Raadsvoorstel 103 (bijlage) ambitiedocument invoering Omgevingswet gemeente Brunssum tbv raad van 21-12- 2021.docx
Tekst van het document
Ook wordt er nog maar beperkt gemonitord en geëvalueerd, waardoor we weinig inzicht hebben in de mate/omvang waarin het verbeteren van de leefomgeving gezondheidswinst oplevert. Het benutten van de meekoppelkansen, het intensiveren van de samenwerking en monitoren van de resultaten van beleidsinspanningen behoeft de komende jaren dus nog de nodige aandacht. Integraal en programmatisch werken aan een gezonde leefomgeving 23
kan dus op meerder fronten winst opleveren. Vandaar dat enkele jaren in Zuid Limburg is gestart met het programma Trendbreuk. Kernwaarden voor een gezonde leefomgeving GGD Nederland heeft in samenwerking met het RIVM en andere kennispartners ‘kernwaarden voor een gezonde leefomgeving’ opgesteld. Deze kernwaarden geven handvatten om in gesprek te gaan over de lokale ambities in het kader van een gezonde leefomgeving en mogelijke maatregelen om deze ambities te realiseren. Het zijn waarden die idealiter in elk ruimtelijk plan aan de orde zouden moeten komen. ▪ Woonomgeving o Kinderen groeien op in een rookvrije omgeving o Voor iedereen zijn er -dichtbij en toegankelijk- aantrekkelijke plekken o De leefomgeving draagt bij aan een gezond gewicht o Wonen en druk verkeer zijn gescheiden o Functies (wonen, werken, voorzieningen) zijn goed gemengd. Overlastgevende bedrijven staan op afstand ▪ Mobiliteit o Actief vervoer (lopen, fietsen) is in beleid, ontwerp en gebruik de standaard o Tussen kernen zijn goede (E) fiets- en OV-verbindingen ▪ Gebouwen o Het binnenklimaat is prettig en gezond o Minimaal één zijde (gevel) van een woning is aangenaam o Er zijn voldoende betaalbare levensloopgeschikte woningen Programma Trendbreuk Gezondheidskansen zijn in Nederland niet gelijk verdeeld, de bestrijding van deze ongelijkheid schiet te kort.
Om deze kloof te dichten is een lokale of regionale aanpak nodig die zich ook richt op de maatschappelijke oorzaken van gezondheidsachterstanden. De Zuid-Limburgse aanpak Trendbreuk wordt als een inspirerend voorbeeld beschouwd. Zuid-Limburg springt eruit door een brede krachtenbundeling van gemeenten, provincie, maatschappelijke organisaties, onderwijs en zorgverzekeraars. De laatste jaren is het besef gegroeid, dat gezondheidskansen veel meer samenhangen met langdurige en maatschappelijke problemen zoals werkloosheid, armoede, stress, eenzaamheid en minder goede of soms ronduit slechte woonsituaties. Lager opgeleiden leven zelfs zeven jaar korter en vijftien jaar minder in goede gezondheid dan hoger opgeleiden. Deze ongelijkheid neemt toe. Zuid-Limburg is een gebied waar de gezondheidsopgave groter is ten opzichte van de rest van het land. Maar de regio kenmerkt zich ook door de drive en daadkracht om deze achterstanden in te lopen. Trendbreuk is een langjarige aanpak waarin nadrukkelijk niet alleen zorg, maar ook andere levensdomeinen als opgroeien, onderwijs en werk centraal staan. Daarnaast heeft Zuid-Limburg binnen de Nationale Omgevingsvisie (NOVI: het rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving) een speciale status gekregen.
Als NOVI-gebied staat hier het opgroeien in sterke en gezonde steden centraal, waarbij specifiek de koppeling wordt gemaakt tussen sociaalmaatschappelijke en fysiek-ruimtelijke opgaven, zoals verduurzaming. In het stedelijk vernieuwingsgebied Heerlen-Noord wordt een aanpak ontwikkeld waarbij het werken aan achterstanden hand in hand gaat met de aanpak van veiligheid en leefbaarheid. Daarbij ook voortbouwend op de regiodeal Parkstad. Dankzij een vooruitstrevende en integrale aanpak van de oorzaken die achter de gezondheidsachterstanden liggen, is Zuid-Limburg inmiddels een inspirerend voorbeeld voor andere regio’s in Nederland als het gaat om het terugdringen van gezondheidsachterstanden.
24
De beweging van focus op ziekte en zorg naar het bevorderen van gezondheid en welbevinden, ook in de fysieke leefomgeving, is essentieel in de bestrijding van gezondheidsongelijkheid. Hoewel de Zuid-Limburgse aanpak kansrijk is, is er ook nog veel te winnen. De gezondheidsachterstanden zijn bovengemiddeld fors. Een intersectorale en langjarige betrokkenheid van de Rijksoverheid is essentieel Met een meerjarig en domeinoverstijgend partnerschap tussen rijk en regio komt de eerlijke kans op een gezond en kansrijk leven in Zuid-Limburg een flinke stap dichterbij.” Een gezonde leefomgeving in Brunssum Het Rijk, de Provincie, de GGD (namens de aan de Gemeenschappelijke Regeling deelnemende gemeenten) en onderwijs- en zorgpartners hebben zich gecommitteerd om meerjarig, tot 2025, werk te maken van Trendbreuk om achterblijvende gezondheidssituaties in te lopen. Kansrijke Start is een eerste onderdeel van het programma Trendbreuk. Kansrijke Start richt zich op acties vóór de zwangerschap (Nu Niet Zwanger), tijdens de zwangerschap (Voor Zorg) en na de geboorte van het kind (bijvoorbeeld Stevig Ouderschap). Samen met andere gemeenten van Zuid Limburg en de basisscholen realiseren we met één JGZ (jeugdgezondheid) de ambitie om de groep gezonde kinderen te vergroten door een gezonde leefstijl te bevorderen (JOGG, Gezonde Basisschool van de Toekomst, bestrijding overgewicht/obesitas).
We betrekken ouderen bij activiteiten met het doel de gezondheid te bevorderen. Door bezig zijn, bewegen, gezien en gehoord te worden beperken we negatieve gezondheidseffecten. Het gezondheidsbeleid in Brunssum heeft nu nog vooral een sociaal-maatschappelijke focus. Gelet op de brede doelstelling van de Omgevingswet is het streven om de samenwerking tussen het sociale en de fysieke omgeving te intensiveren. Uitgangspunten 1. In navolging van de NOVI-ambitie ‘sterke en gezonde steden in Zuid-Limburg’ en de ambities in het kader van de Regiodeal en het programma Trendbreuk en gelet op de brede reikwijdte van gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering geven we het thema ‘de gezonde stad’ een prominente plek c.q. hanteren we dit thema als ‘leitmotiv’ in onze omgevingsvisie en strategische koers voor de komende jaren; 2. Het gezondheidsbeleid wordt de komende jaren integraal ontwikkeld in goede samenwerking tussen het fysieke en sociale domein, met optimale benutting van de meekoppelkansen en door vooraf de uitgangssituatie in Brunssum in kaart te brengen, zodat achteraf de (mate van) gezondheidswinst kan worden vastgesteld. Daartoe maken we gebruik van elders in het land reeds beproefde instrumenten (www.brabantscan.nl , www.gelderland.nl/Quickscan-GezondeLeefomgeving ) . 2.
Bij het uitwerken van de kerninstrumenten van de Omgevingswet en ruimtelijke planvorming houden we de landelijk geformuleerde kernwaarden voor een gezonde leefomgeving steeds voor ogen.
25
4. Ambities vertalen naar de uitvoeringspraktijk
Zoals in de inleiding reeds aangegeven zien wij de Omgevingswet als een uitgelezen kans om de dienstverlening aan onze burgers en de verbinding met de lokale samenleving nog verder te verbeteren. Ons streven is om inwoners en andere initiatiefnemers een meer centrale rol te geven bij beslissingen over de kwaliteit van hun leefomgeving. Vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid zoeken we een nieuw evenwicht tussen onze traditionele en nieuwe overheidsrollen en het vermogen van de samenleving om actief met passende initiatieven te komen. Dit impliceert een voortdurende zoektocht naar een goed samenspel tussen overheid en samenleving bij de inrichting van de woon- en leefomgeving. Dit nieuwe samenspel is niet van vandaag op morgen geregeld en zal zich voltrekken via een geleidelijk proces van ‘trial en error’. De invoering van de Omgevingswet is een majeure en complexe opgave, die voortvloeit uit en nauw verbonden is met bredere maatschappelijke ontwikkelingen en gemeentelijke ambities; deze veranderopgave heeft ook nadrukkelijk raakvlakken heeft met eerder ingezet beleid en verbeterdoelstellingen binnen de ambtelijke organisatie (in het kader van organisatieontwikkeling en ontwikkeling gemeentelijke dienstverlening). In hoofdstuk 3 hebben wij vermeld, dat in de praktijk een tweesporenbeleid wordt gevolgd.
Voor de korte termijn zijn de inspanningen erop gericht, dat onze dienstverlening vanaf de invoeringsdatum van de Omgevingswet voldoet aan de minimale eisen. Dit gaat onder andere over onze interne processen, kunnen werken met de nieuwe regelgeving, het (tijdelijk) Omgevingsplan en het digitale stelsel omgevingswet (DSO), samenwerking met ketenpartners, etc. Het in 2019 vastgestelde implementatieplan, waarvan de activiteitenplanning inmiddels al twee maal is aangepast aan de gewijzigde invoeringsdatum, is hierbij richtinggevend. Dit ambitiedocument geeft met name richting aan de bestuurlijke ambities en groeistrategie voor de verdere implementatie van de Omgevingswet ná 1 juli 2022. Deze strategie is enerzijds gericht op de (door)ontwikkeling van de dienstverlening conform de uitgangspunten van de Omgevingswet en anderzijds op het ontwikkelen van het nieuwe instrumentarium. De aanpak voor de lange termijn gaan we gefaseerd en werkende weg vormgeven langs twee werklijnen, 'werkwijze en cultuur' en 'instrumentarium'. a. Werkwijze en cultuur Integraliteit, participatie, samenwerking en het ja, mits principe vormen de sleutelbegrippen in de toekomstige manier van werken. Ook gaan we meer investeren in het programma- en gebiedsgericht werken. Zoals gezegd wordt In de huidige praktijk al gedeeltelijk in de geest van de Omgevingswet gewerkt.
Zo kent de afdeling Publieksdiensten één regisseur voor het totale planproces en vindt interne afstemming en samenwerking plaats tussen de afdelingen/ teams van ROV, VTH en Vergunningverlening en extern met de Regionale Uitvoerings Dienst (RUD), provincie Limburg en andere partners. Het gebiedsgericht werken krijgt al vorm in het Centrum, op de Oostflank en in de wijk Brunssum-Noord. Het verankeren van het ‘anders werken’ is een geleidelijk proces en zal op diverse manieren vorm krijgen: door de bestuurlijke ambities zowel beleidsmatig als uitvoeringstechnisch te vertalen naar concrete pilots en activiteiten; door in de procesgang van de vergunningverlening aandacht te besteden aan de kernbegrippen van de Omgevingswet;
26
-
door de andere manier van werken te stimuleren door het organiseren van de dialoog, opleidingen en kennisbijeenkomsten en natuurlijk door er in de praktijk mee aan de slag te gaan (leren en ontwikkelen).
Na de invoeringsdatum handhaven we dan ook de projectorganisatie om de vertaling van dit ambitiedocument in de uitvoeringspraktijk te sturen en te monitoren en om te beoordelen of/ hoe de maatschappelijke en veranderdoelen van de Omgevingswet vorm krijgen. De voortgang en ontwikkelingen bespreken we in de raadswerkgroep (zie hierna) en koppelen we periodiek terug naar de raad via de reguliere P en C-documenten c.q. via een raadsinformatiebrief. b. Ontwikkelen instrumentarium • De Omgevingsvisie bevat de gewenste lange termijn ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen voor het hele grondgebied voor de belangrijkste opgaven. Doel van de visie is het bevorderen van de samenhang in beleid voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat in ieder geval: - de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, - de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied. - de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid (doelen en aanpak). - De planhorizon: wat willen wij bereiken in de periode tot 2035? (de huidige structuurvisie loopt tot 2025) ▪
De Omgevingsprogramma’s beschrijven hoe wij op korte en middellange termijn aan deze ontwikkelingsrichting uitvoering willen geven. De programma’s vormen een samenhangend pakket van maatregelen en projecten die zijn gericht op het realiseren van de gewenste kwaliteit van de leefomgeving, eventueel gebiedsgericht.
▪
Het Omgevingsplan geeft lokale regels en afwegingskaders voor nieuwe ontwikkelingen en activiteiten. Het vervangt niet alleen de huidige bestemmingsplannen, maar geeft ook alle regels over de fysieke leefomgeving ( waaronder APV en andere beleidsregels en de rijksregels [bruidsschat] ).
Het onderscheid en de samenhang tussen genoemde instrumenten ziet er in schema als volgt uit:
27
Aangezien de raad het bevoegd gezag is voor het vaststellen van omgevingsvisie en omgevingsplan en actief betrokken wil worden bij het opstellen van programma’s blijft ook de raadswerkgroep na de invoeringsdatum in stand. Met inachtneming van de regelgeving van de Omgevingswet en de door de raad gestelde ambities en rekening houdende met de in dit ambitiedocument voorgestelde beleidscyclus stellen we in nauw overleg met de raadswerkgroep een integraal plan van aanpak op voor de totstandkoming van omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s en voeren dit gefaseerd uit.. Globaal ziet de planning vanaf 2022 er als volgt uit: 2022 Dienstverlening OW Communicatie Pilots en activiteiten staande organisatie en programma organisatie ontwikkeling Participatiebeleid/ verordening Raadsbesluiten Omgevingswet Omgevingsvisie
Minimale eisen over invoering OW/ aanpak instrumentarium Nog nader te bepalen
Experimenteren en beleidsvoorbereiding
2023
2024
2025
2026-2029
Doorontwikkeling -> over omgevingsvisie en programma’s n.n.t.b.
Over omgevingsplan n.n.t.b.
Vaststelling raad
Uiterlijk 1e kwartaal Integraal plan van aanpak + voorbereiding
Vaststelling raad Opstellen programmaportfolio
Programma’s
Omgevingsplan
Monitoring uitvoering visie en programma’s + periodieke terugkoppeling
Voorbereiding en gebiedsgerichte uitwerking onderdelen omgevingsplan
Evaluatie en bijstelling visie raad Evaluatie en bijstelling Uiterlijk 2029 vaststelling raad
Beschikbare budgetten: jaar
bestemming
budget
2022
Invoeringsbudget OW
150.000
2022
Opstellen Omgevingsvisie
150.000
Opstellen Omgevingsplan
100.000
Opstellen Omgevingsplan
50.000
2023
28
Bijlage 1
Motie Omgevingswet Constaterende dat: de invoering van de Omgevingswet voorzien is voor 2021; de Omgevingswet vooral een andere manier van werken vereist en niet per se andere regelgeving betekent; daarmee ook de rol van de Gemeenteraad verandert. Overwegende dat: het wenselijk is dat de ontwikkeling van Raad en ambtelijke dienst synchroon lopen; het goed functioneren van de Omgevingswet voor onze inwoners betekent dat ook de Raad getraind moet worden in deze nieuwe werkwijze en mentaliteitsverandering; ontwikkeling en scholing een eigen verantwoordelijkheid van de raad is, maar dat de samenhang met de training van de ambtelijke dienst in deze om een gezamenlijk ontwikkelplan vraagt zodat aan het einde iedereen over dezelfde informatie beschikt en helderheid heeft over de respectievelijke rollen. Roepen het college op om: gekoppeld aan het ontwikkeltraject van de ambtelijke dienst met betrekking tot de omgevingswet, in samenwerking met de griffie een trainingsprogramma voor de raad te ontwikkelen zodat ook de raad kennis heeft van Omgevingswet, de veranderende werkwijze en de vereiste verandering in mentaliteit ten aanzien van ruimtelijke vraagstukken.
En dit voorstel voor een gezamenlijk ontwikkeltraject voor te leggen aan de gemeenteraad; in dit plan onder andere rekening te houden met de mogelijkheid om de gemeenteraad actieve invloed te geven bij het opstellen van de in het kader van de Omgevingswet op te stellen Programma's. En gaat over tot de orde van de dag.
29
Bijlage 2 Lijst categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad niet is vereist. Bijlage (Verseonnr. 554984) bij het raadsvoorstel genaamd “Projectafwijkingsbesluiten: Verklaring van geen bedenkingen en samenloop van twee planprocedures” Gemeenteblad 2015 nr. 2 (Zaaknr. 546401) Lijst categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen, als bedoeld in artikel 6.5 lid 1 BOR, niet is vereist voor een aanvraag om omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12 eerste lid onder a sub 3 Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Deze lijst luidt als volgt: 1. Het bouwen of anderszins toevoegen van maximaal 10 woningen (grondgebonden en gestapeld) met daaraan inherente voorzieningen (waaronder garageboxen), met dien verstande dat rekening dient te worden gehouden met hetgeen in onderdeel 8 van deze lijst is opgenomen. 2. Het bouwen van kantoren, winkels, horecabedrijven, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlenende bedrijven, categorie 1- en 2- bedrijven, consumentverzorgende en ambachtelijke bedrijven met daaraan inherente voorzieningen. 3. De reconstructie van een weg met de daarbij behorende voorzieningen (zoals geluidschermen). Onder dit artikel valt alleen de reconstructie van een weg zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van fiets- of parkeerstroken of het aanleggen van rotondes.
De beslissing tot het aanleggen van een geheel nieuwe weg of het verleggen van een weg ligt bij de raad. 4. Het bouwen of uitbreiden van een winkel bij een brandstofverkooppunt. 5. Een wijziging van het gebruik van gebouwen en/of onbebouwde gronden, anders dan ten behoeve van bouwen, mits passend bij de hoofdfunctie van het terrein. 6. Een wijziging van agrarisch gebruik indien het betreft extensief recreatief gebruik dan wel de ontwikkeling van natuur en bos. Onder extensief recreatief gebruik wordt verstaan: vormen van openluchtrecreatie die niet intensief zijn (wandelen / fietsen). Bij de aanleg van voorzieningen voor extensieve openluchtrecreatie valt te denken aan de aanleg van wandelpaden, bankjes, picknickvoorzieningen en informatieborden. Kamperen bij de boer is intensieve openluchtrecreatie. Een dergelijke aanvraag moet wel aan de raad voorgelegd worden. 7. De bouw / realisering van hagelnetten en teeltondersteunende voorzieningen. 8. Het wijzigen van het gebruik van vrijkomende agrarische bebouwing in een woon- en/of recreatieve functie onder de voorwaarden dat: a. het gaat om het bestaande hoofdgebouw, dat in maximaal vijf woningen of appartementen mag worden gesplitst; b.
de kwaliteit van de locatie wordt verbeterd: onder kwaliteitsverbetering wordt minimaal verstaan de sloop van alle bijgebouwen met een terugbouw van maximaal 25% van het oorspronkelijke volume en inpassing in het landschap van die nieuwbouw. 9. Het bouwen van bedrijfsgebouwen en bijgebouwen op een bestaand of ingevolge de gemeentelijke structuurvisie beoogd bedrijventerrein.
30
10. Het bouwen, ondersteunend dan wel additioneel, ten behoeve van sport of recreatie mits qua aard en omvang passend in de omgeving. Toepassing van dit artikel is alleen mogelijk als het gaat om een ondersteunende of aanvullende uitbreiding of vervangende nieuwbouw. Een geheel nieuwe ontwikkeling op het gebied van sport of recreatie is op basis van dit artikel niet mogelijk. 11. Het afwijken van de in de bestemmingsplanregels gegeven maten, aantallen, afmetingen en percentages, op voorwaarde dat de uit te voeren activiteit een verplichte maatregel is met betrekking tot de onderwerpen milieu en veiligheid die zijn grondslag vindt in specifieke/hogere wetgeving en er geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor de omgeving (zoals bijvoorbeeld het plaatsen van kogelvangers bij Schutterijen, alsook het oprichten van een geluidsscherm). 12. Het afwijken van een in het bestemmingsplan gehanteerde maat tot ten hoogste 20 % waarbij de oppervlakte en inhoud eveneens met niet meer dan 20% mogen toenemen. 13. Een combinatie van functies en/of activiteiten als bedoeld onder artikel 1. tot en met 12 van deze lijst. Voorwaarden: a. Het betreft een (bouw)plan / ontwikkeling die verenigbaar is met de op het moment van aanvraag van toepassing zijnde Structuurvisie (of Omgevingsvisie bij inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet) en de Strategische Visie. b.
Het betreft een (bouw)plan / ontwikkeling die verenigbaar is met de uitgangspunten in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg, de Provinciale Omgevingsverordening en eventueel aanvullend Provinciaal beleid, zoals dat geldt ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning. c. De ontwikkelende partij reikt een goede ruimtelijke onderbouwing aan waarin de betreffende ontwikkeling nauwgezet wordt beschreven en waarbij aandacht is besteed aan rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Tevens wordt in de ruimtelijke onderbouwing aandacht besteed aan diverse sectorale aspecten, zoals bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuhinder, natuur, archeologie, water, alsmede de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid. De ruimtelijke onderbouwing (inclusief bijbehorende onderzoeken) is voor rekening en risico van de ontwikkelende partij, maar komt in nauwe samenwerking met de gemeente tot stand en dient ook door de gemeente voor akkoord te worden bevonden. Toelichting algemeen Op 5 juli 2011 heeft de gemeenteraad besloten om in een aantal gevallen geen verklaring van geen bedenkingen te vereisen, zoals genoemd in artikel 6.5, eerste lid Besluit omgevingsrecht. Destijds is bij het opstellen van deze lijst grotendeels aansluiting gezocht bij de vroegere artikel 19 lid 2 WRO lijst van Gedeputeerde Staten van Limburg.
Waar nodig is deze aangepast aan het ruimtelijke beleid van de gemeente Brunssum en recentere regelgeving. Het voordeel van deze lijst is dat de gemeente aanvragen van de burger sneller, zonder tussenkomst van de gemeenteraad, kan afhandelen. Bij projecten die niet binnen deze lijst vallen, veelal grote en/of controversiële projecten, heeft de gemeenteraad het laatste woord. Het uitgangspunt is dat het college dit soort grote en/of controversiële projecten vroegtijdig aan de gemeenteraad voorlegt voor een standpuntbepaling. Het hanteren van de bovenstaande lijst betekent overigens niet dat het college geen rekening meer hoeft te houden met wet- en regelgeving of rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Bij het nemen van een projectafwijkingsbesluit zullen indien noodzakelijk ook andere overheidsorganen betrokken worden. Indien bijvoorbeeld provinciale belangen in het geding dreigen te komen dan moet met de
31
provincie vooroverleg gevoerd worden. Ook zal in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld toevoegen van woningen of toevoegen van retail, overleg met Parkstad worden gevoerd. In de lijst van 5 juli 2011 is expliciet gerefereerd aan het toenmalige Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) uit 2006 en is dus rekening gehouden met daarin opgenomen perspectieven. Inmiddels is op 12 december 2014 het nieuwe POL 2014, alsmede de daarbij behorende Provinciale Omgevingsverordening vastgesteld. In dat nieuwe POL zijn bepaalde perspectieven / zoneringen anders benoemd. De eerder van toepassing zijnde perspectieven zijn dus niet meer vigerend en dat maakt de op 5 juli 2011 vastgestelde lijst niet meer toepasbaar. Derhalve wordt in deze lijst niet meer expliciet verwezen naar bepaalde perspectieven / zoneringen. Als voorwaarde is nu gesteld dat de ontwikkeling past in het POL, zoals dat vigerend is op het moment van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Indien een ontwikkeling niet voldoet aan het POL, dan is ten alle tijden een verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad benodigd. Aangezien de raad de gemeentelijke structuurvisie en de Strategische visie vaststelt, is in deze lijst eveneens als voorwaarde opgenomen dat de betreffende ontwikkeling moet passen in de op het moment van aanvraag van toepassing zijnde Structuurvisie en Strategische visie.
Indien een ontwikkeling dus wel voldoet aan een van de 13 genoemde ontwikkelingen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad niet is vereist, maar niet voldoet aan de gemeentelijke Structuurvisie en/of de Strategische Visie dan wordt het plan aan de raad voorgelegd met het verzoek om al dan niet een verklaring van geen bedenkingen af te geven.
32