CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 24 (bijlage) WBO Raadhuisstraat_vastgesteld_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 12 juni 2023, gemeente BrunssumBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Raadhuisstraat; Gemeenteblad 2023/2426.705 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg, door te voorzien in kwalitatief hoogwaardige en betaalbare huurwoningen binnen het stedelijk milieu. Hiermee wordt voorzien in de juiste woningen op de juiste plek. Wel dient in verband met de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg in beginsel compensatie van het aantal toe te voegen woningen plaats te vinden. Zoals echter hierna uit paragraaf 3.4.3 volgt, wordt voldaan aan de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021', waardoor compensatie voor dit plan niet aan de orde is. 3.4.3

Beleidsregel ruim baan voor goede woningbouwplannen2021

De nieuwe beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' is door de gemeenteraad van Brunssum vastgesteld op 19 januari 2021. Op grond van deze nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd (door middel van sloop of een financiële bijdrage). Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde; Het plan is planologisch aanvaardbaar; Het plan is (sub)regionaal afgestemd. Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde Voor dit criterium geldt als ruimtelijk uitgangspunt dat een inbreiding boven een uitbreiding gaat. Daarnaast beschikt een plan over een maatschappelijke meerwaarde, als het plan bijvoorbeeld aantoonbaar bijdraagt aan de verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen, wanneer sprake is van herstructurering of vervangingsbouw, of als bestaand waardevol vastgoed wordt hergebruikt middels passende woningbouw. Verder is het van belang dat een plan voorziet in de lokale woonbehoefte. Met onderhavig planvoornemen worden maximaal 52 woningen gerealiseerd op een inbreidingslocatie binnen het bestaand bebouwd gebied.

Deze woningen worden ter vervanging van de sporthal 'Brunnahal' en basisschool 'De Trampoline' gebouwd, waardoor middels herstructurering opnieuw invulling wordt gegeven aan een momenteel braakliggend terrein, hetgeen een positieve bijdrage oplevert voor de leefbaarheid in de kern Brunssum. Door met het planvoornemen te voorzien in (levensloopbestendige) huurwoningen in het segment 'middenhuur' wordt tevens tegemoetgekomen aan de lokale woonbehoefte (zie in dit verband ook paragraaf 3.2.3). Het beoogde plan heeft daarmee een maatschappelijke meerwaarde.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

31

Het plan is planologisch aanvaardbaar In dit verband dient het plan te voldoen aan de systematiek van de 'Ladder van duurzame verstedelijking' (zie paragraaf 3.2.3). Dit betekent dat een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering bevat waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Zoals reeds aangegeven in paragraaf 3.2.3 kan onderhavig planvoornemen worden aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', omdat met dit plan het minimale aantal woningen dat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijk ontwikkeling te worden gekwalificeerd, namelijk 12 woningen, wordt overschreden. Met de realisatie van de 52 woningen is derhalve sprake van het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Dit betekent dat moet worden voorzien in een motivering aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking, waarin is voorzien in paragraaf 3.2.3 van deze toelichting. Daaruit volgt kort gezegd dat met onderhavig planvoornemen invulling wordt gegeven aan de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte.

Ook voor het overige blijkt uit deze toelichting dat wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening en dat het plan daarmee planologisch aanvaardbaar is.

Het plan is (sub)regionaal afgestemd Tenslotte geldt als derde criterium dat een (sub)regionale afstemming dient plaats te vinden waarmee het plan aan de Regionale Woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Ook daaraan wordt voldaan nu de Bestuurscommissie Wonen & Herstructurering heeft ingestemd met het ophogen van het aantal woningen voor dit plan in de Regionale Woningmarktprogrammering.

Conclusie Gezien het voorgaan voldoet onderhavig planvoornemen aan de voornoemde drie criteria: maatschappelijke meerwaarde, planologisch aanvaardbaar en (sub)regionale afstemming. Daarmee valt onderhavig planvoornemen aan te merken als een 'goed woningbouwplan', waarvoor op basis van de (nieuwe) beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' geen compensatieplicht (door middel van sloop of een financiële bijdrage) geldt. 3.4.4 Regionaal woonbeleid In de loop der jaren heeft de regio Parkstad, waaronder dus ook de gemeente Brunssum, het nodige regionale woonbeleid vastgesteld. Zo heeft in december 2009 het Parkstadbestuur de "Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad Parkstad Limburg 2008-2020" vastgesteld, die in januari 2010 door de raden van de Parkstadgemeenten is bekrachtigd. De Herstructureringsvisie geeft inzicht in de gebieden waar in Parkstad Limburg transformatie van de woningvoorraad nodig is, in het licht van de teruglopende en veranderende woningbehoefte, om te komen tot een duurzame ruimtelijke structuur. Per gemeente en voor geheel Parkstad is de transformatie-opgave geformuleerd in de vorm van een ‘envelop’. Deze enveloppen bestaan uit een kwantitatieve en een kwalitatieve transformatieopgave (onttrekkingen ten gevolge van bevolkingsdaling en bouwplannen en vervangingsopgave), zodat de partners gestimuleerd worden om afwegingen te maken.

Van belang is dus dat volgens de Herstructureringsvisie een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden bij het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Voor een meer actueel beeld van het bestendig regionaal woonbeleid is echter de 'Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg' vooral van belang. Vanuit het gestelde kader in de regionale woonstrategie wordt door de Bestuurscommissie Wonen en Herstructurering de regionale

32

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

woningmarktprogrammering vastgesteld voor een bepaalde periode. Deze programmering wordt periodiek geactualiseerd. Met deze regionale woningmarktprogrammering spreken de gemeenten in Parkstad Limburg uit, rekening te houden met elkaars belangen en te streven naar een evenwichtige woningmarkt. De regionale woningmarktprogrammering koppelt kwaliteit aan kwantiteit en is daarmee een belangrijk instrument voor de regiogemeenten. De gemeenten geven met deze regionale woningmarktprogrammering aan welke woningbouwprojecten het best aansluiten bij de huidige marktomstandigheden en hoe in de toekomst met nieuw toe te voegen woningbouwprojecten wordt omgegaan. Hiermee beogen we van de regio Parkstad een aantrekkelijke woonregio te maken. In de regionale woningmarktprogrammering is een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe projecten. In beide gevallen geldt dat er zowel kwantitatieve als kwalitatieve toetsing plaats heeft gevonden. De kwantitatieve toets is voor beiden gelijk, de kwalitatieve toets verschilt. De bestaande projecten zijn vanuit een markttechnisch perspectief getoetst op de locatie van het woningbouwproject en de productmarktcombinatie. Dit heeft erin geresulteerd dat de bestaande woningbouwprojecten kunnen worden verdeeld in de volgende categorieën: Categorie 1: herstructureringsprojecten Categorie 2: goede projecten.

Categorie 3: de juiste plek verdient de juiste woning. Categorie 4: toevoegen, maar tegelijk slopen is essentieel Categorie 5: te veel concurrentie Categorie 0: éénpitters Bij de vraag of een nieuw initiatief kan worden opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering, wordt getoetst aan de transformatieopgave voor het betreffende woongebied waarin dat plan is gelegen. Een nieuw initiatief kan worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering, indien het aantal toe te voegen woningen kleiner dan of gelijk is aan nul (bijvoorbeeld bij een herstructureringsgebied met sloop en vervangende nieuwbouw) óf indien het een project betreft in een woongebied met een verdichtingsopgave met woningen waarin de programmering nog niet voorziet. Voor onderhavig plangebied worden maximaal 52 woningen voorzien op een locatie gelegen in het bestaand bebouwd gebied van de gemeente Brunssum. Deze locatie is vrijgekomen nadat de hier gevestigde sporthal 'Brunnahal' en basisschool 'De Trampoline' zijn gesloopt. Momenteel ligt het terrein al enige tijd braak. Het woningbouwproject valt hiermee in categorie 1: herstructureringsprojecten. Daarnaast is voor het plangebied in de Regionale Woningmarktprogrammering de nieuwbouw van 38 woningen reeds opgenomen, waarover ook regionale afstemming heeft plaatsgevonden.

Door met onderhavig planvoornemen te voorzien in de realisatie van 22 levensloopbestendige woningen en 30 appartementen en voor verhuur aan te bieden binnen het segment 'middenhuur' wordt op gerichte wijze tegemoet gekomen aan de concrete lokale woningbehoefte binnen de gemeente Brunssum. Dat op onderhavige locatie, een inbreidingslocaties binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Brunssum, behoefte bestaat aan betaalbare huurwoningen blijkt uit de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg en een recent uitgevoerd woningbehoefteonderzoek, waarop reeds is ingegaan in paragraaf 3.2.3 van deze toelichting. Met het planvoornemen wordt kortgezegd voorzien in de juiste woningen op de juiste plek en dat is derhalve passend binnen de beleidskaders van Parkstad Limburg. Daarnaast wordt duurzaam omgegaan met de beschikbare ruimte binnen het grondgebied van de gemeente Brunssum, door juist op deze locatie (en niet bijvoorbeeld een locatie in het buitengebied) woningbouw mogelijk te maken. Zoals reeds aangegeven is in de Regionale Woningmarktprogrammering de nieuwbouw van 38 woningen voor deze locatie opgenomen, waarover ook regionale afstemming heeft plaatsgevonden. Bij de periodieke

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

33

actualisatie van de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg is het aantal te bouwen woningen voor onderhavige locatie recentelijk opgehoogd naar 52 woningen.

Conclusie Het planvoornemen past binnen de beleidsmatige uitgangspunten van de Herstructureringsvisie en binnen de Regionale Woningmarktprogrammering Parkstad Limburg, na besluitvorming op de aanpassing van het aantal woningen dat daarin is opgenomen voor onderhavig planvoornemen.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Brunssum In de door de gemeenteraad op 2 november 2009 vastgestelde Structuurvisie staat hoe de gemeente tot het jaar 2025 om zal gaan met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, zoals wonen, ondernemen, wijkvoorzieningen, verkeer en recreëren. Deze visie vormt de richtlijn voor alle toekomstige bestemmingsplannen en afwijkingsmogelijkheden. In de Structuurvisie geeft de gemeente aan welke maatregelen zij zal gaan nemen om de negatieve effecten die gepaard gaan met vergrijzing en ontgroening zoveel mogelijk te beperken. Deze demografische ontwikkelingen hebben namelijk grote gevolgen voor de woningvoorraad, economie en het voorzieningenniveau. Voornoemde maatregelen zijn met name gericht op het behouden en versterken van het woon- en leefklimaat binnen de verschillende wijken van Brunssum en het versterken van ‘schone’ werkgelegenheid, waarbij goede bereikbaarheid en aansluiting op de regionale infrastructuur van groot belang is. De Structuurvisie is voorts opgebouwd uit de 5 thema's: Wonen, Werken, Voorzieningen, Recreatie/natuur/milieu en Verkeer. Hiervan is het thema 'Wonen' van belang voor de ontwikkelingen in het plangebied. De beleidsambities zijn met name gericht op het behouden en versterken van de gemeente als onderscheidende, kwalitatief goede woonplek.

Brunssum moet ook in 2025, mede in het licht van de veranderende demografische omstandigheden, niet alleen een aantrekkende woongemeente zijn, maar ook een gemeente waar goed geleefd kan worden. Ontwikkelingen binnen de woningvoorraad, de werkgelegenheid, de voorzieningen, de sociaal-maatschappelijke structuur, de ruimtelijke structuur, de recreatie en het verkeer dienen met elkaar bij te dragen aan het bereiken van het noodzakelijke en toekomstbestendige woon- en leefklimaat. Het planvoornemen draagt bij aan de leefbaarheid binnen de gemeente Brunssum. Met het beoogde plan wordt immers, naast de geplande woningbouw, ook voorzien in een nieuw aan te leggen park met bijbehorende groenvoorzieningen. Tevens sluit de te realiseren infrastructuur zorgvuldig aan op de bestaande ruimtelijke structuur van de directe omgeving van het plangebied. Door op voornoemde wijze opnieuw invulling te geven aan een nu nog braakliggend terrein wordt een positieve bijdrage geleverd aan de ruimtelijke structuur ter plaatse. Daarnaast wordt met de realisatie van betaalbare huurwoningen tegemoet gekomen aan de lokale woningbehoefte, waardoor het planvoornemen ook een positieve effect heeft op de sociaal-maatschappelijke structuur en woningvoorraad. Het plangebied is overigens in de Structuurvisie Brunssum 2025 aangewezen als verplichte locatie voor de ontwikkeling van woningbouw.

Derhalve wordt met onderhavig planvoornemen voldaan aan deze verplichting uit de Structuurvisie Brunssum 2025.

Conclusie De Structuurvisie Brunssum 2025 levert geen belemmeringen op voor onderhavig planvoornemen, integendeel

34

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

zelfs, het planvoornemen draagt op een positieve wijze bij aan de uitgangspunten en beleidsambities zoals genoemd in de Structuurvisie Brunssum 2025. 3.5.2 Masterplan Brunssum Centrum De gemeente Brunssum heeft in 2008 het Masterplan Brunssum Centrum vastgesteld. Hierin is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie neergelegd voor het centrum van Brunssum. Het doel van het masterplan 'Bruisend Brunssum' is om door middel van herstructurering en herontwikkeling tot een opwaardering van het centrum te komen. Het masterplan kent 12 deelgebieden waar ontwikkelingen zijn voorzien. Elk gebied is herkenbaar door de functie die ze omvat in combinatie met een karakteristieke ruimtelijke structuur. De voor dit plan relevante uitgangspunten van het masterplan zijn: accent op huisvesting van senioren met bijbehorende zorgvoorzieningen (zorgappartementen), maar ook op goedkope huur- c.q. koopwoningen voor starters/jongeren om levendigheid in centrumvoorzieningen te behouden; minder het accent op gezinnen met kinderen; mix in prijsklassen nastreven: voor het aantrekken van starters/jongeren vooral goedkope koopwoningen toevoegen en gemiddelde/goedkope huurwoningen.

Deelgebieden uit het masterplan Brunssum Centrum

De locatie Raadhuis/Dorpstraat wordt expliciet genoemd in het masterplan Brunssum Centrum. In het geldende bestemmingsplan 'Veegplan Centrum' is naar aanleiding van het masterplan al een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het realiseren van maximaal 38 grondgebonden woningen, met bijbehorende voorzieningen. Deze wijzigingsbevoegdheid is echter niet toereikend voor onderhavig planvoornemen omdat wordt voorzien in totaal 52 woningen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet alsnog in de planologische kaders voor die 52 woningen. Daarnaast voorziet onderhavig planvoornemen in de realisatie van 52 woningen, waarvan 22 levensloopbestendige woningen en 30 appartementen. Het betreffen huurwoningen in het segment

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

35

'middenhuur'. Hiermee wordt in lijn met het Masterplan Brunssum Centrum uit 2008 voorzien in betaalbare huurwoningen. Bovendien sluit het plan ook anno 2022 aan bij de meest recente inzichten ten aanzien van vraag en aanbod van woningen in Brunssum, zoals uit voorgaande paragrafen blijkt. Conclusie Onderhavig planvoornemen past binnen het Masterplan Brunssum Centrum, daar de planlocatie expliciet in het masterplan is aangewezen als deelgebied waar ontwikkelingen zijn voorzien. Bovendien sluit het planvoornemen goed aan op de uitgangspunten van het masterplan. 3.5.3 Regionale Woonvisie Parkstad Limburg, onderdeel gemeente Brunssum De Regionale Woonvisie Parkstad Limburg 2017-2021, onderdeel gemeente Brunssum is op 28 juni 2017 vastgesteld en vormt het kader voor het woonbeleid op het regionale niveau voor de Stadsregio Parkstad Limburg en op het lokale niveau voor de gemeente Brunssum. De woonvisie is het integrale beleidsdocument waarin wordt aangegeven hoe de regio en de gemeente samen met de op de woningmarkt actief zijnde partijen, de opgaven op de totale woningmarkt gaan aanpakken. Volgens de vastgestelde kwantitatieve transformatieopgave (2014-2020/2030) zal er - bij ongewijzigde omstandigheden - in 2030 in Brunssum een overschot zijn van circa 600 woningen. Naast een afnemende kwantitatieve behoefte is er ook sprake van een kwalitatieve verschuiving van de vraag.

Het aantal senioren neemt toe, terwijl het aantal jongeren afneemt. Deze vraag splitst zich op in de volgende 3 behoeften: Meer levensloopgeschikte woningen: De vraag naar levensloopgeschikte woningen neemt toe, met name in de huur. Anderzijds neemt de vraag naar koopwoningen in het goedkoopste segment af. In een ontspannende woningmarkt als in Parkstad Limburg is dit het segment waar vraaguitval zich het eerst manifesteert. Meer comfortabele woonruimte: Door meer kleinere huishoudens als gevolg van de vergrijzing groeit de vraag naar ‘comfortabele’ woonruimte. De grondgebonden woning blijkt daarbij het meest gewild in Zuid-Limburg; ook in de vorm van levensloopgeschikte woningen. Met name kleinere eengezinshuurwoningen en huurappartementen, en kleine eengezinskoopwoningen zijn minder in trek. Meer goedkope huurwoningen: Gelet op het passend toewijzen ligt de behoefte in het sociale segment vooral bij woningen die beschikbaar en betaalbaar zijn voor de huurtoeslagdoelgroep. Zij zijn aangewezen op huurwoningen tot de aftoppingsgrenzen. Zoals uit eerdere paragrafen blijkt is er naar de meest recente inzichten voor Brunssum anno 2022, naast goedkope huurwoningen, ook een duidelijke behoefte aan huurwoningen in het middensegment.

De voor dit plan relevante opgave is het toevoegen van levensloopbestendige huurwoningen in het segment 'middenhuur' die kwalitatief aansluiten bij de huidige en toekomstige behoeften van woningzoekenden, zoals gemotiveerd aan de ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 3.2.3 van deze toelichting. Onderhavig planvoornemen past daarmee goed binnen de actuele regionale en gemeentelijke woonvisie.

36

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten

Inleiding

Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In een bestemmingsplan dient aandacht te worden besteed aan eventuele omgevingsaspecten die een rol kunnen spelen. Milieu-aspecten zoals bodem- en grondwaterkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidshinder, geurhinder, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid dienen te worden besproken, maar ook wateraspecten, archeologie en cultuurhistorie en flora en fauna. In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten en het milieubeleid kort behandeld in relatie tot het planvoornemen die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor deze ontwikkeling, van belang zijn.

4.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.2.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). Naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof betreffende de toepassing van drempelwaarden (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08) en de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 is een nieuw Besluit milieueffectrapportage in werking getreden op 1 april 2011. Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D).

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van planvorming plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onderdeel D wijst de activiteiten aan ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit zijn grotendeels dezelfde activiteiten als de activiteiten van onderdeel C, maar een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft: de drempelwaarden die in kolom 2 zijn aangegeven, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Het navolgende heeft betrekking op onderdeel D:

Indien de activiteit (kolom 1) aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt een directe plan-m.e.r.-plicht. Indien sprake is van een activiteit (kolom 1) en een besluit (kolom 4), dan geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, ongeacht of al dan niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 wordt voldaan. Indien de activiteit (kolom 1) niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt geen directe plan-m.e.r.-plicht, maar moet een vormvrije

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

37

m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. De uitkomst van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling luidt: er geldt wel/geen m.e.r.-plicht. Door de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 is de voormalige vormvrije m.e.r-beoordeling voor activiteiten beneden de grenswaarde voor besluiten (kolom 4) vervangen door de m.e.r.- beoordelingsplicht. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r.

is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarde liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term (vormvrije) m.e.r.-beoordeling of wel m.e.r. aanmeldingsnotitie gebruikt. Uit de toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(beoordelings)plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de ((vormvrije)-m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

38

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

4.2.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Echter bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Onderhavig planvoornemen blijft ruim beneden de drempelwaarden, waardoor een informele m.e.r.-beoordeling nodig is. Voor het beoogde planvoornemen is daarom een notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. 4.2.3 Conclusie Uit de beschrijving van de verwachte milieueffecten die op basis van deze toelichting is opgenomen in notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat de realisatie van het planvoornemen niet zal leiden tot belangrijke negatieve milieugevolgen. Op basis van deze beoordeling wordt geconcludeerd dat de beoogde realisatie van maximaal 52 nieuwe woningen, gezien de kenmerken, plaats en potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieueffecten kan veroorzaken die een volwaardige project m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarom op basis van bijgaande notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (Bijlage 1) besloten dat ten behoeve van deze ontwikkeling geen verdere m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen.

4.3

Bodem

4.3.1 Wettelijk kader bodemkwaliteit Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. In 2016 is voorafgaande aan de sloop van de toen aanwezige bebouwing binnen het plangebied een verkennend bodemonderzoek (Royal HaskoningDHV, kenmerk T&PBE5002-101-100R002F01, d.d. 7 maart 2016) uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling. Vervolgens is in 2021 een actualiserend bodemonderzoek (Royal HaskoningDHV, kenmerk BI2204101100MIRP001F01, d.d. 8 oktober 2021) uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Beide onderzoeken zijn opgenomen als respectievelijk Bijlage 2 en Bijlage 3 bij de toelichting.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

39

4.3.2 Toetsing bodemkwaliteit Binnen het plangebied hebben in het kader van het bodemonderzoek verschillende boringen plaatsgevonden. Van de opgeboorde bodem zijn in het laboratorium mengmonsters samengesteld. Bij de samenstelling van deze mengmonsters is rekening gehouden met het maximaal op te mengen aantal deelmonsters, de ligging van de boringen, het aanwezige bodemmateriaal en de aard en hoeveelheid aan bodemvreemde bijmengingen. De analyseresultaten zijn getoetst aan de Circulaire bodemsanering (1 juli 2013) en indicatief aan het Besluit Bodemkwaliteit (BBK). Verder zijn de analyseresultaten getoetst aan de toetsingsnormen uit het tijdelijke handelingskader PFAS (8 juli 2019) voor grond op de landbodem boven grondwaterniveau en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Boven- en ondergrond Uit het bodemonderzoek is gebleken dat in de analytisch onderzochte laag (0,0 - 1,0 m-mv) van de gehele onderzoekslocatie plaatselijk licht verhoogde gehalten zijn aangetroffen voor kobalt, molybdeen en/of PAK (10 VROM). DE PFAS-meetwaarden leiden niet tot een wijziging van de indicatieve classificatie conform het Besluit Bodemkwaliteit: de indicatieve herbruikbaarheid van de onderzochte bodemlaag varieert tussen kwaliteit Altijd toepasbaar en Klasse Wonen.

Asbest Het totale gehalte aan asbest gemeten in een hoeveelheid monstermateriaal wordt bepaald door het gehalte van de verzamelde asbesthoudende materialen (fractie >20 mm, plaatmateriaal) op te tellen bij het gehalte aan asbest in het analysemonster (fractie <20 mm). In onderhavig onderzoek zijn geen asbesthoudende materialen aangetroffen. Tevens is asbest analytisch niet in de onderzochte analysemonsters van de laag 0,0 - 0,5 m-mv aangetroffen. Grondwater Binnen de locatie is op het laagst gelegen deel van het terrein grondwater binnen 5,0 m-mv aangetroffen. In het grondwater is enkel een licht verhoogd gehalte aan molybdeen aangetroffen. Nader onderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat geen aanleiding om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. 4.3.3 Conclusie bodemkwaliteit Resumerend kan worden gesteld dat ondanks de verhoogde concentraties in de boven- en ondergrond en het grondwater deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen vormen voor de beoogde herinrichting van het terrein en het gebruik van onderhavig plangebied ten behoeve van woondoeleinden. 4.3.4 Voormalige steenkolenmijnbouw en geologische breuk Feldbiss Op 15 december 2016 heeft het Ministerie van Economische Zaken diverse rapporten over 'Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg' openbaar gemaakt.

Hierin staan mogelijke gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw beschreven. De mogelijke gevolgen zijn ingedeeld in categorieën (EK) van EK1 (relatief hoge kans van optreden), EK2 (relatief gemiddelde kans) tot EK3 (relatief lage kans). In de eerste twee zones is bij ontwikkelingen een nader onderzoek naar de geotechnische situatie noodzakelijk. Indien dat uit het betreffende onderzoek blijkt, dan zijn technische, stabiliserende maatregelen nodig bij een ontwikkeling. Voor de zone EK3 gelden in principe geen verplichtingen of belemmeringen, maar wordt een nader onderzoek of het inwinnen van advies van een deskundige omtrent de beoogde constructie van bebouwing wel geadviseerd. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de concessiegrens van de mijn Emma. Uit de rapportage Na-ijlende

40

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

gevoglen steenkolenwinning Zuid-Limburg, d.d. 31 augustus 2016, opgesteld door Ingenieurbüro Heitfeld Schetelig GmbH volgt dat binnen het plangebied geen gebieden zijn aangeduid met één van voornoemde categorieën (EK1-EK2-EK3). Ook laat het kaartmateriaal bij de rapportage geen opwaartse of neerwaartse boringen zien.

Kaart risicogebieden EK1-EK2-EK3, ligging plangebied met rode cirkel aangegeven

Wel zijn rond het plangebied enkele zogenoemde 'drempels' ingetekend. Dit zijn ongelijkmatige zettingen die zich tijdens het ontginnen van de steenkool aan het oppervlak hebben afgetekend. Een drempel kan een indicatie geven van de mogelijke (in)stabiliteit in de ondergrond. Er wordt momenteel nog nader onderzoek gedaan naar de relatie tussen (hernieuwde) schadegevallen en de aanwezigheid van deze drempels. Vooralsnog geeft dit echter geen aanleiding af te zien van onderhavig planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

41

Drempels in paars, ligging plangebied met rode cirkel aangegeven

Verder is van belang dat dwars door het plangebied de zogenoemde Feldbissbreuk loopt, een geologische breuk. Momenteel is meetbaar dat de bodem ten zuiden van de breuk een opwaarste beweging maakt als gevolg van stijgend mijnwater. Ten noorden van de breuk is de bodembeweging nagenoeg nihil. Indien de diferentiële zettingen zich op een relatief korte afstand kunnen manifesteren zou er schade aan bebouwing kunnen optreden. Daarom is er een potentieel invloedsgebied rondom de Feldbissbreuk aangewezen waar deze ontoelaatbare zettingsverschillen kunnen optreden.

42

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

potentieel invloedsgebied Feldbissbreuk in blauw met ligging plangebied in rood

Het plangebied is gelegen binnen binnen het potentiële invloedsgebied. In het verleden is onder het gehele plangebied is gemijnd. Dat betekent dat het maaiveld ten gevolgen van de steenkolenwinning waarschijnlijk gelijkmatig is gedaald. Schade blijkt met name te ontstaan op de overgang tussen ontginningsgebieden en niet-ontgonnen gebied.

Conclusie Gelet op het voorgaande leidt de voormalige steenkolenwinning en de ligging van het plangebied binnen het potentiële invloedsgebied langs de Feldbissbreuk niet tot belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Wel vormt deze informatie over de ondergrond een aandachtspunt bij de uitvoering van de constructie van gebouwen.

4.4

Geluid

4.4.1 Wegverkeerslawaai - wettelijk kader De Wet geluidhinder bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder). Het planvoornemen voorziet in de realisatie van geluidgevoelige objecten (woningen) binnen de onderzoekszone van de Europalaan, Dorpstraat, Raadhuisstraat en Koutenveld. Derhalve dient een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd te worden. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

43

toetsingskader. 4.4.2 Wegverkeerslawaai - toetsing Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd Door K+ (d.d. 24 maart 2023, kenmerk Rm210895aaA1.teey_02). Het onderzoek is bij deze toelichting opgenomen als Bijlage 4. Voor de wegen Europalaan en Koutenveld geldt dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Voor de Dorpstraat en de Raadhuistraat geldt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden op de gevels van het appartementencomplex, maar de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden. Door K+ is ook bezien of maatregelen aan de bron mogelijk zijn (andere wegverharding). Deze maatregelen stuiten echter op bezwaren van financiële aard en zijn vanuit een oogpunt van praktische uitvoerbaarheid ook niet wenselijk. Dergelijk asfalt slijt namelijk door afremmend en optrekkend verkeer en daarvan is veevuldig sprake vanwege de kruising Raadhuistraat /Dorpstraat. Het treffen van overdrachtsmaatregelen als het realiseren van een geluidscherm of geluidswal is op deze plek overigens stedenbouwkundig niet aanvaardbaar. Gezien het voorgaande kan medewerking worden verleend aan het planvoornemen indien zogenoemde hogere grenswaarden voor wegverkeerslawaai worden vastgesteld, waarin wordt voorzien parallel aan de procedure tot vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoewel wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur geen zone kennen en daarvoor op grond van de wet geluidhinder geen onderzoek c.q. toetsing aan de voorkeursgrenswaarde nodig is, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel bezien of het verkeer dat gebruik maakt van rond het plangebied tot dusdanige geluidsbelasting op het plangebied leidt dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting van deze wegen (Hokkelenbergstraat en Schinkelstraat) op het plangebied bedraagt echter maximaal 25 dB en 31 dB (zonder 5dB aftrek), waardoor op dit punt geen belemmering bestaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening c.q. voor het goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Tot slot is door K+ ook de gecumuleerde geluidbelasting van de wegen samen in beeld gebracht. Die resultaten laten geen dusdanige geluidbelastingen zien dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening, uitgaande van een karakteristieke gevelwering van de nieuwe woningen als vereist op grond van het Bouwbesluit 2012. 4.4.3 Warmtepompen - goede ruimtelijke ordening Aangezien woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen.

Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator. De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de 'stand der techniek' voor wat betreft warmtepompen zich de komende jaren verder zal ontwikkelen, en de geluidshinder die de warmtepompen veroorzaken steeds meer zullen afnemen. Sinds april 2021 zijn in het Bouwbesluit 2012 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen. Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Daaruit volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit - weliswaar een regulering van de geluidemissie van zo'n pomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels. Om die reden is in beeld gebracht wat de cumulatieve gevolgen zijn van het planvoornemen. Daarbij is ingegaan op de resultaten op de omliggende bestaande woningen en de nieuw te realiseren woningen, waarbij wordt uitgegaan van een situatie waarin alle woningen een eigen warmtepomp krijgen.

Voor de grondgebonden woningen zijn bovendien twee scenario's doorgerekend, namelijk een situering van de buitenunit op de eerste en op de tweede bouwlaag. Voor de appartementen is uitgegaan van de meest voor de hand liggende situering van de buitenunits, namelijk op het dak.

44

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

Verder is ook ingegaan op de cumulatieve geluidsbelasting van het wegverkeer en de te realiseren warmtepompen. De resultaten zijn opgenomen in de als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen rapportage (d.d. 24 maart 2023, kenmerk Nm210895abA1.teey_07). Op basis van de berekeningsresultaten van K+ kunnen de resultaten voor wegverkeerslawaai de meeste waarneempunten waarvoor de geluidsbelasting is berekend worden ingedeeld in de classificaties ‘goed’, 'redelijk', dan wel ‘matig’ volgens de methode 'Miedema', bij welke methode aansluiting wordt gezocht als toetsingskader voor de gecumuleerde geluidsbelasting. Een deel van de waarneempunten wordt afgeschermd door de omliggende bebouwing waardoor hier de belasting lager is. Ter plaatse van een beperkt aantal waarneempunten zorgt de hoge belasting ervoor dat de classificatie ‘tamelijk slecht’ toegepast wordt. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat waarnemingspunten 53 t/m 56 betrekking hebben op nabijgelegen bestaande woningen. Als er gekeken wordt naar de classificatie van de gecumuleerde belasting in vergelijking met de classificatie van alleen wegverkeerslawaai treedt er bij de meeste waarneempunten geen verschil op. Bij een gedeelte is de classificatie van de gecumuleerde belasting 1 stap tot 2 stappen slechter, waarbij de gecumuleerde belasting dan is aan te merken als 'redelijk' of 'matig'.

Voor waarnemingspunt 54 geldt dat de classificatie “tamelijk slecht” aan de orde is bij beschouwing van alleen het wegverkeerslawaai, maar dat dit bij beschouwing van de gecumuleerde belasting inclusief warmtepompen op 'slecht' uitkomt. Uit bijlage III bij het akoestisch onderzoek kan worden opgemaakt dat de warmtepompen zorgen voor een verhoging van de gecumuleerde waarde met selchts 0,06 dB wat net zorgt voor de classificatiesprong, maar welke bijdrage verwaarloosbaar is. Het wegverkeerslawaai is in deze situatie maatgevend. Bij de waarneempunten waar een classificatieverschil optreedt liggen de meeste optredende belastingen rond het klasse-overgangspunt. In bijlage IIIa en IIIb bij het onderzoek zijn daarom ter verduidelijking de berekeningstabellen met 2 decimalen opgenomen. Als toevoeging zijn twee kolommen opgenomen. De een na laatste kolom geeft het verschil in classificatie aan tussen wegverkeerslawaai en de gecumuleerde belasting. In de laatste kolom is het verschil tussen de optredende belasting wegverkeerslawaai en de gecumuleerde belasting opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat er door de komst van de warmtepompen op het dak van het nieuwbouw appartementencomplex en op de daken van de grondgebonden woningen er bij de meeste waarneempunten geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van de situatie met alleen wegverkeerslawaai.

Bij de bestaande woningen blijft het woon- en leefklimaat zo goed als ongewijzigd door de komst van de warmtepompen. 4.4.4 Conclusie Gezien het voorgaande vormen de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai en eventuele warmtepompen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Wel is vanwege overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde als gevolg van verkeer over de Raadhuisstraat en Dorpstraat de vaststelling van hogere grenswaarden noodzakelijk, waarin parallel aan de procedure tot vaststelling van dit bestemmingsplan in wordt voorzien.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

45

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Wettelijk kader Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. 4.5.2 Toetsing Pas als een planvoornemen uitgaat van de realisatie van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg zal een plan mogelijk in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging van de omgeving. Met het het bestemmingsplan worden maximaal 52 woningen mogelijk gemaakt en is daardoor als NIBM aan te merken. Daarnaast geldt voor het planvoornemen dat de luchtverontreiniging ten gevolge van het plan wordt veroorzaakt door voertuigbewegingen van en naar het plangebied. Ingevolge de kencijfers van CROW voorziet het planvoornemen in een gemiddelde verkeersgeneratie tussen de 170 en 211 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal (zie ook paragraaf 2.5 Parkeren en verkeer).

46

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

NIBM-tool

Uit de ingevulde NIBM tool blijkt dat het planvoornemen aan te merken is als NIBM uitgaande van de maximale toegestane 52 woningen als nieuwe situatie. Daarnaast was voorheen binnen het plangebied een basisschool en sporthal gelegen waarmee de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie naar verwachting zelfs zal afnemen ten opzichte van de oude situatie situatie. Gezien het voorgaande is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

47

Uitsnede NSL-monitor

Op bovenstaande afbeelding is de ligging van het plangebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van de drie meest nabij gelegen rekenpunten voor de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (rode pijlen) inzichtelijk gemaakt. De jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 zijn als volgt: pijl ten noordwesten van het plangebied: maximaal 15,5 µg/m³ (NO2), 15,3 µg/m³ (PM10) en 8,8 µg/m³ (PM2,5); pijl ten oosten van het plangebied: maximaal 14,3 µg/m³ (NO2), 15,6 µg/m³ (PM10) en 8,9 µg/m³ (PM2,5); pijl ten zuidwesten van het plangebied: maximaal 14,6 µg/m³ (NO2), 15,2 µg/m³ (PM10) en 8,8 µg/m³ (PM2,5). Voor het peiljaar 2030 is de volgende prognose aan jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 gesteld: pijl ten noordwesten van het plangebied: maximaal 9,8 µg/m³ (NO2), 13,0 µg/m³ (PM10) en 7,0 µg/m³ (PM2,5); pijl ten oosten van het plangebied: maximaal 8,0 µg/m³ (NO2), 13,0 µg/m³ (PM10) en 7,0 µg/m³ (PM2,5); pijl ten zuidwesten van het plangebied: maximaal 9,6 µg/m³ (NO2), 12,9 µg/m³ (PM10) en 6,9 µg/m³ (PM2,5). De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m³) en PM2,5 (20 µg/m³) wordt zowel in 2020 als in 2030 niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.

De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

48

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

4.5.3 Conclusie Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Tevens zijn in het kader van de omgekeerde werking ook geen overschrijdingen van de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 te verwachten en zodoende een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang.

De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen.

Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

49

4.6.2 Toetsing Met behulp van de risicokaart kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gemaakt. In navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

Uitsnede Signaleringskaart EV met aanduiding locatie in blauw

Het plangebied is in de figuur blauw omcirkeld. Inrichtingen Op een afstand van circa 0,2 kilometer van het plangebied is zwembad 'De Bronspot' gelegen. Voor het desinfecteren van het zwemwater wordt vaak chloorbleekloog gebruikt, hetgeen opzichzelf geen giftige vloeistof betreft, maar wel veiligheidsrisico's met zich mee kan brengen bij het vrijkomen van chloorgas, wanneer de vloeistof in contact komt met (zout)zuur, en in het geval van brand. Desalniettemin vallen zwembaden niet onder het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) en zijn zwembaden ook niet genoemd in het Registratiebesluit externe veiligheid inrichtingen (REVI), waardoor zwembad 'De Bronspot' niet als zijnde risicovolle inrichting is opgenomen op de risicokaart, en ook geen veiligheidsafstanden vanuit het groeps- en/of plaatsgebonden risico (PR 10-6 risicocontour) gelden. Voorts ligt het invloedsgebied (1% letaal) ingevolge de 'Leidraad risico-inventarisatie gevaarlijke stoffen' op 90 meter vanaf de opslag van natriumhypochloriet, waardoor het plangebied ook niet binnen het invloedsgebied (1% letaal) is gelegen. Het zwembad 'De Bronspot' levert vanuit het oogpunt van externe veiligheid dus geen belemmeringen op voor de realisatie van de woningen.

50

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

Afgezien van het zwembad betreffen de meest nabij gelegen inrichtingen de inrichting 'Van de Moortele', die op een afstand van circa 1,2 kilometer van het plangebied is gelegen. Een tankstation met lpg aan de Echterbaan te Schinveld en de 'Limburgse Urethaan Chemie' aan de Boschstraat zijn op nog grotere afstand van het plangebied gelegen. Gezien voorgaande uitsnede van de signaleringskaart EV reiken de invloedsgebieden van die inrichtingen niet tot aan het plangebied. Derhalve zijn deze inrichtingen niet relevant voor onderhavig planvoornemen. Transport De N274 richting Koningsbosch, gelegen op circa 1,2 kilometer van het plangebied, is op de risicokaart aangeduid als transportroute voor gevaarlijke stoffen, maar enkel in categorie LF1. Het invloedsgebied bedraagt slechts 45 meter, zodat wordt geconcludeerd dat de N274 niet relevant is voor het plangebied. De Buitenring Parkstad (N300) is op geruime afstand (0,8 kilometer) van het plangebied gelegen. Voor wat betreft de Buitenring gaat het voornamelijk om bevoorrading van tankstations en transport van categorieën LF1, LF2 en GF3. De bijbehorende invloedsgebieden bedragen 45 meter voor LF1 en LF2 en 355 meter voor GF3. Daarom is de N300 niet van invloed op het plangebied. Ook de N276 is ook aangemerkt als transportroute, echter zonder opgave van intensiteiten.

Ook uit de meest recente lijst met telgegevens (versie juni 2018) zijn geen telgegevens te herleiden. Voor zover er nog transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over deze weg sinds de aanleg van de Buitenring, zal dit gaan over dezelfde stofcategorieën als voor de Buitenring (LF1, LF2 en GF3). Het grootste invloedsgebied is 355 meter (GF3) terwijl de afstanden tussen het plangebied en de betreffende weg meer dan 1 kilometer bedraagt. Deze weg is daarmee niet van invloed op het plangebied. Buisleidingen De meest nabijgelegen buisleiding bevindt zich op circa 0,9 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het betreft een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie (kenmerk: Z-503-05). Het plangebied is ruim buiten het invloedsgebied van deze buisleiding gelegen (zie uitsnede Signaleringskaart EV). Derhalve is de buisleiding niet relevant voor onderhavig planvoornemen. 4.6.3 Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer¹. a. b. c. d. e.

hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken².

¹ = ‘Leidingen die deel uitmaken van een inrichting’ zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). ² = Onder zgn. ‘leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

51

In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven, en daarmee een belemmering voor het project betekenen. In het straatprofiel van de omliggende wegen (Dorpstraat, Raadhuisstraat en Schinkelstraat) zijn wel de reguliere leidingen voor gas, water, elektra en telefonie/internet gelegen. 4.6.4 Conclusie Het omgevingsaspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen, daar het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van zwembad 'De Bronspot' en ook op geruime afstand van andere inrichtingen, transportroutes en buisleidingen is gelegen. Ook liggen in of nabij het plangebied geen kabels of leidingen die een belemmering voor het planvoornemen opleveren.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Wettelijk kader Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. Deze lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende bedrijfscategorieën weergegeven.

52

bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Raadhuisstraat

Richtafstanden per bedrijfscategorie

Werking handreiking op hoofdlijnen In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. De hieruit voortvloeiende richtafstanden (10 tot 1500 meter) geven een indicatie van de te verwachten milieubelasting. Deze milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Samengevat dient men als volgt te werk te gaan: 1. 2. 3. 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=eb7a730e-e5f5-40cc-8015-d7d204ea477a