CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Ruimtelijke onderbouwing Broerswetering 6-8_26-11-2024

Gemeenteraad 30 januari 2025, gemeente BunschotenBij agendapunt: RV 1219362 Aanvraag verklaring van geen bedenkingen Broerswetering 6-8 (vml. Rabo Lidl)13.596 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.5.2. Onderzoek Onderhavig initiatief betreft een wijziging naar detailhandel en wonen op een locatie die in gebruik is als kantoor. Ten aanzien van het initiatief zullen er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. De planologisch geldende functie van het pand betreft een milieugevoelige functie, aangezien meerdere personen voor langere tijd in het pand aanwezig kunnen zijn. Op het plangebied is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 9 bij deze toelichting bijgevoegd. Tijdens het onderzoek zijn er bodemverontreinigingen met lood, zink en PAK aangetroffen. Verder is ter plaatste van één specifieke boring (boring 4 in verkennend bodemonderzoek bijlage 9) een bijmenging van metselpuin en hout aangetroffen, waardoor deze locatie als asbestverdacht is aangemerkt. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt een belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling en de mogelijke aanvraag van een omgevingsvergunning. Hierbij wordt opgemerkt dat deze belemmering uitsluitend van toepassing is ter plaatse van de steeg tussen beide panden. In de andere boringen zijn zowel zintuiglijk als analytisch geen bevindingen naar voren gekomen om bodemverontreiniging te verwachten. Op de specifieke locatie (boring 4 in verkennend bodemonderzoek bijlage 9) is nader onderzoek nodig naar de aard, mate, omvang en oorzaken van verhoogde gehalten.

Recentelijk is een nieuw verkennend- en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 10 toegevoegd. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de Lidl afdoende vastgelegd en bestaan er, met uitzondering van de aangetoonde bodemverontreiniging aan de oostzijde van het pand, geen bezwaren voor de voorgenomen sloop, nieuwbouw en de aanleg van een parkeergarage.

31

De aangetoonde bodemverontreiniging aan de oostzijde van het pand dient voorafgaand aan de nieuwbouw te worden gesaneerd. De sanering van de verontreiniging dient voor aanvang gemeld te zijn bij het bevoegd gezag. De verontreinigingen met gehalten > I waarde dient minimaal 4 weken voor aanvang, via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), een plan van aanpak te worden ingediend bij het bevoegd gezag, de Gemeente Bunschoten-Spakenburg. Na de sloop van de supermarkt en sanering van de bodemverontreiniging zal middels een insitu AP04 partijkeuring, de definitieve afzetmogelijkheden van het vrijkomende zand, klei en veen te bepaalt worden. Op basis van de conclusies uit het verkennend bodemonderzoek zijn er voor de Broerswetering 6 en 8 afzonderlijke asbestinventarisaties gedaan. De rapporten zijn respectievelijk als bijlage 11 en 12 toegevoegd. Uit de inventarisaties is naar voren gekomen dat in het pand aan de Broerswetering 6 asbesthoudende materialen aanwezig zijn, maar er zijn aanwijzingen gevonden voor asbesthoudende materialen in verborgen gebouwdelen. Er is daarom geen aanvullend onderzoek nodig voor de Broerswetering 6. Bij de asbestinventarisatie van de Broerswetering 8 is er niet direct asbest waargenomen. Echter is de inspectie beperkt doordat er plekken niet goed bereikbaar waren.

Als werkzaamheden uitgevoerd worden ter plaatse van deze beperkingen, dan is een aanvullende asbestinventarisatie nodig. De aanwezige asbesthoudende materialen zullen tevens, aan de hand van de asbestinventarisatierapporten, verwijderd worden. Naar aanleiding van de conclusies van het verkennende bodemonderzoek en de asbestinventarisaties is er voor de Broerswetering 6 een aanvullend bodemonderzoek en indicatief asbest in grondonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 13 bijgevoegd. Uit het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden.

Aanvullend bodemonderzoek Broerswetering 6 Geconcludeerd wordt dat in de steeg tot maximaal 3,0 m-mv bodemvreemde materialen worden aangetroffen. Tot deze diepte worden matig tot sterk verhoogde gehalten zware metalen en PAK aangetoond. De verontreiniging is hiermee in verticale richting afgeperkt. De verontreiniging is in horizontale richting nog niet in voldoende mate afgeperkt. Eveneens wordt geconcludeerd dat onder het pand ook sprake is van bodemvreemde materialen in de kleilaag. Ook hier is een sterk verhoogd gehalte lood aangetoond. In de grond (veen en klei) zonder bijmengingen zijn geen of slechts licht verhoogde gehalten aangetoond.

Asbest in grondonderzoek Broerswetering 6 Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ voor het asbest in grondonderzoek stand houdt. In het mengmonster (MM-A) van de boringen 101 tot en met 105 is asbest aangetoond. Het gehalte overschrijdt de grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek (50 mg/kg d.s.). Naar aanleiding van de aangetroffen analyseresultaten is een nader onderzoek noodzakelijk naar zowel de omvang van de bodemverontreiniging met zware metalen en PAK als het gehalte asbest in de bodem. Dit wordt gecombineerd met het in beeld brengen van de slootdemping/afvalhoudende laag en beide onderzoeken worden uitgevoerd na sloop van de panden en het omleggen van de NUTSvoorzieningen.

32

Ruimtelijke onderbouwing -

Naar aanleiding van de conclusies van het verkennende bodemonderzoek en de asbestinventarisaties is er voor de Broerswetering 8 een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 10 opgenomen. Op basis van onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: •

Ter plaatse van de supermarkt (Broerswetering 8) is de milieukundige toestand van de bodem voldoende vastgesteld.

•

Er is momenteel geen noodzaak voor nader bodemonderzoek.

•

Maximaal is in de grond klasse industrie aangetroffen.

•

Nadat de bebouwing is verwijderd dient een insitu bodemonderzoek te worden uitgevoerd om de afvoermogelijkheden van de te ontgraven grond vast te kunnen stellen.

Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt geen redelijk vermoeden van ernstige bodemverontreiniging conform artikel 6.2c Wabo op het perceel. Vanwege de ontgraving ten behoeve van de parkeerkelder dienen aanwezige verontreinigingspots ontgraven te worden conform het saneringsregime uit de Omgevingswet.

4.5.3. Conclusie Rekening houdend met vervolgstappen tijdens de uitvoering, geeft het aspect bodem geen belemmering voor de betreffende planontwikkeling. Er zullen geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige perceel.

4.6.

Geluidhinder

4.6.1. Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km /h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.

Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd.

33

4.6.2. Onderzoek De locatie is niet gelegen binnen de geluidzone van wegverkeer of van een industrieterrein. Wel liggen nabij de nieuwe woningen enkele 30 km/uur-wegen. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen, is er onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting. Het onderzoeksrapport is in bijlage 14 bijgevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen vanwege het verkeer op: •

bijna alle 30 km/uur-wegen, lager zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen;

•

de Broerswetering en de De Savornin Lohmanstraat hoger zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, maar lager dan de maximale ontheffing, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen.

Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de 30 kmwegen aanvaardbaar is. Omdat 30 km/uur-wegen volgens de Wet geluidhinder niet gezoneerd zijn, kan (en hoeft) voor de geluidbelasting van de Broerswetering en de De Savornin Lohmanstraat geen hogere waarde te worden verleend. Gezien de hoogte van de geluidbelastingen vanwege de Broerswetering en de De Savornin Lohmanstraat, is het vanuit het gemeentelijk geluidbeleid noodzakelijk om ook voor 30 km/uur wegen te toetsen aan de wettelijke eisen voor het binnenniveau, te weten 33 dB. Om de geluidwering van de gevels te beschouwen moet worden uitgaan van de totale gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle relevante wegen. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 59 dB.

Geluidemissie supermarkt Bovenop het onderzoek in bijlage 14 is er een onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie van de uitgebreide supermarkt in de gewenste situatie. Het onderzoeksrapport van dit onderzoek is als bijlage 15 toegevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat er niet aan alle richtwaarden wordt voldaan. Het blijkt niet mogelijk en/of wenselijk om in deze situatie maatregelen te treffen om de geluidemissie vanwege het laden en lossen van de vrachtwagens en de indirecte hinder vanwege de af- en aanrijdende personenwagens te reduceren. In de omgevingsvisie van de gemeente Bunschoten opgenomen bij het ontwikkelen van locaties de gemeente duurzame keuzes wil maken en integraal wil werken. Dat betekent dat niet alles kan. In zijn algemeen is het uitgangspunt van de gemeente dat de milieukwaliteit op en als gevolg van een ontwikkeling niet mag verslechteren, behoudens tijdelijke uitzonderingen. Hierbij wordt opgemerkt dat bij de nieuwe woningen in de nieuwe en bestaande situatie sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. In de huidige situatie is een bestaande supermarkt en bank aanwezig. In de nieuwe situatie gaat het om een uitbreiding van de bestaande supermarkt, waarmee de bank komt te vervallen. In deze situatie gaat om een uitbreiding van de bestaande supermarkt. De twee panden van de huidige supermarkt en de huidige bank worden samengevoegd.

De activiteiten (o.a. laden/lossen) voor de bedrijfsvoering van de supermarkt zijn op een drukke maatgevende dag

34

Ruimtelijke onderbouwing -

(inclusief koopavond) gelijk aan die in de huidige situatie. Voor de uitbreiding van de supermarkt neemt het aantal parkeerplaatsen slechts zeer beperkt toe in de nieuwe situatie (zie ook paragraaf 4.3 en bijlage 7). Met andere woorden, door de uitbreiding van de bestaande supermarkt zal het woon- en leefklimaat bij de bestaande woningen niet significant veranderen ten opzichte van de huidige situatie. Dit is in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Bunschoten dat de milieukwaliteit als gevolg van de ontwikkeling niet mag verslechteren. Om de supermarkt te kunnen realiseren wordt de gemeente Bunschoten-Spakenburg verzocht om de volgende maatwerkvoorschriften op te stellen: • 54 dB(A) in de dagperiode vanwege de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus; • 56 dB(A) etmaalwaarde van de indirecte hinder vanwege het verkeer op de De Savornin Lohmanstraat.

4.6.3. Beoordeling gemeente akoestisch onderzoek Uit het akoestisch onderzoek van SPA WNP (d.d. 15 mei 2024) blijkt dat er nu alsnog een overschrijding van de grenswaarde van het activiteitenbesluit/omgevingsplan in de dagperiode is berekend op de bestaande woning. Dit is in Tabel 2, ontvangerpunt 20.15, de berekende waarde is hier 53dB(A). Dit punt hoort bij de bovenwoning met adres Bovenwetering 4 waarvoor we al eerder hadden geconstateerd dat de milieukwaliteit hier verslechterd. De overschrijding wordt veroorzaakt door de koelinstallatie van de vrachtwagens tijdens het laden en lossen. Dit was één van de aanpassingen aan het onderzoek nadat Lidl had aangegeven dat het niet altijd mogelijk zou zijn om de koelinstallatie tijdens het laden en lossen uit te schakelen. In paragraaf 6.3 wordt beargumenteerd dat een geluidscherm vanuit stedenbouwkundig, architectonisch, financieel en technisch oogpunt niet mogelijk is. In het rapport wordt er wel van uitgegaan dat de laad- en losactiviteiten niet voor 07.00 ’s ochtends plaatsvinden. In dat geval vinden de activitieiten niet in de nachtperiode plaats, dus in dat geval is slaapverstoring niet te verwachten.

Op basis hiervan, en dat er geen overschrijding van de richtwaarde van Stap 3 uit de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” kan een goed akoestisch woon- en leefklimaat worden gecreëerd aan de hand van het onderliggende maatwerkvoorschrift. De gemeente zal daarom als maatwerkvoorschrift geluid opnemen: (Concept)besluit 1. In afwijking van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer / artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Bunschoten mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door laad- en losactiviteiten ten behoeve van de inrichting, alsmede door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen verrichte werkzaamheden en activiteiten op de gevels van de volgende woningen niet meer bedragen dan: -

Woning met adres Broerswetering 4: 53dB(A) in de dagperiode (07:00 – 19:00)

-

Nieuwbouwwoningen gelegen boven de supermarkt: 54dB(A) in de dagperiode (07:00 – 19:00)

35

2. In afwijking van artikel 3 van de Circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting” mag de etmaalwaarde veroorzaakt door verkeersbewegingen die direct verband houden met de inrichting op de gevels van bestaand woningen aan de Broerswetering en de De Savornin Lohmanstraat niet meer bedragen dan 56dB(A). 3. De laad- en losactiviteiten vinden niet plaats in de avond- en nachtperiode tussen 19:00 en 07:00 4. De eigenaar van de inrichting instrueert de vrachtwagenchauffeurs dat er ter plaatse van de laad- en loslocatie rustig gereden (aangepaste snelheid met beperkt toerental). Er wordt een gedisciplineerde omgang gevraagd (rustig optrekken en afremmen, niet claxonneren) tijdens het laden en lossen. De motoren en koelinstallaties van de vrachtwagens zijn tijdens het laden en lossen alleen in werking als dit voor het laden en lossen noodzakelijk is. 5. De medewerkers van de supermarkt worden geïnstrueerd om rustig te laden en te lossen. Er wordt gebruik gemaakt van een elektrische palletwagen om de goederen uit de vrachtwagen en in de het magazijn neer te zetten. De uitblaas van de WTW-luchtbehandeling op het dak wordt voorzien van een geluiddemper met een geluidreducitie van minimaal 15dB(A)

4.6.4. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. Het woon- en leefklimaat bij de bestaande woningen zal niet significant veranderen ten opzichte van de huidige situatie. Dit is in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Bunschoten. Om de uitbreiding van de supermarkt te kunnen realiseren, zal de gemeente voor de geluidemissie van de uitgebreide supermarkt maatwerkvoorschriften moeten opstellen. De geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen zal ten gevolge van het wegverkeer op de 30 km-wegen aanvaardbaar zijn. Gezien de hoogte van de geluidbelastingen is het vanuit het gemeentelijk geluidbeleid noodzakelijk om ook voor 30 km/uur wegen te toetsen aan de wettelijke eisen voor het binnenniveau, te weten 33 dB. Bij de bepaling van de geluidwering van de gevels moet uitgegaan worden van de totale gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle relevante wegen. Ook ten gevolge van het geluid van de supermarkt, is het mogelijk om een goed woon- en leefklimaat te realiseren. Zo beschikken alle nieuwe woningen over een eigen privé buitenruime en kunnen de bewoners gebruik maken van de gezamenlijke geluidluwe buitenruimte. Ook zijn de slaapkamers van de nieuwe woningen nabij de laad- losvoorziening gesitueerd aan de geluidluwe achterzijde.

De uitblaas van de WTW-luchtbehandeling op het dak wordt tevens voorzien van een geluiddemper met een geluidproductie van minimaal 15dB(A). Bij de bestaande woning aan de Broerswetering 4 zal het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau aan de voorzijde toenemen tot maximaal 52 dB(A). Dit vanwege de nieuwe laad- en losvoorziening. Deze woning heeft geen buitenruimte aan de zijde van de laad- en losvoorziening. De achterzijde van de bestaande woning is geluidluw. Normaliter wordt met standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, normale ventilatie voorzieningen die voldoet aan een geluideis van Rq;a ≥ 0 dB) voldaan aan de

36

Ruimtelijke onderbouwing -

minimale geluidwering van de gevels van 20 dB(A), waardoor er binnen de bestaande woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.

4.7.

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1. Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied’.

De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de Broerswetering 6-8 met de afwisseling van functies (zoals wonen, detailhandel, kantoor), worden gekarakteriseerd als gemengd gebied. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstand tot omgevingstype en rustig buitengebied gemengd gebied 1

10 m

0m

2

30 m

10 m

37

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

4.7.2. Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als gemengd, gelet op de functiemenging van wonen, bedrijven en andere centrumfuncties. Woonappartementen worden in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. In de directe nabijheid liggen milieubelastende bestemmingen:

Detailhandel op de begane grond Direct onder de appartementen van de eerste en tweede verdieping wordt een uitgebreide supermarkt gerealiseerd. De supermarkt heeft milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Er wordt aan de richtafstand voldaan.

Bedrijfsbestemmingen ten oosten van het plangebied Aan de oostzijde van het plangebied bevinden zich een slager, opticien, kledingwinkel, schoenenzaak en horecagelegenheden. Deze functies hebben allen milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 met in gemengd gebied. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Andersom wordt er een potentieel overlast gevende functie uitgebreid, namelijk de supermarkt. Zoals eerder gezien heeft de supermarkt milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. De milieugevoelige functies in de buurt liggen op voldoende afstand.

4.7.3. Conclusie Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt uitbreiding van de supermarkt niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

38

Ruimtelijke onderbouwing -

4.8.

Externe veiligheid

4.8.1. Wettelijk kader Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen;

•

vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

•

vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.

Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een

39

brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan

40

Ruimtelijke onderbouwing -

redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

4.8.2. Beoordeling Een woning betreft een kwetsbaar object, zodat de herbouw getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: Atlasleefomgeving))

Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour.

Inrichtingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving.

4.8.3. Conclusie

41

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor onderhavig initiatief aan de Broerswetering 6-8 in Bunschoten-Spakenburg.

4.9. Kabels en leidingen Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan ‘Spakenburg-Centrum’’ is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Bij eventuele graafwerkzaamheden zal een klic-melding uitgevoerd worden aangezien er wel overige nutsvoorzieningen zich binnen het plangebied bevinden.

4.10.

Water

4.10.1. Inleiding Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder.

4.10.2. Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.

Europa

42

Ruimtelijke onderbouwing -

Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt.

Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

4.10.3. Beoordeling Tijdens planvormingsfase is er digitaal advies gevraagd bij het waterschap Vallei & Veluwe. Van hieruit is er overleg geweest tussen de initiatiefnemer en het waterschap. Naast een aantal algemene adviezen geeft het waterschap aan dat ‘waterkeringen’ en ‘grondwaterhydrologie’ van specifiek belang zijn voor voorliggend initiatief:

Waterkering beschermingszone B: De ontwikkeling is voor een deel gesitueerd in een beschermingszone B van de waterkering van Bunschoten. De ontwikkeling zoals hij nu voorligt heeft geen invloed op de stabiliteit van de waterkering.

Grondwaterneutraal: Het waterschap ziet risico’s als het gaat om de aanleg van de stallingsgarage onder het grondwaterniveau. Relevant is de beleidsregel van het waterschap, 7.1.1 Duurzaam en doelmatig gebruik grondwater. Permanente onttrekkingen van het grondwater voor het drooghouden van gebouwen is niet toegestaan. Waterdicht bouwen heeft de voorkeur. Hierbij is het relevant dat het object bij voorkeur niet in een lokale grondwaterstroming geplaatst wordt, vanwege mogelijke negatieve effecten op de omgeving, die als gevolg van een volledige of gedeeltelijke blokkade door het bouwwerk kunnen optreden. Om de te verwachte effecten en risico’s van de ondergrondse

43

stallingsgarage te onderzoeken is er een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is in bijlage 16 toegevoegd. Na de realisatie van de stallingsgarage in de ondergrond vormt deze een, in principe, extra obstakel voor de afstroming van het grondwater. Vanwege de ontwateringsdiepte wordt verwacht dat de voorgenomen uitbreiding geen negatieve invloed heeft op eventuele grondwateroverlast. De berekende verandering van grondwaterstanden is relatief beperkt.

Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen onderhavig initiatief.

4.11.

Duurzaamheid

4.11.1. Duurzame leefomgeving Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.

4.11.2. Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

4.11.3. Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: •

de woningen zullen voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van de energieprestatie;

•

de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd.

44

Ruimtelijke onderbouwing -

Planspecifiek Voorliggend initiatief voldoet aan de energie-eisen uit het bouwbesluit. De zonnepanelen, warmtepompen en goede isolatie van de woningen dragen hier aan bij. Verder wordt er nader onderzocht wat er extra gedaan kan worden ten behoeve van de aanwezige flora en fauna om daarmee de biodiversiteit positief te beïnvloeden. De verwachting is dat een aantal relatief simpele ingrepen (bijvoorbeeld het plaatsen van bloembakken op het platte dak van de 1e verdieping) al een positieve invloed kunnen hebben op de biodiversiteit, klimaatadaptatie en gezondheid.

4.12.

M.e.r.-beoordeling

4.12.1. Wettelijk kader In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect.

4.12.2. Vormvrij m.e.r.-beoordeling Kenmerken: In de gewenste situatie wordt de huidige bebouwing gesloopt en wordt er een nieuw gebouw teruggebouwd. Op de 1e en 2e verdieping van het nieuwe gebouw worden appartementen gerealiseerd.

Locatie: Het plangebied is gelegen aan de Broerswetering 6-8 te Bunschoten-Spakenburg. Het is gelegen in het centrum van Bunschoten-Spakenburg. Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van Natura 2000-gebied of NNN gebied.

Effecten: Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. In het bestemmingsplan worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet gelegen

45

in kwetsbaar of waardevol gebied en het heeft geen nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Voor dit bestemmingsplan is het dan ook niet noodzakelijk een formele m.e.r.-procedure te doorlopen.

4.12.3. Conclusie Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.

46

Ruimtelijke onderbouwing -

5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1. Economische uitvoerbaarheid De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.

5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. Op 15 mei 2023 heeft er een inloopavond voor omwonenden plaatsgevonden. Het verslag van de avond is als bijlage 17 bijgevoegd aan voorliggende onderbouwing. Voor de omwonenden bleken de parkeersituatie, het laden en lossen en schaduwwerking belangrijke thema’s. Naar aanleiding van de avond is het plan aangepast. Zo is er een zonnestudie uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 18 bijgevoegd. Daarnaast vindt het laden en lossen aan de Broerswetering plaats en zijn alle containers en afval inpandig gepland. Verder worden de afspraken voor laden en lossen aangescherpt om overlast te minimaliseren. De ontwerpbeschikking wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de ter inzage is het voor eenieder mogelijk een zienswijze in te dienen. Tegen het definitieve besluit kunnen alleen belanghebbenden bezwaar maken en in beroep gaan.

47

6. Eindconclusie Voorliggend initiatief met de uitbreiding van de supermarkt en de functiewijziging naar wonen op de eerste en tweede verdieping aan de Broerswetering 6-8 in Bunschoten-Spakenburg voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening. Er is geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk of de provincie Utrecht. Daarnaast levert de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige overlast op voor haar omgeving. Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. Het voornemen is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Voorts past het initiatief binnen het beleid van de gemeente Bunschoten en voorziet het initiatief in nieuwe woningaanbod, waarmee het een bijdrage levert aan het oplossen van het tekort aan woningen. Daarnaast voorziet het initiatief in de uitbreiding van een supermarkt, wat een stimulans is voor de economie en bijdraagt aan een vitaal centrum.

48

Ruimtelijke onderbouwing -

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15003602/1