CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 21 (bijlage) Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering 12 juni 2023, gemeente BrunssumBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van de herontwikkeling Rumpenerstraat 6-8; Gemeenteblad 2023/2115.726 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

23

M218408.002/FSC

5.2

Bedrijven en milieuzonering Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met het plan mogelijk worden gemaakt en mogen omliggende (agrarische) bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Teneinde te bepalen of een goed woon- en leefklimaat in de nieuw te realiseren woningen aanwezig is, dient bestaande bedrijvigheid in de (directe) omgeving van onderhavig projectgebied te worden beoordeeld. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)’. De directe omgeving van onderhavig projectgebied kan worden gekenmerkt als een gemengd gebied omdat diverse functies, namelijk woon- en bedrijfsfuncties, op korte afstand van elkaar zijn gelegen. Echter, de planontwikkeling vindt plaats op een locatie waar al in 4 wooneenheden gewoond wordt boven een winkelpand.

Dit pand en de woningen grenzen direct aan – en worden omgeven door andere panden waarin eveneens winkelpanden/bedrijven en woningen aanwezig zijn. Met het realiseren van 11 nieuwe wooneenheden binnen het projectgebied veranderen de afstanden tot omliggende winkels/ bedrijven en woningen niet. Het planvoornemen wordt hierdoor dus niet belemmerd. Mogelijke ontwikkelingen van omliggende bedrijven worden ook niet belemmerd door onderhavig planvoornemen, omdat deze al rekening dienen te houden met andere maatgevende gevoelige objecten.

5.3

Bodem Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Binnen onderhavig projectgebied wordt gewoond en is wonen ook toegestaan. Het planvoornemen voorziet ook niet in een gevoeligere functie. Door het planvoornemen wijzigt de bestaande functie (wonen) dus niet. Een bodemonderzoek in het kader van de uitgebreide procedure voor een omgevingsvergunning is derhalve niet noodzakelijk. Wanneer er echter oude fundering verwijderd gaat worden en er opnieuw gefundeerd gaat worden, dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden. De bestaande fundering blijven zitten. Er zal wel grond vrijkomen bij de funderingswerkzaamheden voor de boorpalen, maar waarschijnlijk hoeft er geen grond afgevoerd te worden i.v.m. ophoging van het achterliggend terrein en de hellingbaan. De vrijkomende grond wordt in ieder geval in 1e instantie in depot opgeslagen. Mocht er alsnog grond afgevoerd worden, dan zal hiervoor eerst een Ap04 keuring worden uitgevoerd.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

24

M218408.002/FSC

Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt volledigheidshalve een verzoek ingediend om in de te verlenen omgevingsvergunning een voorwaarde op te nemen dat de benodigde onderzoeken (mits noodzakelijk) pas ingediend mogen worden na de sloopwerkzaamheden en vóór de aanvang van de bouwwerkzaamheden. Dit, omdat de onderzoeken pas uitgevoerd kunnen worden als er gesloopt is.

5.4

Geluid Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Bij onderhavige ontwikkeling zal sprake zijn van geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai.

5.4.1 Wegverkeerslawaai Ten aanzien van alle soorten wegen geldt een geluidszone, die ook wettelijk is vastgelegd in de Wet geluidhinder. Voor de Rumpenerstraat geldt een maximum snelheid van 50 km per uur. Het projectgebied valt binnen de geluidzones van 200 meter loodrecht op deze weg; hierdoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is een akoestisch onderzoek verricht door Aelmans ROM B.V.. De rapportage van het verrichte onderzoek is bijgevoegd als bijlage 1: ‘Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting’. Op grond van dat onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen gedaan.

63 dB 63 dB 63 dB

Dove gevel

Overschrijding voorkeursgrenswaarde 15 dB 14 dB -

-

Aantal appartementen

48 dB 48 dB 48 dB

Hogere waarde

Rumpenerstraat Rumpenerstraat Vijverlaan

Maximale onthefftingswaarde

Weg

Voorkeursgrenswaarde

Wet geluidhinder Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

63 dB 62 dB n.v.t.

9 2 11

Tabel: Conclusies Wet geluidhinder

De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Vijverlaan overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan. De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Rumpenerstraat overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van het bouwplan met maximaal 14 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt echter nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn om de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

25

M218408.002/FSC

Bezwaren m.b.t. overdrachts- en bronmaatregelen Bij overdrachtsmaatregelen wordt bekeken of de geluidoverdracht tussen geluidbron en ontvanger belemmerd kan worden. Het aanleggen van een geluidwal of -scherm ontmoet in de onderhavige situatie echter overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Een afschermende voorziening dient namelijk dicht bij de bron of ontvanger geplaatst te worden, meer dan 2 meter hoog te zijn en kost bovendien afhankelijk van de uitvoering € 500,- tot € 2.000,per meter, waarmee het niet realistisch is dat het bouwplan deze extra kosten kan dragen. Daarnaast zijn er gezien de ligging van de gebouwen ten opzichte van de weg ook bezwaren van stedenbouwkundige aard. Een andere mogelijke overdrachtsmaatregel is het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger. Daar een verdubbeling van deze afstand slechts 3 dB reductie oplevert, is het vergroten van deze afstand niet te kwalificeren als zijnde doeltreffend. Bij bronmaatregelen wordt bekeken of het geluidniveau van de veroorzaker van het geluid gereduceerd kan worden.

Mogelijke maatregelen zijn: - stillere voertuigen: alleen door de ontwikkeling van nieuwe technieken en dus niet realistisch; - verlaging van de maximum snelheid: hierop heeft de initiatiefnemer van het bouwplan geen invloed; - aanbrengen van geluidreducerend wegdek: toepassing van geluidreducerend wegdek ontmoet overwegende bezwaren van financiële aard. Het is vanuit financieel oogpunt niet realistisch dat het bouwplan de extra kosten van € 150,- tot € 300,- per strekkende meter kan dragen. Daarnaast is bij het aanbrengen van een geluidreducerend wegdek nog altijd sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. De te verwachten geluidreductie ligt maximaal rond de 5 dB; Zoals uit bovenstaande blijkt leiden mogelijke overdrachtsmaatregelen of bronmaatregel om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde tot overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, civieltechnische, verkeerskundige en financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht een hogere grenswaarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Cumulatie Wet geluidhinder Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde.

In het onderhavige geval is dit niet aan de orde. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Rumpenerstraat, bedraagt 68 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘slecht’ en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en/of dak.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

26

M218408.002/FSC

Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Tevens beschikt het bouwplan over een geluidluwe gevel/buitenruimte. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bovendien zijn ter plaatse op de bovenverdiepingen al woningen aanwezig. Bij realisatie van de nieuwbouw kan gesteld worden dat dankzij gebruik van de nieuwste technieken de gevelwering niet slechter zal zijn ten opzichte van de huidige situatie. Er zal dus geen verslechtering van het akoestische klimaat plaats vinden. Derhalve wordt realisatie van onderhavig plan mogelijk geacht. Karakteristieke geluidwering van de gevel Grootheid hoogste gecumuleerde geluidbelasting vereist binnenniveau Maximaal benodigde karakteristieke geluidwering (GA;k)

Hoogste waarde 68 dB 33 dB 35 dB

Tabel. Conclusies karakteristieke geluidwering van de gevel

Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. 5.4.2 Onderzoek geluidwering gevel Naar aanleiding van de resultaten uit voorgaand onderzoek (bijlage 1: ‘Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting’, is door Aelmans R.O.M. B.V. een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de geluidwering van de gevel. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3: ‘Akoestisch onderzoek geluidwering gevel’. Doel van dit akoestisch onderzoek is dus te bepalen of de woningen voldoen aan de eisen zoals gesteld in het bouwbesluit met betrekking tot bescherming tegen geluid van buiten. De geluidbelasting op de gevels van appartementen bedraagt conform rapport bijlage 1: ‘Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting’, maximaal 68 dB (exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh) ter plaatse van de voorgevel.

In bijlage 3 van het ‘Akoestisch onderzoek geluidwering gevel’ (bijlage 3) is aangetoond dat de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, tenminste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting en 33 dB. In hoofdstuk 4 van het ‘Akoestisch onderzoek geluidwering gevel’ (bijlage 3) zijn de benodigde voorzieningen en de minimale geluidisolatie weergegeven. Alternatieve voorzieningen zijn mogelijk indien de geluidisolatiewaarden minimaal gelijk zijn aan dein dit rapport vermelde RA-waarden. Uiteraard zullen de geluidniveaus, welke uiteindelijk na realisering in de diverse vertrekken ontstaan, afhankelijk zijn van de noodzakelijk goede uitvoering.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

27

M218408.002/FSC

5.4.3 Cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van de warmtepompen Met betrekking tot de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van de warmtepompen met overige relevante (in dit gevalwegverkeerslawaai) gevelbelasting is nog een aparte memo opgesteld welke als bijlage 4 is bijgevoegd. Hierin is het volgende geconcludeerd: Het verschil tussen de geluidbelasting van de warmtepompen en de geluidbelasting van het wegverkeerslawaai is dusdanig groot op de voorgevel dat het geluid van de warmtepompen als compleet verwaarloosbaar kan worden beschouwd voor de cumulatieve geluidbelasting. Voor de achtergevel geldt dat de geluidbelasting van de warmtepompen en het wegverkeerslawaai dusdanig laag zijn dat zelfs in een worst-case beschouwing er nog ruim voldaan zal worden aan de gestelde normen en bij toepassing van de minimaal vereiste geluidwering van de gevel er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zijnde een binnenniveau van maximaal 33 dB. De conclusies van de cumulatieve geluidbelasting vanwege de warmtepompen en het wegverkeerslawaai veranderen niet ten opzichte van de conclusies behorende bij het rapport wegverkeerslawaai. De eerdere conclusies in het rapport wegverkeerslawaai houden stand. 5.4.4 Conclusie Gelet op vorenstaande hoeft het aspect geluid geen belemmering te vormen voor de beoogde planontwikkeling.

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;  een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit;  een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.

5.5.2 Het Besluit niet in betekenede mate Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

28

M218408.002/FSC

project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van 11 appartementen. Dit aantal ligt ruimschoots lager dan de genoemde 1.500 woningen. Op basis hiervan mag worden geconcludeerd dat onderhavig voornemen NIBM is. Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel, zie hieronder, toont aan dat tot 2.278 extra voertuigen (weekdaggemiddelde en rekenjaar 2023) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer.

Van een dergelijk aantal verkeersbewegingen is vanwege onderhavig project geenszins sprake.

NIBM-tool 2022

Gelet op het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 5.5.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

29

M218408.002/FSC

In casu is geen sprake van het realiseren van een nieuwe hiervoor bedoelde gevoelige bestemming, waardoor het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing is. 5.5.4 Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

5.6

Externe veiligheid In onderhavig geval is sprake van het realiseren van zogenaamd kwetsbare objecten. Zodoende wordt hierna het beleid omtrent externe veiligheid beschouwd en wordt een afweging gemaakt of de ontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid.

5.6.1 Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. 5.6.2 Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf.

Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. 5.6.3 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

30

M218408.002/FSC

5.6.4 Risicovolle bronnen Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico’s, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen, en risicovolle inrichtingen. Uit bestudering van de Risicokaart Limburg blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied (binnen een straal van ca. 370 meter) geen risicovolle bronnen aanwezig zijn. De toename van de personendichtheid ter plekke van de projectlocatie vormt dan ook geen extra risico’s vanuit oogpunt van externe veiligheid.

Uitsnede risicokaart met aanduiding projectgebied.

5.6.5 Conclusies externe veiligheid Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico’s in het kader van externe veiligheid. Het nieuwe gebouw is voorzien van een lift met trappenhuis en een aparte stalen wenteltap (vluchtweg) welke qua brandveiligheid voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Er is dus voorzien in voldoende vluchtwegen. Daar waar noodzakelijk zijn deuren zelfsluitend en zonder sleutel te openen. Bij een eventuele calamiteit is de locatie goed en snel bereikbaar via de Rumpenerstraat, maar ook via de Diepenbrockstraat en de ontsluitingsweg naar het achtergelegen buitenterrein. De locatie kan eveneens ontvlucht worden via de Rumpenerstraat en/of via het achtergelegen buitenterrein en de ontsluitingsroute naar de Diepenbrockstraat. Derhalve kan gesteld worden dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. De planontwikkeling is in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

31

M218408.002/FSC

6 Overige ruimtelijke aspecten Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur/ecologie en duurzaamheid.

6.1

Archeologie Archeologische waarden zijn bij wet beschermd (Erfgoedwet). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen (daaronder tevens begrepen: wijzigingsplannen) betekent dit concreet het volgende:  de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten;  in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. De aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kan langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten. Ter plekke van onderhavige locatie is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3 (hoge waarde)’ van toepassing. In artikel 4.2.1 van de planregels is bepaald dat op de voor ‘Waarde – Archeologie 3 (hoge waarde)’ bestemde grond niet mag worden gebouwd.

Deze hoofdregel is echter niet van toepassing indien het vervanging; vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m2 bedraagt of de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Met onderhavig bouwplan worden de bestaande winkelvloer, kelderwanden en keldervloer gehandhaafd. Daarnaast worden de beoogde bergingen op het maaiveld beoogd waardoor deze niet gepaard gaan met bodemingrepen dieper dan 40 cm. Bovendien ligt de oppervlakte van deze bergingen ruim onder de 250m2. De bouw van het trappenhuis met lift zal mogelijk wel leiden tot een bodemingreep dieper dan 40 cm, maar het mogelijke verstoringsoppervlak ligt hierbij ook ruim onder de 250 m2. Ten behoeve van de infiltratievoorzieningen wordt de bodem ook dieper dan 40 cm onder het maaiveld verstoord, maar ook dan blijft de totale oppervlakte van bodemingrepen onder de 250 m2. Derhalve wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

32

M218408.002/FSC

6.2

Kabels en leidingen Door het projectgebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen met een planologische beschermingszone. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.

6.3

Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.

6.3.1 Verkeersstructuur Onderhavig projectgebied wordt ontsloten via de Diepenbrockstraat. Het bestaande wegennet is zodanig dat het de verkeersstromen als gevolg van de nieuwe wooneenheden probleemloos kan opvangen. 6.3.2 Parkeren Het parkeren vindt plaats op het achtererf op eigen terrein en wordt ontsloten via de Diepenbrockstraat. Volgens de parkeernorm (Parkeernota Brunssum 2022) moeten er 11 x 1 = 11 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Er zijn 12 parkeerplaatsen beoogd, waarvan 1 als algemene parkeerplaats en met een laadpunt voor elektrische auto’s. Er is voldoende indraairuimte voor de parkeerplaatsen, zie ook de draaicurves in de betreffende tekening zoals die ook is bijgevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning. Omdat de voormalige winkelruimte meer verkeer aantrok, mag geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de parkeernorm en er zich dus voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein bevinden, waardoor de parkeerdruk ter plaatse aanzienlijk zal verbeteren.

6.4

Waterhuishouding

6.4.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma2022-2027 (NWP) beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: - waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); - waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater;

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

33

M218408.002/FSC

-

waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

34

M218408.002/FSC

ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal I en W binnen deze budgettaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. 6.4.2 Provinciaal beleid: het Regionaal Waterprogramma Limburg 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 Provincie Limburg is op 17 december 2021 vastgesteld. Uitgangspunt is een robuust en ecologisch gezond watersysteem. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Limburg. Het Waterplan is onderverdeeld in vier deelprogramma’s: 1. Hoogwaterbescherming Maasvallei: Dit programma draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire (de Maas) en het regionale watersysteem. Het motto is als volgt: rivierverruiming waar dat kan, waterkeringen waar het moet. Verder vormt een toekomstig bestendige waterhuishouding het beleidsuitgangspunt; 2. Klimaatbestendig watersysteem: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.

Daarbij let de provincie op de hoeveelheid :goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; 3. Een ecologisch gezond watersysteem: Het waterschap hecht veel belang aan schoon water voor zowel een goed ecosysteem als drinkwater. De kwaliteit van het water wordt steeds beter onderzocht en de opgaven worden natuurinclusiever oppakken; 4. Duurzaam gebruik en bescherming van grondwater: Dit programma draait om de bescherming van drinkwatervoorzieningen en het eerlijk verdelen tussen de gebruikers. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Limburg. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van het waterschap. 6.4.3 Beleid Waterschap: Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Limburg Op 17 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Limburg vastgesteld.

In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: - Hoogwaterbescherming Maasvallei: Dit programma draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire (de Maas) en het regionale watersysteem. Het motto is als volgt: rivierverruiming waar dat kan, waterkeringen waar het moet. Verder vormt een toekomst bestendige waterhuishouding het beleidsuitgangspunt; - Klimaatadaptatie: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

35

M218408.002/FSC

-

-

stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid :goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; Waterkwaliteit en ecologie: Het waterschap hecht veel belang aan schoon water voor zowel een goed ecosysteem als drinkwater. De kwaliteit van het water wordt steeds beter onderzocht en de opgaven worden natuurinclusiever oppakken; Zuiveren en waterketen: Het afvalwatersysteem is circulair en klimaatneutraal. Dit betekent dat het bestaande afvalwatersysteem zo ver wordt doorontwikkeld dat steden uiteindelijk helemaal geen afval(water) meer produceren.

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen en onderverdeeld in werkrichtingen voor de komende jaren. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 6.4.4 Waterbeleid - Gemeente Brunssum De gemeente Brunssum hanteert bij ruimtelijke ontwikkelingen de volgende uitgangspunten. Hemelwater Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. Dit is het uitgangspunt van de Waterwet. De gemeente houdt bij de verwerking van hemelwater onderstaande voorkeursvolgorde aan: 1. hergebruiken; 2. bergen en infiltreren in de bodem of aanleg van groene daken; 3. noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratievoorziening; 4. lozen naar oppervlaktewater; 5. geknepen lozen op de riolering. Pas wanneer uit onderzoek blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is mag het hemelwater worden aangesloten op de riolering.

Hierbij dient de initiatiefnemer het overtollig hemelwater altijd gescheiden aan te bieden. In deze situatie wordt minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we dan minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden. Grondwater De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwateroverlast en/of – onderlast. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Ondergrondse verblijfsruimten van panden, in een kelder of een souterrain, moeten volgens de bouwregelgeving waterdicht zijn. Van de perceeleigenaar verwachten wij dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander; particulier of overheid. Dat geldt ook voor woningen/gebouwen met diepe kelders. Pas

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

36

M218408.002/FSC

wanneer de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollig grondwater, is er een taak voor de gemeente of waterschap. Ook hier geldt dat het water dan gescheiden van het vuilwater aangeboden dient te worden. De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en op de grondwaterkwaliteit zowel binnen als buiten het plangebied. 6.4.5 Situatie projectgebied Het projectgebied is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg. Het verhard oppervlak wordt door de realisatie van het bouwplan niet groter dan het huidige verharde oppervlak. Een wateradvies van het waterschap is derhalve niet noodzakelijk. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige projectgebied wordt hierna uiteengezet. Aanpak afvalwater en hemelwater in het projectgebied Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering. Dat is niet anders dan nu het geval is en vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van dit afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater verhardingen Het hemelwater dat valt op de daken en terreinverharding zal worden opgevangen en worden afgevoerd naar de infiltratievoorziening.

Uit het geohydrologisch bodemonderzoek (bijgevoegd als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning) blijkt dat de waterdoorlaatbaarheid ter plaatse voldoende is en dat infiltratie van neerslagwater mogelijk is. De bestrating is deels uitgevoerd als open bestrating en infiltratie vindt eveneens plaats middels grindpalen/koffers onder het eigen parkeerterrein. Ten behoeve van het hemelwater van de daken en verhardingen wordt voorzien in een infiltratieriool. In de betreffende omgevingsvergunning t.b.v. de betreffende bouwkundige voorzieningen is dit verder uitgewerkt. Capaciteit hemelwatervoorziening Ten behoeve van de capaciteitsberekening dient conform opgave van de gemeente uitgegaan te worden van een neerslaghoeveelheid van 35 mm per m2 verhard oppervlak. De capaciteitsberekening is uitgewerkt in tekening BT-06 welke als bijlage is opgenomen bij de aanvraag omgevingsvergunning en hieronder wordt weergegeven.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

37

M218408.002/FSC

Voorkomen van wateroverlast Ten aanzien van wateroverlast voor derden kan worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn. 6.4.6 Conclusie waterhuishouding Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect waterhuishouding geen onoverkomelijke belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.

6.5

Natuur/ecologie Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op respectievelijk gebiedsbescherming en soortenbescherming.

6.5.1 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), daarnaast zijn volgens de provinciale verordening geen natuurwaarden binnen het projectgebied aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is ‘Brunssumerheide'. Dit betreft een Habitatrichtlijngebied en ligt op ca. 1,4 km afstand ten zuidoosten van het projectgebied.

Omdat stikstofemissie mogelijk een effect kan veroorzaken op Natura 2000-gebieden, dient onderzocht te worden of er voor de planontwikkeling een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming nodig is. Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking, waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot veranderingen van de milieusituatie in de natuurgebieden. Voor onderhavig planvoornemen betreft het de uitstoot van stikstof als gevolg van de realisatie en het gebruik ervan. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist als gevolg van de uitstoot van stikstof tijdens de realisatiefase en het gebruik van de appartementen na de realisatie.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

38

M218408.002/FSC

Derhalve is door Aelmans ROM B.V. een stikstofonderzoek uitgevoerd voor zowel de realisatiefase (incl. sloop) en de gebruiksfase. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 2. Uit de resultaten van het onderzoek naar de invloed van NOx- en NH3-emissie van de realisatie- en gebruiksfase op Natura 2000-gebieden blijkt, dat er als gevolg van de realisatiefase en de gebruiksfase in de nieuwe situatie geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden. Een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is derhalve niet nodig. 6.5.2 Soortenbescherming Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soortenbescherming is eveneens vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming. In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het projectgebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing zal worden verleend.

Standaard geldt voor het projectgebied de algemene zorgplicht zoals die in Wet natuurbescherming centraal staat (artikel 1.11 Wnb). Dit houdt in dat voorafgaand aan een ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met de ontwikkeling en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt ten allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend. In de huidige situatie is het projectgebied geheel bebouwd en in gebruik. Er zijn geen planten of bomen aanwezig binnen het projectgebied. Verblijfplaatsen in bomen en planten van mogelijk beschermde soorten zijn dan ook zeker niet aanwezig. Om te verkennen of er beschermde soorten in het geding zijn, is ook effectenindicator soorten geraadpleegd en ingevuld, zie bijlage 5. De effectenindicator soorten geeft een indicatie voor mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten voor alle activiteiten uit de omgevingsvergunning. Uit de effectenindicator soorten blijkt dat binnen het projectgebied geen beschermde soorten worden verwacht:

Gelet op het stedelijk karakter en het huidige gebruik van de bestaande bebouwing ligt het niet in de verwachting dat ter plekke beschermde soorten flora en fauna voorkomen. Ook blijkt uit de effectenindicator soorten dat er in het projectgebied geen wettelijk beschermde diersoorten worden verwacht. Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van mogelijk beschermde soorten wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

39

M218408.002/FSC

6.5.3 Invloed overige effecten Gelet op de ligging van het projectgebied in het stedelijke gebied van Brunssum en de afstand van het projectgebied tot de Natura 2000- gebieden (ca. 1,4 km), kan gesteld worden dat de overige effecten zoals licht, geluid, vernatting, verdroging, oppervlakteverlies etc., geen nadelige invloed hebben op de Natura 2000-gebieden. 6.5.4 Conclusie natuur/ecologie Gelet op vorenstaande uiteenzetting kan gesteld worden dat het aspect natuur/ecologie onderhavig planvoornemen niet in de weg staat.

6.6

Duurzaamheid Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer, natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen. Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. Het planvoornemen vindt plaats binnen een bestaande locatie aan de Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum, alwaar een verouderd winkelpand met 4 verouderde bovenliggende woningen aanwezig zijn en die ten behoeve van de realisatie van de beoogde planontwikkeling gesloopt worden. Er wordt op een compacte wijze een toekomstbestendige en duurzame invulling gegeven aan een reeds bestaande locatie. Beoogd zijn 11 nieuwe moderne en levensloopbestendige appartementen/wooneenheden welke gasloos worden uitgevoerd.

In verwarming en warm tapwater zal worden voorzien middels luchtwarmtepompen per wooneenheid, omdat hiermee het binnenklimaat en warmwatervoorziening per woning goed en eenvoudig geregeld kan worden. Optioneel zijn verder nog zonnepanelen. Vanuit de BENG zijn deze vooralsnog niet nodig, omdat al aan de normen wordt voldaan. Mochten er alsnog zonnepanelen worden geplaatst, dan geeft dat dus iets extra’s. Er is bewust niet gekozen voor bodemwarmtepompen, omdat de kosten hiervoor te hoog worden en het bovendien lastig uitvoerbaar is. Bovendien hebben bij een storing aan de installatie alle woningen/appartementen er hinder van. Ook komt er geen douche WTW, omdat dit vanuit de BENG eveneens niet noodzakelijk is.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

40

M218408.002/FSC

7 Omgevingsdialoog Ten behoeve van de planontwikkeling hebben gesprekken plaatsgevonden met de zittende huurders en zijn de bewoners inmiddels verhuisd naar andere woningen. Ten aanzien van de omgeving heeft er op 28 november 2022 een bewonersavond plaatsgevonden. Het plan is overwegend positief ontvangen door de bewoners, ondernemers en vastgoedeigenaren.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

41

M218408.002/FSC

8 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

8.1

Grondexploitatie

8.1.1 Algemeen Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel ‘Grondexploitatie’. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.4 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden. 8.1.2 Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken op grond van artikel 6.24 Wro. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).

Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Onderhavige ontwikkeling ziet op sloop van een bestaand winkelpand met bovenliggende woningen en de herbouw ter plaatse van een appartementengebouw met 11 moderne en levensloopbestendige appartementen, waardoor sprake is van een bouwplan. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden:     

het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd; het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden; het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden; het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

42

M218408.002/FSC

opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel. De gemeente Brunssum sluit een anterieure overeenkomst met de initiatiefneemster van het project. Hiermee is het kostenverhaal anderszins geregeld.

8.2

Planschade Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een ontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een ontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van een dergelijke planschadeovereenkomst is, dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een ontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. De gemeente Brunssum sluit een planschadeverhaalsovereenkomst met initiatiefnemer. Eventuele tegemoetkomingen in planschade zijn dan ook niet voor rekening van de gemeente Brunssum.

8.3

Formele procedure

8.3.1 Algemeen De wettelijke procedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen: 1. Openbare kennisgeving van de ontwerpvergunning. 2. Ter inzage legging van de ontwerp omgevingsvergunning met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. 3. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. 4. Vaststelling van de omgevingsvergunning door het bevoegd gezag (gemeenteraad dan wel B&W), indien er zienswijzen naar voren zijn gebracht uiterlijk binnen 6 maanden nadat de aanvraag is ontvangen en indien er geen zienswijzen naar voren zijn gebracht uiterlijk 4 weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. 5. Algemene bekendmaking van de omgevingsvergunning. 6. Mogelijkheid tot beroep bij de rechtbank voor belanghebbende binnen 6 weken na bekendmaking besluit. Voorlopige voorziening bij de rechtbank. Beroep heeft geen opschortende werking. Verzoek om voorlopige voorziening heeft opschortende werking indien ingediend binnen beroepstermijn. 7. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de rechtbank. 8. Uitspraak rechtbank .

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

43

M218408.002/FSC

9. Mogelijkheid tot Hoger beroep bij Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor belanghebbenden binnen 6 weken na bekendmaking uitspraak rechtbank. Voorlopige voorziening bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Beroep heeft geen opschortende werking. Verzoek om voorlopige voorziening heeft opschortende werking indien ingediend binnen beroepstermijn. 10. Uitspraak Afdeling.

8.3.2 Zienswijzen Het ontwerp van voorliggende omgevingsvergunning heeft vanaf …-…-2022 tot en met …-…-2022 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn zijn wel/geen zienswijze ingekomen.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

44

M218408.002/FSC

9 Afweging van belangen en conclusie Initiatiefnemer is voornemens om op locatie Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum het bestaande pand met winkelruimte en 4 bovenliggende woningen (3 bouwlagen) te slopen ten behoeve van de realisatie van 11 nieuwe, moderne en levensloopbestendige appartementen in 4 bouwlagen. Het toevoegen van 7 woningen, 1 extra bouwlaag en het gebruiken van de begane grond voor wonen zijn strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum, 1e herziening’, vastgesteld 14 april 2015. De gemeente Brunssum heeft echter kenbaar gemaakt medewerking te willen verlenen aan het planologisch-juridisch regelen van de beoogde ontwikkeling middels een uitgebreide procedure (omgevingsvergunning handelen in strijd met regels ruimtelijk ordening). Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan dient, gelet op het aangevraagde bouwplan en artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), vergezeld te gaan van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggend document voorziet daarin. Tegen de realisering van het project bestaan vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren, aangezien aan de volgende uitgangspunten c.q. randvoorwaarden wordt voldaan:      

de beoogde planontwikkeling is niet strijdig met het Rijks-, provinciale- en regionale beleid; de beoogde planontwikkeling past binnen het gemeentelijke beleid en voldoet aan de door de gemeente gestelde randvoorwaarden; door de beoogde ontwikkeling treden er geen conflicterende belangen op ten aanzien van bedrijven en woningen in de omgeving; de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid vormen geen beletsel voor de realisatie van het project; het beoogde plan heeft geen negatieve invloed op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding en natuur/ecologie; het kostenverhaal met betrekking tot voorliggende ontwikkeling is verzekerd.

Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat het voornemen niet bezwaarlijk is en in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening.

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

45

M218408.002/FSC

10 Bijlagen 1) 2.1) 2.2) 2.3) 3) 4) 5)

Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Stikstofonderzoek Aeriusberekening realisatiefase Aeriusberekening gebruiksfase Akoestisch onderzoek geluidwering gevel Memo cumulatieve geluidbelasting warmtepompen Effectenindicator soorten

Ruimtelijke onderbouwing Rumpenerstraat 6-8 te Brunssum Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=b28523b3-b3a2-404e-a10a-c7313574b47f