CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 3 (bijlage) Begeleidend schrijven, ruimtelijke onderbouwing, ontvangen 14-9-2023___202366880__

Commissie Ruimte en Techniek 16 januari 2024, gemeente BrunssumBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van herontwikkeling Komeetstraat 25a-29 Ringstraat 5c, 2024/316.987 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

externe afstemming met de waterpartners en de maatschappij, van dit planinitiatief is hier van toepassing en wordt verder op ingegaan. De perceeleigenaar is volgens de Waterwet primair verantwoordelijk voor de verwerking van het op zijn perceel vallende hemelwater door het in de grond of in oppervlaktewater te verwerken. De perceeleigenaar mag geen handelingen verrichten waarvan hij kan verwachten dat deze het doelmatige functioneren van (water)voorzieningen belemmeren. Deze primaire verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar geldt vooral in nieuwe situaties. Bij (ver)nieuwbouw is de initiatiefnemer gebonden aan het volgen van de Watertoets. Bij nieuwbouw dient de particulier het overtollig hemelwater altijd gescheiden van het afvalwater aan te bieden. Conclusie: Binnen de aangegeven wettelijke- en beleidskaders en aanvullende regelingen is een watertoets opgesteld voor het planinitiatief. In hoofdstuk 4, paragraaf 10 Is deze verder uitgewerkt. De resultaten van deze toets zijn verwerkt in het ontwerp.

Pagina 26

03.04.05.| Archeologie Brunssum is een gemeente met een rijk verleden met veel archeologische vindplaatsen. In het kader van de erfgoedwet heeft zij samen met andere Parkstadgemeenten acties ondernomen om een bescherming van het culturele erfgoed te waarborgen (zie : Beleidsnota Archeologie Gemeente Brunssum, gemeenteblad d.d. 29 juni 2022). Een van deze acties is het gezamenlijk opstellen van een gedetailleerde archeologische verwachtingsen beleidskaart. Daarnaast heeft zij met de andere gemeenten in Parkstad een regio archeoloog aangesteld. Hiermee is kennis en deskundigheid op Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in huis. Het archeologische beleid heeft tot doel, haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van gemeenschappelijk geheugen en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Conclusie: Het bouwinitiatief volgt het wettelijke kader, het beleidskader en het stappenplan bij de vergunningsaanvraag. In paragraaf 11 van hoofdstuk 4 is een verdere onderbouwing gegeven voor de vrijgave van de locatie door de regionale archeoloog.

03.04.06.| Notitie Welstand Het doel van het welstandsbeleid is het streven naar het behoud en het versterken van de (beeld)kwaliteit van de bebouwing in Brunssum in het algemeen en die van het beschermd dorpsgezicht en monumenten in het bijzonder. Vastgelegd in de Welstandsnota 2015 d.d. 20 januari 2015. Voor de historische wijken gaat het daarbij om het beschermen van de belangrijke karakteristieken en de zorg dat nieuwe ontwikkelingen daarop verantwoord aansluiten en voortbouwen. Historisch besef en conservering van bestaande kwaliteiten hoeven vernieuwing niet in de weg te staan. Voor een levensvatbare toekomst van de gebouwde omgeving is het noodzakelijk dat eigentijdse, creatieve ideeën ten aanzien van stedenbouw en architectuur ook worden toegelaten. Hierbij dient echter steeds zorgvuldig de relatie met de bestaande situatie en karakteristiek voorop te staan. Een aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen (ook wel kort ‘bouwaanvraag’ genoemd) wordt o.a. getoetst aan het bestemmingsplan en aan de welstandsnota. Conclusie: In de voorbereidingen van dit plan is meerdere keren overleg geweest met de commissie Welstand van de gemeente Brunssum. De commissie Welstand heeft reeds op hoofdlijnen ingestemd met het voorliggende plan.

03.04.07.| Coalitie-akkoord voor de raadsperiode 2022-2026 De coalitiepartijen in de gemeente Brunssum verwoorden hun visie op de verdere ontwikkeling van Brunssum op het thema Wonen, mobiliteit en leefomgeving: …….’Een bijdrage leveren aan het vlot trekken van de woningmarkt’………‘We zorgen voor passende en betaalbare woonruimte voor iedereen, als onderdeel van een aantrekkelijke woon- en leefomgeving waarin, samen met wijkbewoners, ook aandacht is voor de verdere ontwikkeling van de kwaliteit van (openbaar) groen en verkeer & mobiliteit’….. …..Extra aandacht verdient de herstructurering van ‘de kop van Treebeek’ (omgeving Horizonstraat/Komeetstraat)…….. Conclusie: Het voorliggende plan draagt bij aan de realisatie van het coalitie-akkoord.

Pagina 27

04.| Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst. 04.01.| Parkeren De uitkomsten van het onderzoek van bureau Kragten uit Roermond, d.d. 9 juni 2023 – zie bijlage DD-1 tm 3 luiden als volgt en maken deel uit van deze ontwikkeling: Met het programma van de beoogde ontwikkeling van 79 woningen, bestaande uit 40 zorgwoningen appartementen en 39 levensloopbestendige aanleunwoningen, is aan de hand van de parkeernormen van de gemeente Brunssum (conform de parkeernota) de parkeerbehoefte van het plan berekend. Volgens de parkeernormen uit de parkeernota dienen er 67 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Met 63 te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein kan de parkeerbehoefte op eigen terrein ingepast worden. Op basis van de parkeernota dienen er vier parkeerplaatsen elders opgelost te worden, omdat deze niet op eigen terrein inpasbaar zijn. Het beroep op de openbare ruimte is marginaal. In de directe omgeving is er voldoende parkeerruimte geconstateerd (zie parkeertellingen). Er is overleg gaande tussen de gemeente Brunssum en ontwikkelaars over de nadere invulling van de parkeerbehoefte. 04.02.| Geluid Voor de inpassing van het aspect Geluid is een onderzoek verricht door het bureau Cauberg Huygen b.v.

in het rapport “Woonzorgcomplex Komeetstraat 25-29 in Brunssum; onderzoek geluidemissie omgeving” Referentie 09916-57944-03 d.d. 10 juli 2023 – zie bijlage EE welke integraal deel uitmaakt van deze ontwikkeling. 04.02.01.| Toetsingskader Bij de beoordeling van de geluiduitstraling wordt onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte geluidhinder. Onder directe geluidhinder wordt die hinder bedoeld die ontstaat ten gevolge van activiteiten op of in de directe nabijheid van het inrichtingsterrein. Onder indirecte hinder wordt die hinder bedoeld die ontstaat ten gevolge van het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt. Voor het beoordelen van de optredende geluidniveaus wordt het Activiteitenbesluit en de systematiek van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gevolgd. De beoordelingssystematiek volgens de VNG- publicatie is daarbij leidend. 04.02.02.| Onderzoek Bij een nieuw of bij afwijking van het bestemmingsplan wordt getoetst aan het gestelde in de VNGpublicatie “Bedrijven en milieuzonering”. In dat kader zal ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het geluid als gevolg van alle relevante geluidbronnen inzichtelijk gemaakt worden. Om de ruimtelijke inpasbaarheid te beoordelen, wordt aangesloten bij de VNG-publicatie. Deze geeft per bedrijfscategorie een “veilige” afstand voor het milieuaspect geluid, de zogenaamde richtafstand.

De VNG- richtafstanden zijn afhankelijk van de bedrijfsactiviteiten en de gebiedstypering. Deze heeft betrekking op al het geluid dat aan het initiatief is toe te kennen (inclusief menselijk stemgeluid). De richtwaarde voor de aan te houden afstand is van toepassing tussen de perceelgrenzen van de inrichting en de gevels van de geluidgevoelige bestemming. Er is sprake van een ‘goede ruimtelijke ordening’ indien aan de richtwaarde voldaan wordt. Indien niet aan de richtafstanden voldaan wordt, dan is nader onderzoek nodig om vast te stellen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen ‘rustige woonwijk/rustig buiten- gebied’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is gedefinieerd als een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Een gemengd gebied is

Pagina 28

gekenmerkt als een gebied met matige tot sterke functiemenging, waarbij direct naast woningen andere functies dan wel hoofdinfrastructuur voorkomen. In onderhavige situatie is sprake van een ‘rustige woonwijk'. 04.02.03.| Conclusies Uit de toets van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus volgt dat voldaan wordt aan de grenswaarden volgens stap 2 van de VNG-publicatie voor het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Daarmee wordt tevens voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. Uit de rekenresultaten betreffende de maximale geluidniveaus (pieken) blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden volgens stap 2 van de VNG-publicatie voor het gebiedstype ‘rustige woonwijk’ in de dag- en nachtperiode. In de avondperiode daarentegen voldoen de optredende piekniveaus niet aan een stap 2 besluit, maar wel aan een stap 3 besluit voor een rustige woonwijk. Hiermee wordt wel voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. De overschrijdingen in de avondperiode worden veroorzaakt door het sluiten van een portier van een auto op de parkeerterreinen. Een stap 3 besluit kan geaccepteerd worden door het bevoegd gezag mits gemotiveerd wordt waarom deze hogere geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel is. Onderdeel van deze motivatie betreft het respecteren van de binnengrenswaarde (in de woning) van 55 dB(A) etmaal- waarde als gevolg van piekgeluiden.

Uitgaande van een standaard geluidwering van de gevel van 20 dB(A) voor de bestaande woningen, wordt het maximaal toegestane binnenniveau gerespecteerd. Uit de rekenresultaten blijkt tot slot dat het geluidniveau als gevolg van de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder) voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de VNG en de Circulaire indirecte hinder. Volgens de beoordelingssystematiek is er dan geen sprake van indirecte hinder. De gecumuleerde geluidbelasting MKMetmaal ten gevolge van wegverkeers- en industrielawaai bedraagt ten hoogste 59 dB volgens de methode Miedema. Het geluidniveau op de gevels van de bestaande woningen varieert van klasse ‘goed’ tot klasse ‘matig’. De optredende geluidniveaus vanwege weg- verkeerslawaai dragen hoofdzakelijk bij aan de gecumuleerde geluidbelasting, en veroorzaken met name de kwaliteitsklasse redelijk tot matig. De geluidbijdrage van het nieuwe woonzorgcomplex draagt amper bij aan de cumulatie van het omgevingsgeluid. Uitgangspunt hierbij is dat het geluidbronvermogenniveau van de installaties op het dak niet meer mag zijn dan de waarden opgenomen in paragraaf 3.3.4. Hierbij is geen rekening gehouden met het voorziene (halfopen) scherm rondom de warmtepomp en een eventuele nachtverlaging.

Geadviseerd wordt om bij de verdere planuitwerking, wanneer het installatieconcept voor de nieuwbouw vastgelegd is, ook aandacht te besteden aan de geluiduitstraling van de installaties naar de eigen zorgwoningen. Op basis van voorgaande beoordeling wordt een ruimtelijke inpassing mogelijk geacht en is er ter plaatse van de omliggende bestaande woningen sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat.

Pagina 29

04.03.| Luchtkwaliteit 04.03.01.| Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).

Figuur 10: PM10 kaart Plan bureau voor de Leefomgeving

Pagina 30

04.03.02.| Conclusie Het project draagt, gezien de kleinschaligheid, ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging, zodat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving (2022) bedraagt de concentratie PM10 in het gebied 14-16 µg/m³, en is de concentratie NO2 ter plaatse 10-15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast zal door voortschrijdende voertuigtechnologie de luchtkwaliteit in de toekomst naar verwachting nog verder verbeteren. Er is geen sprake van (dreigende) normoverschrijding. Het voorgenomen plan is hiermee goed inpasbaar en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

Figuur 11: NO2-kaart Planbureau voor de Leefomgeving

Pagina 31

04.04.| Bedrijven en milieuzonering 04.04.01.| Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen’. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. 04.04.02.| Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

04.04.03.| Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. 04.04.04.| Analyse en conclusie Het naastgelegen complex van de firma Emma Shoes wordt herbestemd door de gemeente Brunssum tot een woningbouwlocatie. De woningen vormen geen functie die gezoneerd dient te worden ten opzichte van omliggende woningen. De functies komen namelijk overeen. Derhalve wordt geconcludeerd dat de woningbouwontwikkeling geen milieu hygiënische hinder ondervindt van andere functies. Het project is in het kader van milieuzonering dan ook zonder belemmering mogelijk. Andersom hebben de woningen ook geen negatieve consequenties voor de omliggende functies omdat dichterbij die functies reeds bestaande woningen zijn gelegen. De beoogde ontwikkeling is hiermee goed passend in de bestaande en veranderende omgeving.

Pagina 32

04.05.| Geur agrarisch 04.05.01.| Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Het landelijk geurbeleid is grotendeels gedecentraliseerd en kent als centrale uitgangspunt het voorkómen van nieuwe hinder. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen welke mate van geurhinder acceptabel wordt geacht voor de beoogde functie. Deze afweging dient per ontwikkeling te worden gedaan, tenzij lokaal een eigen beleidskader voor geurhinder is vastgesteld. De gemeente Brunssum heeft geen eigen beleidskader voor geurhinder. De provincie Limburg heeft in 1996 de nota "Provinciaal Geurhinderbeleid voor de doelgroep bedrijven" vastgesteld, welke primair is bedoeld voor vergunningverlening in het kader van de Wet milieubeheer; in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) uit 2006 is voorts aangekondigd dat een geurhindersystematiek zal worden uitgewerkt voor de ruimtelijke ordening, doch deze is tot op heden niet vastgesteld. 04.05.02.| Analyse en conclusie In de omgeving rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven of veehouderijen gelegen.

Er wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden afstanden tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten als woningen. Vanuit het aspect geurhinder bestaan geen belemmeringen tegen het planvoornemen.

Pagina 33

04.06.| Kabels en leidingen Blijkens de geldende bestemmingsplannen, beheersverordeningen en leidinggegevens van de Gasunie en Waterschapsbedrijf Limburg liggen in de gemeente Brunssum enkele leidingen en kabels (zowel ondergronds als bovengronds). Deze leidingen en kabels zijn voorzien van een planologische beschermingszone, waarbinnen nieuwe ontwikkelingen niet mogelijk zijn c.q. getoetst moeten worden op uitvoerbaarheid door de leidingbeheerder. Het besluitgebied bevindt zich niet in de nabijheid van dergelijke leidingen. De herstructurering heeft derhalve geen effect op de aanwezige kabels en leidingen. 04.07.| Externe veiligheid 04.07.01.| Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: - lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico.

Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Pagina 34

04.07.02.| Onderzoek 04.07.03.| Risicokaart Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniak-installaties, LPG-tankstations enz. In de directe omgeving van de beoogde locatie voor de nieuwe woningen liggen geen inrichtingen die vanuit het Besluit externe veiligheid inrichtingen planologisch beschermd moeten worden t.b.v. de beoogde ontwikkeling. Er zijn derhalve geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid.

Figuur 12: uitsnede risicokaart Zuid-Limburg

04.07.04.| Conclusie Het projectgebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour. Er vindt geen onevenredige verslechtering plaats van het groepsrisico. Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de herstructurering als geheel en de realisatie van de woningen in het bijzonder.

Pagina 35

04.08.| Ecologie 04.08.01.| Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermings-bepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. 04.08.02.| Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

04.08.03.| Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het

Pagina 36

Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. 04.08.04.| Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; - soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);3737 - soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);3737 - andere soorten (artikel 3.10).3737 Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

04.08.05.| Gebieden Uit de kaarten ‘Beschermingszones natuur en landschap’ en ‘Natuurbescherming’ behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het projectgebied en omgeving niet als een waardevol groen of landschappelijk element is aangeduid. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Brunssumerheide op circa 4 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. 04.08.06.| Effectenindicator Het ministerie van LNV heeft een effectenindicator gemaakt waarmee de mogelijke effecten van ruimtelijke ingrepen op natuurgebieden indicatief inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Voor woningbouw in de nabijheid van de Brunssumerheide geeft de effectenindicator de volgende mogelijk verstorende effecten weer.

Pagina 37

04.08.07.| Oppervlakteverlies Van oppervlakteverlies is in dit geval geen sprake, aangezien het woningbouwproject buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied wordt gerealiseerd. 04.08.08.| Versnippering Van versnippering is in dit geval geen sprake, aangezien het woningbouwproject buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied wordt gerealiseerd. 04.08.09.| Verontreiniging Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. In dit geval kan sprake zijn van een verhoogde stikstofdepositie of fijnstof. 04.08.10.| Verdroging Gezien de schaal van het project en de afstand van de bouw tot het Natura 2000-gebied kan worden gesteld dat van verdrogingseffecten ten gevolge van het project geen sprake zal zijn.

04.08.11.| Optische verstoring Gezien de afstand van het project tot aan het Natura 2000-gebied en de ligging in bestaand stedelijk gebied kan optische verstoring op voorhand worden uitgesloten. 04.08.12.| Mechanische effecten Gezien de afstand van het project tot aan het Natura 2000-gebied en de ligging in bestaand stedelijk gebied kunnen verstorende mechanische effecten op voorhand worden uitgesloten.

Pagina 38

04.08.13.| Stikstofdepositie De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Ten behoeve van de voorgenomen woningbouw heeft SweCo onderzoek verricht met haar rapportage NL23-648800269-55189 van 17-7-2023 (zie bijlage FF) naar de stikstofdepositie als gevolg van de realisatie van de ontwikkeling op de omliggende Natura 2000-gebieden. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de bouw. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden uitsluitend plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van de meest recente versie van het programma Aerius Calculator. Voor de bouwfase op de locatie in Rozenkranskerk in Brunssum zijn nog te weinig gegevens beschikbaar om een goede inschatting te maken van de benodigde inzet van materieel.

In dit onderzoek is daarom bepaald wat de maximale inzet van materieel tijdens de bouwfase kan zijn. In paragraaf 4.1 van het onderzoek van SweCo is de maximale inzet beschreven. Conclusie De effecten van het plan in de gebruiksfase leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol N/ha/jaar. Hiermee zijn significante negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie uitgesloten en is er, voor wat betreft het aspect stikstofdepositie, geen belemmering om het plan vast te stellen.

04.08.14.| Quickscan flora en fauna Om te bezien of er in het plangebied beschermde flora of fauna voorkomt, is er door Bureau Verbeek een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport BR-23.02.01 d.d. 11 mei 2023 is opgenomen in de bijlagen GG. De quickscan heeft tot doel invulling te geven aan de vanuit wetgeving gestelde verplichting onderzoek te verrichten naar de mogelijke effecten van de voorgestane ingreep op beschermde natuurwaarden. Op basis van een globale effectbeoordeling is ook nagegaan in hoeverre de Wet natuurbescherming de voorgenomen ingreep in de weg staat. Tevens zijn algemene aanbevelingen gedaan voor de uitvoering van de werkzaamheden conform de geldende kaders vanuit natuurbescherming. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek opgenomen. Conclusies Aan de hand van de resultaten van het veldbezoek en de gegevens uit de geraadpleegde literatuur is een aantal conclusies getrokken aangaande flora en fauna in het onderzoeksgebied. 1. Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied geen bijzondere natuurwaarden aangetroffen.

Pagina 39

2. Ten aanzien van wettelijk beschermde flora en fauna moet in het onderzoeksgebied worden gerekend met de aanwezigheid van diverse algemene broedvogelsoorten, waaronder mogelijk één soort met jaarrond beschermde nesten, namelijk de Gierzwaluw. Daarnaast kan de aanwezigheid in het onderzoeksgebied van Gewone dwergvleermuis, een of enkele andere vleermuizen, Eekhoorn en Steenmarter niet met zekerheid worden uitgesloten. 3. Wettelijk beschermde soorten vaatplanten, mossen, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en ‘overige ongewervelden’ komen in het onderzoeksgebied niet voor. De effecten van de voorgenomen ingreep op de (mogelijk) aanwezige (streng) beschermde diersoorten zijn verder uitgewerkt in de hoofdstukken 4 en 5 van de rapportage in de bijlage. De volgende (mitigerende) maatregelen worden genomen: • De voorgenomen sloop en nieuwbouw kan doorgang vinden. Wel dient eerst uitsluitsel te bestaan over de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuissoorten (nader onderzoek is opgedragen); • De nieuwbouw biedt mogelijkheden om verblijfplaatsen/nestlocaties die in het geding zijn te mitigeren/compenseren; • Indien er uit het vervolgonderzoek blijkt, dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan is een ontheffing Wet natuurbescherming (straks Omgevingswet) noodzakelijk.

Dit blokkeert de voorgenomen sloop en nieuwbouw niet, maar leidt hoogstens tot bescheiden aanpassingen. De eventuele ontheffingsaanvraag wordt gedaan na de eerste onderzoeksronde. Het project geeft voldoende ruimte voor mitigerende maatregelen; Voor de overige soorten geldt de algemene zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming 04.08.15.| Conclusie Op basis van de bovenstaande onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen negatieve effecten heeft op natuurlijke of ecologische waarden, of anderszins inbreuk maakt op wettelijk beschermde soorten en gebieden. Vanuit dit aspect bestaan er geen belemmeringen tegen het plan.

Pagina 40

04.09.| Bodem 04.09.01.| Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 04.09.02.|

Onderzoek

Er is door Geonius een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied in haar rapportage Rapportnummer MA220730.R01.V1.0 d.d. 26 april 2023. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage HH. • •

•

•

•

•

•

•

De aanwezige zandlaag onder de klinkerverharding bevat geen van de onderzochte parameters in gehalten boven de achtergrondwaarde (Bbk: “Achtergrondwaarde”). De lemige ondergrond, aan de voorzijde van de gebouwen (westzijde) bevat geen van de onderzochte parameters in gehalten boven de achtergrondwaarde (Bbb: Achtergrondwaarde”). Voor de overige terreindelen zijn in zowel de boven als ondergrond licht tot matig verhoogde gehalten aan diverse zware metalen, PAK en minerale olie aangetoond (Bbk: “Achtergrondwaarde” tot “Industrie”). Ter plaatse van en rondom boring 007 is een sterk verhoogd gehalte aan PAK aanwezig. De omvang van deze sterke verontreiniging bedraagt minimaal 78,4 m3 binnen de grenzen van de onderzoekslocatie. De verontreiniging is mogelijk perceel overschrijdend. Ter plaatse van en rondom boring 012 is een sterk verhoogd gehalte aan zink aanwezig. De omvang van deze sterke verontreiniging bedraagt minimaal 65,5 m3 binnen de grenzen van de onderzoekslocatie. Ook deze verontreiniging is mogelijk perceel overschrijdend. Uit de toetsing van de analyseresultaten aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie) uit het Handelingskader PFAS blijkt dat de kwaliteit van de onderzochte bodem voor de stofgroep PFAS indicatief voldoet aan klasse Achtergrondwaarde.

Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “verdacht” voor de bovengrond deels te worden aanvaard. De hypothese “onverdacht” voor de ondergrond dient deels te worden verworpen. Dit heeft geen consequenties voor de gevolgde onderzoeksstrategie. Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk.

Pagina 41

04.09.03.| Conclusie De vastgestelde bodemkwaliteit voldoet deels niet aan de beoogde bestemming. Dit geldt met name voor de spots van ernstige bodemverontreiniging met zink en PAK. Geadviseerd wordt om, toegespitst op de toekomstige ontwikkeling, een procedure te volgen binnen het Besluit uniforme saneringen (BUS) om op een verantwoorde wijze de bodem geschikt te maken voor de beoogde bestemming, namelijk wonen.

Pagina 42

04.10.| Water 04.10.01.| Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 04.10.02.| Beleid Waterschap Limburg Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterschap is binnen de provincie naast de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder van het watersysteem tevens de beheerder van de waterkeringen. In het waterbeheerprogramma 20222027 zet het waterschap de koers uit voor het toekomstig waterbeheer in Limburg en geeft zij aan hoe zij invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, en voldoende schoon water. 04.10.03.| Keur Om haar taak uit te kunnen voeren kent het waterschap naast haar beleid de keur als regelgeving. De keur is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. De regels gelden voor handelingen, werkzaamheden en veranderingen die worden uitgevoerd of aangebracht in, op of in de nabijheid van waterkeringen, watergangen en kunstwerken. De keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Ten gevolge van de verwachte klimaatverandering zal de neerslagintensiteit toenemen. Hierdoor neemt het risico op wateroverlast toe.

Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt daarom het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er ten gevolge van de aanleg geen extra hemelwater mag worden geloosd ten opzichte van een lozing die vanaf onverhard terrein plaatsvindt. Het lozen van hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak is op grond van de uitvoeringsregel ‘lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak’ dan ook alleen toegestaan als deze niet leiden tot een versnelde afvoer van hemelwater. Bij een lozing als gevolg van de aanleg van nieuw verhard oppervlak dient de initiatiefnemer zodanige infiltratie- en bergingsvoorzieningen te treffen dat een toename van de afvoer op het watersysteem wordt vermeden. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

Pagina 43

04.10.04.| Uitgangspunt verwerking hemelwater De initiatiefnemer is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater dat op zijn perceel (en daarop staande gebouwen en verharding) valt. In het geval niet alles kan worden verwerkt, heeft de gemeente in het kader van haar hemelwaterzorgplicht (Waterwet) de taak het overtollige hemelwater te verwerken. De gemeente kan hieraan specifieke normen stellen m.b.t. de opvangplicht op particulier terrein of verwerkt eventueel zelf het (overtollige) hemelwater. Uiteindelijk mag het (overtollige) hemelwater dat niet is geïnfiltreerd conform de normen van het waterschap m.b.t. het lozen op het watersysteem (gedoseerd) aangeboden worden op het watersysteem dat door het waterschap wordt beheerd. Iedereen (particulieren, bedrijven en gemeenten) die op het watersysteem loost moet aan deze normen voldoen. In het kader van het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) hanteert het waterschap voor de waterparagraaf in de toelichting van bestemmingsplannen een aantal toetsingspunten. Bij de realisatie van een plan dienen de beschreven stappen uit het Keur in acht genomen te worden. 04.10.05.| Gemeente Brunssum Het klimaat is aan het veranderen en leidt tot meer extremere buien. Het (hemel) watersysteem en de afvalwaterketen moet deze neerslag zo goed als mogelijk kunnen verwerken.

Het besef groeit dat dit niet meer uitsluitend met grotere rioolbuizen op te vangen is. Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de watertoets procedure doorlopen te worden. De resultaten hiervan worden uiteindelijk vastgesteld in de waterparagraaf. Hemelwater: Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. Dit is het uitgangspunt van de Waterwet. De gemeente houdt bij de verwerking van hemelwater onderstaande voorkeursvolgorde aan: • hergebruiken; • bergen en infiltreren in de bodem of aanleg van groene daken; • noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratie-voorziening; • lozen naar oppervlaktewater; • geknepen lozen op de riolering. Pas wanneer uit onderzoek blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is mag het hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het overtollig hemelwater altijd gescheiden aan te bieden.

In deze situatie wordt minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we dan minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden.

Pagina 44

Eisen: Bij de watertoets dient gerekend te worden met de navolgende eisen: • Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur. • Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging / infiltratie eis T=25 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 50 mm in 2 uur. • Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui. • Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen. • Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag. • Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden. • Vrijkomend vuilwater (wc’s, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente. Grondwater De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwateroverlast en/of – onderlast. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Ondergrondse verblijfsruimten van panden, in een kelder of een souterrain, moeten volgens de bouwregelgeving waterdicht zijn.

Van de perceeleigenaar verwachten wij dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander; particulier of overheid. Dat geldt ook voor woningen/gebouwen met diepe kelders. Pas wanneer de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollig grondwater, is er een taak voor de gemeente of waterschap. Ook hier geldt dat het water dan gescheiden van het vuilwater aangeboden dient te worden. De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en op de grondwaterkwaliteit zowel binnen als buiten het plangebied. 04.10.06.| Onderzoek Er is door Bureau Beijersbergen (rapport Nieuwe HWA Waterberging d.d. 23 juni 2023 – zie bijlage JJ) een rapportage watertoets opgesteld voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage JJ. 04.10.07.| Conclusie Uit de rapportage is af te leiden dat binnen het plangebied het verhard oppervlak in de toekomst nauwelijks zal toenemen tegenover de huidige situatie. Het totaal van bruto verhard oppervlak komt op 4.191m2 wat een toename is van 260 m2 verharding (6,5%).

Vanuit de categorie ontwikkeling zonder toename van verhard oppervlak hanteert de gemeente een werknorm van 70 m3 per ha op te pakken verhard oppervlak. Dit staat gelijk aan het lokaal verwerken van 7 mm neerslag. Dit resulteert in een uit te werken hydrologische neutrale oplossing van 0,4191 (ha)*70=29,3→30 m3. Voor de uit te werken oplossing van 30 m3 wordt voorgesteld een Wadi te integreren in de uitwerking van de seniorentuin aan de achterzijde. Ten aanzien van het aspect water is dit project goed inpasbaar.

Pagina 45

04.11.| Archeologie 04.11.01.| Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Deze beoordeling is gedaan door Bureau RAAP uit Weesp en vastgelegd in haar rapportage 11 april 2023 met : Titel: Plangebied Komeetstraat 25-29 te Brunssum, gemeente Brunssum; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Versie: 11-04-2023 Auteur: Dr. M.

Verhoeven Projectcode: BRKOM Bestandsnaam: RAAPrap_6407_BRKOM_20230411 Autorisatie: Drs. M. Janssens ISSN: 0925-6229 De gehele rapportage is opgenomen in de bijlage KK en onderdeel van deze ruimtelijke onderbouwing. 04.11.02.| Onderzoek Het plangebied bevindt zich nabij de noordelijke en oostelijke rand van een plateauterras. Vanaf de laatste ijstijden heeft zich hierop door de wind verplaatste löss afgezet. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat er in het plangebied sprake is van een zwaar verstoorde bodem, met alleen in het oosten nog restanten van de B- en/of BC-horizont van een brikgrond, onder een laag colluvium. In of direct nabij het plangebied bevinden zich geen archeologische monumenten of vindplaatsen. De meest nabije archeologische locatie betreft de historische kern van Amstenrade. Divers onderzoek in het kader van de aanleg van de Parkstad Ring (ca. 700 m ten noorden van het plangebied) heeft resten uit diverse perioden opgeleverd, van het midden paleolithicum t/m de nieuwe tijd. Daarbij gaat het om zowel bewoning als infrastructuur. Er geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen van zowel jager-verzamelaars (paleolithicum- mesolithicum) als landbouwers (neolithicum-nieuwe tijd). 04.11.03.| Conclusie Vanwege de verstoorde bodem wordt er nauwelijks tot geen negatieve invloed van de inrichtingswerkzaamheden verwacht.

Derhalve wordt verder archeologisch onderzoek niet zinvol geacht. Dit rapport geeft (selectie)adviezen. De Regioarcheoloog Parkstad, mevrouw Hilde Vanneste, heeft in haar bericht van 9 mei 2023 het plangebied vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling.

Pagina 46

04.12.| Niet gesprongen explosieven (NGE`s) 04.12.01.| Aanleiding De in de Nederlandse bodem aanwezige Conventionele Explosieven (hierna: CE) uit de Tweede Wereldoorlog vormen al jaren een wezenlijk probleem voor onze samenleving. Om risico’s en stagnatie bij grondroerende werkzaamheden te voorkomen is een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van CE noodzakelijk. Het doel van het onderzoek is het opsporen en van CE zodat, binnen het kader van zowel de Arboveiligheid als de Openbare Orde en Veiligheid, grondroerende activiteiten door derden veilig kunnen worden uitgevoerd. 04.12.02.|

Onderzoek

Figuur 13: Bommenkaart uitsnede Brunssum Treebeek

Op basis van de Bommenkaart van Limburg (zie uitsnede) kan geconcludeerd worden dat de locatie geen risico’s op niet gesprongen explosieven bevat. 04.12.03.| Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat het aspect niet gesprongen explosieven geen verdere rol speelt en vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

Pagina 47

04.13.| Duurzaamheid Bij de realisering van de woningen wordt aandacht besteed aan het duurzaamheidsaspect. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan maatregelen om energiezuinigheid te bevorderen en het gebruik van milieuvriendelijke, niet-uitlogende, brandwerende en duurzame (bouw)materialen. De woningen worden gebouwd zonder gasaansluiting en hemelwater wordt grotendeels geïnfiltreerd op eigen terrein. 04.13.01.| Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2.

de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Ten behoeve van de voorgenomen bouw heeft Bureau Beijersbergen een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De initiatiefnemer is voornemens 79 appartementen te realiseren. De appartementen zullen worden verdeeld over de voormalige kerk, nieuwbouw op de te slopen horecalocatie en woning. Voor de volledige inhoud van de m.e.r.-beoordeling wordt op deze plaats verwezen naar de rapportages in de bijlage. Hier wordt volstaan met een belichting van de belangrijkste conclusies. -

-

Uit deze aanmeldnotitie m.e.r. blijkt dat er met de realisatie van het plan geen belangrijke negatieve effecten worden voorzien op de omgeving of het milieu. Gelet op de kleinschaligheid van de geplande herontwikkeling worden er geen nadelige milieueffecten verwacht. Het doorlopen van een m.e.r. procedure en/of formele m.e.r. beoordelingsprocedure wordt niet noodzakelijk geacht. Aan het bevoegd gezag wordt geadviseerd een m.e.r. beoordelingsbesluit te nemen waarin wordt afgezien van het opstellen van een milieueffectrapportage ofwel het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure.

Pagina 48

05.| 5

Afwegingen

05.01.| Belangenafweging/ Relatie met de omgeving De beoogde ontwikkeling heeft gevolgen voor de nabije woonomgeving. Zowel de toename aan bebouwing als het beoogde gebruik, heeft een zeker effect op de omgeving. Hoewel de gemeente deze effecten heeft meegewogen bij haar uitgangspunten, ligt het in de rede hier in de ruimtelijke onderbouwing nader aandacht aan te besteden. Uit de door de initiatiefnemer georganiseerde informatieavond op 15 mei 2023, waarvan de verslagen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing zijn gevoegd (zie bijlage LL), is gebleken dat het plan in de omgeving ‘leeft’ en emotie oproept. Dit vraagt om een zorgvuldige belangenafweging. Een vervolgsessie staat gepland voor 13 september a.s. Hiermee wordt zorgvuldig vorm en inhoud gegeven aan de relatie met de omgeving. 05.01.01.| Bezonningsstudie Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Beleid, wet- en regelgeving Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. De meeste gemeenten hanteren de TNO-norm. Andere gemeenten hebben eigen beleid.

Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. Bezonningsdiagrammen Bezonningsdiagrammen maken inzichtelijk of de bezonning van nieuwbouw op de gevel, tuin, terras, speelplek, etc. voldoende is. Ook geven deze diagrammen inzicht in toename van schaduw op de omgeving door de nieuwbouw op meerdere momenten in het jaar. Bestemmingsplan Als een bestemmingsplan nieuwe bebouwing toestaat moet beoordeeld worden of deze bebouwing effect heeft op de omgeving. Dit kan met een bezonningsdiagram. Hierbij wordt gekeken naar de TNO-normen en de schaduwwerking op tuinen, terrassen etc. De bruikbaarheid van deze plekken mag niet onaanvaardbaar afnemen. Ook bij de nieuwbouw zelf moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit betekent dat de nieuwe tuinen, terrassen, speelplekken, openbare ruimte etc. voldoende zon moeten krijgen. In het bestemmingsplan kan door de wijze van bestemmen van de bouwmassa's en openbare ruimte voorkomen worden dat er onaanvaardbare schaduwwerking optreedt. Ten einde de ontwikkeling te borgen in haar omgeving, heeft bureau SATIJNplus Architecten reeds een bezonningsstudie uitgevoerd, die is bijgevoegd in bijlage MM.

Pagina 49

05.02.| Overwegingen ten aanzien van de bouwmassa De stedenbouwkundige uitgangspunten van de gemeente Brunssum worden gevolgd in dit plan. De commissie Welstand van de gemeente Brunssum deelt de visie van de architect. De Rozenkranskerk als zaalkerk heeft karakteristieke waarde die bewaard blijft. De kerk is in de wijde omgeving zichtbaar door de rechthoekige galmgaten geopende kerktoren. De niet-georiënteerde kerk is axiaal van opzet, met een entree en altaar gecentreerd. Het schip steekt boven de zijbeuk en narthex op en wordt zijdelings ondersteund door steunberen. De kerk opent zich op de verdieping door rechthoekige ramen, ter plaatse van het koor tot op de begane grond. Naast het koor is een sacristie geplaatst met aangrenzend een zij-altaar en kapel. De achtergevel is geheel gesloten. De totale vormgeving van de kerk is sober en doelmatig, met uitzondering van het oksaal, het altaar en de dakconstructie. Deze zijn bijzonder vormgegeven. Voor de Ringstraat blijft de bouwmassa ongewijzigd. De herbestemming van de kerk dient de sacrale beleving en karakteristieke elementen zo veel mogelijk te respecteren. Zonder bestemming zal het behoud van de Rozenkranskerk onder druk komen te staan. De uitbreiding direct aan de kerk gelegen, dient de massa van de Rozenkranskerk te respecteren. De uitbreiding dient ten alle tijden lager dan het schip te zijn.

Dit vertaalt zich in een massa van 3 bouwlagen. De mogelijke nieuwbouw naast de Rozenkranskerk heeft voldoende afstand ten opzichte van de kerk met kerktoren. Hiermee behoudt de kerktoren zijn prominente aanwezigheid en wordt lucht en licht rondom de Rozenkranskerk behouden. De nieuwbouw respecteert eveneens de rooilijn van de kerk. De entree van de uitbreiding/nieuwbouw blijft de hoofdentree van de kerk. Voldoende afstand tussen de Rozenkranskerk en de nieuwbouw voorkomt een te grote aaneenschakeling van massa’s en dus korrel. Een verbinding tussen de kerk en de nieuwbouw houdt voldoende afstand ten opzichte van de toren en de rooilijn, maximaal één bouwlaag hoog en voorzien van een groendak. Het nieuwbouw volume dat via de 1 laagse verbinding in contact staat met de kerk bestaat uit 3 tot 5 bouwlagen aan de Komeetstraat en 4 tot 5 bouwlagen aan het binnen gebied (waar de Rozenhof ook aan gelegen is). Het nieuwbouw volume is qua architectuur verder uitgewerkt. Het metselwerk van de nieuwbouw steekt af bij de kerk, maar sluit aan bij de groene omgeving met witte en bruine accenten op een gele basis, verrijkt met kolensintering als verwijzing naar het mijnverleden. De kerk is opgebouwd uit bruin metselwerk met glas-in-lood ramen in stalen kozijnen met een betonnen kader.

Het nieuwbouwvolume direct grenzend aan de kerk wordt ook opgebouwd in bruin metselwerk, maar onderscheid zich (ton-sûr-ton) in metselwerkverband en textuur. Accenten in de bouwmassa worden aangevuld met betonnen kaders en hedendaagse kozijnen. Omwille van een zorgvuldige overgang respecteert de nieuwbouw eveneens de naastgelegen percelen. Woning 5c zal verdwijnen en respecteert het vrije zicht vanuit de bestaande appartementen (de Rozenhof). Er is aandacht voor de korrelgrootte van de massa’s in aansluiting op de wijk en de Horizonstraat. De groene wig tussen de Horizonstraat en de Komeetstraat wordt gerespecteerd.

Pagina 50

05.03.| Overwegingen ten aanzien van het gebruik De beoogde functiewijziging (van Maatschappelijk en Horeca) naar Wonen (met zorg) wordt ingegeven door het bestrijden van leegstand en bijkomende verloedering. Met deze nieuwe levensloopbestendige functie wordt een substantiële bijdrage geleverd aan de verdere revitalisering en gedifferentieerde woningaanbod in de gemeente Brunssum en specifiek Treebeek. Waardoor de doorstroming in de krappe woningmarkt wordt bevorderd, De effecten op het Sociale Domein zijn evident (langer thuis wonen, voorkomen van sociaal isolement etc). Het beoogde plan bevordert ook de werkgelegenheid in en om het plangebied.

Figuur 14: 3D weergave plan Komeetstraat

Pagina 51

06.| Uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rond grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een explotatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen, tenzij op andere wijze verhaal verzekerd is. De gemeente en Fivente zijn voornemens een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten over het wettelijk verplichte kostenverhaal van de ontwikkeling. Een exploitatieplan is dan niet noodzakelijk. 06.01.| Economische uitvoerbaarheid Conform art. 3.1.6. f Bro heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De beoogde ontwikkeling is een realisatie van een private partij Beijersbergen Wonen en Zorgvastgoed B.V. h.o.d.n Fivente. De gronden ter plaatse van de ontwikkeling komen in bezit van de initiatiefnemer. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de Beijersbergen Wonen en Zorgvastgoed B.V. h.o.d.n Fivente. Waarbij Beijersbergen Wonen en Zorgvastgoed B.V. h.o.d.n Fivente beoogt een marktconforme middenhuur te bereiken die (deels onder) de liberalisatiegrens zal liggen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=a6d6b181-2030-4cb8-83fd-d1a9122bf399