CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 87 (bijlage) Regels.pdf

Raadsvergadering 2 november 2021, gemeente BrunssumBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Oostflank; Gemeenteblad 2021/8718.081 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

11.3.1 Aan huis verbonden beroepen De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is onder de volgende voorwaarden toegestaan: a. b. c. d. e. f. g.

h. i.

j. k. l.

de woonfunctie blijft als hoofdfunctie gehandhaafd; de wijziging in gebruik betekent geen uitbreiding van het aantal woningen; de woonuitstraling blijft behouden; het gebruik ten behoeve van beroepsmatige activiteiten beslaat niet meer dan 35% van het bebouwde vloeroppervlak, tot een maximum van 60 m²; het aan huis gebonden beroep wordt uitgeoefend door de bewoner van het pand; de activiteiten leveren geen ernstige c.q. onevenredige hinder op voor de directe woonomgeving en doen geen ernstige afbreuk aan het woonkarakter van de buurt en de woning; detailhandel is niet toegestaan, uitgezonderd ondergeschikte detailhandel en detailhandel in de vorm van webshops, onder de voorwaarde dat het enkel verzending vanuit de woning en geen balieverkoop betreft. Maximaal 10% van de vloeroppervlakte die voor de beroepsactiviteit in aanmerking komt, wordt voor uitstalling gebruikt; horeca is niet toegestaan; het aan huis verbonden beroep wordt uitgeoefend in de hoofdmassa en/of een bijgebouw.

Indien het aan huis gebonden beroep in een vrijstaand bijgebouw wordt uitgeoefend, moet de ontsluiting van dat bijgebouw aan de voorzijde/straatzijde van het perceel plaats vinden; de woning blijft aan het Bouwbesluit 2012 voldoen; de parkeerdruk en/of de verkeersbelasting in het openbare gebied mag niet onevenredig toenemen; raamprostitutie en straatprostitutie, een seksinrichting en/of een escortbedrijf, een coffeeshop, growshop, headshop en/of smartshop, een groothandel van producten die in het maatschappelijk verkeer worden aangeduid als smart-, head- en/of growshopproducten en een belhuis zijn niet toegestaan.

bestemmingsplan Oostflank

35

Artikel 12 12.1

Wonen - Woonwagenstandplaats

Bestemmingsomschrijving

12.1.1 Doeleinden De voor 'Wonen - Woonwagenstandplaats' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maximaal 6 standplaatsen voor wonen in woonwagens en bijbehorende verzorgingsunits; met daaraan ondergeschikt: 1. 2. 3.

tuinen, erven en groenvoorzieningen; ontsluitings- en parkeervoorzieningen ten behoeve van de toegelaten functies; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

12.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende bepalingen van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 12.2

Bouwregels

12.2.1 Algemeen Op de voor 'Wonen - Woonwagenstandplaats' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. b. c. d. e. f. g. h.

6 standplaatsen ten behoeve van woonwagens, en de daarbij behorende bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen. per standplaats mag slechts één woonwagen worden geplaatst; de oppervlakte van bijgebouwen mag maximaal 18 m2 per standplaats bedragen; een standplaats mag voor ten hoogste 85% worden bebouwd, met inbegrip van de geplaatste woonwagen; de goothoogte van de woonwagen en bijgebouwen mag ten hoogste 3,50 meter bedragen; de woonwagen en de bijgebouwen mogen plat of met een kap van ten minste 30° en ten hoogste 60° worden afgedekt; de afstand van de woonwagen tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 2.00 meter te bedragen. Bijgebouwen dienen in of minimaal 1,50 meter uit de zijdelingse perceelsgrens te worden gebouwd; bijgebouwen dienen 3,00 meter achter de voorgevel te zijn gelegen.

12.2.2 Overige regels met betrekking tot bebouwing Binnen het bestemmingsvlak mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de bouwhoogte voor de voorgevelrooilijn niet meer dan 1.00 meter en achter de voorgevelrooilijn niet meer dan 2,00 meter mag bedragen. 12.3

Specifieke gebruiksregels

12.3.1 Strijdig gebruik a. Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van bouwwerken voor: 1. afzonderlijke bewoning, indien het een vrijstaand bijgebouw betreft; 2. bedrijfsmatige werk- en/of opslagruimte, waaronder de opslagruimte voor explosie- en brandgevaarlijke goederen en stoffen; 3. detailhandel en/of groothandel; 4. recreatieve en/of horecadoeleinden;

36

bestemmingsplan Oostflank

b.

5. opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het in 12.1 toegestane gebruik; Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden anders dan voor: 1. groenvoorzieningen; 2. ontsluiting; 3. parkeervoorzieningen.

bestemmingsplan Oostflank

37

Artikel 13 13.1

Leiding - Hoogspanningsverbinding

Bestemmingsomschrijving

13.1.1 Doeleinden De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van een bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en voorzieningen, met een belemmeringenstrook van 20 meter aan weerszijden van de hartlijn van de verbinding. 13.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 13.2

Bouwregels

13.2.1 Bouwwerken Op de voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a.

b.

bouwwerken ten behoeve van een hoogspanningsverbinding, waarvan de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen, uitgezonderd masten, waarvan de bouwhoogte maximaal de bouwhoogte van de bestaande masten mag bedragen; bouwwerken ten behoeve van de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande, op basis van de voor deze gronden geldende andere bestemmingen toegestane bouwwerken, waarbij de oppervlakte en bouwhoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

13.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 13.2, ten behoeve van het bouwen van gebouwen of andere bouwwerken, geen gebouw zijnde op de voor 'Leiding Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden, met dien verstande dat: a. b. c. d.

de belangen en de veiligheid van de in artikel 13.1 bedoelde hoogspanningsverbinding niet worden geschaad; geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de bedrijfsveiligheid van de artikel 13.1 bedoelde hoogspanningsverbinding; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder; bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende bestemming.

13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 13.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. b.

38

het aanbrengen of verwijderen van hoogopgaande beplantingen en bomen; het aanleggen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

bestemmingsplan Oostflank

c. d.

e. f.

het indrijven van voorwerpen in de bodem; het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend ontgronden, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen, veranderen van het maaiveldniveau of de weghoogte en aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het opslaan van goederen.

13.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 13.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden: a. b. c. d.

die verband houden met de aanleg van de betreffende ondergrondse/bovengrondse hoogspanningsleiding; die reeds in uitvoering zijn op het moment van het van kracht worden van het plan; die overeenkomstig een verleende omgevingsvergunning mogen worden verricht; die het normale onderhoud ten aanzien van de verbinding en de belemmerde strook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen.

13.4.3 Toepassingscriteria De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 13.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien: a. b.

de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig schaden; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder over de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.

13.4.4 Voorwaarden a. Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.4.1 kunnen door het bevoegd gezag gelet op de waarborging van de belangen als bedoeld in 13.1.1 en 13.4.3 voorwaarden worden verbonden. b. Bij de afwegingen omtrent het verbinden van voorwaarden aan de vergunning betrekt het bevoegd gezag het advies van de leidingbeheerder als bedoeld in 13.4.3 sub b.

bestemmingsplan Oostflank

39

Artikel 14 14.1

Waarde - Archeologie hoog

Bestemmingsomschrijving

14.1.1 Doeleinden De voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 14.1.2 Bestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen (dubbel)bestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 14.2

Bouwregels

14.2.1 Bouwverbod Op de voor 'Waarde - Archeologie hoog' bestemde grond mag niet worden gebouwd. 14.2.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 14.2.1 is niet van toepassing indien: a. b.

c. d.

14.3

het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Afwijken van de bouwregels

14.3.1 Afwijken ten behoeve van grotere bodemingrepen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 14.2.1 mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

14.3.2 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

40

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

bestemmingsplan Oostflank

14.3.3 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 14.3.2, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 14.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d.

het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

14.4.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 14.4.1 is niet vereist indien: a. b. c. d. e.

f.

de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven / booronderzoek); de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt; de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; het voor 'Verkeer' aangewezen gronden betreft die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat en het betreft: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen tot een diepte van 1,5 meter, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; 2. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren tot een breedte van 1 meter; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tot een diepte van 1,5 meter.

14.4.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 14.4.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;

bestemmingsplan Oostflank

41

b. c.

schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

14.4.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

14.4.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 14.4.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 14.5

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

14.5.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen. 14.5.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 14.5.1 is niet vereist indien: a. b. c.

de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

14.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.5.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

14.5.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b.

42

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen;

bestemmingsplan Oostflank

c.

de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

14.5.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 14.5.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.

bestemmingsplan Oostflank

43

Artikel 15 15.1

Waarde - Archeologie laag

Bestemmingsomschrijving

15.1.1 Doeleinden De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 15.1.2 Bestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen (dubbel)bestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 15.2

Bouwregels

15.2.1 Bouwverbod Op de voor 'Waarde - Archeologie laag' bestemde grond mag niet worden gebouwd. 15.2.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 15.2.1 is niet van toepassing indien: a. b.

c. d.

15.3

het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Afwijken van de bouwregels

15.3.1 Afwijken ten behoeve van grotere bodemingrepen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 15.2.1 mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

15.3.2 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

44

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

bestemmingsplan Oostflank

15.3.3 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 15.3.2, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d.

het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

15.4.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 15.4.1 is niet vereist indien: a. b. c. d. e.

f.

de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven / booronderzoek); de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt; de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; het voor 'Verkeer' aangewezen gronden betreft die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat en het betreft: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen tot een diepte van 1,5 meter, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; 2. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren tot een breedte van 1 meter; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tot een diepte van 1,5 meter.

15.4.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 15.4.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;

bestemmingsplan Oostflank

45

b. c.

schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

15.4.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

15.4.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 15.4.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 15.5

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

15.5.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen. 15.5.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 15.5.1 is niet vereist indien: a. b. c.

de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

15.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.5.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

15.5.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b.

46

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen;

bestemmingsplan Oostflank

c.

de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

15.5.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 15.5.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.

bestemmingsplan Oostflank

47

Artikel 16 16.1

Waarde - Archeologie middelhoog

Bestemmingsomschrijving

16.1.1 Doeleinden De voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 16.1.2 Bestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen (dubbel)bestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 16.2

Bouwregels

16.2.1 Bouwverbod Op de voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' bestemde grond mag niet worden gebouwd. 16.2.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 16.2.1 is niet van toepassing indien: a. b.

c. d.

16.3

het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 2.500 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 2.500 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Afwijken van de bouwregels

16.3.1 Afwijken ten behoeve van grotere bodemingrepen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 16.2.1 mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

16.3.2 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

48

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op

bestemmingsplan Oostflank

het terrein van de archeologische monumentenzorg. 16.3.3 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 16.3.2, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d.

het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

16.4.2

Uitzonderingen

Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 16.4.1 is niet vereist indien: a. b. c. d. e.

f.

de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven / booronderzoek); de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 2.500 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 2.500 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt; de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; het voor 'Verkeer' aangewezen gronden betreft die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat en het betreft: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen tot een diepte van 1,5 meter, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; 2. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren tot een breedte van 1 meter; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tot een diepte van 1,5 meter.

16.4.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 16.4.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

bestemmingsplan Oostflank

49

a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

16.4.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

16.4.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 16.4.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 16.5

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

16.5.1

Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen. 16.5.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 16.5.1 is niet vereist indien: a. b. c.

de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 2.500 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 2.500 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

16.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.5.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

16.5.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

50

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;

bestemmingsplan Oostflank

b. c.

de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

16.5.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 16.5.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.

bestemmingsplan Oostflank

51

Artikel 17 17.1

Waarde - Archeologie zeer hoog

Bestemmingsomschrijving

17.1.1 Doeleinden De voor 'Waarde - Archeologie zeer hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 17.1.2 Bestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen (dubbel)bestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 17.2

Bouwregels

17.2.1 Bouwverbod Op de voor 'Waarde - Archeologie zeer hoog' bestemde grond mag niet worden gebouwd. 17.2.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 17.2.1 is niet van toepassing indien: a. b.

c. d.

17.3

het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 100 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Afwijken van de bouwregels

17.3.1 Afwijken ten behoeve van grotere bodemingrepen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 17.2.1 mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

17.3.2 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

52

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op

bestemmingsplan Oostflank

het terrein van de archeologische monumentenzorg. 17.3.3 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 17.3.2, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie zeer hoog' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d.

het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

17.4.2

Uitzonderingen

Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 17.4.1 is niet vereist indien: a. b. c. d. e.

f.

de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven / booronderzoek); de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 100 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt; de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; het voor 'Verkeer' aangewezen gronden betreft die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat en het betreft: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen tot een diepte van 1,5 meter, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; 2. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren tot een breedte van 1 meter; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tot een diepte van 1,5 meter.

17.4.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 17.4.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

bestemmingsplan Oostflank

53

a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

17.4.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

17.4.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 17.4.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 17.5

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

17.5.1

Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie zeer hoog' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen. 17.5.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 17.5.1 is niet vereist indien: a. b. c.

de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 100 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

17.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.5.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

17.5.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

54

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;

bestemmingsplan Oostflank

b. c.

de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

17.5.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 17.5.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.

bestemmingsplan Oostflank

55

Artikel 18 18.1

Waterstaat - Beschermingszone primair water

Bestemmingsomschrijving

18.1.1 Doeleinden De voor 'Waterstaat - Beschermingszone primair water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming, beheer en onderhoud van primaire wateren overeenkomstig de Keur van het Waterschap Limburg. 18.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 18.2 Bouwregels Boven of op de tot 'Waterstaat - Beschermingszone primair water' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van deze bestemming worden opgericht. 18.3

Afwijken van de bouwregels

18.3.1 Oprichten bouwwerken Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 18.2 ten behoeve van het oprichten van bouwwerken binnen de beschermingszone, mits: a. b. c.

56

het belang van het primaire water niet onevenredig wordt geschaad; bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende bestemming; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de het waterschap.

bestemmingsplan Oostflank

Hoofdstuk 3 Artikel 19

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

bestemmingsplan Oostflank

57

Artikel 20

Algemene bouwregels

20.1 Aangrenzende terreinen Het is verboden enig terrein of perceel zodanig te bebouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein, bouwvlak of perceel een toestand zou ontstaan, die aldaar niet meer met de regels van dit bestemmingsplan zou overeenstemmen, of voor zover er reeds aldaar een afwijking van de regels bestaat, zodanig te bebouwen, dat deze afwijking zou worden vergroot. 20.2 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door: a. b.

tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 meter; andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 meter.

20.3 Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten of afwijkende situering a. Voor een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de bestemmingsplan overeenkomstig een daarvoor verleende vergunning aanwezig is, in uitvoering is of gebouwd kan worden en dat ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de situering, afstands-, hoogte-, inhouds- en/of oppervlaktematen afwijken van hetgeen in Hoofdstuk 2 in de bouwregels van de betreffende bestemming is bepaald, geldt dat: 1. voor zover de in de bouwregels voorgeschreven maximale maten worden overschreden, de betreffende afwijkende maten als ten hoogste toelaatbaar worden beschouwd; 2. voor zover niet wordt voldaan aan de in de bouwregels voorgeschreven minimale maten, de betreffende afwijkende maten als ten minste toelaatbaar worden beschouwd; 3. voor zover de situering van die bebouwing afwijkt van de voorgeschreven situering die voortvloeit uit de bouwregels, die situering als in overeenstemming met het bestemmingsplan wordt geacht; b. In geval van herbouw is het onder a. bepaalde uitsluitend van toepassing indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt en er geen vergroting van het bouwvolume plaatsvindt. 20.4 Parkeren a. Bij het bouwen van bouwwerken op grond van het bepaalde in dit plan dient op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd en vervolgens in stand te worden gehouden. b.

Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (december 2018). c. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning maximaal 25% afwijken van het bepaalde onder a en b, mits: 1. wordt aangetoond wordt dat de van toepassing zijnde norm niet haalbaar is; 2. de parkeerbalans in de directe omgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed. 20.5 Berging en infiltratie van hemelwater a. Bij het bouwen van bouwwerken op grond van het bepaalde in dit plan dient op eigen terrein te worden voorzien in een voorziening van voldoende omvang voor de berging en eventueel infiltratie van hemelwater afkomstig van de betreffende bebouwing en bijbehorende verhardingen. b. Er wordt voorzien in een voorziening van voldoende omvang indien de capaciteit is afgestemd op een neerslaggebeurtenis van 50 mm, bij een buiduur van twee uur. c. In afwijking van c.q. in aanvulling op het bepaalde onder b geldt dat géén lozing op oppervlaktewater mag plaatsvinden, indien niet wordt voorzien in een voorziening met een capaciteit die is afgestemd op een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050, wat wil

58

bestemmingsplan Oostflank

d.

zeggen 80 mm, bij een buiduur van twee uur. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder b en daarmee toestaan dat wordt voorzien in een voorziening van afwijkende omvang en/of op een andere locatie dan op eigen terrein, mits: 1. wordt aangetoond dat geen (grond)wateroverlast in de omgeving zal ontstaan; en 2. wordt aangetoond dat de voorziening redelijkerwijs niet op eigen terrein kan worden gerealiseerd, indien de aanvraag betrekking heeft op het realiseren van een voorziening anders dan op eigen terrein.

bestemmingsplan Oostflank

59

Artikel 21

Algemene gebruiksregels

21.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken: a. b. c. d. e.

60

een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; opslagplaats voor goederen niet ten dienste van de ter plaatse geldende bestemming; uitstalling-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en/of verblijfsmiddelen; permanente bewoning van niet voor bewoning bestemde gebouwen of ruimten; een gebruik van gronden en bouwwerken voor raamprostitutie en straatprostitutie, een seksinrichting en/of escortbedrijf, een coffeeshop, growshop, headshop en/of smartshop, een groothandel van producten die in het maatschappelijk verkeer worden aangeduid als smart-, head-, en/of growshopproducten en een belhuis.

bestemmingsplan Oostflank

Artikel 22

Algemene aanduidingsregels

22.1 geluidzone - vliegverkeer a. de gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - vliegverkeer' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de geluidsbelasting van het vliegverkeer; b. in afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk 2 mogen ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone vliegverkeer' geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen worden gebouwd. 22.2 luchtvaartverkeerszone a. de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'luchtvaartverkeerszone - 110' tot en met 'luchtvaartverkeerzone - 220 m' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de bescherming en instandhouding van een invliegfunnel; b. op of in de tot luchtvaartverkeerszone aangewezen gronden mag de hoogte van bouwwerken en andere objecten niet meer bedragen dan: 1. 110 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 110 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 2. 120 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 120 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 3. 130 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 130 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 4.

140 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 140 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 5. 150 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 150 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 6. 160 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 160 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 7. 170 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 170 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 8. 180 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 180 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 9. 190 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 190 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 10. 200 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 200 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 11. 210 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 210 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels; 12.

220 meter boven N.A.P ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 220 m', met inachtneming van de op grond van dit plan ter plaatse geldende overige regels. 22.3 veiligheidszone - gasontvangstation a. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - gasontvangstation' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de bescherming van het gasontvangstation. b. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - gasontvangstation' zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. 22.4 vrijwaringszone - straalpad a. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor een straalverbinding; b. In afwijking van het in dit plan bepaalde voor de binnen het plan voorkomende bestemmingen, mag niet

bestemmingsplan Oostflank

61

c.

hoger worden gebouwd dan 20 meter ten opzichte van het maaiveld. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in het tweede lid voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits daarmee de werking van c.q. het belang van instandhouding van het straalpad niet in overwegende mate wordt geschaad en daarover vooraf advies wordt gevraagd aan de beheerder van de straalverbinding.

22.5 vrijwaringszone - weg a. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen als reserveringszone met het oog op een eventuele toekomstige verbreding van een provinciale weg. b. In afwijking van het in dit plan bepaalde voor de binnen het plan voorkomende bestemmingen, mogen ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg' geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van: 1. tijdelijke bouwwerken als bedoeld in artikel 5.16 eerste lid, onder a van het Besluit omgevingsrecht; 2. een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

62

bestemmingsplan Oostflank

Artikel 23

Algemene afwijkingsregels

23.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan, mits hierdoor geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken, een omgevingsvergunning verlenen voor: a. b.

c.

d.

e.

het afwijken van de in dit bestemmingsplan voorgeschreven maten (waaronder percentages) met maximaal 10%; de bouw van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, mits deze bouwwerken geen grotere goothoogte dan 3 meter en geen grotere oppervlakte dan 50 m² hebben; de bouw van straatmeubilair en andere bouwwerken, die om waterstaatkundige of verkeerskundige redenen noodzakelijk zijn, zoals duikers of keermuren, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 meter bedraagt; de bouw van andere bouwwerken ten dienste van het ontvangen en zenden van radio- en televisiesignalen, mits deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de bouwhoogte niet meer dan 15 meter bedraagt; overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken, dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits deze overschrijdingen niet meer bedraagt dan 3 meter en het bouwvlak met niet meer dan 10% wordt vergroot.

bestemmingsplan Oostflank

63

Artikel 24 24.1

Overige regels

Voorrangsregels

24.1.1 Voorrang dubbelbestemming In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming gaat het belang van de dubbelbestemming voor. 24.1.2 Onderlinge relatie dubbelbestemmingen Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt: a. b. c. d. e. f.

64

in de eerste plaats de regels van de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'; in de tweede plaats plaats de regels van de bestemming 'Waterstaat - Beschermingszone primair water'; op de derde plaats de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie zeer hoog; op de vierde plaats de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie hoog; op de vijfde plaats de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog'; op de zesde plaats de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie laag'.

bestemmingsplan Oostflank

Hoofdstuk 4 Artikel 25

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

25.1 Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 25.2 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=40d71abe-f4f9-47e7-a05a-6fdcbdab8219