industrie verplaatsen naar waterstof productie landen. Maximaal inzetten op energiebesparing Totaal Waarvan extra aanbod Waarvan extra vraagvermindering
TWh 18 5 18 5 18 12 5 81 64 17
100 % duurzaam zonder wind op land Ook in de richting van een 100 % duurzaam energiesysteem (2040/50) hebben we zonder extra wind op land en zon in landschap meer dan voldoende opwekopties voor al onze behoeften, zelfs zónder import van groene waterstof. Gezien de enorme potentie aan opwekmogelijkheden is het niet te verklaren dat de werkgroep toch pleit om door te gaan met opwek opties welke tot grote maatschappelijke weerstand leiden en tot vermijdbare schade aan leefomgeving en gezondheid. Hogere CO2 uitstoot door wind op land Wind op land en zon op weiland zijn niet alleen vanwege hun maatschappelijke weerstand (overlast, aantasting van landschap) ongewenst maar passen ook niet goed binnen een toekomstig duurzaam energiesysteem. Wind op land heeft volgens het KIVI en CE Delft lage vollasturen op de verkeerde momenten (onbalans) waardoor een veel hogere (fossiele) bijstook nodig is dan met wind op zee. Dit geeft per 1 TWh wind op land 40.000 ton extra CO2 uitstoot per jaar. Ook zon in weiland gaat niet goed samen met congestiemanagement zoals lokale opslag in autobatterijen, warmtepomp boilers, en lokaal (eigen) gebruik. Doordat zon in weiland veelal plaatsvindt in gebieden met weinig lokale vraag en netwerk capaciteit zijn er dure investeringen nodig in het netwerk om de stroom af te voeren.
Dit leidt (mede daardoor) volgens RVO tot een 3 keer hogere subsidie intensiteit per vermeden ton CO2 dan zon op dak. Maatschappelijke kosten afgeschoven op inwoners Volgens het 2022 TNO rapport over woningwaardedaling leidt, bij de huidige plannen, elke extra TWh wind op land tot een woningwaardedaling van 408 miljoen euro. Door deze te vervangen door wind op zee levert een hectare zee 200.000 euro op door vermeden woningwaarde daling. De schade voor visserij is slechts 11 euro per hectare per jaar tegen een stroomopbrengst van 13.300 euro per jaar. Nederland heeft meer dan voldoende ruimte op zee en doet relatief veel minder dan Duitsland en België op hun zee. Toch wordt 6 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
door de overheid verwezen naar het belang van de vissers als reden waarom er nog extra wind op land moet komen. Politieke afhankelijkheid importen Er zijn bezwaren geuit tegen import van groene waterstof uit zonnige andere landen, en dat daarom autarkie gewenst zou zijn. De keuze van locaties van toelevering is echter groot, omdat geen grondstof benodigd is anders dan zonneschijn. Het zelfvoorzienend willen zijn levert daarentegen extra bezwaren op vanuit een lokaal kwetsbaar produktiesysteem en naar verwachting veel hogere kosten tegenover stabiliteit vanuit diversiteit in aanvoermogelijkheden. De Europese Unie gaat daarom uit van 50 % waterstof import. Onafhankelijk onderzoek vanuit inwonerperspectief Hoewel vanuit maatschappelijk perspectief wind op land en zon in weiland inmiddels achterhaald zijn worden ze toch doorgezet. Nieuwe informatie wordt door de klimaatakkoordpartijen genegeerd en een open debat kan niet plaatsvinden waardoor het inmiddels achterhaalde narratief (“alles is nodig”) in stand blijft. De partijen bevinden zich in een onderlinge afhankelijkheidsrelatie welke recent bekend is geworden onder de term “netwerkcorruptie”. Binnen de gesloten overlegcircuits bepalen zij samen het beleid en de bijgaande woordvoerderslijn.
Er zijn naast partijen met omzetbelangen (veel bedrijven zijn gespecialiseerd in wind op land of zon in weiland), ook partijen die belang hebben bij “maatschappelijke weerstand”. Hierop is een hele (participatie) sector van honderden adviseurs en procesmanagers actief. Daardoor gaat veel menselijke capaciteit en budget verloren die beter ingezet kan worden voor de uitrol voor winnende technieken mèt maatschappelijk draagvlak. Het niet verhogen van de doelstelling wind op land en zon in weiland zal ook het vertrouwen in de overheid en het maatschappelijk draagvlak voor de energietransitie in bredere zin doen toenemen. De breed gedragen weerzin rondom wind op land en zon in weiland is waarschijnlijk een van de redenen dat Nederland in vergelijking met andere landen het hoogste aantal mensen kent die de klimaaturgentie bagatelliseren. Wij verwachten daarom alsnog een onafhankelijke onderzoek met een begeleidingscommissie die de maatschappelijke voorkeursoptie(s) bewaakt. Kunnen we de 2030 en 2040/2050 doelen halen zonder de huidige klimaatakkoorddoelstelling wind op land en zon in weiland te verhogen? Onze overtuiging is dat dit kan, puur op basis van de cijfers uit het rapport Alles uit de Kast, en dat dit tevens in alle opzichten (kosten, draagvlak, gezondheid, landschap, natuur en klimaat) de betere oplossing is. Het kan met gemak, wind op zee en zon op dak!
7 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
1. Werkgroep Extra Opgave 1.1. Samenstelling Bij de uitnodiging deel uit te maken van de “inwoner reflectiegroep” hebben wij onze verbazing geuit dat de overheid een werkgroep van (grotendeels) energieproducenten verzoekt om tot een analyse te komen van de elektriciteitsvraag en hoe deze door middel van extra aanbod kan worden ingevuld. De voorzitter van de werkgroep is daarbij tevens directeur van de NVDE, dé organisatie van ondernemers in duurzame energie. De (eind)redactie heeft plaatsgevonden door de inhoudelijk directeur van de NVDE. Ook bij de meeste sub-werkgroepen waren de NVDE of andere partijen uit de energie opwek industrie in een leidende rol. Werkgroep Extra Opgave Subgroepen Waterstof op zee Hernieuwbaar op land Interactie met parallelle werkgroep CO2 vrij regelbaar vermogen (2 leden) Adhoc subgroep waterstof import (2 leden)
Voorzitter NVDE
Redacteur NVDE Vattenfall
NVDE Vattenfall NVDE + NVDE
NVDE NVDE
Shell / VEMW
De NVDE is een vereniging die de belangen van haar duurzame energie producerende leden vertegenwoordigt en die als adagium heeft dat geen enkele opwek optie kan worden uitgesloten. Dit omdat zij anders de belangen van een deel van haar leden zou schaden. Denk daarbij aan extra wind op land, zon in landschap of houtige biomassa. Veel bedrijven zijn hierop gespecialiseerd en zouden hun verdienmodel of zelfs bestaansrecht kunnen verliezen bij het uitfaseren van deze opties. Andere leden van de NVDE baseren hun verdienmodel juist op maatschappelijke weerstand die deze opties met zich meebrengen. Denk aan ingenieursbureaus die windturbines moeten inpassen, uitvoerders van milieu effecten rapportages, en de talloze participatietraject begeleidingsbureaus die door het hele land actief zijn. Kortom de NVDE heeft een sterk belang om het huidige beleid (alles is nodig) te continueren. Naast een prominente rol in sturing van de Werkgroep Extra Opgave en de redactie van het eindrapport was de NVDE ook financieel opdrachtgever voor het onderliggende TNO rapport (Extra opgave elektriciteitsvoorziening 2030) dat de basis vormde voor de analyse van de Werkgroep Extra Opgave.
De voorzitter (NVDE) van de Werkgroep Extra Opgave had tevens als rol de perspectieven uit de maatschappij op te halen via de inwoner reflectiegroep, waarbij hij zijn eigen afweging kon maken wat hij wel en niet meeneemt in het eindrapport. Dit terwijl de positie en het bovengenoemd belang van de NVDE lijnrecht ingaat tegen de positie van een deel van de partijen die de inwoners vertegenwoordigen en zelfs tegen de afspraken van het klimaatakkoord (dat stelt indien mogelijk te stoppen met wind op land en zon op weiland na halen van de 35 TWh doelstelling wind en zon op land). Dat voelde zeer ongepast en 8 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
ongemakkelijk. Wij zijn dan ook van mening dat de overheid zelf de regie moet nemen in het ophalen van kennis en perspectieven en daarbij de verschillende belangen en opties inzichtelijk moet maken waarna zij, na een maatschappelijk en politiek debat, tot een geïnformeerd en gemotiveerd besluit kan komen. Bij het aanvaarden van onze deelname aan de reflectiegroep hebben we bovenstaande zorgen ook door middel van een brief aan het Ministerie van EZK aangegeven (zie annex 1).
1.2. Advies Werkgroep Extra Opgave In het rapport van de Werkgroep Extra Opgave is na een inventarisatie van de extra vraag (41 TWh bovenop de al in de planning staande 165 TWh, totaal 206 TWh), een opsomming gegeven van de potentie van verschillende extra opwekmogelijkheden in 2030. Over deze opwekpotentie wordt in het rapport geschreven: “Er zijn in principe voldoende mogelijkheden om de extra vraag op te vangen. Gezamenlijk hebben deze opties een potentieel van meer dan twee keer de extra vraag.” . Verder staat in het rapport: “Uit een vergelijking tussen Tabel 5 (vraag) en Tabel 6 (aanbod opties) en uit de onderstaande grafiek uit het TNO-rapport “Extra opgave elektriciteitsvoorziening 2030” (figuur 3) blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn om het aanbod zodanig te vergroten dat de toenemende vraag netto op jaarbasis wordt gedekt, ook bij het volledig meenemen van het hogere klimaatdoel en de voorstellen in het Fit For 55pakket.” Vervolgens is op basis van de vele opties vreemd genoeg slechts één illustratief pakket samengesteld. Binnen dit pakket wordt ingezet op 10 TWh extra opwek grootschalige zon en wind op land bovenop de 35 TWh klimaatakkoorddoelstelling.
Daarbij wordt impliciet uitgegaan van verdere groei van wind op land en zon in landschap op locaties waar maatschappelijke weerstand wordt verwacht gezien de volgende aanbeveling van het rapport: “Besteed daarnaast ruim aandacht aan publiek en politiek draagvlak voor hernieuwbaar op land, door communicatie en maatschappelijke dialoog met burgers en lokale overheden te versterken, en versterk de uitvoeringscapaciteit bij lokale overheden.” “Ontwikkelen van meer publiek en politiek draagvlak: Organiseer een structurele publiekscampagne over nut en noodzaak van de energietransitie en de rol van hernieuwbaar op land daarin, men een eenduidige boodschap vanuit het Rijk; Organiseer een structureel kennisprogramma voor politici bij decentrale overheden.”
9 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
“Stel een kwaliteitsbudget in voor draagvlak en natuur in de SDE++ in lijn met de adviezen van de ‘Werkgroep Energie in Natuur en Landschap’ en ‘SDE en maatschappelijke kosten’ van het NP-RES.” Vervolgens wordt op basis van dit arbitraire illustratieve pakket een aantal conclusies getrokken. “Onze hoofdboodschap is dat de vraag sterk zal stijgen en dat alle opties nodig zijn om deze te bedienen.” “We zullen daarom alles uit de kast moeten halen om die opgave tijdig voor elkaar te krijgen en kunnen daarbij geen kans laten liggen.” “De omvang van de opgave en de onzekerheden in de aanbodsopties maken dat we op dit moment niets te kiezen hebben.” Deze ons inziens geheel niet onderbouwde boodschap wordt ook nog eens benadrukt in de titel van het rapport “alles uit de kast”. Gezien de in het rapport genoemde potentie van de verschillende opwekmogelijkheden kunnen wij de hoofdboodschap niet begrijpen. Het beeld dat uit de opwekpotentie naar voren komt, rechtvaardigt volgens ons de onderstaande aangepaste hoofdboodschap: Ondanks de constatering dat de vraag sterk zal stijgen, zijn er ruim voldoende mogelijkheden om de extra vraag op te vangen. Hierin zijn keuzes te maken, elk met voor- en nadelen. Dit kan zonder extra groei van wind op land en zon in landschap.
Daarmee kan aan de maatschappelijk voorkeurswens voldaan worden en wordt het algehele draagvlak voor de energietransitie versterkt. De keuzes die gemaakt worden moeten onderdeel worden van een maatschappelijk/ publiek debat. Deze dienen niet bepaald te worden in de beperkte kring van de klimaatakkoordpartijen, die vervolgens door middel van een gemeenschappelijke met de overheid afgestemde woordvoerderslijn hun deelbelang doordrukken. Het gepresenteerde illustratieve pakket had daarom aangevuld moeten worden met een aantal andere pakketten, om inzicht te geven in de variëteit aan keuzemogelijkheden. Dit sluit ook aan bij de wens van de gehele reflectiegroep (naast NLVOW en Windalarm ook de Natuur en Milieufederaties, Energie Anders en Jong RES): “Het is van belang om, met name aan de aanbodkant, verschillende scenario’s te schetsen en middels die scenario’s tot oplossingen te komen. Op deze manier geef je de maatschappij inzicht in wat voor afwegingen gemaakt moeten worden. Het is daarbij belangrijk dat deze scenario’s haalbaar zijn en uitgebreid onderzocht.” (p46) Het feit dat de Werkgroep Extra Opgave niet is ingegaan op bovenstaande logische vraag bevestigt ons oorspronkelijk vermoeden dat de werkgroep door middel van een 10 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
doelredenatie naar een bepaalde uitkomst heeft toe geredeneerd (“alle opties zijn nodig”). Zij geeft hiervoor de volgende cirkel argumentatie (het is nodig omdat het nodig is): “In tegenstelling tot het eerdere plan heeft deze werkgroep slechts één illustratief pakket gemaakt. Belangrijk punt hierbij is dat we qua aanbod weinig ruimte hebben om te variëren, aangezien volgens ons alle opties nodig zijn om de doelstellingen van 2030 te behalen.” (p37) In feite is er juist heel veel ruimte en kan er tussen de opties gekozen worden. Het rapport wordt inmiddels volop ingezet door de NVDE en het NPRES om tot meer subsidie te komen voor wind op land en zon in weiland en alle gerelateerde kostbare participatietrajecten onder het bestaande narratief “we redden het niet zonder wind op land en zon in weiland”. Doordat het rapport is geaccordeerd door het voortgangsoverleg klimaatakkoord (waar de overheden ook aan tafel zitten) worden haar conclusies niet meer in twijfel getrokken. Dat wel doen zou tot gezichtsverlies leiden voor diezelfde overheid, hun handtekening staat er immers al onder. In de woorden van hoogleraar landschapsarchitectuur Adriaan Geuze van de TU Delft in het NRC (25-07-2022): Volgens Geuze is ruimtelijke ordening verworden „tot een ondoorgrondelijke lobby” van belangenorganisaties bij de (lokale) overheid, waardoor het algemeen belang in de verdrukking is geraakt.
„Nederland heeft de beste planningstraditie van de wereld. Maar op dit moment zitten we in een volstrekte impasse. Het gaat buitenparlementair, het is een democratisch tekort.” In hoofdstuk 6 (Nabeschouwing) reflecteren we verder op het proces van besluitvorming rond de energietransitie en hoe het bredere maatschappelijke belang en het perspectief van de inwoners hierbij in de verdrukking komt.
11 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
2. Wind op land versus wind op zee Hier gaan we kort in op de redenen waarom we, indien enigszins mogelijk, tot een moratorium voor wind op land moeten komen voordat we in hoofdstuk drie en vier gaan kijken of dat op de korte (2030) en lange (2050) termijn kan. Naast impact op de leefomgeving en maatschappelijk draagvlag gaan we dieper in op de (ongunstige) systeemeffecten van wind op land daar deze minder bekend zijn.
2.1. Impact op leefomgeving De impact op de leefomgeving van windturbines op land hebben verschillende aspecten die veel in de media besproken worden waaronder geluidsoverlast, landschapsimpact, woningwaarde daling en impact op de natuur. In algemene zin is een brede maatschappelijke kosten bate analyse van belang, waarbij alternatieven zoals wind op zee en zon op dak worden meegenomen. Dat onderzoek heeft vreemd genoeg nooit plaatsgevonden. Impact op de leefomgeving wordt immers meer acceptabel indien men weet dat er echt geen alternatieven zijn en het maatschappelijk belang groot is. A. Geluidsoverlast Wellicht de grootste bron van milieu-impact van windturbines is het geluid dat ze produceren. Omdat windparken meestal worden geplaatst in het buitengebied, verandert daar de stille omgeving naar een vaak volcontinu machinale geluidssituatie. Met name ’s avonds en ‘s nachts is het geen pretje meer op het terras en moeten op de slaapkamer ramen en ventilaties dichtgezet worden. Zie hiervoor de Windalarm video met getuigenissen van inwoners uit Windpark Spui. Maar ook in luidere omgevingen valt het geluid van windturbines op, doordat sprake is van impulsachtig geluid van draaiende wieken en door de vaak aanwezige lage bromtonen, die veel verder dragen en door muren heen gaan.
Deze hinder veroorzaakt volgens de Wereldgezondheids-organisatie WHO slaapverstoring en gezondheidsgevolgen (2018).
12 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
De mate waarin kan tot op heden niet geheel worden bewezen of ontkracht, zodat wettelijk prudentie zou moeten worden betracht. Maar het is duidelijk dat bij uitbreiding van wind op land de stilte op steeds meer plaatsen sterk negatief wordt beïnvloed. Reden voor de maatschappij om geen windturbines nabij woningen te willen. Dit komt o.a. tot uitdrukking in dosis-effect-relaties, die volgens TNO (2008) en Arcadis (2022) voor beleving van geluid van windturbines zeer veel steiler lopen dan voor andere bronnen van omgevingsgeluid.
Bij verdere uitrol van wind op land komen windturbines bij gebrek aan ruimte echter steeds dichter bij woningen te staan. Dit is tegengesteld aan Europese Richtlijnen en er moeten daarom steeds meer trucs in procedures en berekeningswijze aangewend worden. Bij een scenario zonder toename van wind op land kan toepassing gegeven worden aan de Zorgplicht in de (Europese) milieuwetgeving en behoeft niet nog meer persoonlijke levensfeer aangetast te worden. Nu al heeft Nederland de laagste geluidsnormen van Europa zoals ook recentelijk het Ardadis rapport “onderzoek afstandsnormen windturbines” in opdracht van de Tweede Kamer bevestigde. Door dat Nederland in tegenstelling tot andere landen uitgaat van gemiddelde geluidsbelasting per jaar en niet van maxima kunnen de turbines vanaf 300-400 meter van woonwijken geplaatst worden. Gemiddeld over een jaar wordt de grenswaarde immers niet overschreden omdat het vaak ook windstil is.
Bij het tot stand komen van de (verlaagde normen) stelde toenmalig minister van VROM Jacqueline Cramer in 2009 op vragen van de kamer naar strengere normen ‘een grote aanscherping van de al bestaande normstelling in het activiteitenbesluit, vindt ik ongewenst omdat dit negatieve gevolgen heeft voor de plaatsingsmogelijkheden voor wind op land.’ In diezelfde brief beloofde de minister ook met een ruimtelijke planning te komen voor wind op land: “Om voor de langere termijn duidelijkheid te geven over waar grotere windmolenlocaties komen wordt gewerkt aan een ruimtelijke verkenning. Deze zal voor de zomer van 2010 aan de Tweede Kamer worden toegezonden”. Met andere woorden een slechte norm zou samengaan met een goede ruimtelijke ordening. Dat laatste is nooit goed gebeurd en windmolens zijn daardoor lukraak over het land verspreidt. Gezien het feit dat er in tegenstelling tot 2009 nu inmiddels betere en betaalbare alternatieven zijn voor wind op 13 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
land is er geen maatschappelijk noodzaak meer voor een zwakke normstelling en een slechte ruimtelijke ordening. B. Ruimtegebruik en landschap De schaal van een huidige windturbine overtreft elke kerk of eikenboom die nu vaak de maat van het landschap bepalen. Landschapsdeskundigen stellen dan ook dat een windturbine niet is “in te passen” in het landschap, maar altijd gewoon “bovenop het landschap” staat. Wind op land is desondanks niet alleen vanuit de overheid gefaciliteerd in speciale geluidsnormen maar ook door het loslaten van het principe van “goede ruimtelijke ordening”. Het zou ondenkbaar zijn om bij de huidige woningnood lukraak grote (stille en niet bewegende) torenflats uit te spreiden over het land. Voordat nog meer wind op land wordt geplaatst, is het alleen al hierom nodig te bezien of deze verrommeling en forse landschapswijziging met andere scenario’s vermeden kan worden. In het rapport Via Parijs stelt het College van Rijksadviseurs hierover: Bij het opwekken van hernieuwbare energie loont grootschaligheid en concentratie. Dit is kosteneffectief en beperkt op nationale schaal de zichtbare ruimtelijke impact. Een toekomstig duurzaam en hernieuwbaar elektriciteitssysteem valt of staat bij het optimaal benutten van de Noordzee voor productie van elektriciteit.
Wanneer we deze potentie te volle benutten is het mogelijk om de ruimtelijke impact op land beperkt te houden. Vaak wordt gesteld dat een windmolen maar weinig ruimte gebruikt vergeleken met zonnepanelen. Plaatsing bij snelwegen wordt dan vaak genoemd. Dit zou weinig impact hebben. De ruimtelijke impact (geluid, slagschaduw, landschapsverstoring) rijkt echter kilometers ver. In die zin heeft een windmolen op land het grootste ruimtegebruik conform de onderstaande grafiek van Martien Visser.
Nederland heeft, als meest dichtbevolkte land (416 inwoners per km2) van Europa, inmiddels na Duitsland de hoogste dichtheid aan wind op land binnen de EU. Duitsland is minder dichtbevolkt (225 inwoners per km2) en heeft per inwoner en absoluut veel minder
14 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
ruimte op zee. Denemarken (136 inwoners per km2) heeft inmiddels, als land met veel ruimte op zee, net als de UK een moratorium voor wind op land.
Ruimtegebruik wind op zee Op haar websites, in kamerbrieven en in de media noemt de overheid (EZK, NP-RES, Klimaatakkoordpartijen) consistent als reden waarom we nog wind op land hebben, dat er op zee niet genoeg ruimte is omdat er op zee “ook andere opgave zijn”. Dit is niet meer dan een woordvoerderslijn dat op geen enkel onderzoeksrapport gestaafd is. Sterker op de overheidswebsite www.windopzee.nl geeft aan dat er meer dan voldoende ruimte is op de Nederlandse Noordzee voor al onze behoefte. Rond 2030 is het ruimtebeslag van de windparken op de Noordzee (met een gezamenlijk vermogen van circa 21 gigawatt (GW)) in totaal circa 4,5 procent (circa 2.600 vierkante kilometer). Ter vergelijking: natuurgebieden beslaan circa 20 procent van de ruimte op de Noordzee. In de periode na 2030 zal windenergie op zee naar verwachting verder doorgroeien. Een scenario-studie uit 2020 door Berenschot en Kalavasta ten behoeve van de integrale infrastructuurverkenning 2030-2050, gaat ervan uit dat er in 2050 in totaal tussen 38 GW en 72 GW windenergie op zee nodig is. De ruimte die hiervoor nodig is loopt uiteen van 7,5 procent tot 13,4 procent van het Nederlandse deel van de Noordzee.
Als we er van uitgaan dat de ruimte tussen de windturbines bruikbaar is voor andere doeleinden, bedraagt het ruimtebeslag van alleen de turbines en platforms van het net op zee, inclusief veiligheidszones, bij een totaal vermogen van 72 GW ongeveer 0,1 procent van de Nederlandse Noordzee. Bij minder dan 72 GW zal het ruimtebeslag uiteraard kleiner uitvallen.
15 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Ruimtegebruik Noordzee Activiteit Natuur Defensie Telecom Scheepvaart Leidingen Windenergie 2050 Totaal
Oppervlakte wind 2030 21 GW / 95 TWh 20 % 7% 6% 6% 8% 4,5 % 51,5 %
Oppervlakte wind 2050 72 GW / 324 TWH 20 % 7% 6% 6% 8% 13,5 % 60,5 %
Zelfs bij een productie van 324 TWh (3 keer onze hele huidige elektriciteitsverbruik) is nog maar 60,5 % van de Noordzee in gebruik voor verschillende functies. Doordat in de praktijk vaak sprake is van meervoudig ruimtegebruik (bijvoorbeeld leidingen in defensiegebieden), zal het werkelijke ruimtebeslag lager liggen. De visstand als zodanig wordt door de bovengenoemde activiteiten ook niet substantieel aangetast. Het is dan ook vreemd dat de overheid veelvuldig noemt dat er niet genoeg plek op zee is voor een “energievoorziening met draagvlak”. In vergelijking met België en Duitsland heeft Nederland per inwoner ook veel meer zeeoppervlakte. Duitsland ziet dan ook twee keer meer potentie (in percentage) op haar zee dan Nederland, en België zelfs 5 keer. De stelling dat Nederland bijvoorbeeld geen 200 vierkante kilometer op zee (2000 MW, 9 TWh, 0.34% van de zee) zou kunnen vinden om daarmee 725 windmolens van 4MW (2900 MW, 9 TWh) op land te voorkomen is op geen enkele manier hard te maken. Er is vreemd genoeg nooit een doelgericht onderzoek naar gedaan. Noordzee akkoord Binnen het Noordzee akkoord is in principe ruimte gemaakt voor 38 - 51 GW wind op zee.. Dit is in lijn met wat maximaal nodig is voor 2050. MER’s vinden nu plaats voor definitieve aanwijzing van de zoek locatie.
16 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
17 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
C. Economische impact Zowel wind op land als wind op zee hebben een impact op andere sectoren. De overheid noemt veelvuldig als reden voor wind op land, dat er op zee anders teveel impact op de vissers zou zijn. Zelden tot nooit verwijst zij naar de impact voor haar inwoners van wind op land zoals woningwaarde daling, minder ruimte voor woningbouw of de impact op de vrijetijdsector sector door kwaliteitsverlies in het buitengebied. Hoe verhoudt de impact van alleen al de woningwaarde daling zich met het opbrengstverlies voor de vissers? Woningwaarde daling bij windturbines is een indicator voor verminderd woonplezier en welzijn, ook voor huurders. De onderstaande tabel uit het recente TNO rapport “De verwachte impact van windturbines op huizenprijzen in Nederland” laat de impact op woningwaarde daling zien van de huidige wind op land turbines (2020) en de RES plannen tot 2030.
Volgens TNO waren er in 2020 891.000 woningen vlakbij windturbines. Dat is 12 % van alle woningen in Nederland. Indien alle RES plannen doorgaan zullen dat er in 2030 meer dan 1,6 miljoen woningen zijn, maar liefs 22% van alle woningen in Nederland. De woningwaarde daling zal dan 15,5 miljard euro bedragen. 5,57 GW extra wind op land in 2030 ten opzichte van 2020 (zie tabel) levert bij 3.100 vollasturen 17,28 TWh stroom. Dat betekent dat per 1 TWh extra wind op land 774.000 / 17,28 = 44.800 woningen getroffen zullen worden. Dat leidt tot 44.800 woningen maal 9.295 euro is 416 miljoen euro waardeverlies. Bij een gemiddelde bezetting van 2,1 persoon per woning zullen 94.000 mensen per 1 TWh extra wind op land binnen een windturbine overlastzone komen te wonen. Economische impact wind op zee Om 1 TWh met wind op zee te produceren zijn op zee 15 windmolens van 15 MW (4.500 vollasturen) nodig die op een oppervlakte van slechts 20 vierkante kilometer kunnen worden geplaatst. Dat voorkomt tevens een woningwaarde daling van 416 miljoen euro. Een hectare wind op zee levert daarmee alleen al door minder woningwaarde daling 208 duizend 18 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Euro maatschappelijk voordeel op. Drie keer meer dan de kosten van landbouwgrond (70.000 Euro). Het verlies aan visserij inkomsten voor de productie van 49 TWh (Klimaatakkoorddoelstelling) wind op zee stroom is volgens de overheid 1,5 miljoen euro per jaar. Daar staat een stroomopbrengst van 2 miljard euro tegenover (bij 4 cent per KWh ). Het ruimtegebruik in deze berekening is ongeveer 1400 vierkante kilometer (dat is 2,4 % van het Nederlandse zee-oppervlak). Per hectare is het verlies voor de (kotter)visserij dan 11 euro per jaar tegen een energieopbrengst van 14.300 Euro per hectare per jaar. In het kader van het Noordzeeakkoord worden de vissers gecompenseerd met 120 miljoen euro voor het verlies aan inkomsten en voor het ontwikkelen van alternatieve visserijmethode. Dit terwijl inwoners zelden gecompenseerd worden voor hun verlies aan woningwaarde (en leefbaarheid). Ondanks de marginale impact op de visserij van windparken op zee halen de klimaatakkoordpartijen waaronder het NP-RES in hun woordvoerderslijn op hun website en de media het belang van de visserij aan om de noodzaak voor wind op land te verdedigen. Dit heeft als onbedoeld effect dat veel mensen zich daardoor, uit sympathie voor de vissers, ook tegen wind op zee keren en via het principe van cognitieve dissonantie bovendien het klimaatprobleem als zodanig gaan bagatelliseren.
Zonder wind kunnen we, volgens diezelfde overheid, immers niet aan de doelstellingen voldoen, dus wordt de relevantie van het doel ontkent (zie 3.1. voor verdere toelichting). De overheid dient hier dan ook een gemotiveerde belangenafweging te maken waarbij alle maatschappelijke kosten en alternatieven worden meegenomen. Dit heeft zij nooit gedaan ondanks herhaaldelijk verzoek (o.a. de niet uitgevoerde feitenmotie van de voltallige Amsterdamse gemeenteraad, mei 2021). Een soortgelijk verzoek door Windalarm aan de Klimaatakkoordpartijen (brief aan de heer Nijpels) werd afgewezen onder het mom “je komt er toch nooit uit”. D. Natuur Zowel wind op land als wind op zee hebben een impact op de natuur. Voor wind op zee heeft veel meer onderzoek plaatsgevonden dan voor wind op land. De gevolgen zijn redelijk goed in beeld. Op land is met name de specifieke locatie van belang. Steeds meer windmolens zijn voorzien in of bij natuurgebieden volgens een onderzoek (2021) van Investico: Nu al staan ruim 600 draaiende windturbines in of net naast een beschermd natuurgebied. Volgens onze data-inventarisatie, die tot dusver niemand maakte, komen daar nog minstens 308 turbines bij: maar liefst twee van de vijf nieuwe windmolens zal in beschermde natuur worden geplaatst. Zelfs in Natura 2000-gebieden, de hoogste Europese status van natuurbescherming, staan 175 molens gepland.
Omdat er op zee minder andere (verstorende) omgevingsfactoren zijn dan op land en het ecosysteem relatief overzichtelijk is, is de impact ook eenvoudiger te voorspellen, te monitoren en te mitigeren. Ecoloog Jan van der Winden in het artikel van Investico: 19 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
“Alle wind op land projecten bij elkaar kunnen wel eens grote gevolgen hebben,’ zegt Van der Winden. Denk aan het afnemen of zelfs verdwijnen van hele vogelpopulaties uit Nederland. Voor het Noordzeegebied is een integrale studie gedaan naar de opgetelde effecten, zegt hij. ‘Dat zouden we ook voor de rest van het land moeten doen. Je kunt niet oneindig blijven bouwen.’ De komende jaren neemt ook het aantal zonneparken een vlucht. ‘Alleen ontbreekt het in Nederland nog aan onderzoek dat de effecten van hectares vol panelen op vogels nauwkeurig in kaart brengt.’ Eerdere Amerikaanse studies tonen dat vogels zich simpelweg doodvliegen tegen de bouwwerken. ‘Dat onderzoek is hier ook nodig. We weten nog zo weinig.’
Ook zijn er op zee veel minder windturbines nodig zijn dan op land voor dezelfde opbrengst. Vijf 200 meter hoge 4,5 MW (3.100 vollasturen) windturbines op land kunnen op zee vervangen worden door één 15 MW (4650 vollasturen) windturbine. Greenpeace stelt op haar website over de impact van windmolens op zee het volgende: “Vaak wordt beweerd dat het bouwen van windmolens in zee schadelijk zou zijn voor vissen en vogels. In Nederland staan al twee windparken in zee, voor de kust van Egmond. Vanaf de bouw is er uitvoerig onderzoek gedaan naar hoe vissen en vogels reageren op de bouw van de parken en het draaien van de molens daarna. Uit dat onderzoek blijkt eerder een positief dan een negatief effect. Kabeljauw voelt zich thuis tussen de windmolens, andere vissen hebben er geen interesse in. Ze zwemmen er gewoon doorheen. Dat geldt ook voor zeehonden en bruinvissen. Bij de bouw van windmolens moeten er palen in de grond worden geheid wat in theorie schadelijk kan zijn voor bruinvissen die daar gevoelig voor zijn. In de praktijk blijkt echter niet dat bruinvissen hier last van hebben. Voor aanvang van het heien zijn bruinvissen al op grote afstand vanwege de bouwactiviteiten. Trekvogels hebben vrijwel geen last van windparken. Ze vliegen er omheen of overheen. Het komt nauwelijks voor dat vogels worden geraakt door wieken.
Aalscholvers hebben baat bij windparken want voor hen is dit een ideale plek om hun verenpak te drogen.” Zie ook de presentatie van Dr. Han Lindenboom voor de Universiteit van Nederland. Vergelijkend onderzoek De stelling dat wind op land nodig is om de natuur op zee te ontlasten van extra windturbines lijkt ons dan ook niet hard te maken. Per eenheid energie lijkt de natuurimpact op land (veel) groter dan die op zee. Bij recente verhoging van de 2030 doelstelling van 49 TWh naar 95 TWh komt bovendien 1,75 miljard beschikbaar voor flankerende maatregelen voor onder andere natuur en visserij. Bovendien heeft de overheid binnen het Noordzeeakkoord naast ruimte voor 52 GW wind op zee ook toegezegd dat zij de natuur gaat versterken door het aantal natuurgebieden op zee fors uit te breiden en ook binnen de windparken tot versterking van de natuur te komen. Ook voor wat betreft natuurimpact heeft er nooit een (poging tot) een vergelijkend onderzoek plaatsgevonden tussen windturbines op land versus windturbines op zee.
20 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Natuurorganisaties zoals Natuur en Milieu, De Natuur en Milieu Federaties en Natuurmonumenten zouden hiervoor moeten pleiten. Ook zij dragen echter vooralsnog het Klimaatakkoord narratief uit dat “alles nodig is” en zelfs dat we rekening moeten houden met de “belangen van de vissers”, en dat daarom wind op land nog nodig is.
2.2. Kosten wind op land versus wind op zee Uit een door de NVDE geïnitieerd onderzoek uit 2017/18 komt naar voren dat wind op zee en zon op dak veel sneller in prijs gaan dalen dan wind op land.
In feite is de prijsdaling van wind op zee nog sneller gegaan dan in bovenstaande prognose voorzien. De onderstaande tabel uit een onderzoek van de rekenkamer naar kosten wind op zee geeft een prijs van 4,3 cent per KWh voor het park Hollandse Kust Zuid dat in 2018 geveild is en in 2023 operationeel zal zijn. Dat is inclusief de kosten van het net op zee. De kosten voor het net op zee zijn in feite geen productiekosten maar netwerkkosten welke ook van toepassing zijn voor wind op land en die niet zijn meegenomen in de bovenstaande NVDE prognose. Na 2018 hebben verdere kostendalingen plaatsgevonden maar deze zijn niet bekend, omdat deze projecten zonder subsidie gerealiseerd zijn. Ondanks dat de nieuwe parken verder van de kust komen te liggen zullen de aanlandkosten volgens TENNET en TNO (p48) naar ongeveer 1 cent per KWh dalen. Dit komt onder andere door schaalvergroting en een langere periode van afschrijven.
21 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
De kosten van wind op land worden jaarlijks berekend door RVO en PBL en dienen als basis voor de garantieprijs voor de SDE subsidie. Zij zijn sterk afhankelijk van de windsnelheid (= locatie in Nederland).
Zoals uit deze tabel blijkt zijn alleen in gebieden waar het harder waait dan 8 m/s de kosten (2022) voor wind op land concurrerend met die van wind op zee (2018), waarbij de kosten van het netwerk op zee volledig zijn meegenomen. Dat is alleen op de Waddeneilanden, de kop van Noord Holland en aan de kust in Friesland en Groningen. Hier kan inmiddels nauwelijks nog wind bij vanwege netwerkcongestie.
22 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
De vaak gedane bewering (o.a. in brieven aan de Tweede Kamer) door het Ministerie van EZK dat wind op land de goedkoopste vorm van duurzame energie is klopt, maar is alleen van toepassing op een zeer klein deel van Nederland. In alle andere gebieden is het (veel) duurder dan op zee en kan dus niet als argument gebruikt worden om juist daar door te zetten met wind op land. Op de overheidswebsite www.windopzee.nl (Ministerie van Verkeer en Waterstaat) staat hier dan ook het volgende.
23 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
2.3. Klimaateffectiviteit wind op land versus wind op zee Tot vóór 2018 was wind op land de enige betaalbare optie in Nederland om aan de klimaatdoelstellingen te voldoen. Het narratief “we redden het niet zonder wind op land” is daaruit te verklaren. Sinds 2018 is wind op zee echter de goedkoopste optie (met uitzondering van wind op land direct aan de kust). Daarmee wordt het relevant de beide opties met elkaar te vergelijken aangaande hun bijdrage aan de CO2 reductie en inpassing binnen een toekomstig duurzaam energiesysteem. We kunnen nu immers kiezen, waarbij de ruimte voor wind op zee vele malen groter is dan die op land. Op zee waait het harder, vaker en meer constant Doordat wind op zee veel hogere vollasturen heeft (het waait er vaker en harder) is minder vaak regelbaar vermogen nodig dan bij wind op land zoals het onderstaande staatje van KIVI uit het rapport CO2 neutrale energievoorziening in 2050 laat zien (juli 2022).
Regelbaar vermogen wordt vooralsnog met fossiel (kolen en gas) opgewekt op momenten dat wind en zon niet aan de vraag kunnen voldoen. In de toekomst kan de onbalans opgevangen worden met batterijen (korte termijn onbalans) en waterstof (lange termijn onbalans) of andere vormen van congestie management maar dat is per definitie (veel) duurder dan direct gebruikt. Onderstaande productiecijfers uit een tweet van energiedeskundige Martien Visser laten bovendien heel scherp zien dat wind op land direct concurreert met zon op land. Het waait op land overdag het hardst (als de zon ook schijnt). Wind op zee geeft een veel gelijkmatiger beeld waardoor minder overschotten en tekorten ontstaan (blauwe en rode lijn).
24 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Bovenstaande wordt tevens bevestigd in het CE Delft rapport “Elektrificatie en vraagprofiel – Rapport experttraject TenneT E-Top” dat een belangrijk onderliggend rapport was voor de Werkgroep Extra Opgave. Hierin stelt CE Delft het volgende (citaat): 25 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
• • • •
Wind op zee heeft veel meer vollasturen (het waait vaak nog op zee terwijl het op land windstil is). Wind op land waait vaker op momenten dat zon-pv ook al elektriciteit opwekt. Productie van wind op zee is daarom ten alle tijden gunstiger dan productie wind op land. Dit betekent dat een mix van zon-pv en wind op zee optimaal is.
Kortom hoe minder wind op land, hoe beter. Doorgaan met wind op land is alsof je zonnepanelen op de noordkant van je dak legt, terwijl je de zuidkant onbenut laat. Dan moet je dus vaker een beroep doen op de fossiele stroom uit het net of in de toekomst dure opslag. Onbalans De onderstaande grafiek en tweet van NVDE directeur Olof van der Gaag geeft de onbalans in 2022 al helder weer.
Optimale aanbod match met zon en wind In de onderstaande tabel berekent CE Delft verschillende combinaties van zon, wind op land en wind op zee op basis van een elektriciteitsbehoefte van 173 TWh (2030). Een vergelijking vindt plaats met het “Klimaatakkoord” basis scenario dat uitgaat van 6 GW wind op land. We 26 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
vergelijken het onderstaande klimaatakkoord plus scenario (dat in lijn is met de voorstellen van de Werkgroep Extra Opgave dat meer wind op land voorziet bovenop de bestaande 35 TWh RES doelstelling) met een moratorium wind op land scenario. De optimale combinatie van wind-op-land, wind-op-zee en zon blijkt er een met een moratorium voor wind op land. Dus geen verdere groei bovenop de afspraak voor de minimale doelstelling uit het energieen klimaatakkoord (6 GW).
In het moratorium wind op land scenario wordt de 2,6 GW voorziene groei van wind-opland en 1 GW van de voorziene groei van zon op land uit het klimaatakkoord plus scenario vervangen door 1,8 GW extra groei van wind op zee. Daarmee is er per jaar 1 TWh minder tekort en 1 TWh minder overschot dan in het Klimaatakkoord plus scenario. In de volgende tabel staan de relevante scenario’s en gegevens uit de bovenstaande CE Delft tabel naast elkaar. Klimaatakkoord Wind op land Wind op zee Zon
6 10,8 26,9
Totale vraag Hernieuwbare energie Overschot Tekort
147,4 88,6 4,2 63,0
KlimaatMoratorium akkoord Plus wind op land Capaciteit in GW 8,6 6 16,2 18 35 34 Productie in TWh 172,7 172,7 126,9 126,9 11,5 57,2
10,5 56,2
Moratorium versus klimaatakkoord Plus Capaciteit TWh -2,6 -8 +1,8 +8 -1 -1 Onbalans
-1 -1
27 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
De 2,6 GW extra wind op land in het Klimaatakkoord Plus scenario staat bij 3100 vollasturen voor een productie van 8 TWh. Daarbij ontstaat een extra tekort ten opzichte Moratorium scenario van 1 TWh (= 12,5 %). Deze moet vooralsnog worden opgewekt door bijstook met aardgas, kolen of biomassa. Voor 1 TWh stroomproductie met aardgas is 168 miljoen m3 gas nodig welke tot een extra CO2 uitstoot leidt van 317.000 ton per jaar (0,317 kg CO2/KWh, CE Delft, p15). Bij een CO2 prijs van 100 Euro vertegenwoordigd dit extra jaarlijkse maatschappelijke kosten van 31,7 miljoen Euro. Hierbij gaan we er van uit dat er geen kolen meer gebruikt worden om het tekort op te vangen. Dat is tot 2030 nog niet het geval en dus komen we tot die tijd feitelijk nog veel hoger uit. Ook nemen de methaan uitstoot bij winning van gas niet mee. Naast extra CO2 uitstoot komt nog het feit dat elektriciteit uit aardgas naar schatting meer dan twee maal duurder (9 cent per KWh) is dan stroom uit zeewind (4,3 cent per KWh). Dat leidt per 8 TWh extra bijstook tot 360 miljoen extra kosten per jaar op basis van de 2021 gasprijzen. Ook is bij het moratorium wind op land 1 TWh minder zon nodig. Bij een kostprijs van 5 cent per kWh staat dit voor 50 miljoen Euro per jaar. De hoeveelheid wind productie is in beide scenario’s gelijk (8 TWh).
We gaan voor de berekening uit van geen kostenverschil terwijl in feite wind op zee gemiddeld goedkoper produceert en ook meer opbrengt per kWh. Impact extra wind op land versus wind op zee
Tekort Gas bijstook CO2 uitstoot Kosten CO2 uitstoot Kosten gas bijstook Productie kosten extra zon
Per 8 TWh wind op land / 1 TWh zon 1 TWh 168 miljoen m3 317.000 ton € 31,7 miljoen € 360 miljoen € 50 miljoen
Per 1 TWH wind op land / 0,125 TWh zon 0,125 TWh 21 miljoen m3 39.625 ton € 4 miljoen € 47 miljoen € 6,25 miljoen
Lagere opbrengst wind op land Overschotten (ook 0,125 TWh extra per 1 TWh wind op land) leiden op hun beurt weer tot een lagere stroomprijs die de businesscase voor wind en zon ondermijnen. Dit raakt wind op land harder omdat wind op land juist produceert als wind op zee en zon op land ook hun piek hebben. Onderstaand het verschil opbrengst (marktwaarde) in de eerste helft van 2022 (tweet Martien Visser).
28 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Indien we dit terugrekenen per KWh bij een “normale” elektriciteitsprijs voor de baseload van 5 cent per KWh dan komen we op een opbrengst van 4,10 cent per KWh voor wind op land en 4,45 cent per KWh voor wind op zee. Overschotten Daarnaast leidt onbalans tot aanzienlijke extra kosten voor Tennet onder andere omdat zij de eigenaren van windmolens en zonnevelden moet compenseren voor de stroom die ze niet aan het net kunnen leveren in tijden van overschotten. Deze kosten worden weer aan de consument doorberekend als netwerkkosten. In de woorden van energie deskundige Martien Visser: “In 2021 betaalde TenneT 340 miljoen euro aan elektriciteitsproducenten in Nederland om hen te verleiden minder te produceren of juist meer. In 2020 was dat nog 80 miljoen euro. TenneT betaalt dergelijke vergoedingen bij dreigende filevorming op haar net. De vergoeding stelt producenten volledig schadeloos voor het ondervonden ongemak.” “Congestie in het elektriciteitsnet wordt voor een belangrijk deel gestuurd door overheidsbeleid. Uiteindelijk betalen de burgers dus de 340 miljoen euro uit 2021. Inclusief BTW komt dat neer op gemiddeld 50 euro per huishouden.”
Bovenstaande kan voorkomen worden door (beter) sturend overheidsbeleid. Maar de overheid heeft nauwelijks een poging gedaan om door middel van energieplanologie een maatschappelijk optimaal systeem te ontwerpen. De Regionale Energiestrategieën hebben met name tot doel dat de zogenaamde “lasten”, “eerlijk” over Nederland worden uitgespreid. De RES kijkt niet of er een systeem kan komen zonder de lasten, of dat “eerlijk” ook kan inhouden dat de kosten voor de burger zo laag mogelijk blijven. De inwoners zijn twee keer de dupe: hun leefomgeving wordt onnodig aangetast en ze betalen extra netwerk- en stroomkosten voor een suboptimaal systeem. Subsidiekosten wind op land hoger dan zon op land De opwekkosten per eenheid elektriciteit zijn voor wind op land vooralsnog goedkoper dan die van zon. Toch wordt binnen de SDE subsidiesystematiek (pag 261) wind op land als minder effectief gezien als middel tot het reduceren van CO2. Zon op weiland is op haar beurt weer minder effectief dan zon op dak. Dat heeft te maken met de algehele systeem 29 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
impact van de technieken en de daarbij gerelateerde overheidskosten. Zon op dak leidt bijvoorbeeld gemiddeld genomen tot 50 % eigen gebruik. Dat bespaart subsidie en transport / netwerkkosten. Alleen op de Waddeneilanden (windsnelheid > 8,5 m/s) kan wind op land de subsidie-intensiteit van zon op dak enigszins evenaren. In andere delen van Nederland is zon op dak 2-5 keer effectiever dan windturbines per geïnvesteerde overheidseuro. SDE subsidie rangschikking (2022) Subsidie-intensiteit Categorie [€/tCO2] Fotovoltaïsche zonnepanelen, ≥15 kWp en <1 MWp, gebouwgebonden
46
Wind op land, ≥ 8,5 m/s
69
Wind op land, ≥ 7,5 en < 8 m/s
112
Fotovoltaïsche zonnepanelen, ≥ 1 MWp, grondgebonden
157
Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s
173
Wind op land, < 6,75 m/s
214
Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s (Amsterdam)
232
Conclusie Het CE Delft rapport diende als input voor de Werkgroep Extra Opgave en haar relevantie had moeten worden meegenomen door de Werkgroep om niet alleen een “business as usual” scenario te ontwikkelen maar ook een minimaal-CO2–uitstoot scenario. Het doel van het klimaatakkoord is immers om de CO2 uitstoot maximaal terug te dringen tegen de laagst mogelijke (maatschappelijke) kosten. Dit door CE Delft aangedragen perspectief wordt in het rapport van de Werkgroep Extra Opgave geheel buiten beschouwing gelaten. Nader onderzoek is nodig om alle systeem effecten van extra wind op land versus wind op zee te berekenen ten bate van een integrale maatschappelijke afweging. Dat is nooit systematisch gedaan. De heldere conclusies en aanbevelingen van onafhankelijke partijen (CE Delft, KIVI) worden genegeerd omdat ze niet binnen het narratief passen. Door het op zee realiseren van de door de Werkgroep Extra Opgave voorgestelde extra opgave wind op land is er minder vaak regelbaar (fossiel) vermogen nodig. Daardoor kan naar schatting 39.625 ton CO2 uitstoot per jaar per 1 TWh productie voorkomen worden.
30 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
2.4. Overzicht wind-op-land versus wind op zee De onderstaande tabel geeft een vergelijkend overzicht van de kosten en baten van wind op land versus wind op zee op basis van de door ons verzamelde informatie. Het is opmerkelijk dat de overheid in het kader van een maatschappelijke afweging nooit opdracht gegeven heeft voor een zogenaamde Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) waarin de ze de twee keuzes naast elkaar legt voor een transparante maatschappelijke afweging. Let op dat het “Alles uit de kast” scenario naar schatting 4 TWh extra wind op land omvat, en in de navolgende tabel de verschillen per 1 TWh worden weergegeven.
Turbines Hoogte turbines Vollasturen Megawatt Megawatt per turbine
Wind op land 1 TWh/jaar
Wind op zee 1 TWh/jaar
150-230 3.100 322 4
240 4.500 222 15
Toelichting
TWh jaar /vollasturen = MW 4 MW op land (gemiddelde) 15 MW op zee (2022 tender)
Aantal turbines Klimaat impact Extra gas bijstook per jaar
81
15
21 miljoen m3
0
Extra CO2 uitstoot per jaar
40.000 ton
0
44.800 € 408 miljoen 0
0 0 € 31.000
0
€ 11
Per jaar
€ 40 miljoen
0
Extra ten opzichte van wind op zee
€ 47 miljoen
0
Bij productie kosten van 9 cent per KWh (2021) voor gas stroom. Toekomst: kosten omzetting en bufferkosten waterstof of batterijen.
94.000 2.133 Km2
0 220 km2
Gemiddeld RES plannen (2,5 km) Land: 79 km2 (5 km zichtlijn) per groep van 3 turbines (RES hagelslagbeleid) Zee: 10 MW per km2 (geen landschapsverstoring buiten lokaties zelf, staan ook in grote concentraties)
Economische impact Huizen in overlast zone Woning waarde daling Opbrengstderving visserij per 1 TWh Opbrengstderving visserij per hectare Kosten extra CO2 uitstoot per jaar Extra opwek kosten gas bijstook
Omgevingsimpact Inwoners in overlast zone (Landschap) impact zone
Extra ten opzichte van wind op zee door lagere vollasturen Op basis van bijstook met gas. Bij kolen hoger. Straal 2,5 km, TNO 2022 Per jaar
31 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
Natuur impact
Meer
Productiekosten elektriciteit Kust bij Groningen, € 41,0 miljoen Friesland en de kop van Noord Holland.
Minder
Impact op land lijkt veel groter dan op zee.
€ 43 miljoen
Wind op land: SDE 2022 (8,0 – 8,5m/s), 4,1 cent /kWh; Wind op zee: 4,3 cent per kWh (incl. netwerk). Rekenkamer 2018 SDE 2022 (< 6,75 m/s), 5,54 cent /kWh SDE 2022 hoogte beperking (7,0 – 7,5 m/s), 5,74 cent /kWh;
Binnenland (Amersfoort) € 55,4 miljoen Hoogtebeperking € 57,4 miljoen (Amsterdam) Opbrengst (marktwaarde) elektriciteit Opbrengst per 1 KWh € 0,041 (januari t/m juli 2022)
€ 43 miljoen € 43 miljoen
Opbrengst per 1 TWh
€ 44,5 miljoen
€ 41 miljoen
€ 0,0445
Bij “normale” opbrengst (marktprijs) regelbaar vermogen van € 0,05 per KWh. Wind op land draagt vaker tot overschotten (de prijs daalt dan tot nul), dit drukt de gemiddelde opbrengst (marktwaarde). Idem
32 Het kan met gemak – wind op zee en zon op dak
3. De maatschappelijke voorkeursoptie 3.1 Voorkeursoptie inwoners Het volgende uitgebreide citaat is de hoofdconclusie van de Klimaatraadpleging van de TU Delft (2021), welke in opdracht van het Ministerie van EZK heeft plaatsgevonden. Brede steun voor ambitieus klimaatbeleid als aan vier voorwaarden is voldaan De Klimaatraadpleging van de TU Delft onder een representatieve groep van 10.000 Nederlanders laat zien dat ongeveer 25% van de Nederlanders een zeer uitgesproken mening heeft over klimaatbeleid. Dit zijn de sterke tegenstanders die extra klimaatbeleid afzweren en de sterke voorstanders die vinden dat klimaatbeleid niet ambitieus genoeg kan zijn. Vier voorwaarden zijn erg belangrijk om ervoor te zorgen dat de brede middengroep van ongeveer 75% van de Nederlanders ambitieuzer klimaatbeleid steunt.