CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 98 (bijlage) 231107_Victoriapark_vastgesteld_Toelichting__202358433__

Raadsvergadering 12 december 2023, gemeente BrunssumBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan "Victoriapark"; Gemeenteblad 2023/9828.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bovendien is een reeds bestaand plan voor deze locatie (fase 2 aanvankelijk centrumplan Doorsteek Centrum) herijkt vanwege gewijzigde inzichten ten aanzien van het eerder voorziene programma. Daarbij wordt geheel in lijn met het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking voorzien in een duurzaam ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied. Conclusie Gezien het feit dat de ontwikkeling zowel kwantitatief als kwalitatief inspeelt op de actuele (regionale) behoefte en bijdraagt aan een optimale benutting van de beschikbare ruimte in het bestaand stedelijk gebied, wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3

Provinciaal beleid

De Provincie heeft een belangrijke rol als regisseur op de woningmarkt. Gelet op de problematiek op de huidige woningmarkt en de invloed van de demografische transitie op de markt, verlangen gemeenten van de Provincie dat zij die rol als regisseur oppakt.

34

bestemmingsplan Victoriapark

3.3.1 Omgevingsvisie Limburg In de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Limburg geeft de provincie haar lange termijn visie. Deze Omgevingsvisie dient als vervanging van de provinciale Omgevingsvisie POL2014. De nieuwe Omgevingsvisie Limburg heeft betrekking op het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. De visie heeft betrekking op onderwerpen waarvoor de Provincie wettelijk verantwoordelijk is, maar ook onderwerpen die van groot (provinciaal) belang zijn voor onze provincie. Overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap staat daarbij voorop, net al waarden als kwaliteit en geluk en met aandacht voor alle stakeholders én de samenleving als geheel. De visie heeft betrekking op drie hoofdopgaven: 1. 2. 3.

een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als landelijk gebied; een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie

De provincie ziet Limburg in 2050 stevig ingebed in euregionaal verband, via goed verknoopte infrastructuren, door sociale en economische banden én door bestuurlijke samenwerking. Het is er goed leven, leren, wonen en werken, vanwege een goed vestigingsklimaat, de sterke sociale cohesie en de uitstekende omgevingskwaliteiten. Dit met welvaart, welzijn en een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving voor alle inwoners. Om dat te bereiken is niet alleen de provincie aan zet, maar ook andere overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven én inwoners. Samen en ieder vanuit zijn eigen kracht. Het maken van afwegingen omtrent het benutten van ruimte gebeurt aan de hand van de zogenoemde Limburgse principes. Voor zover relevant voor onderhavig planvoornemen gaat het over: het nastreven van een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, waarbij de inrichting en ontsluiting van gebieden uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid. De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers. Er is dus ruimte voor maatwerk. Meer stad, meer land. We koesteren de variatie in gebieden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en dorpen. Landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukkere stedelijke gebieden ontwikkeld.

Zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, zowel onder- als bovengronds. We zetten in op een sociaaleconomische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar de volgende generaties. In onze afwegingen betrekken we naast de impact op mens, economie en welvaart ook de impact op de omgeving en het milieu. We streven naar functiecombinaties en benutten bestaande functies optimaal. Wonen Concreet ten aanzien van wonen wordt een passend aanbod van woningen nagestreefd in zowel steden als dorpen. De overgangen tussen bebouwde gebieden en het landelijk gebied zijn optimaal ingericht voor stads(kringloop)landbouw, recreatie, natuur- en landschapsbeleving en klimaatadaptieve voorzieningen. Een woningaanbod en planvoorraad waarbij vraag en aanbod goed in evenwicht zijn is benoemd als provinciaal belang. Dat evenwicht is nodig op zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. Kortgezegd: voldoende (betaalbare) woningen, op het juiste moment beschikbaar, op de juiste locatie en van de juiste kwaliteit. De provincie wil het voorgaande graag samen met haar partners realiseren. Het streven is een leefomgeving te (blijven) bieden waar mensen zich prettig voelen en waarin mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving, die past bij zowel hun mogelijkheden als hun levensfase.

Daarbij gaat het niet alleen om de spreekwoordelijke stenen, maar door in samenhang naar woonopgaven te kijken, leggen we op

bestemmingsplan Victoriapark

35

wijk-/buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee willen we verdere segregatie voorkomen en ruimtelijk sturen door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische invulling van de eerder beschreven Centrumvisie Brunssum 2020 - 2026, het daarop gebaseerde uitvoeringsprogramma, het Ambitiedocument Duurzame Ontwikkeling Brunssum Centrum en het Stedenbouwkundig Kwaliteitskader. Daarmee geeft het bestemmingsplan invulling aan duurzaam ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied, een compacter winkelcentrum, wordt voorzien in woningen die kwantitatief en kwalitatief aansluiten bij de behoefte en dat op basis van een gebiedsgerichte, integrale aanpak. Daarmee past de ontwikkeling binnen de kaders van de Omgevingsvisie Limburg. Overige centrumfuncties De provincie ziet een opgave in het compacter maken en kwalitatief versterken van bestaande winkelgebieden. Daarbij is het ook zaak de kwaliteit van stedelijke centra als ontmoetingsplaats te behouden en waar mogelijk te versterken.

Die kwaliteit wordt niet alleen bepaald door winkels, maar door een goede mix met horeca, dienstverlening en andere activiteiten. Voorliggend bestemmingsplan voorziet op basis van een integrale gebiedsvisie in het juridische planologische kader voor het meer compact maken van het kernwinkelgebied, het creëren van een gezonde mix aan functies en een aantrekkelijke openbare ruimte en zo onder meer 'ontmoeten' en de aantrekkingskracht van het centrum te versterken. Gelijktijdig wordt met onderhavig bestemmingsplan circa 4.000 m2 aan plancapaciteit detailhandel geschrapt, waarmee de overmaat aan dergelijke plancapaciteit terug wordt gedrongen. Conclusie Gezien het voorgaande past het planvoornemen goed binnen de uitgangspunten van de provinciale omgevingsvisie. Die visie vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van de provincie juridische binding te geven. Die verordening is nog gebaseerd op het Provinciale Omgevingsplan 2014 (POL2014), maar de opgenomen instructieregels sluiten nog steeds aan op de huidige Omgevingsvisie, of zijn daar ondertussen op aangepast. Een nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) is reeds vastgesteld, maar zal pas worden gepubliceerd en in werking treden met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Aangezien de invoering van de Omgevingswet daarna is uitgesteld, zijn de daarin voorziene nieuwe instructieregels middels wijzigingsverordeningen ook toegevoegd aan de huidige Omgevingsverordening Limburg 2014. De huidige verordening voorziet in de borging van provinciale belangen die voortvloeien uit het POL en in de juridische borging van de eerder met de Limburgse gemeenten gemaakte bestuursafspraken over c.q. de regionale structuurvisies voor de thema's wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen en vrijetijdseconomie in de Omgevingsverordening Limburg 2014 en is recent aangevuld met regels over huisvesting van internationale werknemers, na-ijlende gevolgen van steenkolenwinning, zonne-energie, intensieve veehouderij, het voorkomen van eventuele verstoringen binnen het zoekgebied voor de Einstein-telescoop en klimaatadaptatie. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de huidige verordening (2014) een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.

36

bestemmingsplan Victoriapark

In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het provinciale omgevingsbeleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale omgevingsverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone. Voor dit bestemmingsplan en het plangebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft zijn de navolgende bepalingen uit de verordening (in beginsel) van belang.

Artikel 2.4.2 Wonen n de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, dat voorziet in de toevoeging van woningen, uit de toelichting dient te blijken dat: het plan past binnen de kaders van de provinciale Omgevingsvisie; de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte blijkt uit een actueel, onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; over die behoefte overeenstemming bestaat binnen de regio Zuid-Limburg; het plan is opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor Limburg; realisatie is beoogd binnen 5 jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en, wanneer die termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer die mogelijkheden weer komen te vervallen. In een toetsing aan de Omgevingsvisie Limburg is voorzien in de vorige paragraaf. Op de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg wordt ingegaan in paragraaf 3.4.2 De behoefte aan de woningen wordt in deze toelichting hoofdzakelijk onderbouwd in paragraaf 3.2.4, aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking en op basis van een actueel en onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek.

Het plan is ook voor 82 woningen opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor (onderdeel van de 95 woningen voor 't Ei, de 13 overige woningen zijn voorzien aan de Pastoor Savelbergstraat), al zal dat bij de volgende aanpassingsronde voor de capaciteitsmonitor moeten worden gecorrigeerd, onder meer ten aanzien van het aantal te onttrekken woningen (15 ipv 8). Het voornemen is de woningen binnen vijf jaar te realiseren. Mocht dat onverhoopt niet lukken, dan zal een heroverweging plaatsvinden na inwerkingtreding van de Omgevingswet, in het kader van de transitie van dit bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, naar het omgevingsplan 'nieuwe stijl'.

Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Omgevingsverordening Limburg 2014 (artikel 2.2.2) is nogmaals geborgd dat in geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Daarbij dient tevens te worden ingegaan op de mogelijkheden voor herbenutting van leegstaande monumenten of beeldbepalende gebouwen. In paragraaf 3.2.4 is reeds ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking zoals die is geborgd in artikel 3.1.6, tweede lid Bro en daarin is onderbouwd dat daaraan wordt voldaan. De extra trede die door de provincie Limburg is toegevoegd aan de Ladder betreft de afweging of het plan kan worden gerealiseerd door herbenutting van leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumentale of beeldbepalende panden aanwezig die leegstaand zijn en die geschikt zijn voor de beoogde functies. Bovendien is sprake van een gebiedsgerichte aanpak voor een concreet deel van het centrum, waardoor een deel van de doelen van die gebiedsgerichte aanpak niet kunnen worden gehaald bij realisatie van het beoogde programma op een locatie elders.

Artikel 2.4.3 Detailhandel

bestemmingsplan Victoriapark

37

In de verordening wordt ook een koppeling gelegd met de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (SVREZL), door te bepalen dat een bestemmingsplan niet mag voorzien in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden van detailhandel, anders dan in overeenstemming met voornoemde structuurvisie. Nu onderhavig bestemmingsplan niet voorziet in een toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor nieuwe detailhandel ten opzichte van het huidige bestemmingsplan, maar juist het schrappen van circa 4.000 m aan onbenutte plancapaciteit aan detailhandel, wordt hieraan voldaan. Bovendien draagt het bestemmingsplan bij aan het bereiken van een compacter kernwinkelgebied, waarmee ook invulling wordt gegeven aan de beleidslijnen die in de structuurvisie zijn vervat. In paragraaf 3.4.3 wordt nader ingegaan op de SVREZL.

Artikel 2.16.1 Na-ijlende effecten steenkolenwinning Deze instructieregel vraagt gemeenten, waaronder de gemeente Brunssum, om in de toelichting op een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze rekening is gehouden met na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning. Hieraan wordt invulling gegeven in paragraaf 4.3.3 Voormalige steenkolenmijnbouw en geologische breuk Feldbiss.

Artikel 2.18.2 Beschermingsgebied Einstein Telescope In de verordening is voorzien in een beschermingsgebied ten behoeve van de beoogde realisatie van de zogenoemde Einstein Telescope, om zodoende de vestigingsmogelijkheden voor die telescoop waar mogelijk te verbeteren door interferende activiteiten zoveel mogelijk te voorkomen. Onderhavig plangebied ligt echter buiten het aangegeven beschermingsgebied.

Artikel 2.19.1 Klimaatadaptatie Voorts is in de verordening opgenomen dat een plan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, overstroming en droogte) te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Daarin is voorzien in onder meer Hoofdstuk 2 en paragraaf 4.8 van deze toelichting.

Conclusie Onderhavig planvoornemen voldoet dus aan de Omgevingsverordening Limburg 2014.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1 Structuurvisie Parkstad Limburg De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren: Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land; Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten;

38

bestemmingsplan Victoriapark

Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen, met voor de overige kernen een goed functionerend en aantrekkelijk woonklimaat; Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft. De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's: 1. Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. 2. Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. 3.

Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour. 4. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding. Het planvoornemen heeft hoofdzakelijk betrekking op het tweede en derde thema. Voor het thema wonen heeft sinds 2009 verdere regionale uitwerking plaatsgevonden in onder meer de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en het regionaal woonbeleid, die separaat aan bod komen in deze toelichting. Zoals blijkt uit deze toelichting wordt daaraan voldaan. Hetzelfde geldt voor het thema Economie, dat uitwerking heeft gekregen in onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg. Zoals blijkt uit deze toelichting wordt ook voor dit thema voldaan aan de actuele, uitgewerkte beleidskaders. Conclusie Het planvoornemen sluit goed aan op de uitgangspunten uit de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg.

De structuurvisie vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.

bestemmingsplan Victoriapark

39

3.4.2 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg Deze regionale structuurvisie (SVWZL) is opgesteld en vastgesteld door de 18 Zuid - Limburgse gemeenten (Beek, Brunssum, Eijsden - Margraten, Gulpen - Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth-Onderbanken-Schinnen (nu Beekdaelen), Simpelveld, Sittard - Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal). Deze visie verwoordt de gezamenlijke aanpak van de Zuid - Limburgse gemeenten om te komen tot een excellent woon- en leefklimaat in Zuid - Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Dit is een voorwaarde voor het benutten van de economische potentie van de regio, een ambitie die Zuid - Limburg hoog in het vaandel heeft. De driedelige opgave die de structuurvisie bevat is: het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot; het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave en; het toevoegen van woonproducten waar een tekort aan is, passend binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. Om invulling te kunnen geven aan deze opgaven zijn een dertiental beleidsafspraken gemaakt.

Zo is onder meer afgesproken dat in een subregionale woningmarktprogrammering de toevoegingen en onttrekkingen op basis van de transformatieopgave per gemeente worden vastgelegd, wordt voorzien in het schrappen van harde plancapaciteit aan met name de randen van steden en kernen en in te zetten op herinvulling van cultuurhistorisch waardevol bestaand vastgoed. Tevens is voorzien in een compensatieregeling voor het toevoegen van nieuwe woningen. De transformatieopgave per gemeente staat centraal in de ontwikkeling van de woningvoorraad. De transformatieopgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad (minus een frictieleegstand van 2%) en de huishoudensontwikkeling. Daarnaast wordt er ingezet op het terugdringen van illegale kamerverhuur en op passende alternatieven voor kwetsbare groepen die behoefte hebben aan goedkope woonruimte. In paragraaf 3.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking is reeds ingegaan op de programmatische aspecten van dit bestemmingsplan en hoe dit zich verhoudt tot de huidige planvoorraad en de regionale woningmarktprogrammering. Daaruit blijkt dat de ontwikkeling past binnen de actuele programmering, als onderdeel van de reeds enkele jaren in uitvoering zijnde herstructurering van Brunssum-Centrum/Noord, die ook mede invulling geeft aan het terugdringen van de (plan)voorraad tot de transformatieopgave.

De nieuwe woningen dienen echter ingevolge de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg in beginsel te worden gecompenseerd conform de compensatiesystematiek. Hierbij geldt dat op 19 januari 2021 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' is vastgesteld door de gemeente Brunssum. In paragraaf 3.5.4 is nader toegelicht dat het planvoornemen strikt genomen niet aan deze beleidsregel hoeft te worden getoetst aan deze beleidsregel, maar dat onderhavig planvoornemen wel voldoet aan de criteria voor 'goede plannen' die in de beleidsregel zijn opgenomen. Conclusie Gezien het voorgaande voldoet het bestemmingsplan aan de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. 3.4.3 Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg In de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (SVREZL) zijn voortbordurend op het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 en ter uitvoering van de gemaakte bestuurlijke afspraken die zijn geborgd in de Omgevingverordening Limburg 2014 tussen de Zuid-Limburgse gemeenten beleidsmatig invulling gegeven aan de thema's bedrijventerreinen, detailhandel en kantoren. Voor detailhandel zijn in de SVREZL per gemeente concentratie- en balansgebieden aangewezen. Voor die gebieden geldt dat wordt ingezet op een kwalitatieve versterking.

Toevoeging van aanbod aan detailhandel is alleen wenselijk, wanneer dat leidt tot versterking van de hoofdstructuur, of een kwalitatieve verbetering, die

40

bestemmingsplan Victoriapark

de vitaliteit van gewenste winkelconcentraties niet aantast en daarnaast netto geen uitbreiding van de winkelmeters betekent. Daarbij wordt het principe van saldering gehanteerd, waarbij de salderingsopgave afhankelijk is van de actuele leegstand ten opzichte van de frictieleegstand (6% op subregioniveau). Gebieden die niet zijn aangemerkt als concentratie- of balansgebied, maar waar wel detailhandel aanwezig is, worden aangemerkt als een transitiegebied. In die gebieden passief dan wel passief ingezet op het onttrekken van voorraad. Onderhavig plangebied is deels aangewezen als concentratiegebied en deels als balansgebied. Het afgebakende concentratiegebied is daarbij nog gebaseerd op de voorheen beoogde realisatie van een nieuwe winkelstraat tussen het Jan Akkermansplein en de Kerkstraat: fase 2 van het plan Doorsteek Centrum. Zoals is beschreven in Hoofdstuk 2 van deze toelichting zijn in de integrale gebiedsvisie Centrumvisie Brunssum 2020 - 2026 nieuwe en andere inzichten ten aanzien van het kernwinkelcentrum c.q. concentratiegebied vastgelegd, dan waar ten tijde van vaststelling van de SVREZL in 2017 van uit werd gegaan.

Concreet voor dit bestemmingsplan is van belang dat het gehele plangebied is aangemerkt als concentratiedan wel balansgebied en dat het planvoornemen niet voorziet in de toevoeging van vierkante meters aan detailhandel, er wordt juist een bijdrage geleverd aan het bereiken en in stand houden van een compacter maar sterker kernwinkelgebied, als gevolg waarvan ook circa 4.000 m2 onbenutte plancapaciteit komt te vervallen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de doelstellingen en beleidsafspraken die in de SVREZL zijn vervat, waaronder een versterking van een kernwinkelgebied, het terugdringen van planologische (over)capaciteit aan detailhandel en als gevolg daarvan het terugdringen van leegstand van (verspreid gelegen) winkelpanden. Conclusie Gezien het voorgaande voldoet het bestemmingsplan aan de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg.

Uitsnede aanduiding concentratie- en balansgebied centrum Brunssum in SVREZL

bestemmingsplan Victoriapark

41

3.4.4 Regionaal woonbeleid In de loop der jaren heeft de regio Parkstad, waaronder dus ook de gemeente Brunssum, het nodige regionale woonbeleid vastgesteld. Zo heeft in december 2009 het Parkstadbestuur de "Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad Parkstad Limburg 2008-2020" vastgesteld, die in januari 2010 door de raden van de Parkstadgemeenten is bekrachtigd. De Herstructureringsvisie geeft inzicht in de gebieden waar in Parkstad Limburg transformatie van de woningvoorraad nodig is, in het licht van de teruglopende en veranderende woningbehoefte, om te komen tot een duurzame ruimtelijke structuur. Per gemeente en voor geheel Parkstad is de transformatie-opgave geformuleerd in de vorm van een ‘envelop’. Deze enveloppen bestaan uit een kwantitatieve en een kwalitatieve transformatieopgave (onttrekkingen ten gevolge van bevolkingsdaling en bouwplannen en vervangingsopgave), zodat de partners gestimuleerd worden om afwegingen te maken. Van belang is dus dat volgens de Herstructureringsvisie een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden bij het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Voor een meer actueel beeld van het bestendig regionaal woonbeleid is echter de 'Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg' vooral van belang.

Vanuit het gestelde kader in de regionale woonstrategie wordt door de Bestuurscommissie Wonen en Herstructurering de regionale woningmarktprogrammering vastgesteld voor een bepaalde periode. Deze programmering wordt periodiek geactualiseerd. Met deze regionale woningmarktprogrammering spreken de gemeenten in Parkstad Limburg uit, rekening te houden met elkaars belangen en te streven naar een evenwichtige woningmarkt. De regionale woningmarktprogrammering koppelt kwaliteit aan kwantiteit en is daarmee een belangrijk instrument voor de regiogemeenten. De gemeenten geven met deze regionale woningmarktprogrammering aan welke woningbouwprojecten het best aansluiten bij de huidige marktomstandigheden en hoe in de toekomst met nieuw toe te voegen woningbouwprojecten wordt omgegaan. Hiermee beogen we van de regio Parkstad een aantrekkelijke woonregio te maken. In de regionale woningmarktprogrammering is een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe projecten. In beide gevallen geldt dat er zowel kwantitatieve als kwalitatieve toetsing plaats heeft gevonden. De kwantitatieve toets is voor beiden gelijk, de kwalitatieve toets verschilt. De bestaande projecten zijn vanuit een markttechnisch perspectief getoetst op de locatie van het woningbouwproject en de productmarktcombinatie.

Dit heeft erin geresulteerd dat de bestaande woningbouwprojecten kunnen worden verdeeld in de volgende categorieën: Categorie 1: herstructureringsprojecten Categorie 2: goede projecten. Categorie 3: de juiste plek verdient de juiste woning. Categorie 4: toevoegen, maar tegelijk slopen is essentieel Categorie 5: te veel concurrentie Categorie 0: éénpitters Bij de vraag of een nieuw initiatief kan worden opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering, wordt getoetst aan de transformatieopgave voor het betreffende woongebied waarin dat plan is gelegen. Een nieuw initiatief kan worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering, indien het aantal toe te voegen woningen kleiner dan of gelijk is aan nul (bijvoorbeeld bij een herstructureringsgebied met sloop en vervangende nieuwbouw) óf indien het een project betreft in een woongebied met een verdichtingsopgave met woningen waarin de programmering nog niet voorziet. Zoals volgt uit paragraaf 3.2.4 stond in de regionale woningmarktprogrammering 2015-2016 al een 'businesscase' Brunssum-Centrum-Noord per 1 januari 2015, waarvan ook woningbouwontwikkelingen

42

bestemmingsplan Victoriapark

binnen Het Ei. Dit project is aangeduid als categorie 1-project (herstructurering) Deze totale businesscase voorzag per 1 januari 2015 in een onttrekking van 551 woningen aan de voorraad en een toevoeging van 388 woningen aan de voorraad, waardoor per saldo geen toevoeging van woningen aan de woningvoorraad zou plaatsvinden. In de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg 2019-2022, zoals die luidt na actualisatie van de plannenlijst in 2020, laat voor Brunssum in augustus 2020 concreet binnen Het Ei nog een resterende capaciteit voor nieuwbouw van nog 81 woningen zien. De Plancapaciteitsmonitor Limburg laat voor het plangebied nog ruimte zien voor 95 woningen, welke aantallen inmiddels ook regionaal zijn afgestemd. 82 van die woningen zijn gereserveerd voor onderhavig plan. Dat zijn de aantallen die in dit plan bij recht worden toegestaan. De resterende 8 woningen (10% afwijking) zijn daar nog niet in opgenomen, maar in de betreffende afwijkingsbevoegdheid is geborgd dat de behoefte moet worden aangetoond en daarover ook regionale afstemming moet plaatsvinden. Ook is van belang dat in de oorspronkelijke programmering rekening is gehouden met de onttrekking van 8 woningen, waarmee de netto-toevoeging op 87 woningen uitkomt.

Voorliggend bestemmingsplan gaat uit van de realisatie van maximaal 90 woningen en een onttrekking van 15 woningen, waarmee de netto-toevoeging op 75 woningen uitkomt. Rekeninghoudend met de nog resterende plancapaciteit van 25 woningen in het geldende bestemmingsplan en uitwerkingsplan betreft de netto toevoeging aan de planvoorraad 50 woningen. Zoals uiteen is gezet in paragraaf 3.2.4, is gelet op het voorgaande weliswaar sprake van een toename van de planologische plancapaciteit van 50 woningen, maar past het totaal te realiseren netto aantal woningen binnen dit plangebied van maximaal 82 binnen het aantal woningen dat voor het gebied Het Ei is opgenomen in de actuele regionale programmering. Bovendien sluiten de te realiseren appartementen (nul treden) kwalitatief aan bij de behoefte, zoals wordt bevestigd door het woningbehoefte-onderzoek dat begin 2022 is opgesteld. Met het planvoornemen wordt dus voorzien in de juiste woningen op de juiste plek, en is derhalve passend binnen de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Brunssum In de door de gemeenteraad op 2 november 2009 vastgestelde Structuurvisie staat hoe de gemeente tot het jaar 2025 om zal gaan met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, zoals wonen, ondernemen, wijkvoorzieningen, verkeer en recreëren. Deze visie vormt de richtlijn voor alle toekomstige bestemmingsplannen en afwijkingsmogelijkheden. In de Structuurvisie geeft de gemeente aan welke maatregelen zij zal gaan nemen om de negatieve effecten die gepaard gaan met vergrijzing en ontgroening zoveel mogelijk te beperken. Deze demografische ontwikkelingen hebben namelijk grote gevolgen voor de woningvoorraad, economie en het voorzieningenniveau. Voornoemde maatregelen zijn met name gericht op het behouden en versterken van het woon- en leefklimaat binnen de verschillende wijken van Brunssum en het versterken van ‘schone’ werkgelegenheid, waarbij goede bereikbaarheid en aansluiting op de regionale infrastructuur van groot belang is. De Structuurvisie is voorts opgebouwd uit de 5 thema's: Wonen, Werken, Voorzieningen, Recreatie/natuur/milieu en Verkeer. Hiervan is het thema 'Wonen' van belang voor de ontwikkelingen in het plangebied. De beleidsambities zijn met name gericht op het behouden en versterken van de gemeente als onderscheidende, kwalitatief goede woonplek.

Brunssum moet ook in 2025, mede in het licht van de veranderende demografische omstandigheden, niet alleen een aantrekkende woongemeente zijn, maar ook een gemeente waar goed geleefd kan worden. Ontwikkelingen binnen de woningvoorraad, de werkgelegenheid, de voorzieningen, de sociaal-maatschappelijke structuur, de ruimtelijke structuur, de recreatie en het verkeer dienen met elkaar bij te dragen aan het bereiken van het noodzakelijke en toekomstbestendige woon- en

bestemmingsplan Victoriapark

43

leefklimaat. Voor onderhavig planvoornemen zijn met name de thema’s ‘Voorzieningen’ en ‘Wonen’ van belang. Ten aanzien van voorzieningen wordt gestreefd naar het creëren van gunstige uitgangsposities voor de vestiging en het behoud van voorzieningen, waarbij wordt ingezet op concentratie. Voor wat betreft detailhandel is daarbij als beleidsambitie benoemd het versterken van het winkelgebied het Ei. Met het "Doorsteek Centrum" is een belangrijke eerste stap gezet voor het noordwestelijk kwadrant van het ei c.q. onderhavig plangebied, dit bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische kaders op basis van de op 23 september 2020 vastgestelde Centrumvisie Brunssum 2020 - 2026, waarin de actuele visie op de doorontwikkeling van het centrum wordt gegeven. Inzake het thema Wonen wordt gestreefd naar geschikte huisvesting die passend is voor de lokale c.q. regionale bevolking. Huisvesting dient kwalitatief goed en levensloopbestendig te zijn, waarbij deze woningen dienen te worden gerealiseerd ter vervanging van bestaande incourante woningen, die niet meer aansluiten bij de huidige woonwensen. Zoals blijkt uit Hoofdstuk 2 en paragraaf 3.2.4 van deze toelichting, wordt voorzien in de juiste woningen voor de juiste doelgroep en op de juiste plek.

Conclusie Gezien het voorgaande wordt invulling gegeven aan de beleidslijnen voor de thema's Voorzieningen en Wonen, rekeninghoudend met de meest recente inzichten die zijn opgenomen in de integrale centrumvisie en de daarop gebaseerde documenten, zoals het uitvoeringsprogramma en het stedenbouwkundig kwaliteitskader. 3.5.2

Masterplan Brunssum Centrum

De gemeente Brunssum heeft in 2008 het Masterplan Brunssum Centrum vastgesteld. Hierin is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie neergelegd voor het centrum van Brunssum. Het doel van het masterplan 'Bruisend Brunssum' is om door middel van herstructurering en herontwikkeling tot een opwaardering van het centrum te komen. Het masterplan kent 12 deelgebieden waar ontwikkelingen zijn voorzien. Elk gebied is herkenbaar door de functie die ze omvat in combinatie met een karakteristieke ruimtelijke structuur.

44

bestemmingsplan Victoriapark

Deelgebieden uit het masterplan Brunssum Centrum

Onderhavig plangebied is gelegen binnen het gebied ‘Het winkelhart, de promenade’ en maakt onderdeel uit van deelgebied 1, ‘Het Ei’. Als zwak punt van het gebied ten tijde van het opstellen van het Masterplan is benoemd dat onderhavig plangebied een onduidelijk gebied betreft, dat niet past binnen de structuur van grote gesloten bouwblokken, die de rest van het winkelcentrum kenmerken. Voorts is binnen onderhavig plangebied momenteel geen sprake van een heldere begrenzing tussen openbare en privéruimte en ontbreekt het aan een duidelijke entree van het winkelgebied ter hoogte van de Schiffelerstraat. Het Masterplan bevat stedenbouwkundige streefbeelden, waarbij het initiatief tot ontwikkeling van de gebieden wordt overgelaten aan derden, die vervolgens in een nadere uitwerking zullen moeten voorzien. Als stedenbouwkundige uitgangspunten c.q.

doelen voor de ontwikkeling van het Ei zijn benoemd: de vervolmaking van de stedenbouwkundige structuur moet zijn gericht op de gekozen verkeersstructuur zodat een zichzelf versterkend herkenbaar en krachtig beeld ontstaat; bij uitwerking van het plan moet het parkeeraanbod, ontsluiting en routing worden gemaximaliseerd; het noordelijk deel van het Ei dient beter te worden bediend qua parkeervoorzieningen; bij uitwerking van het noordelijk deel dient meer balans te komen in de verdeling van aantrekkelijke stedenbouwkundige elementen tussen het zuidelijk en het noordelijk deel van het Ei. Het plan moet faseerbaar zijn, zodat complexe afhankelijkheden, belangen en procedures stap voor stap ontrafelt en opgelost kunnen worden. Tevens is benoemd dat behoefte bestaat aan een verbetering van de routing van het winkelgebied, waarin kan worden voorzien door het creëren van voetgangersdoorgangen Hoewel het voorgaande nog grotendeels actueel is, is van belang dat op 23 september 2020 een nieuwe, integrale gebiedsvisie is vastgesteld voor dit gebied, in de vorm van de Centrumvisie Brunssum 2020 - 2026, die is uitgewerkt in onder meer een uitvoeringsprogramma en een stedenbouwkundig kwaliteitskader. In Hoofdstuk 2 ingegaan op de gewijzigde inzichten ten aanzien van de invulling van onderhavig plangebied aan de hand van voornoemde documenten.

bestemmingsplan Victoriapark

45

Conclusie Gezien het voorgaande sluit het planvoornemen aan bij de uitgangspunten en doelen die voor het Ei zijn benoemd in het Masterplan, rekeninghoudend met de recent vastgestelde Centrumvisie Brunssum 2020 2026. 3.5.3 Regionale en lokale Woonvisie 2023 - 2028, gemeente Brunssum Op 11 juli 2023 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie vastgesteld. Net als de vorige woonvisie betreft het een visie die een regionaal deel bevat (niveau Parkstad Limburg), maar ook voorziet in een lokale invulling op gemeentelijk niveau. De Woonvisie heeft als oogmerk (motto): “Kansrijk wonen voor iedereen, nu en in de toekomst”. Dit is verwerkt in 3 strategieën, die ieder zijn uitgewerkt op regionaal en lokaal niveau. Kwaliteit en vernieuwing staan daarbij centraal en er is - meer dan voorheen - de samenhang met andere beleidsvelden zoals leefbaarheid, zorg en duurzaamheid belicht. De Woonvisie gaat uit van 3 strategieën, die zijn uitgewerkt in een regionale visie en de lokale uitwerking: 1. 2. 3.

Kansrijk wonen Kansrijke woonomgeving Nu en in de toekomst

Anders dan voorheen gaat de behoefte aan herstructurering niet meer uit van een de krimpgedachte, maar van de behoefte aan vernieuwing en kwaliteit. Daarbij is het vertrekpunt dat iedereen die in Parkstad c.q. Brunssum wil wonen een passende woning moet kunnen vinden. Dat vraagt om een woningmarkt die evenwicht biedt tussen vraag en aanbod, zowel kwantitatief als kwalitatief. In onder meer paragraaf 3.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking is uitgebreid ingegaan op de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van dit bouwplan, in relatie tot de actuele behoefte aan woningen. Daaruit volgt kortgezegd dat wordt voorzien in de juiste woningen (segment), voor de juiste doelgroep en op de juiste locatie. 3.5.4 Beleidsregel ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021 De nieuwe beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' is voor de gemeente Brunssum op 19 januari 2021 vastgesteld. Op grond van deze nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd (door middel van sloop of een financiële bijdrage). Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde; Het plan is planologisch aanvaardbaar; Het plan is (sub)regionaal afgestemd.

Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde: Voor dit criterium geldt als ruimtelijk uitgangspunt dat een inbreiding boven een uitbreiding gaat. Daarnaast beschikt een plan over een maatschappelijke meerwaarde, als het plan bijvoorbeeld aantoonbaar bijdraagt aan de verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen, wanneer sprake is van herstructurering of vervangingsbouw, of als bestaand waardevol vastgoed wordt hergebruikt middels passende woningbouw. Verder is het van belang dat een plan voorziet in de lokale woonbehoefte. Het plan is planologisch aanvaardbaar: In dit verband dient het plan te voldoen aan de systematiek van de 'Ladder van duurzame verstedelijking' (zie paragraaf 3.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking). Dit betekent dat een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan die

46

bestemmingsplan Victoriapark

ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering bevat waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het plan is (sub)regionaal afgestemd: Tenslotte geldt als derde criterium dat een (sub)regionale afstemming dient plaats te vinden waarmee het plan aan de Regionale Woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Dit bestemmingsplan en de daarin voorziene woningbouwontwikkelingen zijn onderdeel van de hestructureringsopgave waarin de businesscase Brunssum-Noord/Centrum voorziet, die al enkele jaren onderdeel is van de regionale woningmarktprogrammering en die per saldo leidt tot een afname van het aantal woningen. Daarom is een (extra) compensatie op grond van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg - en daarmee ook deze beleidsregel - strikt genomen niet aan de orde. Zoals uit met name hoofdstuk 2 en paragraaf 3.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking van deze toelichting blijkt, wordt wel voorzien in een plan met maatschappelijke meerwaarde, gebaseerd op een integrale gebiedvisie voor het centrum van Brunssum. Zoals blijkt uit de totale ruimtelijke onderbouwing waarin deze toelichting op het bestemmingsplan voorziet, is ook de planologische aanvaardbaarheid ook aangetoond.

Nu de ontwikkeling onderdeel uitmaakt van de regionale afgestemde en vastgestelde woningmarktprogrammering, is het plan dus ook regionaal afgestemd.

Conclusie Hoewel compensatie, dan wel het afzien daarvan op basis van deze beleidsregel, niet aan de orde is, voldoet het plan dus wel aan de wijze waarop plannen in het licht van deze beleidsregel op kwaliteit worden beoordeeld.

bestemmingsplan Victoriapark

47

48

bestemmingsplan Victoriapark

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten

Inleiding

Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In een bestemmingsplan dient aandacht te worden besteed aan eventuele omgevingsaspecten die een rol kunnen spelen. Milieu-aspecten zoals bodem- en grondwaterkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidshinder, geurhinder, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid dienen te worden besproken, maar ook wateraspecten, archeologie en cultuurhistorie en flora en fauna. In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten en het milieubeleid kort behandeld in relatie tot het planvoornemen die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor deze ontwikkeling, van belang zijn.

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.2.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). Naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof betreffende de toepassing van drempelwaarden (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08) en de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 is een nieuw Besluit milieueffectrapportage in werking getreden op 1 april 2011. Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D).

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van planvorming plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onderdeel D wijst de activiteiten aan ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit zijn grotendeels dezelfde activiteiten als de activiteiten van onderdeel C, maar een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft: de drempelwaarden die in kolom 2 zijn aangegeven, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Het navolgende heeft betrekking op onderdeel D:

Indien de activiteit (kolom 1) aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt een directe plan-m.e.r.-plicht. Indien sprake is van een activiteit (kolom 1) en een besluit (kolom 4), dan geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, ongeacht of al dan niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 wordt voldaan. Indien de activiteit (kolom 1) niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt geen directe plan-m.e.r.-plicht, maar moet een vormvrije

bestemmingsplan Victoriapark

49

m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. De uitkomst van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling luidt: er geldt wel/geen m.e.r.-plicht. Door de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 is de voormalige vormvrije m.e.r-beoordeling voor activiteiten beneden de grenswaarde voor besluiten (kolom 4) vervangen door de m.e.r.- beoordelingsplicht. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r.

is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarde liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term (vormvrije) m.e.r.-beoordeling of wel m.e.r. aanmeldingsnotitie gebruikt. Uit de toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(beoordelings)plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de ((vormvrije)-m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

50

bestemmingsplan Victoriapark

4.2.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Echter kan in beginsel wel sprake zijn van een stedelijk onwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Onderhavig planvoornemen blijft onder de drempelwaarden, waardoor slechts een informele m.e.r.-beoordeling nodig is. Derhalve is voor het beoogde planvoornemen een m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld. 4.2.3 Conclusie Uit de beschrijving van de verwachte milieueffecten die is opgenomen in de m.e.r.-aanmeldnotitie volgt, dat de realisatie van het planvoornemen niet zal leiden tot belangrijke negatieve milieugevolgen. Op basis van deze beoordeling wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling gezien de kenmerken, plaats en potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieueffecten kan veroorzaken die een volwaardige project m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarom op 25 juli 2023 besloten dat ten behoeve van deze ontwikkeling geen m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen.

4.3

Bodem

4.3.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Op dit aspect wordt ingegaan in paragraaf 4.3.2. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening en gelet op het bepaalde in de (aankomende) provinciale Omgevingsverordening Limburg (2021) aandacht te worden besteed aan eventuele na-ijlende gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw. Op dit aspect wordt in gegaan in navolgende paragraaf 4.3.3

bestemmingsplan Victoriapark

51

4.3.2 Toetsing: vooronderzoek Binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd, relatief recent nog ten behoeve van de realisatie van fase 1a en fase 1b van het plan Doorsteek Centrum. Door Geonius is een vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd (d.d. 8 december 201, kenmerk MA210697.R01.V1.0), dat als Bijlage 2 bij deze toelichting is gevoegd. Daarin worden de in het verleden uitgevoerde onderzoeken beschouwd. Daaruit volgt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie globaal genomen de grond maximaal licht verontreinigd is met minerale olie, zware metalen PAK en PCB's. In of op de grond zijn tijdens voorgaande onderzoeken zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Wel zijn asbestverdachte bouwmaterialen ter plaatse van de panden visueel vastgesteld. Binnen het plangebied is in het verleden plaatselijk een sterke verontreiniging met minerale olie aanwezig geweest (locatie fase 1b Doorsteek centrum, ten westen van Schiffelerstraat 6). Deze verontreiniging is gesaneerd (afgegraven tot terugsaneerwaarden). Verder is de grond in de omgeving plaatselijk maximaal licht verontreinigd met PAK. Het grondwater blijkt tevens plaatselijk licht verontreinigd met zware metalen, vluchtige aromaten en minerale olie.

Op basis van het voorgaande en de uitgevoerde terreininspectie concludeert Geonius dat de onderzoekslocatie verdacht is voor bodemverontreiniging vanwege: enkele voormalige wegen binnen de onderzoekslocatie; eventuele voormalige tanks ter plaatse van de panden gelegen aan de Kerkstraat; bouwmaterialen uit asbestverdachte bouwperiode ter plaatse van de panden gelegen aan de Kerkstraat; aanwezig (gebroken) asfalt en funderingen ter plaatse van het binnenterrein, waarvan de kwaliteitsgegevens niet bekend zijn; de lichte verontreinigingen in de grond (gehele locatie) aan diverse parameters aangetroffen tijdens eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. PFAS Uit het het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie volgt dat vooralsnog heel Nederland als verdacht gebied wordt aangemerkt. Derhalve is voor de onderzoekslocatie in principe de hypothese verdacht van toepassing. Aangezien PFAS diffuus voorkomt binnen heel Nederland heeft aanvullend onderzoek conform de relatief uitgebreide strategie VED-HE-NL geen meerwaarde. Ook is binnen de onderzoekslocatie, voor zover bekend, geen puntbron van PFAS te verwachten. Derhalve wordt gebruik gemaakt van de onderzoeksstrategie onverdacht niet-lijnvormig (ONV-NL) uit de NEN 5740 (rekening houdend met de toekomstige ontgravingsdiepte), waarbij zowel de boven- als ondergrond op PFAS wordt geanalyseerd.

Asbest in de bodem Ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie zijn geen asbestverdachte plaatmaterialen waargenomen. Uit het vooronderzoek blijkt tevens dat er tijdens voorgaande onderzoeken in of op de grond zintuiglijk weinig (plaatselijke bijmengingen) tot geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen. Wel zijn asbestverdachte bouwmaterialen ter plaatse van de panden visueel vastgesteld, zowel in het verleden als tijdens onderhavig onderzoek. Ook zijn sloopwerkzaamheden voorzien bij de herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Gezien het bouwjaar van deze bebouwing en de geplande sloopwerkzaamheden, waarbij puin zal vrijkomen uit de sloop en deze mogelijk in de bodem terecht zal komen, wordt de onderzoekslocatie als asbestverdacht aangemerkt. Op basis van het voorgaande is de locatie sprake van een potentieel asbestverdachte locatie.

Conclusie Uit het voorgaande volgt dat aanvullend, verkennend bodemonderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk

52

bestemmingsplan Victoriapark

is alvorens daarop bodemgevoelige fucties toe te laten, maar de resultaten geven geen aanleiding om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Alvorens tot vergunningverlening voor bouwen wordt overgegaan, zal alsnog door middel van voornoemd verkennend bodemonderzoek moeten worden aangetoond dat de bodemkwaliteit op die locatie inderdaad geschikt is voor de beoogde functie. Bij sloop van bebouwing zal ook invulling worden gegeven aan de benodigde asbestinventarisatie. 4.3.3 Voormalige steenkolenmijnbouw en geologische breuk Feldbiss Op 15 december 2016 heeft het Ministerie van Economische Zaken diverse rapporten over 'Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg' openbaar gemaakt. Hierin staan mogelijke gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw beschreven. De mogelijke gevolgen zijn ingedeeld in categorieën (EK) van EK1 (relatief hoge kans van optreden), EK2 (relatief gemiddelde kans) tot EK3 (relatief lage kans). Onderhavig plangebied is gelegen binnen de concessiegrens van de mijn Emma. Uit de rapportage Na-ijlende gevoglen steenkolenwinning Zuid-Limburg, d.d. 31 augustus 2016, opgesteld door Ingenieurbüro Heitfeld Schetelig GmbH volgt dat binnen het plangebied geen gebieden zijn aangeduid met één van voornoemde categorieën (EK1-EK2-EK3). Ook laat het kaartmateriaal bij de rapportage geen opwaartse of neerwaartse boringen of oude verzakkingen zien.

Wel zijn rond het plangebied enkele zogenoemde 'drempels' ingetekend. Dit zijn ongelijkmatige zettingen die zich tijdens het ontginnen van de steenkool aan het oppervlak hebben afgetekend. Een drempel kan een indicatie geven van de mogelijke (in)stabiliteit in de ondergrond. Er wordt momenteel nog nader onderzoek gedaan naar de relatie tussen (hernieuwde) schadegevallen en de aanwezigheid van deze drempels. Vooralsnog geeft dit echter geen aanleiding af te zien van onderhavig planvoornemen.

Drempels in paars, indicatieve begrenzing plangebied in blauw

Verder is van belang dat dwars door het plangebied de zogenoemde Feldbissbreuk loopt, een geologische breuk. Momenteel is meetbaar dat de bodem ten zuiden van de breuk een opwaarste beweging maakt als

bestemmingsplan Victoriapark

53

gevolg van stijgend mijnwater. Ten noorden van de breuk is de bodembeweging nagenoeg nihil. Indien de differentiële zettingen zich op een relatief korte afstand kunnen manifesteren zou er schade aan bebouwing kunnen optreden. Daarom is er een potentieel invloedsgebied rondom de Feldbissbreuk aangewezen waar deze ontoelaatbare zettingsverschillen kunnen optreden.

potentieel invloedsgebied Feldbissbreuk in blauw met ligging plangebied in rood

Het plangebied is gelegen binnen binnen het potentiële invloedsgebied. In het verleden is onder het gehele plangebied is gemijnd. Dat betekent dat het maaiveld ten gevolgen van de steenkolenwinning waarschijnlijk gelijkmatig is gedaald. Schade blijkt met name te ontstaan op de overgang tussen ontginningsgebieden en niet-ontgonnen gebied. Conclusie Gelet op het voorgaande leidt de voormalige steenkolenwinning en de ligging van het plangebied binnen het potentiële invloedsgebied langs de Feldbissbreuk niet tot belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wel vormt deze informatie over de ondergrond een aandachtspunt bij de uitvoering van de constructie van gebouwen.

4.4

Geluid

4.4.1 Wegverkeerslawaai - wettelijk kader De Wet geluidhinder bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder).

54

bestemmingsplan Victoriapark

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van geluidgevoelige objecten (woningen). Het aantal woningen neemt toe ten opzichte van de huidige situatie. Derhalve dient een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd te worden. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. 4.4.2 Wegverkeerslawaai - toetsing Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van diverse wegen rondom het plangebied. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd door Target Advies (d.d. 7 juni 2023, kenmerk 20210050.04), dat als Bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd. Daaruit volgt dat de geluidsbelasting op het plangebied voor geen van de zoneplichtige wegen de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. Dit is aanvullend ook nog eens beoordeeld voor de incidenteel middels toepassing van een afwijkingsbevoegdheid te realiseren vijfde bouwlaag. Uit die aanvulling van Target Advies (d.d. 24 juli 2023, kenmerk 20210050.06, Bijlage 10) blijkt dat ook ter hoogte van die optionele vijfde bouwlaag geen sprake is van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde. Daarmee wordt voldaan aan het bepaalde in de Wet geluidhinder.

4.4.3 Goede ruimtelijke ordening - cumulatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening (goed woon- en leefklimaat) is ook bezien wat de gecumuleerde geluidsbelasting van alle gemodelleerde wegen op de beoogde nieuwe woningen bedraagt. Die bedraagt blijkens de eerder genoemde rapportage van Target maximaal 50 dB. Daarbij kan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen als 'redelijk' worden gekwalificeerd volgens de gebruikelijke methode 'Miedema'. Daarmee is - zeker voor een centrumomgeving, die over het algemeen een hogere geluidsbelastingen kent - sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij een dergelijke geluidbelasting is uitgaande van standaardmaterialen en maatregelen ten aanzien van gevelwering een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. 4.4.4 Goede ruimtelijke ordening - warmtepompen Aangezien onder meer woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen. Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator. De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=d19d9ef3-48d4-4116-8a33-177ec4aee336