CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 202329950 (bijlage) MvH Ruimtelijk kader definitief tbv vaststelling

Raadsvergadering 27 januari 2026, gemeente BrunssumBij agendapunt: Raadsvoorstel Ruimtelijk Kader Verduurzamen16.813 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

20251201

RUIMTELIJK KADER VOOR HET VERDUURZAMEN VAN BESTAANDE WONINGEN IN BRUNSSUM

Inhoudsopgave Inleiding Verschillende soorten bescherming van gebouwen Leeswijzer Beoordelingsniveaus welstand Overgangsregeling & vaststellen nul-situatie Samenvatting regels verduurzaming

2 3 3 4 5 6

Deel 1: Maatregelen & hardheidsclausule Buitengevelisolatie Gevelopeningen Gevel begroeiing Airco of warmtepomp installaties Dak isoleren Groen dak Nestkasten Zonnepanelen Integrale toetsing haalbaarheid bij beschermd stads- en dorpsgezicht

7 8 - 14 15 - 16 17 18 - 19 20 - 25 26 27 28 29 - 30

Deel 2: Procedure per deelgebied Centrum Linten Mijnwijken Oostenrijkse woningen Jaren ’50/’60/’70/’80 wijken Recente woonbuurten Bedrijventerrein en grootschalige voorzieningen Sport & recreatie Minimale isolatiewaarde & aanbevelingen

31 - 32 33 - 35 36 - 38 39 - 46 47 - 49 50 - 52 53 - 55 56 56 57

Deel 3: Excessenregeling Bronvermelding

58 - 64 65 - 66

SATIJNplus Architecten

Aanvulling op het welstandsbeleid

RUIMTELIJK KADER VOOR HET VERDUURZAMEN VAN BESTAANDE WONINGEN IN BRUNSSUM Inleiding: Een duurzaam karakteristiek Brunssum De gemeente Brunssum heeft samen met de andere gemeenten in Parkstad de wens om in de toekomst energieneutraal te zijn. Dit betekent dat de energie die we nodig hebben ook zelf wordt opgewekt. Hoe we dit willen doen ligt vast in PALET. Dit regionaal beleid wordt vertaald naar lokale opgaven. Naast onze regionale ambities werken we ook aan de opgaven uit het klimaatakkoord. Hoe we onze buurten energiezuinig en aardgasvrij maken ligt vast in de Transitievisie Warmte.

Daarom zijn diverse verduurzamingsmaatregelen bij bestaande gebouwen niet toegestaan zonder vergunning. Echter voor deze verduurzamingsmaatregelen ontbrak tot nu toe een specifiek ruimtelijk toetsingskader.

De gemeente heeft een regierol in de verduurzamingsopgave en vindt het belangrijk om perspectief en handvaten te bieden aan de inwoners van Brunssum. Tegelijkertijd vinden we het van groot belang om het karakteristieke uitstraling van Brunssum te behouden. Dit aanvullende ruimtelijk kader voor woningen is ontwikkeld als aanvulling op de welstandsnota, om deze twee doelen met elkaar te verenigen.

● inwoners ondersteunen: het biedt duidelijkheid aan inwoners over wat wel en wat niet is toegestaan bij verbouwingen en verduurzaming.

Diverse verduurzamingsmaatregelen bij bestaande woningen zijn vergunningsvrij. Maar maatregelen zoals het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde of het plaatsen van warmtepompen, hebben invloed op het uiterlijk en woonkwaliteit van onze huizen en straten.

● de energietransitie versnellen: door verduurzaming te faciliteren zonder afbreuk te doen aan het karakter van Brunssum.

Door het opstellen van concrete welstandsregels voor verduurzamingsmaatregelen kunnen we:

● de kwaliteit van de leefomgeving borgen: er is evenwicht tussen verduurzaming en behoud van de ruimtelijke kwaliteit.

In dit document is het ruimtelijk toetsingskader voor verduurzamingsmaatregelen beschreven.

SATIJNplus Architecten

02

Verschillende soorten bescherming van gebouwen in Brunssum

Brunssum is rijk aan historische architectuur en heeft een karakteristiek straatbeeld. Om deze kwaliteit te beschermen zijn er regels voor het uitvoeren van (ver)bouwwerkzaamheden. Voor beschermde gebieden en monumentale gebouwen gelden extra regels. Verschillende soorten bescherming Gebouwen in Brunssum kunnen verdeeld worden in drie categorieën: 1. Reguliere gebouwen: Alle gebouwen die niet in categorie 2 en 3 vallen. 2. Rijks beschermd stads- en dorpsgezicht: gebouwen gelegen in een gebied met een bijzonder historisch karakter, waar extra regels gelden, zoals de voormalige mijnkoloniën. 3. (Rijks)monumenten: Individuele gebouwen of complexen met een grote historische waarde, waar strenge regels gelden.

Afb. 3 Voorbeeld reguliere woningen

Deze nota richt zich op woningen in de categorieën 1 en 2. In deze beleidsregel wordt met een woning ook een woongebouw en een bij een woning behorend ‘bijbehorend bouwwerk’ bedoeld. Voor (Rijks)monumenten gelden aparte voorwaarden. De beschreven beleidsregels in dit document zijn niet van toepassing op (Rijks)monumenten. Spreekuur van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. Inwoners zijn welkom op het spreekuur van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. Zij kunnen een toelichting krijgen op het welstandsbeleid voor hun wijk of deelgebied, en zo te weten komen welke mogelijkheden er voor bouwplannen zijn. Vervolgens kan men aan de slag om de plannen uit te werken. Leeswijzer In dit document worden de specifieke regels voor de verduurzaming van woningen gedetailleerd beschreven. Het document bestaat uit 3 delen:

Afb. 4 Voorbeeld beschermd stads- en dorpsgezicht

● Deel 1, Maatregelen: Per maatregel worden de regels worden door middel van teksten en afbeeldingen uitgelegd. ● Deel 2, Procedure per deelgebied: Per deelgebied kunnen andere regels van toepassing zijn. In dit deel van het document wordt per deelgebied een overzicht gegeven van de geldende regels en bijhorende procedures voor het uitvoeren van verduurzamingsmaatregelen. ● Deel 3, Excessenregeling: Bouwwerken mogen ‘niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand’. Bij een welstandsexces is er ernstige strijd met redelijke eisen van welstand. In dit deel wordt concreet beschreven wanneer er sprake is van een welstandsexces bij het realiseren van verduurzamingsmaatregelen. Waardoor de gemeente, indien nodig, op kan treden.

Afb. 5 Voorbeeld Rijksmonument

SATIJNplus Architecten

03

Beoordelingsniveaus welstand. Een overzichtelijk systeem. Niet elke (ver)bouwactiviteit is even zichtbaar in het straatbeeld. Het is daarom niet nodig om bij elke (ver)bouwactiviteit de welstandstoets op dezelfde uitgebreide manier uit te voeren. Daarom hanteert de gemeente Brunssum een overzichtelijk systeem. Verschillende niveaus van welstandstoetsing De gemeente hanteert vier niveaus van toetsing, afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden, de categorie van het gebouw en de ligging van het gebouw: 1. Vergunningsvrije activiteiten 1 Mits voldaan wordt aan geldende criteria voor vergunningsvrij bouwen zijn deze activiteiten vrijgesteld van een preventieve welstandstoets. Echter ook vergunningsvrije bouwwerken mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Als dit wel het geval is spreken we over een exces. Voor de verduurzamingsmaatregelen die opgenomen zijn in dit ruimtelijk kader is tevens een excessenregeling uitgewerkt. Hiermee wordt duidelijk gemaakt wanneer er sprake is van een exces. 2.

Vergunningsplichtige activiteiten, ambtelijke toets Voor onderstaande veel voorkomende activiteiten wordt een ambtelijke welstandstoets uitgevoerd: • bijgebouwen en overkappingen; • aan- of uitbouw; • kozijn- en gevelwijzigingen; • dakkapellen; • erfafscheidingen aan openbaar gebied; • rolhekken, luiken en rolluiken; • technische installaties • zonnepanelen (zie de Welstandsnota voor de ambtelijke toetscriteria van bovenstaande activiteiten) • enkele verduurzamingsmaatregelen, zoals beschreven in dit document. Op pagina 6 is weergegeven voor welke verduurzamingsmaatregelen, in welke situatie een ambtelijke toets wordt gehanteerd. Wordt niet voldaan aan de criteria voor de ambtelijke toets dan volgt de standaardprocedure.

Invoegen sfeervolle luchtfoto Brunssum

3. Vergunningsplichtige activiteiten, standaard procedure: Bij de standaard procedure wordt de welstandstoets uitgevoerd door de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. De adviescommissie beoordeelt of de plannen voldoen aan redelijke eisen van welstand en passen in de omgeving. 4. Uitgebreide procedure voor (Rijks)monumenten. Voor (Rijks)monumenten gelden aparte, strengere regels, zie de Welstandsnota gemeente Brunssum. Bij de verduurzamingsmaatregelen beschreven in deel 1 van dit document wordt aangegeven welk beoordelingsniveau (1 t/m 4) van toepassing is en welke voorwaarden daarbij horen. 1. Via het Omgevingsloket kunt u een vergunningcheck doen en controleren of een activiteit vergunningsvrij is of dat u een melding of vergunningsaanvraag moet doen. Diverse verduurzamingsmaatregelen kunnen in de toekomst mogelijk vergunningsvrij worden. Controleer daarom altijd de actuele regels in het omgevingsloket.

SATIJNplus Architecten

04

Overgangsregeling en vaststellen nul-situatie De invoering van het nieuwe Ruimtelijk kader betekent dat de gemeente voortaan werkt met aangepaste uitgangspunten voor de beoordeling van ruimtelijke initiatieven. Dit heeft directe gevolgen voor de uitvoering van taken door het team vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH). Om te waarborgen dat deze taken uitvoerbaar en handhaafbaar blijven, is een overgangsregeling vastgesteld die duidelijkheid biedt over de bestaande situatie en de wijze van handhaving bij invoering van het nieuwe beleid. 1. Vaststelling van de nul-situatie Voor het vastleggen van de nul-situatie zijn tussen 14 en 24 november 2025 straatfoto’s gemaakt door de gemeente. Deze beelden vormen de visuele referentie voor de feitelijke situatie op het moment van inwerkingtreding van het Ruimtelijk kader. De peildatum is gekozen omdat het beleid in concept ter inzage heeft gelegen van 4 september tot en met 16 oktober 2025, waardoor betrokkenen tijdig kennis konden nemen van de voorgenomen regels. Bovendien zijn er geen wezenlijke wijzigingen aangebracht naar aanleiding van de ingediende zienswijzen. Aanvullend worden in februari/maart 2026 luchtfoto’s gemaakt om de nul-situatie verder te documenteren. Deze beelden dienen uitsluitend ter ondersteuning bij de beoordeling en handhaving.

De datum waarop het Ruimtelijk kader is gepubliceerd, geldt als peildatum voor de toepassing van het Ruimtelijk kader. Alle maatregelen die vóór deze datum een vergunning hebben ontvangen, worden beschouwd als onderdeel van de bestaande (vergunde) situatie.

Invoegen sfeervolle luchtfoto Brunssum

2. Overgangsregeling en handhaving Voor maatregelen die zonder vergunning zijn uitgevoerd vóór de peildatum, geldt dat deze nietvergunde situaties ook na de inwerkingtreding illegaal blijven. Afhankelijk van de omstandigheden kan de gemeente besluiten om: •

Handhavend op te treden, of

•

Legaliseringsmogelijkheden te verkennen binnen de kaders van de excessenregeling en het nieuwe beleid.

De uitvoering van deze overgangsregeling en de handhavingsaanpak sluiten aan bij de uitgangspunten van het gemeentelijk handhavingsbeleid.

SATIJNplus Architecten

05

SAMENVATTING REGELS VERDUURZAMINGSMAATREGELEN Procedure per maatregel, per deelgebied. Vergunningsvrij Welke maatregelen vergunningsvrij zijn wordt bepaald door landelijke regelgeving en het omgevingsplan. Bij de inwerkingtreding van dit document zijn de benoemde maatregelen meestal vergunningsplichtig. Dit kan echter veranderen. Controleer daarom altijd de actuele geldende regelgeving via het Omgevingsloket.

Brunssum is verdeeld in verschillende welstandsgebieden. Ieder welstandsgebied heeft zijn eigen karakteristieke kwaliteiten. Om deze kwaliteiten te beschermen gelden voor sommige delen van Brunssum andere eisen en is de procedure van de welstandstoets anders. In onderstaande tabel is voor elk deelgebied, per verduurzamingsmaatregel aangegeven welke procedure van toepassing is. Voor meer informatie over de maatregelen en bijhorende criteria, zie deel 1 van dit ruimtelijk kader (pagina 7 t/m 30). Voor meer informatie over de welstandsgebieden en het beleid per deelgebied en de stedenbouwkundige, architectonische en bouwkundige kenmerken, zie deel 2 van dit ruimtelijk kader (pagina 31 t/m 57).

Overig

Vrijstaand, grondgebonden

2 onder 1 kap woningen

Rijwoningen

Overig

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

2. Gevelopeningen

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

3. Gevelbegroeiing, verticale tuin

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

4. Airco & warmtepomp installaties

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

5. Na-isolatie van het dak aan de buitenzijde

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

6. Groen dak op een hellend dakvlak

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

7. Nestkasten

X

X

X

X

X

X

Hoekwoning

X

Tussen woning

X

Vrijstaand

1. Buitengevelisolatie

Overig

Typologie van het gebouw

Rijwoningen

Gestapeld wonen

6. Recente woonbuurten

2 onder 1 kap woningen

Gestapeld wonen

Vrijstaand, grondgebonden

Vrijstaand, zonder dakkapel of baksteen schoorsteen Vrijstaand, dakkapel en/of baksteen schoorsteen

Gestapeld wonen

5. Jaren ’50/’60/’70/’80 wijken

Vrijstaand

Rijwoningen / Geschakeld Wonen boven commerciële plint

2. Linten

4. Oostenrijk se woningen

Overig

Gestapeld wonen

3. Mijnwijken

Geschakeld

Wonen boven commerciële plint

1. Centrum

Zie pagina 32 voor een kaart van de verschillende welstandsgebieden

Vrijstaand

Maatregelen

Deelgebieden

X

2. Vergunningsplichtige activiteit, standaard procedure 3. Vergunningsplichtige activiteit, ambtelijke toets welstand Individuele aanpak mogelijk

Geen medewerking X

X

X

X

Geen medewerking

X

X

X

X

SATIJNplus Architecten

X

X

X

X

X

Geen medewerking

X

X

X

X

X

X

X

X

Deel 1

Maatregelen 1. Buitengevelisolatie

8 - 14

2. Gevelopeningen

15 - 16

3. Gevelbegroeiing

17

4. Airco- of warmtepomp installaties

18 - 19

5. Dakisolatie

20 - 25

6. Groen dak

26

7. Nestkasten

27

8. Zonnepanelen

28

Integrale toetsing haalbaarheid bij bij beschermd stads- en dorpsgezicht

29 - 30

Hardheidsclausule

Het opstellen van beleid is altijd een momentopname dat gebaseerd is op gevallen die in de praktijk al eens zijn voorgekomen. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij toepassing van het ruimtelijk kader toch niet wenselijk is. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn belangrijke beeldbepalende waarden bij een pand, die verloren kunnen gaan bij toepassing van het ruimtelijk kader, waar in het ruimtelijk kader niet specifiek genoeg rekening mee is gehouden. Ook kan er een toepassing van een verduurzamingsmaatregel ontwikkeld worden die niet past in het beleid, maar waarvan toepassing toch een mooie oplossing kan zijn voor bepaalde situatie. Het moet daarom dan ook mogelijk zijn om gemotiveerd van het beleid af te kunnen wijken. De procedure is dan als volgt: Het betreffende plan wordt voorgelegd aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit / monumentendeskundige en deze beslist gemotiveerd om al dan niet af te wijken van het onderhavige beleid. Daarnaast geeft het ruimtelijk kader criteria voor de meest voorkomende specifieke, reeds beproefde verduurzamings-maatregelen. Daarbij worden maatregelen die geen invloed hebben op het ruimtelijk beeld buiten beschouwing gelaten. Het is denkbaar dat er in de komende jaren nieuwe technieken ontwikkeld worden waarmee het verduurzamen van bestaande woningen eenvoudiger wordt. Het is onmogelijk het beleid hier 100% op voor te bereiden.

Nieuwe maatregelen dienen in de geest van de genoemde maatregelen SATIJNplus Architecten beoordeeld te worden door de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

07

HET ISOLEREN VAN EEN BESTAANDE GEVEL - principes Het isoleren van een bestaande gevel kan op verschillende manieren aangepakt worden. Op hoofdlijnen zijn de volgende methoden te onderscheiden: 1. 2. 3.

Het na-isoleren van de gevel aan de binnenzijde met een voorzetwand Het na-isoleren van de luchtspouw in de gevel Het na-isoleren van de gevel aan de buitenzijde met buitengevelisolatie

Voor alle methoden geldt dat er een zorgvuldige uitvoering dient plaats te vinden. Om de isolatielaag effectief te laten zijn dient deze zo veel mogelijk aaneengesloten en doorlopend over de volledige gevel te zijn. Het na-isoleren heeft in alle gevallen invloed op de vochtbalans, brandveiligheid en geluidswering van de gevel. Bij een verkeerde uitvoering kunnen er koudebruggen ontstaan of kan er schade ontstaan, zoals schimmelvorming, doorslaand vocht of houtrot. Advies door een professionele partij is daarom aan te bevelen.

Afb 7 1. Na-isoleren van een metselwerk wand met een voorzetwand.

De eerste twee methoden voor het isoleren van een bestaande gevel genieten de voorkeur vanuit het welstandsbeleid. Omdat deze niet zichtbaar zijn in het bestaande straatbeeld en daarmee de ruimtelijke kwaliteit niet beïnvloeden, zijn er geen welstandscriteria voor methode 1 en 2. Echter, een luchtspouw is niet in alle gevallen aanwezig waardoor methode 2 niet altijd mogelijk is. Daarnaast kan om uiteenlopende redenen het na-isoleren van de gevel aan de binnenzijde in bepaalde situaties niet wenselijk of niet mogelijk zijn. In dat geval kan het na-isoleren van de gevel aan de buitenzijde met buitengevelisolatie overwogen worden. Afb. 8

2. Na-isoleren van de luchtspouw.

Vergunningsvrij (landelijke regels): Buitengevelisolatie aanbrengen is soms vergunningsvrij, namelijk bij reguliere woningen ter plaatse van: • een achtergevel en zijgevel van een hoofdgebouw, niet gericht naar het openbare gebied • Voor zover gelegen in een achtererfgebied: gevels van bijhorende bouwwerken (bv. garage, aanbouw etc.) • Voor zover de draagconstructie van het gebouw niet gewijzigd wordt. LET OP: het aanbrengen van buitengevelisolatie is het meest effectief als de totale gevel aangepakt wordt. Als het isoleren van een zijgevel ook zichtbaar is in de voorgevel is het niet vergunningsvrij. Afb. 9 3. Na-isoleren aan de buitenzijde.

SATIJNplus Architecten

08

Maatregel 1 BUITENGEVELISOLATIE Beleid: Bij buitengevelisolatie wordt de buitenmuur van een woning omhuld met een isolatielaag. Deze laag zorgt ervoor dat er minder warmte verloren gaat in de winter en dat het binnenshuis koeler blijft in de zomer. Op de isolatie komt een afwerklaag, die het huis beschermt tegen weersinvloeden. De afwerklaag is bepalend voor de architectonische kwaliteit. Het beleid is erop gericht om de uitstraling en het karakter van bestaande woningen te behouden. Buitengevelisolatie is mogelijk indien deze op een zorgvuldige manier wordt aangebracht zodat de architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit behouden blijft. In de volgende pagina’s zijn de welstandscriteria beschreven waarbinnen buitengevelisolatie in verschillende situaties toegestaan kan worden en de bestaande kwaliteit geborgd wordt. Het aanbrengen van nieuwe architectonische elementen of materialen om de uitstraling van een woning te verbeteren is in combinatie met buitengevelisolatie denkbaar. Een dergelijke initiatief wordt beoordeeld alsof het een nieuw plan betreft, conform de algemene welstandsregels van het deelgebied. Welstandscriteria per situatie: Maatregel 1a

Criteria buitengevelisolatie bij reguliere, vrijstaande of samenhangende woningen middels bloksgewijze aanpak. (ambtelijke toets procedure)

Maatregel 1b blokken,

Criteria buitengevelisolatie bij reguliere woningen in samenhangende versnipperde aanpak. (ambtelijke toets procedure)

Maatregel 1c

Criteria buitengevelisolatie bij beschermd stads- en dorpsgezicht. (standaard procedure)

Draagkracht van de constructie: LET OP: de constructie van de gevel moet voldoende sterk zijn om de buitengevel-isolatie te kunnen dragen. Laat dit controleren door een professionele partij. Wijzigingen aan de draagconstructie zijn altijd vergunningsplichtig.

Afb. 10 Voorbeeld beeldherstel restauratie oude Egge.

Beeldherstel: Wanneer men de oorspronkelijke uitstraling van de gevel wil herstellen, spreken we van beeldherstel. Dit houdt in dat de oorspronkelijke historisch uitstraling van de gevel hersteld wordt aan de hand van historische documenten en foto's. De indeling van de ramen en deuren, de kleuren en de materialen die vroeger gebruikt werden zijn daarbij van belang. Door deze details te herstellen, krijgt het huis weer zijn oude charme terug. Een gesprek met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit helpt bij het realiseren van beeldherstel.

SATIJNplus Architecten

09

Maatregel 1A BUITENGEVELISOLATIE BIJ REGULIERE, VRIJSTAANDE OF SAMENHANGENDE

WONINGEN MIDDELS BLOKSGEWIJZE AANPAK

De gevel mag maximaal 20 cm. uitgebreid worden

Welstandscriteria voor het toepassen van buitengevelisolatie bij reguliere woningen:

1.

De uitbreiding van de gevel mag, bij gevels zichtbaar vanuit het openbaar gebied, maximaal 20 cm. bedragen.

2.

De afwerklaag van de gevel wordt qua kleur, materiaal, vorm, structuur en details (bijvoorbeeld rollagen, spekbanden, schilderwerk, raamdorpels en overige versieringen) visueel overeenkomstig aan de bestaande gevel uitgevoerd.*

3.

De gevelgeleding en de positie van gevelopeningen zoals aanwezig in de bestaande gevel, dienen behouden te blijven.

4.

Balkons en loggia’s blijven gehandhaafd. De profilering van balkonranden en afscheidingen tussen woningen worden niet onevenredig opgedikt als gevolg van buitengevelisolatie. De bestaande verhoudingen in de gevel dienen behouden te blijven.

5.

De uitbreiding van de gevel mag niet meer cm. bedragen dan de diepte van het overstek van het dak ten opzichte van de bestaande gevel (exclusief dakgoot). Om te komen tot een goede bouwkundige uitvoering, mag de gootpositie in horizontale richting beperkt aangepast worden. Indien tevens dakisolatie aangebracht wordt zijn de regels van maatregel 5 A van toepassing. (Zie afbeelding 11 &12)

Max. 20 cm. Max. 20 cm.

Afb. 11 Overzicht positie buitengevelisolatie, ramen en deuren moeten naar buiten geplaatst worden.

Overige criteria ambtelijke toets voor het toepassen van buitengevelisolatie bij reguliere woningen: I.

II.

De uitbreiding van de gevel vindt plaats op eigen terrein. Bij uitbreiding van de gevel op, in of boven gemeentegrond is het beleid ‘Afwijken van regels uit het omgevingsplan in het geval van het isoleren van gevels & daken aan de buitenzijde van een gebouw in de gemeente Brunssum.’ van toepassing. Bestaande kozijnen, ramen, deuren en poorten dienen naar buiten geplaatst te worden, zodat de neggemaat overeenkomstig is met de bestaande situatie en bouwfysische problemen voorkomen worden. Zie pagina 15 en 16 voor specifiek uitleg hierover.

Aanbeveling: In het geval dat de initiatiefnemer het oorspronkelijke beeld wil herstellen wordt geadviseerd om een vooroverleg met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit te voeren. Als er niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 5 wordt het plan behandeld als een reguliere omgevingsvergunning, alsof het een nieuwbouw plan betreft. En gelden de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota. Waarbij de welstandstoets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

A Afb. 12 De breedte A is de maximale ruimte voor buitengevelisolatie, de uitbreiding mag maximaal 20 cm zijn. * Met de bestaande gevel wordt bedoeld: De gevelafwerking zoals aanwezig op het moment van inwerkingtreding van dit beleid mits er sprake is van een vergunde situatie. Niet vergunde wijzigingen van de gevel, worden niet gezien als ‘bestaande gevel’. Als het gewenst is om af te wijken van het beeld van de bestaande gevel, dient een reguliere procedure gevolgd te worden. SATIJNplus Architecten 10

Maatregel 1A BUITENGEVELISOLATIE BIJ REGULIERE, VRIJSTAANDE OF SAMENHANGENDE

WONINGEN MIDDELS BLOKSGEWIJZE AANPAK Toelichting

Voorbeeld 1: De bestaande gevel is uitgevoerd in een lichtbruin-rood metselwerk. De details zoals de rollagen boven de kozijnen, raamdorpels en rand om de voordeur die enkele centimeters naar voren springt, dienen in het metselwerk terug gebracht te worden in de nieuwe situatie.

Voorbeeld 1: Nieuwe situatie: de bovenstaande voorbeelden zijn niet toegestaan bij de oorspronkelijke lichtbruin-rode metselwerk gevel. De gevel afwerken met stucwerk is niet toegestaan. Ook niet als de kleur lijkt op de kleur van het metselwerk. De gevel afwerken met een hele andere soort baksteen (bv. afwijkende kleur of een afwijkend formaat) is ook niet toegestaan.

Voorbeeld 2: De woningeigenaren van een twee-onder-een kap blok willen de gevel voorzien van buitengevelisolatie. De woning staat in het deelgebied centrum. In het verleden is bij een van de woningen de vooren zijgevel wit gestukadoord. Ze maken voor de buitengevelisolatie een gezamenlijk plan en dienen de aanvraag voor de omgevingsvergunning gezamenlijk in bij de gemeente. Er is dus sprake van een bloksgewijze aanpak. De aanvraag wordt met een reguliere vergunningsprocedure behandeld. Waarbij de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit een advies geeft over het ontwerp. Als de woningen dezelfde gevelafwerking hadden gehad, zoals oorspronkelijk aanwezig was. Dan was de vergunningsaanvraag behandeld middels de ambtelijke toetsprocedure.

SATIJNplus Architecten

11

Maatregel 1B BUITENGEVELISOLATIE BIJ REGULIERE WONINGEN IN

SAMENHANGENDE BLOKKEN, VERSNIPPERDE AANPAK. Welstandscriteria voor het toepassen van buitengevelisolatie bij reguliere woningen in samenhangende blokken, versnipperde aanpak: Een woning, die onderdeel uitmaakt van een samenhangend blok, mag zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Om die reden worden welstandscriteria opgesteld die ook betrekking hebben op de samenhang. Alle voorwaarden voor reguliere woningen, maatregel 1A, zijn van toepassing. Daarbij gelden de volgende aanvullende criteria voor een versnipperde aanpak in samenhangende blokken: e

1.

De 1 woning in het blok waar buitengevelisolatie wordt aangebracht, bepaalt de dikte van de 1. uitbreiding voor alle woningen in het samenhangende blok.

2.

Indien een woning in het samenhangende blok reeds voorzien is van buitengevelisolatie, dient elke volgende woning daarop aan te sluiten en de nieuwe voorgevelrooilijn over te nemen. Hiervan afwijken (meer of minder) is niet toegestaan.

3.

Voor een esthetische passende aansluiting dient de zijaansluiting met de naastgelegen woningen demontabel te worden vormgegeven, conform de voorbeelddetails, zodat de naastgelegen woning bij het toepassen van buitengevelisolatie in de toekomst, eenvoudig kan aansluiten op de betreffende woning.

4.

Een versnipperde aanpak is niet toegestaan bij gestapelde woningen of woningen boven een commerciële plint.

Overige criteria ambtelijke toets voor het toepassen van buitengevelisolatie bij reguliere woningen in samenhangende blokken, versnipperde aanpak: I. De uitvoerende partij moet ervoor zorgdragen dat de aansluiting op de naastgelegen woningen brandveilig en bouwfysisch voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. De naastgelegen woningen mogen geen nadeel ondervinden van de te treffen maatregelen. Als er bij een versnipperde aanpak niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 4 & de criteria van maatregel 1A voldoet het plan niet aan redelijke eisen van welstand. Afwijkingen van criteria dienen bloksgewijs ontworpen en aangevraagd te worden. Het plan wordt dan behandeld met een reguliere omgevingsvergunningprocedure, alsof het een nieuwbouw plan betreft. In dat geval gelden de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota voor het betreffende gebied. Waarbij de welstandstoets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

Definitie versnipperde aanpak in een samenhangend blok: ‘Versnipperde aanpak’ betekent dat er aanpassingen worden gedaan aan één of enkele grondgebonden woningen in een rijtje huizen, rug-aan-rug woningen, of een twee-onder-een-kap woning, terwijl niet het hele rijtje of blok tegelijkertijd wordt aangepakt. Een versnipperde aanpak is niet toegestaan bij gestapelde woningen of woningen boven een commerciële plint.

Afb. 16 Versnipperde aanpak van de gebouwschil.

Aanbeveling: Betrek de buren in het blok bij het maken van de plannen. Voor een goede verhouding tussen buren is afstemming belangrijk.

e

1. Als referentiepunt voor het uitvoeren van maatregelen aan de 1 woning geldt als peildatum de datum van invoering van dit beleid. Alle maatregelen die vóór deze peildatum reeds met vergunning zijn uitgevoerd, worden gezien als oorspronkelijke situatie in het kader van welstandscriteria 1 & 2 van deze maatregel.

SATIJNplus Architecten

12

Maatregel 1B BUITENGEVELISOLATIE BIJ REGULIERE WONINGEN IN

SAMENHANGENDE BLOKKEN, VERSNIPPERDE AANPAK. Toelichting: Woning 1

Woning 2

Afb 18 Voorbeeld detail: gevels woning 3 & 4 zijn niet geïsoleerd.

Woning 3

Woning 4

Woning 5

Woning 6

Voorbeeld: Woning 4 brengt als 1e woning in het blok buitengevelisolatie aan. Het totaalpakket is 18 cm. dik. Woning 2, gaat 1,5 jaar later van start met het verduurzamen van zijn woning. Hier moet een isolatiepakket inclusief afwerklaag aangebracht worden van 18 cm. dik (0-17 cm. is niet toegestaan en 19-20 cm. ook niet). Op het moment dat woning 3 op een later moment ook gevelisolatie aan gaat brengen moet deze eigenaar ook een pakket van 18 cm. aanbrengen. Bij de uitvoering worden op dat moment de afwerkranden van woning 2 (links) en woning 4 (rechts) verwijderd, zodat het isolatiemateriaal kierdicht aangebracht kan worden en de afwerklaag dan volledig doorloopt. Zie onderstaande details.

Afb. 19 Voorbeeld detail: gevels woning 3 en woning 4. Woning 4 isoleert de gevel, De aansluiting van de gevel op woning 3 is uitgevoerd met steenstrips.

Afb. 20 Voorbeeld detail: gevels woning 3 en woning 4. Woning 3 brengt op een later moment hetzelfde pakket buitengevelisolatie met afwerking aan als woning 4. SATIJNplus Architecten 13

Maatregel 1C BUITENGEVELISOLATIE BIJ BESCHERMD

STADS- EN DORPSGEZICHT Welstandscriteria voor het toepassen van buitengevelisolatie bij beschermd stads- en dorpsgezicht (standaard procedure): Een woning, die onderdeel uitmaakt van een samenhangend blok, mag zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Om die reden worden welstandscriteria opgesteld die ook betrekking hebben op de samenhang. 1.

De voorkeur gaat uit naar het na-isoleren van de gevel aan de binnenzijde met een voorzetwand of het naisoleren van de luchtspouw in de gevel. Als dit niet haalbaar* is kan bij woningen met spouwmuren medewerking verleend worden aan een tussenoplossing: het demonteren van de bestaande gevelafwerking, het aanbrengen van de (aanvullende) isolatielaag en het opnieuw aanbrengen van de originele gevelafwerking.

2.

Als de aanpakken genoemd onder punt 1 niet haalbaar* zijn kan buitengevelisolatie toegestaan worden mits dit met dezelfde verfijning en oog voor detail gedaan wordt als de oorspronkelijk situatie.

3.

Buitengevelisolatie is bij een beschermd stads- en dorpsgezicht alleen toegestaan bij een bloksgewijze aanpak. Waarbij de gevel maximaal 20 cm. naar buiten uitgebreid mag worden.

4.

Bij aanpassingen aan het beschermde stads- en dorpsgezicht is het essentieel dat de oorspronkelijke aanwezige karakteristiek (indeling, systematiek, horizontale/verticale geleding) en verhouding ten opzichte van andere bouwdelen (bijvoorbeeld dakoverstekken, gootdetaillering of verspringende geveldelen) per bouwblok worden terug gebracht in de gevel. Dit kan betekenen dat de gevel en het dak tegelijkertijd aangepakt moeten worden om te kunnen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

5.

De afwerklaag van de gevel wordt qua kleur, materiaal, structuur, details (bijvoorbeeld rollagen, spekbanden, schilderwerk, raamdorpels en overige versieringen) overeenkomstig aan de originele gevel uitgevoerd (beeldherstel). Dit dient onderbouwd te worden met tekeningen en foto’s (van de bestaande en historische situatie of referentiebeelden).

6.

De gevelgeleding en positie van gevelopeningen zoals oorspronkelijk aanwezig, dienen behouden te blijven. Bestaande kozijnen, ramen, deuren en poorten dienen naar buiten geplaatst te worden, zodat de neggemaat overeenkomstig is met de bestaande situatie en bouwfysische problemen voorkomen worden. Zie pagina 15 en 16 voor specifiek uitleg hierover.

7.

In geen geval mag origineel bouwmateriaal definitief verwijderd en van de locatie afgevoerd worden.

8.

Toe te passen materialen voor de gevelafwerking worden bemonsterd en ter goedkeuring voorgelegd aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

Afb. 21 Beschermd stads- en dorpsgezicht

Afb. 22 Voorbeeld detail: gevel niet geïsoleerd.

Afb. 23 Voorbeeld detail: gevel na-isoleren door metselwerk te demonteren en na het plaatsen van de isolatie weer opnieuw op te metselen conform originele situatie.

* De haalbaarheid van de maatregelen dient bepaald te worden door een integrale afweging o.b.v. Zie pagina 29-30 voor de toelichting over de manier waarop de haalbaarheidstoets onderbouwd moet worden.

Overige criteria I.

De uitbreiding van de gevel vindt plaats op eigen terrein. Bij uitbreiding van de gevel op, in of boven gemeentegrond is het beleid ‘Afwijken van regels uit het omgevingsplan in het geval van het isoleren van gevels & daken aan de buitenzijde van een gebouw in de gemeente Brunssum.’ van toepassing.

SATIJNplus Architecten

14

Maatregel 2 HET VERDUURZAMEN VAN GEVELOPENINGEN Het verduurzamen van bestaande gevelopeningen kan op verschillende manieren aangepakt worden. Onder gevelopeningen worden verstaan: kozijnen, ramen, deuren, poorten. Beleidsuitgangspunt & gewenst beeld: Het verduurzamen van gevelopeningen mag geen afbreuk doen aan de bestaande uitstraling & het karakter van de woning. De oorspronkelijke verhoudingen, plasticiteit, indeling, negge en profilering van de kozijnen dienen behouden te blijven in het gevelbeeld. Welstandscriteria voor het verduurzamen van gevelopeningen (ambtelijke toets procedure): 1. De bestaande maatvoering blijft behouden. 2. Lateien, onderdorpels, raamlijsten, rollagen blijven behouden of worden conform de oorspronkelijke uitvoering hersteld (beeldherstel). 3. Bestaande kozijnen, ramen, deuren en poorten mogen vervangen worden mits het materiaal, de maatvoering, indeling, negge, detaillering en profilering in overeenstemming is met de oorspronkelijke situatie. 4. In afwijking van bovenstaande mag glas in bestaande kozijnen vervangen worden voor beter isolerend, hoog rendements glas (bijvoorbeeld HR++ of HR+++ glas met een U-waarde kleiner of gelijk aan 1,1 W/m2K). Noodzakelijke aanpassingen (bijv. het vergroten van de sponning) van het kozijn worden dusdanig uitgevoerd dat het bestaande aanzicht van de kozijnen niet aangetast wordt. 5.

Indien buitengevelisolatie wordt toegepast dient de positie van het kozijn in de muur aangepast te worden, zodat de negge overeenkomstig de oorspronkelijke maatvoering uitgevoerd wordt.

Afb. 24 Voorbeeld: HR++ glas geplaatst in bestaand historisch kozijn met behoud van de profilering.

Aanbeveling: Het plaatsen van voorzetramen aan de binnenzijde van een bestaand kozijn, raam, deur of poort is vergunningsvrij.

6. Bij beschermd stads- en dorpsgezicht dient de kleur van de kozijnen uitgevoerd te worden in RAL 9001. (In uitzonderlijke gevallen kan in overleg met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit hiervan afgeweken worden.) Als er niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 6 wordt het plan behandeld als een reguliere omgevingsvergunning. Waarbij de aanvraag getoetst wordt aan bovenstaand beleidsuitgangspunt en het gewenste beeld en de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota. Waarbij de welstandstoets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

SATIJNplus Architecten

15

Maatregel 2 HET VERDUURZAMEN VAN GEVELOPENINGEN

Toelichting:

Neggemaat Neggemaat

Afb. 25 Voorbeeld: bestaande positie kozijn in gevel

Afb. 26 Voorbeeld: Aanbrengen buitengevelisolatie en verplaatsen van het kozijn naar buiten t.b.v. behoud neggemaat

Voordelen van een gecombineerde aanpak Voor het beste resultaat is het belangrijk om gevelisolatie en het vernieuwen van kozijnen en ramen gelijktijdig uit te voeren. Door deze werkzaamheden te combineren versterken de energiebesparende maatregelen elkaar en kunnen eventuele vochtproblemen voorkomen worden. Een goede uitvoering is belangrijk voor een optimaal resultaat. Bij een verkeerde uitvoering kan er schade ontstaan. Advies door een professionele partij is daarom belangrijk.

SATIJNplus Architecten

16

Maatregel 3 HET AANBRENGEN VAN GEVELBEGROEIING Gevelbegroeiing draagt bij aan het klimaatbestendig maken van de leefomgeving en levert een bijdrage aan het voorkomen van wateroverlast in het bebouwde gebied. Daarnaast helpt het in het binden van fijnstof en stikstof, het terugdringen van geluidshinder, het tegengaan van opwarming van gebouwen en het verhogen van de biodiversiteit. Het realiseren van een gevelbegroeiing kan op twee verschillende manieren: 1. Het aanleggen van een groene gevel 2. Het aanleggen van een verticale tuin Het realiseren van een groene gevel op eigen terrein is vergunningsvrij, hier zijn geen voorwaarden aan gekoppeld. Het realiseren van een verticale tuin is meestal vergunningsplichtig. Hiervoor geldt de standaard procedure. Welstandscriteria voor het aanleggen van een verticale tuin: 1. De verticale tuin draagt bij aan de levendigheid van de straatwanden, maar mag de samenhang en ritmiek in de straatwand niet onevenredig verstoren. 2. De verticale tuin biedt belevingswaarde, esthetische waarde en ecologische waarde langs de openbare ruimte. 3. Beeldbepalende details mogen niet verdwijnen als gevolg van de verticale tuin.

Overige criteria voor het aanleggen van een verticale tuin: I.

De verticale tuin bevindt zich op eigen terrein.

II.

Bij beschermd stads- en dorpsgezicht en bij het deelgebied Oostenrijkse woningen wordt geen medewerking verleend aan een verticale tuin.

Wat is een groene gevel: Een gevelbegroeiing aan muren van een gebouw. Een groene gevel bestaat uit planten die omhoog groeien tegen een bouwwerk vanuit de volle grond of plantenbakken. Sommige klimplanten hebben een klimhulp nodig, zoals spandraden, gaaswerken of houten rasters. Andere klimplanten hechten zich aan de gevel. Afb. 27 Voorbeeld: groene gevel

Wat is een verticale tuin: Gevelbegroeiing als geïntegreerd deel van een gebouw. Een verticale tuin bestaat uit verticaal geplaatste modules of panelen waarin beplanting wordt aangebracht. De modules zijn met een ophangsysteem bevestigd aan een bouwwerk, of zijn een zelfdragend onderdeel van de gevel. Hieronder vallen dus geen plantenbakken aan balkons. Een verticale tuin is meestal voorzien van een automatisch werkend water- en voedingssysteem dat de instandhouding van de planten bevordert.

Afb. 28 Voorbeeld: verticale tuin

Wat is een geveltuin: Een minituintje langs de gevel van een huis, aangelegd op gemeentegrond. Je kunt er zelf plantjes in zetten en zo bijdragen aan een groenere buurt. Voor het actuele beleid m.b.t. geveltuintjes raadpleeg de website van de gemeente. Afb. 29 Voorbeeld: geveltuin

SATIJNplus Architecten

17

HET AANBRENGEN VAN AIRCO- OF WARMTEPOMPINSTALLATIES - toelichting De landelijke regels voor airco- of warmtepompinstallaties zijn in ontwikkeling. Het is waarschijnlijk dat in de toekomst deze regels aangepast worden. Controleer daarom altijd de geldende regelgeving via het Omgevingsloket. In alle gevallen (vergunningsvrij én vergunningsplichtig) geldt voor het plaatsen van een airco- of warmtepompinstallatie: • De airco- of warmtepompinstallatie moet voldoen aan minimale welstandseisen anders is er sprake van een welstandsexces (zie pagina 19 voor welstandscriteria, pagina 63 voor de excessenregeling). •

Een airco- of warmtepompinstallatie mag het maximale geluidsniveau van 40 dB op de perceelsgrens (aangrenzend bouwwerkperceel) of ter plaatse van een te openen niet-gemeenschappelijke deur of raam (in geval van hetzelfde bouwwerkperceel) mag niet overschrijden.

Op het moment van inwerkingtreding van dit document is in onderstaande situaties het plaatsen van een aircoof warmtepompinstallatie vanuit de technische en/of ruimtelijke regels vergunningsplichtig. In het geval dat wet en regelgeving wijzigt, is de dan geldende wet- en regelgeving te allen tijde bepalend. Landelijke regels Het aanbrengen van een airco- of warmtepompinstallatie is vergunningsplichtig bij: Reguliere woningen: 1. De installatie wordt hoger dan 5 meter geplaatst (gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein) en de draagconstructie waaraan de installatie wordt bevestigd wijzigt. 2. De installatie wordt ondergronds geplaatst. 3. De installatie wordt geplaatst op de grond en is hoger dan 1 meter, of heeft een oppervlakte groter dan 2 m2.

4. De installatie wordt bevestigd aan een gevel en de installatie is breder of hoger dan 50 cm, en/of de afstand van de gevel tot aan voorzijde van het apparaat inclusief de bevestigingsbeugels c.q. het frame is groter dan 50 cm. Aanvullend voor beschermd stads- en dorpsgezicht: 6. De installatie wordt bij beschermd stads- en dorpsgezicht geplaatst in gebied grenzend aan de openbare ruimte.

Aanvullend voor monumenten: 7. De installatie wordt geplaatst in, aan of op een monument.

Definitie airco of warmtepomp: In dit document verstaan we onder een airco of warmtepomp een installatie die warmte of kou produceert. Deze installatie staat gedeeltelijk buiten het gebouw, dus niet volledig binnen in huis. De airco of warmtepomp kan geplaatst worden op het dak, op de grond of aan de gevel van een huis. Met ‘aan de gevel’ wordt ook bedoeld op een balkon of luifel tegen de gevel van een woning aan.

Welstandsexces Als men zich niet aan de welstandsregels houdt bij het plaatsen van een airco of warmtepomp, spreken we van een welstandsexces. Een welstandsexces kan verschillende consequenties hebben, zoals: • Verwijderingsverplichting: de gemeente kan de inwoner verplichten om de installaties te verwijderen. • Dwangsom: de inwoner moet een dwangsom betalen, zolang het exces niet aangepakt is. • Vertraging project: het oplossen van een welstandsexces kost tijd en geld. Hierdoor kan het project vertraging oplopen. • Problemen bij verkoop: een welstandsexces kan de verkoop van een woning bemoeilijken, omdat potentiële kopers mogelijk afgeschrikt worden. SATIJNplus Architecten

18

Maatregel 4 HET AANBRENGEN VAN AIRCO- OF WARMTEPOMPINSTALLATIES Welstandscriteria voor het aanbrengen van airco’s, warmtepompen of soortgelijke installaties. Als aan onderstaande criteria wordt voldaan kan een airco- of warmtepomp installatie met behulp van een ambtelijke toetsprocedure vergund worden. 1. De installatie mag uit oogpunt van welstand niet bevestigd worden aan de voorgevel van een woning of een naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning. 2. De installatie mag uitsluitend in het voorerfgebied (op de afbeelding in groen aangegeven) op de grond worden geplaatst indien de installatie wordt voorzien van een omkasting waarvan de kleur en het materiaal is afgestemd op de kleur en materialen van de woning. Als alternatief kan de installatie middels groenblijvende begroeiing uit het zicht van de straat worden onttrokken. 3. Een installatie bevestigd aan een niet naar een openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een woning (zoals de rechter woning op de afbeelding), wordt vanaf de voorgevelrooilijn op minimaal 50% van de diepte van het hoofdgebouw geplaatst. (Bijvoorbeeld: een woning is 10 meter diep, de airco wordt op minimaal 5 meter vanaf de voorgevelrooilijn geplaatst). Het is niet toegestaan meerdere installaties aan 1 gevel te bevestigen. 4.

Een installatie bevestigd op een plat dak, mag inclusief de bevestiging en eventuele ombouw(kast), maximaal 70 centimeter uitsteken ten opzichte van het dak van de woning. Daarbij is de afstand tot de zijkant van het dak tenminste gelijk aan de hoogte van de installatie en de omkasting. 5. Een installatie bevestigd op een hellend dak zijn niet toegestaan. Indien de warmtepomp opgenomen wordt in een bouwkundige ‘schoorsteen-achtige’ voorziening geldt een reguliere procedure. 6. Leidingen, kanalen en bijhorende afdekkappen, zichtbaar vanaf het openbare gebied worden onopvallend aangebracht passend bij de kleur, architectuur en geleding van het gebouw. Overige criteria voor het aanbrengen van airco’s, warmtepompen of soortgelijke installaties I. Een installatie mag geen geluidsoverlast veroorzaken. Voorschriften hierover staan in § 4.3.2. van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Legenda Op dit gevelvlak mogen geen installaties bevestigd worden (zie regel 1) De installatie in dit vlak (voorerfgebied) wordt geplaatst op de grond en voorzien van een omkasting of onttrokken aan het zicht vanaf de straat met groenblijvende begroeiing (zie regel 2). De hoogte van de installatie boven de dakrand mag max 70 cm. zijn (zie regel 4). Voorgevelrooilijn Afb. 30 illustratie positie warmtepompen

SATIJNplus Architecten

19

HET ISOLEREN VAN EEN BESTAAND DAK - principes Er zijn drie methoden om een bestaand dak te isoleren: 1. 2. 3.

Het na-isoleren van het dak aan de binnenzijde Het isoleren van de zoldervloer Het na-isoleren van het dak aan de buitenzijde

Methode 1 en 2 hebben de voorkeur omdat deze maatregelen niet zichtbaar zijn in het bestaande straatbeeld en daardoor de ruimtelijke kwaliteit niet beïnvloeden. Echter deze methoden zijn niet in alle gevallen mogelijk of wenselijk. In dat geval kan het na-isoleren van het dak aan de buitenzijde overwogen worden.

Afb. 31 1. Na-isoleren aan de binnenzijde

Voor alle methoden geldt dat er een zorgvuldige uitvoering dient plaats te vinden. Om de isolatielaag effectief te laten zijn dient deze zo veel mogelijk aaneengesloten en doorlopend over het volledige dak te worden aangebracht. Het na-isoleren heeft invloed op de vochtbalans, brandveiligheid en geluidswering van het dak. Bij een verkeerde uitvoering kan er schade ontstaan. Schakel daarom een professioneel bedrijf in. Uitvoering na-isolatie dak: Na-isoleren van het dak aan de binnenzijde: Hierbij wordt de isolatie aan de binnenzijde van het dak aangebracht. Tussen de houten balken van het dak wordt isolatiemateriaal aangebracht. De buitenafwerking van het dak blijft gehandhaafd. Optioneel kan er onder de houten balken nog een extra isolatielaag aangebracht worden. Het isolatiemateriaal wordt aan de binnenzijde afgewerkt met een dampdichte folie en een afwerklaag.

Afb. 32 2. Na-isoleren van de zoldervloer.

Na-isoleren van de zoldervloer: Het isolatiemateriaal wordt op de vloer of tussen de houten balken aangebracht. Bij woningen waar de zolder niet of nauwelijks toegankelijk is, of zelden gebruikt wordt, is dit een goed alternatief om op een eenvoudige manier de woning beter te isoleren. Na-isoleren van het dak aan de buitenzijde: Hierbij wordt de isolatie aan de buitenzijde van het dak aangebracht. De bestaande dakafwerking wordt verwijderd en er wordt vervolgens een (extra) laag isolatiemateriaal aangebracht. Daarna wordt de dakafwerking opnieuw aangebracht. Door deze (extra) isolatielaag wordt het dak hoger. Dat kan gevolgen hebben voor de goten, schoorstenen, aansluiting met de buren, etc. Afhankelijk van het materiaal en de onderhoudsstaat van het materiaal, kan de dakbedekking hergebruikt worden (bijvoorbeeld de dakpannen als deze nog goed zijn).

Afb. 33 3. Na-isoleren aan de buitenzijde.

SATIJNplus Architecten

20

Maatregel 5 NA-ISOLATIE VAN HET DAK Beleid: Het beleid is erop gericht om de uitstraling en het karakter van bestaande woningen te behouden. Na-isolatie van het dak aan de buitenzijde is mogelijk indien dit op een zorgvuldige manier wordt aangebracht zodat de architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit behouden blijft. In de volgende pagina’s zijn de welstandscriteria beschreven waarbinnen na-isolatie van het dak aan de buitenzijde in verschillende situaties toegestaan kan worden en de bestaande kwaliteit geborgd wordt. Het aanbrengen van nieuwe architectonische elementen of materialen om de uitstraling van een woning te verbeteren is in combinatie met na-isolatie van het dak denkbaar. Een dergelijke initiatief wordt beoordeeld alsof het een nieuw plan betreft, conform de algemene welstandsregels van het deelgebied.

Max. 25 cm.

Welstandscriteria per situatie: Maatregel 5a

Criteria na-isolatie van het dak aan de buitenzijde bij reguliere, vrijstaande of samenhangende woningen middels bloksgewijze aanpak (ambtelijke toetsprocedure)

Maatregel 5b

Criteria na-isolatie van het dak aan de buitenzijde bij reguliere woningen in samenhangende blokken, versnipperde aanpak. (ambtelijke toetsprocedure)

Maatregel 5c

Criteria na-isolatie van het dak aan de buitenzijde bij beschermd stads- en dorpsgezicht. (standaard procedure) Het dakvlak mag maximaal 25 cm. opgehoogd worden

Draagkracht van de constructie:

Afb. 34 illustratie na-isolatie aan de buitenzijde dak

LET OP: de constructie van het dak moet voldoende sterk zijn om de dakisolatie te kunnen dragen. Laat dit controleren door een professionele partij. Wijzigingen aan de draagconstructie zijn vergunningsplichtig.

SATIJNplus Architecten

21

Maatregel 5A NA-ISOLATIE VAN HET DAK AAN DE BUITENZIJDE BIJ REGULIERE, VRIJSTAANDE

OF SAMENHANGENDE WONINGEN MIDDELS BLOKSGEWIJZE AANPAK Welstandscriteria voor het toepassen van na-isolatie van het dak bij reguliere woningen: 1.

Ophoging van het dak (hellende & platte daken), inclusief de dakgoot en de nok mag maximaal 25 cm. bedragen, mits het volledige dak aangepakt wordt.

2.

De dakbedekking, windveren, boeiboorden, goten, hemelwaterafvoeren worden qua kleur, materiaal, vorm, structuur en details (kant- en nokpannen, dakkapellen, etc.) overeenkomstig aan het bestaande dak of overeenkomstig het oorspronkelijke dak (beeldherstel) uitgevoerd. Als hiervan wordt afgeweken dient een reguliere procedure gevolgd te worden met welstandstoets gericht op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

3.

Om te komen tot een goede bouwkundige uitvoering, mag op een aantal punten afgeweken worden van punt 2: De gootpositie mag afwijken van de bestaande gootpositie, mits de verhouding tussen het overstek van het dak en de gevel niet verandert. Boeiboorden & windveren mogen verhoogd worden om de aansluiting van het dak op de gevel voldoende af te dekken, mits dezelfde materialen toegepast worden als aanwezig in de bestaande situatie. Indien in de bestaande situatie geen boeiboord & windveren aanwezig zijn of bij platte daken dient een oplossing conform een van de voorbeelddetails gerealiseerd te worden.

Afb. 35 Na-isoleren aan de buitenzijde bestaande situatie

Aanbeveling: In het geval dat de initiatiefnemer het oorspronkelijke beeld wil herstellen wordt geadviseerd om een vooroverleg met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit te voeren. Als er niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 3 wordt het plan behandeld als een reguliere omgevingsvergunning, alsof het een nieuwbouw plan betreft. En gelden de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota. Waarbij de welstandstoets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

* Met het bestaande dak wordt bedoeld: De dakafwerking zoals aanwezig op het moment van inwerkingtreding van dit beleid mits er sprake is van een vergunde situatie. Niet vergunde wijzigingen van het dak, worden niet gezien als ‘bestaand dak’. Als het gewenst is om af te wijken van de bestaande situatie, dient een reguliere procedure gevolgd te worden.

Afb. 36 Na-isoleren aan de buitenzijde situatie na uitvoering werkzaamheden

SATIJNplus Architecten

22

Maatregel 5B NA-ISOLATIE VAN HET DAK AAN DE BUITENZIJDE BIJ REGULIERE WONINGEN IN

SAMENHANGENDE BLOKKEN, VERSNIPPERDE AANPAK. Welstandscriteria voor het toepassen van na-isolatie van het dak bij reguliere woningen, versnipperde aanpak: De woning, die onderdeel uitmaakt van een samenhangend blok, mag zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Om die reden worden welstandscriteria opgesteld die ook betrekking hebben op de samenhang. Alle voorwaarden voor reguliere woningen, maatregel 5A, zijn van toepassing. Daarbij gelden de volgende aanvullende criteria voor een versnipperde aanpak in samenhangende blokken: e

1.

De 1 woning in het blok waarvan het dak opgehoogd wordt t.b.v. na-isolatie van het dak aan de 1 buitenzijde, bepaalt de dikte van de ophoging voor alle woningen in het samenhangende blok.

2.

Indien een woning in het samenhangende blok al voorzien is van een isolatiepakket, dient elke volgende woning daarop aan te sluiten en de nieuwe daklijn over te nemen. Afwijken hiervan (meer of minder) is niet toegestaan.

3.

Voor een esthetische passende aansluiting dient de zijaansluiting met naastgelegen woningen dient demontabel te worden vormgegeven, conform een van de voorbeelddetails. Zodat de naastgelegen woning, bij het toepassen van na-isolatie aan de buitenzijde, in de toekomst eenvoudig kan aansluiten op de betreffende woning.

Overige criteria ambtelijke toets voor het toepassen van na-isolatie van het dak bij reguliere woningen in samenhangende blokken, versnipperde aanpak: I. De uitvoerende partij moet ervoor zorgdragen dat de aansluitingen op de naastgelegen woningen brandveilig en bouwfysische voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. De naastgelegen woningen mogen geen nadeel ondervinden van de te treffen maatregelen. Als er bij een versnipperde aanpak niet voldaan wordt aan bovenstaande welstandscriteria 1 t/m 3 & de criteria van maatregel 5A voldoet het plan niet aan redelijke eisen van welstand. Afwijkingen van criteria dienen bloksgewijs ontworpen en aangevraagd te worden. Het plan wordt dan behandeld met een reguliere omgevingsvergunningprocedure, alsof het een nieuwbouw plan betreft. In dat geval gelden de uitgangspunten zoals gedefinieerd in de welstandsnota voor het betreffende gebied. Waarbij de welstandstoets gericht is op het bewaken van de architectonische samenhang in de omgeving.

Afb. 37 Voorbeeld zoals niet is toegestaan: diverse type dakbedekkingen in een samenhangend blok.

Aanbeveling: Betrek de buren in het blok bij het maken van de plannen. Voor een goede verhouding tussen buren is afstemming belangrijk.

e

1. Als referentiepunt voor het uitvoeren van maatregelen aan de 1 woning geldt als peildatum de datum van invoering van dit beleid. Alle maatregelen die vóór de peildatum al met vergunning zijn uitgevoerd worden gezien als oorspronkelijke situatie in het kader van welstandscriteria 1 & 2 van deze maatregel.

SATIJNplus Architecten

23

Maatregel 5B NA-ISOLATIE VAN HET DAK AAN DE BUITENZIJDE BIJ REGULIERE WONINGEN IN

SAMENHANGENDE BLOKKEN, VERSNIPPERDE AANPAK. Toelichting:

Woning 1

Woning 2

Woning 3

Woning 4

Woning 5

Woning 6

Op het moment dat woning 3 op een later moment ook dakisolatie gaat aanbrengen moet deze eigenaar ook een pakket van 22 cm. aanbrengen. Bij de uitvoering worden op dat moment de afwerkranden van woning 2 (links) en woning 4 (rechts) verwijderd, zodat het isolatiemateriaal kierdicht aangebracht kan worden en de afwerklaag volledig doorloopt, conform het voorbeelddetail.

Afb. 38

Voorbeeld: aansluiting van een na-geïsoleerd dak op het bestaande dak van de buurman. Voor een goede waterdichtheid moet er een verholen goot aangebracht worden. Afb. 39

Voorbeeld: Woning 4 brengt als 1e woning in het blok een naisolatiepakket op het dak aan. Het totaalpakket is 22 cm. dik. Woning 2, gaat 1,5 jaar later van start met het verduurzamen van zijn woning. Hier moet een isolatiepakket inclusief afwerklaag aangebracht worden van 22 cm. dik. (0-21 cm. is niet toegestaan en 23-25 cm. ook niet).

Afb. 40

SATIJNplus Architecten

24

Maatregel 5c NA-ISOLATIE VAN HET DAK AAN DE BUITENZIJDE BIJ

BESCHERMD STADS- EN DORPSGEZICHT Welstandscriteria voor het toepassen van na-isolatie van het dak bij beschermd stads- en dorpsgezicht: De woning, die onderdeel uitmaakt van een samenhangend blok, mag zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Om die reden worden welstandscriteria opgesteld die ook betrekking hebben op de samenhang. 1.

De voorkeur gaat uit naar het aanbrengen van na-isolatie aan de binnenzijde van het dak of de zoldervloer. Indien dit niet haalbaar* is kan het ophogen van het dak toegestaan worden. In het geval van dakpannen, moet het oorspronkelijke type dakpan (profilering en materiaal conform beeldherstel) teruggebracht worden.

2.

Het ophogen van het dak t.b.v. een na-isolatiepakket is alleen toegestaan bij een bloksgewijze aanpak. Waarbij de ophoging van het dak maximaal 25 cm. mag bedragen mits het volledige dak aangepakt wordt.

3.

Bij aanpassingen aan het beschermde stads- en dorpsgezicht is het essentieel dat de oorspronkelijke aanwezige karakteristiek (indeling, systematiek, horizontale/verticale geleding) en maatverhouding ten opzichte van andere bouwdelen (bijvoorbeeld verspringende geveldelen, erkers, of dakkapellen) per bouwblok worden terug gebracht. Dit kan betekenen dat de gevel en het dak tegelijkertijd aangepakt moeten worden om na-isolatie van het dak mogelijk te maken en om te kunnen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

4.

De dakbedekking, windveren, boeiboorden, goten, hemelwaterafvoeren worden qua kleur, profilering, materiaal, structuur en details overeenkomstig aan het originele dak (beeldherstel) uitgevoerd. Dit dient onderbouwd te worden met tekeningen en foto’s (van de bestaande en historische situatie of referentiebeelden).

5.

Schoorstenen en originele dakkapellen dienen behouden te blijven en indien nodig aangepast en verduurzaamd te worden, zodat de beeldkwaliteit behouden blijft.

6.

Toe te passen materialen voor de dakafwerking worden bemonsterd en ter goedkeuring voorgelegd aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

Afb 41 & 42 Detail dakvoet Links: de bestaande situatie. Rechts: de nieuwe situatie waarin de gevel en het dak geïsoleerd zijn aan de buitenzijde.

* De haalbaarheid van de maatregelen dient bepaald te worden door een integrale afweging o.b.v. Zie pagina 29-30 voor de toelichting over de manier waarop de haalbaarheidstoets onderbouwd moet worden.

SATIJNplus Architecten

25

Maatregel 6 AANBRENGEN VAN EEN GROEN DAK Net zoals gevelbegroeiing draagt een groen dak bij aan het klimaatbestendig maken van de leefomgeving en het levert een bijdrage aan het voorkomen van wateroverlast in het bebouwde gebied. Daarnaast helpt het in het binden van fijnstof en stikstof, het terugdringen van geluidshinder, het tegengaan van opwarming van gebouwen en het verhogen van de biodiversiteit. Er bestaan 2 typen groen daken: 1. extensief dak 2. intensief dak Een intensief groen dak heeft een hoog gewicht waardoor bij toepassing op een bestaand dak, de constructie in de meeste gevallen moeten worden aangepast. Daarvoor is een omgevingsvergunning nodig. Bij een extensieve dak is er minder snel sprak van een noodzakelijke aanpassing van de dakconstructie. Het realiseren van een groen dak komt voor in twee verschillende situaties: 1. Het aanleggen van een intensief of extensief groen dak op een plat dak. 2. Het aanleggen van een extensief groen dak op een hellend dakvlak. Voor het realiseren van een groen dak op een plat dak gelden geen specifieke welstandscriteria. Wel dient gecontroleerde te worden of het dak voldoende draagkracht heeft om het extra gewicht van het groene dak te dragen. Op het moment dat de draagconstructie aangepast moet worden is dit wel vergunningsplichtig.

Welstandscriteria voor het realiseren van een extensief groen dak op een hellend dakvlak (standaard procedure): 1. Het groene dak biedt belevingswaarde, ecologische en esthetische waarde langs de openbare ruimte.

2. Het groene dak draagt bij aan de levendigheid van de straatwanden, maar mag de samenhang en ritmiek in de straatwand niet onevenredig verstoren. 3. Beeldbepalende details mogen niet verdwijnen als gevolg van een groen dak. 4. Bij beschermd stads- en dorpsgezicht en bij het deelgebied Oostenrijkse woningen wordt geen medewerking verleend aan een groen dak op een hellend dakvlak.

Groen dak: Een dak dat beplant is en bestaat uit vijf verschillende lagen: een wortelwerende laag, een drainagelaag, een filtervlies, een substraatlaag (aarde) en een vegetatielaag (planten). Extensief groen dak: Een lichtgewicht groen dak met kleine droogtebestendige planten zoals sedum, vetplanten, kruiden en grassen. De wateropslagcapaciteit is minimaal 25 liter per vierkante meter. Het gewicht van het groen dak is beperkt, 30 tot 120 kg/m². Hierdoor is meestal geen aanpassing van de dakconstructie nodig en dus ook geen omgevingsvergunning nodig.

Extensief dak

Intensief groen dak: Deze groen daken zijn vergelijkbaar met tuinen en bieden meer mogelijkheden voor recreatie. De begroeiing is divers, zoals grassen, kruiden, struiken of bomen. Ook zijn andere elementen zoals paden, terrassen en een vijver mogelijk. De minimale wateropslagcapaciteit is 50 liter per vierkante meter. Het groen dak weegt al snel 300 tot 1500 kg/m². Daardoor is er een aangepaste dakconstructie nodig en dus ook een omgevingsvergunning. Intensief dak Afb. 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=ff2a26a3-0f4c-4243-97b4-0fda5e41ce1c