Raadsvoorstel 103 (bijlage) ambitiedocument invoering Omgevingswet gemeente Brunssum tbv raad van 21-12- 2021.docx
Tekst van het document
Ambitiedocument Invoering Omgevingswet
Ambitiedocument Invoering Omgevingswet Versie 3 18 oktober 2021 0
Inhoudsopgave Inleiding
Pagina 2
1. De impact van de Omgevingswet
3
2. De invloed van de Omgevingswet op de rol van onze gemeente
5
3. Ambities gemeente Brunssum voor de invoering van de Omgevingswet A. Algemene thema’s a. Aanpak b. Dienstverlening c. Beleidscyclus B. Specifieke thema’s a. Omgevingsvisie; een verhaal van de mensen b. Op weg naar het omgevingsplan c. Rolverdeling bevoegdheden raad – college van B en W d. Participatie e. Gezondheid en de Omgevingswet
9 10 10 11 11 13 13 16 17 20 22
4. Ambities vertalen naar de uitvoeringspraktijk a. Werkwijze en cultuur b. Ontwikkelen instrumentarium
26 26 27
Bijlagen 1. Motie Omgevingswet 2. Lijst categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad niet is vereist
29 30
1
Inleiding
Per 1 juli 2022 zal de Omgevingswet in werking treden. Evenals alle andere gemeenten in Nederland bereidt ook Brunssum zich momenteel voor op de komst van deze nieuwe wet. Eind 2019 is door het college van B&W het implementatieplan vastgesteld om het invoeringstraject in onze gemeente in goede banen te leiden. De Omgevingswet gaat veel vragen van gemeentestuur en ambtelijke organisatie en is daarnaast van invloed op onze relatie met de samenleving. Naast het toepassen van nieuwe instrumenten en gewijzigde regelgeving vraagt de wet om een verandering op thema's als houding en gedrag, dienstverlening en participatie. Thema's die kunnen worden samengevat onder de noemer 'werkwijze en cultuur’. Maar wat is een goede voorbereiding op de Omgevingswet en welke ambities heeft de raad in dit kader? Om richting te geven aan deze discussie is een raadswerkgroep ingesteld. Deze raadswerkgroep heeft in 6 bijeenkomsten van gedachten gewisseld over de vraag hoe de sturing op de fysieke leefomgeving gestalte kan krijgen. Met externe ondersteuning heeft een verkenning plaatsgevonden van de nieuwe kerninstrumenten (omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s), de bestuurlijke rolverdeling, de wijze van regelgeving (strak, sturen of loslaten) en is gediscussieerd over het belang van participatie binnen het fysieke domein.
Ook is gesproken over de gewenste afstemming van het lokale beleid op regionale, provinciale en nationale beleidskaders en de noodzakelijke samenhang tussen het fysieke en sociale domein. Deze verkenning heeft geleid tot een aantal ambitie- en standpuntbepalingen, die in dit ambitiedocument nader geconcretiseerd zijn. In de raadsinformatiebrief van juni 2020 heeft het college aangegeven de invoering van de Omgevingswet als een uitgelezen kans te zien om onze dienstverlening verder te verbeteren. De nieuwe wet gaat er namelijk van uit, dat we niet meer alles regelen, maar meer vertrouwen op de zelfredzaamheid en expertise van bewoners en ondernemers. Dat we faciliteren, dat initiatiefnemers en belanghebbenden in een vroegtijdig stadium met elkaar in gesprek gaan. Dat we bij complexe zaken onze professionele partners actief betrekken bij het proces van vergunningverlening. En dat we onze burgers benaderen met een positieve grondhouding. In dit ambitiedocument onderschrijven we de uitgangspunten van de Omgevingswet en formuleren we hoe we zowel intern als in de wisselwerking met burgers en initiatiefnemers de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de fysieke leefomgeving willen vormgeven c.q. faciliteren.
We sluiten hiermee aan op de strategische koers, zoals vastgelegd in het coalitieprogramma ‘de burger centraal’ en op de impulsen die vanuit het programma Organisatieontwikkeling worden gegeven ter bevordering van een klantgerichte dienstverlening en een flexibele en wendbare ambtelijke organisatie, die ‘van buiten naar binnen’ werkt. Leeswijzer In hoofdstuk 1 beschrijven we de impact van de Omgevingswet. Hoofdstuk 2 gaat in op de veranderende rol van de gemeente en de relatie met het coalitieprogramma en het huidige beleid. In hoofdstuk 3 hebben we op basis van de gesprekssessies in de raadswerkgroep onze ambities voor implementatie van de Omgevingswet geschetst. In hoofdstuk 4 vermelden we de 2 ontwikkellijnen ‘werkwijze en cultuur’ en ‘instrumentarium’ om deze ambities gefaseerd en werkende weg in de praktijk te brengen.
2
1. De impact van de Omgevingswet
Na de grootschalige wijziging in het sociale domein wordt met de Omgevingswet een ingrijpende verandering in het fysieke domein doorgevoerd. Het doel van deze majeure veranderopgave is het realiseren en in stand houden van een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. En wel op een zodanige wijze, dat er sprake is van meer samenhang in beleid, regelgeving en uitvoering en de samenwerking tussen alle interne en externe actoren als ook de participatie van initiatiefnemers en belanghebbenden optimaal is gewaarborgd. In de Omgevingswet wordt alle wetgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving gebundeld in één wet. Concreet betekent dit, dat ca 26 wetten, 120 Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en 134 ministeriële regelingen worden samengevoegd in 1 wet , 4 AMvB’s en 1 ministeriële regeling. Gelijktijdig met dit omvangrijke wetgevingstraject wordt een nieuw digitaal stelsel en een nieuw gemeentelijk instrumentarium ingevoerd (omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en omgevingsvergunning). Ook moet onze dienstverlening binnen het ruimtelijke domein anders worden ingericht. De komst van de Omgevingswet is veel meer dan een instrumentele verandering. Het raakt ook nadrukkelijk de cultuur en werkwijze van de gemeentelijke organisatie.
De positie van de raad gaat veranderen en daarmee ook de rol van B&W, de relatie tussen de gemeente en de burger wordt dynamischer en de Omgevingswet biedt meer ruimte om samen met burgers en netwerkpartners tot oplossingen te komen.
3
Voor burgers en ondernemers betekent de komst van de Omgevingswet minder en overzichtelijke regels, kortere procedures, meer ruimte voor initiatieven en inspraak, lokaal maatwerk en een gemeente, die in beginsel medewerking verleent (toepassing van het ‘ja, mits’-principe). De grotere reikwijdte van de nieuwe wet vraagt ook om een nauwere relatie tussen de fysieke en sociaal-maatschappelijke leefomgeving waardoor de aansluiting bij het brede scala aan wensen en behoeften in de lokale samenleving een steeds grotere uitdaging wordt. De Omgevingswet gaat bovendien nadrukkelijker een instrument/ toetsingskader vormen bij thema’s als duurzaamheid, energietransitie en klimaatadaptie, wijkgericht werken, veiligheid en gezondheid, bij pilots als het ‘wijkbedrijf’ en de ‘aardgasvrije wijk’ in Brunssum-Noord en in het kader van regionale kaders en opgaven zoals de regiodeal, de regionale energiestrategie (RES), het regionaal afstemmingskader Parkstad en de provinciale en nationale omgevingsvisie (POVI en NOVI). Dit vereist een goede samenwerking met omliggende gemeenten, provincie en rijk, met het maatschappelijk middenveld en met onze inwoners.
4
2. De invloed van de Omgevingswet op de rol van onze gemeente
De Omgevingswet heeft een grote invloed op de rol van onze gemeente, zowel voor het ambtelijk apparaat en het college als voor de gemeenteraad. De nieuwe wet biedt meer bestuurlijke afwegingsruimte en vraagt als gevolg van de verbrede reikwijdte om integraal beleid. Verder noodzaakt de Omgevingswet tot afstemming en participatie met ketenpartners, initiatiefnemers en belanghebbenden aan de voorkant van het proces. De wet gaat er tevens van uit, dat het initiatief meer bij de samenleving wordt gelaten en de gemeente vooral de rol van regievoerder op zich zal nemen. Andere ambities zijn om meer zaken vergunningsvrij te laten en om informatie op een zodanige manier (digitaal) te ontsluiten, dat deze voor iedereen toegankelijk is. Daarnaast krijgen sociaal-maatschappelijke aspecten als gezondheid en veiligheid nadrukkelijk een plek. De bedoeling van de wet is dat de raad straks de kaders en de grote lijnen bepaalt en veel minder de details. Het zwaartepunt van de rol van de raad ligt dus aan de voorkant van het proces, bij het vaststellen van de doelen en waarden. Die doelen en waarden worden verwoord in de Omgevingsvisie; de Omgevingsvisie is het richtinggevend beleidskader voor het Omgevingsplan, dat ook door de raad wordt vastgesteld. De raad maakt bewuste keuzes over de kwaliteit van de leefomgeving in de gemeente en bepaalt de speelruimte voor de samenleving.
Dit gaat samen met een verandering in houding en cultuur en de wijze waarop de samenleving participeert in besluitvorming. Het college van B en W zorgt ervoor, dat de dienstverlening in overeenstemming is met de uitgangspunten en doelstellingen van de Omgevingswet. Verder stellen B en W de programma’s vast en geven zij concreet uitvoering aan de participatieverplichting en de noodzaak om meer/beter samen te werken en te zorgen voor samenhang. Deze opdracht zal ertoe leiden, dat het college voor wat betreft de fysieke leefomgeving meer integraal zal gaan opereren op basis van collegiaal bestuur en minder sectoraal vanuit de portefeuilleverdeling. De ambtelijke organisatie ondersteunt het college hierbij, zowel in beleidsmatig als uitvoerend opzicht. Dit betekent intern een nauwere samenwerking tussen de afdelingen ROV en MO op beleidsmatig niveau en tussen Publieksdiensten en Zorg op uitvoerend niveau. Extern zal de samenwerking en interactie met initiatiefnemers, belanghebbenden en netwerkpartners daar waar nodig worden geïntensiveerd. Ook zal het nieuwe digitale stelsel adequaat moeten worden ingevoerd en toegepast. Kortom, de Omgevingswet behelst een ingrijpende veranderopgave voor bestuur en ambtelijke organisatie.
5
Relatie met het coalitieprogramma en het huidige beleid In 2018 is het coalitieprogramma 'De burger centraal' vastgesteld. Dit coalitieprogramma is vertaald in een Uitvoeringsagenda voor deze raadsperiode. Overeenkomstig het coalitieprogramma stellen wij de burger en de samenleving nadrukkelijker centraal. De rol (en positie) van onze gemeente is in de afgelopen periode geleidelijk verschoven van initiatiefnemer/ beleidsbepaler naar netwerkpartner en coproducent/ facilitator van beleids- en uitvoeringsinitiatieven. Een krachtig lokaal bestuur en een professionele en samenwerkingsgerichte bestuurscultuur zijn belangrijke randvoorwaarden voor het optimaal kunnen realiseren van onze ambities. Met de ingezette koers wordt aangesloten op het streven van het rijk om de lokale democratie en het lokale bestuur te versterken. Met ‘de burger centraal’ accentueren wij ook het sociale karakter van onze gemeente. Het coalitieprogramma ademt nadrukkelijk de ambitie uit om transparant te besturen, inwoners actiever te betrekken bij vraagstukken, die hun dagelijks leven direct raken en om bewonersinitiatieven te bevorderen. In de uitvoeringsagenda wordt over het samenspel tussen gemeente en samenleving het volgende vermeld: • Maatschappelijke opgaven, wensen en behoeften in de lokale samenleving staan aan de basis van ons gemeentelijk beleid.
• Bij het ontwikkelen en uitvoeren van beleid, bij het wijkgericht werken en bij projecten in het kader van een gebiedsgerichte aanpak zijn onze inwoners en externe partijen actief betrokken. • Burgerparticipatie en partnerschap staan hoog in het vaandel. Burgerinitiatieven worden bevorderd en gefaciliteerd. Maatschappelijke opgaven vragen in toenemende mate om een aanpak die de grenzen van individuele gemeenten overstijgt. Onze gemeente heeft de afgelopen periode dan ook proactief geïnvesteerd in het vormen van coalities met zowel bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, wijkteams en (vertegenwoordigingen van) burgers als met andere gemeenten, provincie en rijksoverheid. Op nagenoeg alle domeinen van het gemeentelijk beleid werken we momenteel al constructief samen. In de uitvoeringsagenda is de intentie uitgesproken om ‘op die terreinen waar dat aantoonbare meerwaarde heeft ook in de toekomst actief de samenwerking zoeken. De vorm waarin en schaal waarop dat gebeurt, is afhankelijk van de opgave waar we voor staan’. Een andere ambitie van onze gemeente is het streven naar een excellente dienstverlening waarbij uitgegaan wordt van de vraaglogica van burgers. Uitgangspunt is een digitale bedrijfsvoering waarbij het persoonlijke contact plaatsvindt middels afspraakgericht werken.
Daarnaast kan de inwoner eenvoudige producten zelf genereren of ophalen in de Gemeentewinkel “klaar terwijl u wacht”. De “burger centraal” vormt dus ook in het kader van onze dienstverlening inmiddels al een beproefd uitgangspunt. Onze gemeente maakt in haar afweging voor het toekennen van diensten en producten gebruik van beleidskaders die in samenspraak met bestuur en burgers zijn opgesteld. Ook bij een (goed onderbouwde) afwijzing staat de burger centraal, terwijl dat als individu niet altijd zo wordt ervaren. Dit principe betekent namelijk niet, dat men in alle gevallen krijgt waarom men vraagt. We denken en handelen nu al (zoveel mogelijk) vanuit klantperspectief met inachtneming van een efficiënte bedrijfsvoering. We sluiten aan bij de groeiende behoefte aan digitale dienstverlening maar hebben ook voldoende aandacht voor burgers, die de voorkeur geven aan persoonlijk contact. In de huidige praktijk wordt al gedeeltelijk in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Zo kent de afdeling Publieksdiensten één regisseur voor het totale planproces en vindt afstemming en 6
samenwerking plaats tussen de afdelingen/ teams van ROV, VTH en Vergunningverlening en met externe partners als de RUD en de Provincie. Uit het voorgaande blijkt, dat de doelen van de Omgevingswet niet alleen naadloos aansluiten bij het bestaande coalitieprogramma, maar ook bij de wijze waarop we onze dienstverlening in de dagelijkse praktijk vormgeven. De wijze, waarop we onze burgers nu al tegemoet treden, wordt na de invoering van de Omgevingswet dan ook voortgezet. Door (nog) meer te investeren in de aspecten ‘integraliteit’, ‘participatie’ en ‘samenwerking’, het ‘ ja, mits’-principe en in gebiedsgericht en programmatisch werken geven we concreet vorm aan onze toekomstige manier van werken. Een werkwijze, die niet alleen voortvloeit uit de strategische visie van het coalitieprogramma, maar ook optimaal aansluit bij de bedoelingen van de Omgevingswet. Onderstaande figuur geeft de uitdaging van de Omgevingswet goed weer: ingrepen in de fysieke leefomgeving zijn van invloed op de samenleving, terwijl activiteiten door de samenleving weer van invloed kunnen zijn op de leefomgeving. Het zoeken van een verantwoord evenwicht betekent dus het afwegen van belangen in de wisselwerking tussen het fysieke en sociale domein en noodzaakt om voortdurend te zoeken naar samenhang, samenwerking en participatie.
7
Wij hebben de overtuiging dat met een gezamenlijke inspanning en een actieve en brede betrokkenheid van inwoners, bedrijven en maatschappelijk middenveld steeds een goede balans kan worden gevonden tussen enerzijds het realiseren en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en anderzijds het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Conform coalitieprogramma willen wij meer ruimte bieden aan initiatieven binnen de lokale samenleving, die bijdragen aan de gewenste balans en sluiten zowel gebiedsgericht als thematisch aan bij maatschappelijke vragen en behoeften. In veel gevallen is de samenleving namelijk prima in staat om zaken zelf te regelen of problemen op te lossen. Bovendien zijn inwoners, bedrijven en andere organisaties capabel genoeg om te bepalen waar op lokaal niveau behoefte aan is. De betrokkenheid en de mate van invloed van de gemeente is afhankelijk van de opgave en de ‘potenties’ van de initiatiefnemer(s). Het realiseren van de maatschappelijke doelen, zoals verwoord in omgevingsvisie en programma’s stat hierbij voorop. Met de uitvoering van het coalitieprogramma heeft onze gemeente vanaf 2018 een weg ingeslagen die perfect aansluit bij de invoering van de Omgevingswet.
De Omgevingswet vormt een extra stimulans om het gedachtegoed van ‘de burger centraal’ in de praktijk te brengen.
8
3. Ambities gemeente Brunssum voor de invoering van de Omgevingswet
In augustus 2020 is een raadswerkgroep aan de slag gegaan met het uiteindelijke doel om in coproductie tussen bestuur en ambtelijke organisatie/ griffie te komen tot het opstellen van een concept ambitiedocument. De samenstelling van de raadswerkgroep was als volgt: Stefanie Offermans (BBB Lijst Palmen) Nuwan Renkens/ Pieter Vermeulen/ Jos Janssen (PAK) Jos Scheffers (Lijst Borger) Arno de Haas/ Jack van Oppen (VVD) Haico Offermans (PvdA) Raymond Claus (CDA) Jo Mertens (verantwoordelijk portefeuillehouder) Marian Reuling (griffie) Luc Speck / Ellen Aarts (afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Vastgoed) Anita Gidding (projectleiding Omgevingswet/ juriste en beleidsmedewerker Publieksdiensten) Jeffrey Breijman (projectleiding Omgevingswet/ strategisch adviseur) Ad hoc: wethouders Houben, L’Espoir en de Rijck en ambtenaren afdelingen MO, ROV en Publieksdiensten
Met externe ondersteuning van Trees van der Schoot Advies zijn in de werkgroep de volgende 6 thema’s aan de orde geweest: a. Omgevingsvisie: een verhaal van de mensen b. Op weg naar het Omgevingsplan c. Omgevingswet: verdeling bevoegdheden raad - college van B en W d. Participatie en de gemeenteraad e. Gezondheid en Omgevingswet f. Werken in de geest van de Omgevingswet In dit ambitiedocument gaan we nader in op de besproken thema’s en geven we de in de raadswerkgroep gestelde ambities en ingenomen standpunten weer. De behandelde thema’s hebben met name betrekking op: • de nieuwe kerninstrumenten van de Omgevingswet en de wijze waarop de raad hieraan (op een cyclische en samenhangende wijze) sturing wenst te geven; •
de participatieverplichting en de wijze waarop de raad hieraan vorm en inhoud wilt geven;
•
de verbrede reikwijdte van de Omgevingswet en de bredere blik, die zowel ambtelijk als bestuurlijk nodig is om de beleidsthema’s, die verband houden met de fysieke leefomgeving in hun onderlinge samenhang te beoordelen en te ontwikkelen. Zodat vanaf het begin van het besluitvormingsproces alle relevante belangen op tafel liggen en een integrale afweging kan plaatsvinden.
In de raadswerkgroep is verder in algemene zin nog gesproken over de wijze waarop we het implementatieproces, met name op de lange termijn willen vormgeven, over de wijze waarop de dienstverlening in de geest van de Omgevingswet gestalte kan krijgen en over het op cyclische wijze sturing geven aan de fysieke leefomgeving. Voor deze algemene thema’s hebben we mede op basis van de beraadslagingen in de raadswerkgroep een aantal beleidsuitgangspunten geformuleerd.
9
A. Algemene thema’s
a. Aanpak
De implementatie van de Omgevingswet strekt zich uit over meerdere jaren. Er zijn zaken die geregeld moeten zijn voor de invoeringsdatum en er zijn zaken waarvoor we langer de tijd kunnen nemen. Denk bijvoorbeeld aan de doorontwikkeling van onze dienstverlening in het fysieke domein, digitalisering, participatie, maar ook hoe we omgaan met de instrumenten van de Omgevingswet. Daarom wordt een tweesporen aanpak gevolgd: 1. Korte termijn (gereed vóór 1 juli 2022): Ervoor zorgen, dat onze dienstverlening voldoet aan de minimale eisen van de Omgevingswet. Dit gaat onder andere over onze interne processen, kunnen werken met een Omgevingsplan en het digitale stelsel omgevingswet (DSO), samenwerking met ketenpartners, etc. 2. Lange termijn: Bepalen ambitie en groeistrategie voor de verdere implementatie van de Omgevingswet na 1 juli 2022. Zoals hiervoor aangegeven is de Omgevingswet meer dan een technisch-juridisch wetstraject. Het gaat in de basis over een andere manier van werken en kijken naar de fysieke leefomgeving. De veranderopgave, die uit de wet voortvloeit, borduurt voort op een aantal maatschappelijke bewegingen, zoals meer ruimte voor participatie, andere verhoudingen tussen overheid en samenleving/initiatiefnemers (vertrouwen en verantwoordelijkheid), meer regionale samenwerking en een meer integrale kijk op de fysieke leefomgeving.
Met het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt de wet ook de al veel eerder ingezette ontwikkeling naar digitalisering van de dienstverlening. Dat vraagt in de breedte van de implementatie een bezinning op hoe Brunssum aankijkt tegen deze ontwikkelingen. Door het formuleren van beleidsuitgangspunten ontstaat een kader, waaraan alle projecten/activiteiten die bijdragen aan de implementatie van de Omgevingswet kunnen worden getoetst. Uitgangspunten: 1. Ten opzichte van andere gemeenten in Nederland loopt Brunssum niet voorop, maar zijn we eerder trendvolger. We maken dankbaar gebruik van kennis, informatie, producten en ‘best practices’ van pionierende gemeenten en vertalen deze naar de schaal en uitvoeringspraktijk van Brunssum; 2.We zoeken voortdurend een goede balans tussen hetgeen bestuurlijk en maatschappelijk gewenst, in financieel opzicht mogelijk en ambtelijk realiseerbaar is; 3. We starten vanuit de interne focus (raad, college, ambtelijke organisatie) om extern de verbinding en samenwerking aan te gaan. Wij vinden het van belang om inwoners, ondernemers en initiatiefnemers goed uit te kunnen leggen wat er verandert en waarom wij voor een bepaalde aanpak kiezen. Ook in onze regionale samenwerking houden wij onze eigen ambities voor ogen. 4.
We beginnen niet ‘op punt 0’; onze huidige visies, vastgesteld beleid en bestaande werkwijze zijn het vertrekpunt voor de verdere implementatie en doorontwikkeling van de Omgevingswet; 5. Brunssum neemt zijn verantwoordelijkheid om inwoners, ondernemers en initiatiefnemers mee te nemen in de veranderingen die de Omgevingswet met zich meebrengt. Hetzelfde geldt voor de samenwerking met onze netwerkpartners. Dat betekent dat we, complementair aan de voorlichting vanuit het rijk, actief communiceren over de praktische gevolgen van de Omgevingswet. Beleidsontwikkeling vindt plaats met inachtneming van de kaders van rijk, provincie en regio en in coproductie met onze samenwerkingspartners. 10
b. Dienstverlening
Het Rijk gaat ervan uit dat de gemeenten onder de Omgevingswet meer samenhang brengen in hun lokale regelgeving, dat het voor initiatiefnemers gemakkelijker wordt om initiatieven te realiseren en dat besluitvormingsprocessen sneller en beter worden. De Omgevingswet biedt dus kansen om op een andere manier te werken, zodat we inwoners en ondernemers nog beter van dienst kunnen zijn. In hoofdstuk 2 hebben we geconstateerd, dat de doelen van de Omgevingswet niet alleen naadloos aansluiten bij het bestaande coalitieakkoord, maar ook bij de wijze waarop we onze dienstverlening nu al vormgeven. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt ons bij de verdere inrichting van de digitale dienstverlening. Uitgangspunten: 1. Ons adagium ‘de burger centraal’ werkt ook door in de uitvoering van de Omgevingswet. We zoeken weliswaar steeds naar een goede balans, maar klantgerichtheid is belangrijker dan procesefficiëntie. Het verlenen van een goede service aan initiatiefnemers en belanghebbenden door te denken en te handelen vanuit klantperspectief staat voorop; 2. We sluiten aan op de huidige wijze van dienstverlening en investeren (nog) meer in de aspecten ‘integraliteit’, ‘participatie’ en ‘samenwerking’, het ‘ ja, mits’-principe en in gebiedsgericht en programmatisch werken; 3.
We zijn toegerust op de groeiende behoefte aan digitale dienstverlening maar hebben ook voldoende oog voor burgers, die de voorkeur geven aan persoonlijk contact; 4. Deregulering is geen doel op zich, maar onze regels en de helderheid en uitvoerbaarheid daarvan zijn een middel om (dienstverlenings)doelstellingen in de fysieke leefomgeving te realiseren; 5. Initiatiefnemers regelen de aanvraag voor hun initiatieven straks snel, digitaal en overzichtelijk. Uit een oogpunt van een gelijke informatiepositie zorgen wij ervoor dat de informatie uit de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan begrijpelijk wordt gepresenteerd en beter vindbaar is voor initiatiefnemers en belanghebbenden. Zodat zij snel en gemakkelijk inzicht krijgen in wat er op een bepaalde plaats in Brunssum wel of niet mogelijk is, welke regels daarvoor gelden en waarom.
c. Beleidscyclus
De Omgevingswet kent vier kerninstrumenten, te weten omgevingsvisie, programma’s, omgevingsplan en vergunningen (zie ook paragraaf 2 hierna). Deze vier instrumenten geven in samenhang met elkaar richting aan de gewenste fysieke leefomgeving. Drie van de vier instrumenten kennen we min of meer al onder de huidige wetgeving, zij het onder een andere benaming. De omgevingsvisie vervangt de huidige structuurvisie (2011) en moet uiterlijk op 1 juli 2025 zijn vastgesteld. Het omgevingsplan geldt voor het gehele grondgebied en komt in de plaats van de huidige bestemmingsplannen en verordeningen en omvat straks ook de gedecentraliseerde rijksregelgeving (de zgn. bruidsschat). We hebben tot eind 2029 om het omgevingsplan vast te stellen. Het kerninstrument ‘programma’s’ is nieuw. Een programma bevat een uitwerking van het te voeren beleid of maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen dan wel een andere doelstelling voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Omdat de vier kerninstrumenten samenhang geven aan de fysieke leefomgeving moeten deze instrumenten ook in samenhang met elkaar worden opgesteld. In de raadswerkgroep is 11
geconstateerd, dat op grond van de controlerende taak van de raad monitoring en evaluatie meer aandacht moet krijgen. Het is aan de gemeenteraad zelf om op cyclische invulling te geven aan het ontwikkelen en up tot date houden van beleid en dus ervoor te zorgen dat er een beleidscyclus ontstaat en gaande blijft. Om te kunnen voldoen aan de verbeterdoelen van de Omgevingswet is het belangrijk om met elkaar af te spreken wanneer de Omgevingsvisie en indirect ook de andere kerninstrumenten worden opgesteld en geëvalueerd.
Uitgangspunten: 1. De beleidscyclus laten we gelijk lopen met de raadscyclus (coalitieperiode). Hierdoor hebben initiatiefnemers beter zicht op wat er wel en niet mag en wanneer ze alert moeten zijn op wijziging van de visie. Concreet betekent dit, dat de omgevingsvisie in het 1e jaar van een nieuwe raadperiode (voor het eerst dus uiterlijk maart 2023) wordt vastgesteld en in het 4e jaar (2026) wordt geëvalueerd. Deze evaluatie vormt dan weer de basis voor een herziening van de omgevingsvisie in het 1 e jaar van een nieuwe raadsperiode. Het blijft uiteraard mogelijk om ook tijdens de raadscyclus de Omgevingsvisie aan te passen. Het huidige VTH-plan dient ook in deze cyclus te worden ingepast. 2. Het beleid met betrekking tot de fysieke leefomgeving moet terug komen in een van de vier kerninstrumenten. We stellen (uiteindelijk) zo min mogelijk separate beleidsstukken op. Daarmee wordt het lokale stelsel overzichtelijk en samenhangend; 3.Het opstellen van een of meerdere programma’s is een middel en geen doel. We stellen alleen programma’s op voor ontwikkelingen en niet voor het aanscherpen van de omgevingswaarden. Het college stelt in het 2e jaar van de nieuwe raadsperiode (2023) ter uitwerking van de omgevingsvisie een onderzoek in hoe het instrument ‘programma’ zich verhoudt tot onze huidige manier van werken en onze bestaande beleidsdocumenten.
Op basis hiervan bepaalt het college uitgangspunten en werkwijze voor de aanpak van programma’s en stelt een programmaportfolio samen, waarin lopende en nieuwe ontwikkelingen, die onder de verbrede reikwijdte van de Omgevingswet vallen, worden opgenomen. Over de voortgang van het programmaportfolio rapporteert het college minimaal jaarlijks aan de raad en over bepaalde programma’s desgewenst tussentijds; 4. de omgevingsvisie vormt de basis voor het opstellen van het omgevingsplan. De voorbereidingen hiervan starten gelijktijdig met de voorbereidingen van de omgevingsvisie en het opstellen van een programmaportfolio (integrale aanpak);
12
B. Specifieke thema’s a. Omgevingsvisie: een verhaal van de mensen
In de Omgevingswet zijn (naast een aantal juridische instrumenten met regels) een aantal kerninstrumenten verwerkt dat overheden in staat moet stellen een goed beleidsmatig kader te stellen om een goed evenwicht tussen het benutten en beschermen van de leefomgeving te bewerkstelligen. Het gaat dan onder andere om de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), Provinciale Omgevingsvisie (POVI), de Regionale Omgevingsvisie (ROVI) en de Gemeentelijke Omgevingsvisie (GOVI). NOVI De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) betreft het nationale beleidsmatige kader waarin het Rijk aangeeft wat zijn visie is voor een duurzame fysieke leefomgeving en ingaat op nationale belangen en afwegingsprincipes. Zuid Limburg is op 17 februari 2021 door het rijk officieel aangewezen als NOVI-gebied. Inmiddels is bestuurlijk in overleg met de betrokken departementen een plan van aanpak vastgesteld. Daarin gaan partijen een langjarig partnerschap aan op belangrijke gestapelde fysieke opgaven in Zuid Limburg. Voor de komende jaren zal de samenwerking gezamenlijk worden uitgewerkt om de opgaven in onze regio te realiseren. Daartoe wordt een regionale investeringsagenda opgesteld, waarin de gezamenlijke programma’s en maatregelen worden uitgewerkt.
Zuid Limburg heeft 3 hoofdopgaven benoemd met als bijzonder aspect daarbij steeds het benutten van grensoverschrijdende kansen: 1. Naar een grensoverschrijdende innovatieve en circulaire economie Ambitie 1 – Europese schakelregio – Wij realiseren meer brede welvaart en 5% meer BRP (dan landelijke trend) in de komende 10 jaar door institutionele, juridische, infrastructurele en andere grensbelemmeringen weg te nemen. Ambitie 2 – Wij versterken onze kenniseconomie, onder andere middels de Einstein telescoop: een Europese onderzoeksfaciliteit met een impuls voor wetenschap en economie. Ambitie 3 – Wij benutten onze innovatieve chemie en kennisinstellingen als groeiversnellers voor de transformatie naar een duurzame economische en maatschappelijk welvarende toekomst
13
2. Sterke en gezonde steden in Zuid-Limburg Ambitie - Wij ontwikkelen een gezamenlijke en integrale aanpak gezonde en sterke steden Zuid-Limburg zodat in 2050 de jeugd in Zuid-Limburg net zo gezond en kansrijk is als de rest van NL. (ambitie in overleg met partners uit het werkveld nader aan te scherpen). Per 2024 moet op grond van het rijksbeleid gezondheidsbevordering onderdeel zijn van de belangenafweging over ruimtelijke vraagstukken. 3. Versterken uniek Nationaal Landschap Zuid-Limburg als groene long voor Zuid-Limburg Ambitie - In de Groene Long staat kwaliteit van Leven en een toekomstbestendig uniek grensoverschrijdend landschap centraal door: • Klimaatbestendig watersysteem en duurzaam natuur- en landschapsbeheer • Verder ontwikkelen van duurzame kwaliteitslandbouw; • Ons te ontwikkelen tot Green Destination Zuid-Limburg met een kwalitatief passend (verblijfs)aanbod, aandacht voor het beheersbaar houden van de recreatieve druk in kwetsbare gebieden en met emissieloos recreatief vervoer; • Een gezondheidsoase te bieden aan de bewoners van de Groene Long en de omliggende stedenring • Onze overgangen tussen stad en platteland duurzaam in te richten met ruimte voor recreatieve en groene uitloopgebieden, duurzame energie, mobiliteit en waar nodig en mogelijk kwalitatief goed ingepaste bedrijvigheid.
POVI De Provinciale Omgevingsvisie (POVI) is de opvolger van het Provinciaal Omgevingsplan. In de POVI wordt ingezoomd op de provinciale belangen, ontwikkelingen, kansen en risico’s.. De Omgevingsvisie Limburg is een lange termijn visie, die is ingedeeld in twee delen; één thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de ambities en opgaven voor de diverse beleidsthema’s en een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op bovenregionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De POVI Limburg onderscheidt drie hoofdopgaven. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: - Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving (in stedelijk c.q. bebouwd gebied en in landelijk gebied); - Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie) ; - Klimaatadaptatie en energietransitie Deze opgaven én kansen vragen om een integrale aanpak, zowel in ruimtelijk opzicht alsook ten aanzien van sociale en economische aspecten. Na een uitgebreid participatief proces is de Omgevingsvisie 15 december 2020 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Formele besluitvorming over de Omgevingsvisie door Provinciale Staten moet nog plaatsvinden.
De door de gemeente op stellen beleidsmatige kaders dienen te worden afgestemd op de kaders die in de POVI worden benoemd. ROVI/ Regionaal Afstemmingskader De Regionale Omgevingsvisie (ROVI) is een visie die ingaat op de regionale ontwikkelingen, belangen en ambities. Voor de regio Parkstad geldt dat er geen ROVI zal worden vastgesteld maar dat er zal worden gewerkt met een Regionaal Afstemmingskader. Het Regionale Afstemmingskader is onder de Omgevingswet geen omgevingsvisie. Een gemeente kan namelijk maar één omgevingsvisie voor haar grondgebied vaststellen. Dat maakt echter niet uit, omdat afspraken over regionale samenwerking in principe geen directe basis hebben in de huidige Wet ruimtelijke ordening en de aankomende Omgevingswet. Dus ook buiten het 14
omgevingswetinstrumentarium blijft het uiteraard mogelijk om interbestuurlijke afspraken met elkaar vast te leggen. Het Regionale Afstemmingskader is een bouwsteen voor de door de gemeente op te stellen gemeentelijke omgevingsvisie en heeft betrekking op opgaven en ontwikkelingen van regionaal belang en betreft een continuering van de doorlopende samenwerking. Het Afstemmingskader gaat in op verschillende (bestaande) onderwerpen als economie en toerisme, wonen en herstructurering, ruimte en duurzaamheid, mobiliteit, maar ook op (nieuwe) onderwerpen als sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen, klimaatadaptie en circulariteit, cultuur en historie, grensoverschrijdende samenwerking, de relatie stad-land en natuur- en plattelandsontwikkeling. In het najaar 2021 zijn de gemeenteraden van de Parkstadgemeenten geïnformeerd over de stand van zaken rond het Regionaal Afstemmingskader. GOVI De gemeentelijke omgevingsvisie is een integrale gebiedsdekkende visie die de keuzes voor onze lokale leefomgeving op de korte c.q. (middel)lange termijn laat zien. Het is een inventarisatie van de bestaande kwaliteit van de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen, de ambities daarbij (hoofdlijnen voorgenomen ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud hele gemeente) en ten slotte de hoofdzaken van het beleid op alle relevante terreinen van de fysieke leefomgeving.
De GOVI biedt de beleidsmatige basis voor uitwerking in het omgevingsplan (vervanger van bestemmingsplannen en verordeningen) en eventueel programma’s. Deze 3 kerninstrumenten geven ook aan wat de doelen zijn voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten of wijzigingen van onderdelen van het omgevingsplan. De omgevingsvisie vervangt de ‘‘Structuurvisie 2025 (2011). Binnen de Omgevingswet worden het fysieke en sociale domein integraal benaderd. Thema’s zoals gezondheid, veiligheid, leefbaarheid, onderwijs, welzijn en zorg zijn namelijk onlosmakelijk verbonden met thema’s uit het fysieke domein (zoals verkeer, wonen, werken, recreatie en landschap). De GOVI moet 3 jaar na de datum inwerkingtreding van de Omgevingswet, dus uiterlijk op 1 juli 2025, zijn vastgesteld. Uitgangspunten: 1. Onze gemeentelijke omgevingsvisie sluit aan op de beleidskaders en -ambities van de NOVI, POVI, regionaal afstemmingskader en Regiodeal; 2. Gelet op de verbrede reikwijdte van de Omgevingswet streven we naar een gemeentelijke omgevingsvisie, die niet alleen richting geeft aan het beleid voor het fysieke domein, maar ook richtinggevend is voor (onderdelen van) het sociale domein; 3. Onze omgevingsvisie kent een thematische opzet met een gebiedsgerichte uitwerking. We integreren eerder vastgesteld beleid (b.v.
PALET, integrale veiligheid of stadsdeelvisies) in de visie en leggen de nadruk op samenhang tussen de beleidsvelden. Bij de gebiedsgerichte uitwerking is sprake van maatwerk per gebied op basis van een (fysieke en sociale) omgevingsscan; 4. We kiezen een ‘leitmotiv’, dat past bij de identiteit, positie en schaal van Brunssum en bij onze missie en ambities voor de langere termijn. De GOVI vormt de opmaat naar een herijking van de strategische visie 2025 c.q. beide trajecten worden in samenhang met elkaar doorlopen; 5. Qua vormgeving zoeken we aansluiting bij de in onze gemeente gehanteerde ‘mediamix’ en streven we naar eenvoud, begrijpelijkheid en overzichtelijkheid.
15
b. Op weg naar het Omgevingsplan
Een ander kerninstrument van de Omgevingswet, is het gemeentelijk Omgevingsplan. Het omgevingsplan van de gemeente bevat de regels voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. Elke gemeente stelt één omgevingsplan op waarin alle gemeentelijke regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Het Omgevingsplan vervangt na inwerkingtreding van de Omgevingswet de nu geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Om te beginnen ontstaat daardoor van rechtswege een tijdelijk Omgevingsplan, waarin de huidige regels worden opgenomen. De gemeentelijke verordeningen blijven nog bestaan. Het Rijk voegt regels toe aan het tijdelijke omgevingsplan. Deze regels zijn nu nog in de wet geregeld. Dit deel heet de bruidsschat. Gemeenten hebben tot eind 2029 de tijd om het tijdelijk omgevingsplan om te zetten naar een nieuw omgevingsplan, dat geheel volgens de eisen van de Omgevingswet is ingericht. In het nieuwe Omgevingsplan worden alle gemeentelijke regels die over de fysieke leefomgeving gaan verwerkt. De losse verordeningen over de fysieke leefomgeving gaan dan op in het omgevingsplan. Daarnaast komen de regels uit de bruidsschat in het omgevingsplan terug. De gemeente mag zelf bepalen of deze regels ongewijzigd worden overgenomen, ze worden aangepast of geheel komen te vervallen.
Het omgevingsplan kan per deelgebied of per thema binnen de gemeente worden gewijzigd. Het omgevingsplan moet voldoen aan de eisen van de Omgevingswet en is digitaal beschikbaar via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Uitgangspunten: 1.
Het gemeentelijk omgevingsplan gaat uit van minder regels, waardoor sommige onderwerpen binnen de fysieke leefomgeving meer worden vrijlaten.
2.
Het gemeentelijke omgevingsplan kent een gebiedsgerichte benadering. Het plan stelt afzonderlijke regels voor de 5 wijken en het buitengebied.
3.
Voorafgaand aan vaststelling van het nieuwe omgevingsplan worden pilots uitgevoerd, waarbij specifiek wordt geoefend met de nieuwe maatschappelijke opgaven, zoals burgerparticipatie en duurzaamheid.
4.
Het nieuwe omgevingsplan wordt ‘werkende weg’ ontwikkeld op basis van actuele bestemmingsplannen, verordeningen en de ‘bruidsschat’ en in samenhang met andere instrumenten. Uitgegaan wordt van bestaande regels en visies en die worden in overeenstemming gebracht met de actuele ontwikkelingen binnen de fysieke leefomgeving.
5.
Het verbinden van het fysiek en sociaal domein is een belangrijk uitgangspunt om te komen tot het nieuwe omgevingsplan, omdat de Omgevingswet een bredere reikwijdte kent dan het huidige Omgevingsrecht. Onder deze bredere reikwijdte vallen ook nieuwe onderwerpen, zoals gezondheid die binnen het sociaal domein een belangrijke rol spelen.
6.
De Raad neemt een delegatiebesluit, op grond waarvan het college de bevoegdheid krijgt om het omgevingsplan te wijzigen. Dit bevordert de daadkracht en wendbaarheid van gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving om mee te bewegen met maatschappelijke ontwikkelingen.
16
c. Rolverdeling bevoegdheden raad – college van B en W Het dualisme is het algemene uitgangspunt voor de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de gemeenteraad (algemeen bestuur) en het college van B & W (dagelijks bestuur). De gemeenteraad bepaalt de kaders, de regels (visies, plannen en verordeningen) en het beleid. De raad controleert verder de uitvoering door B & W en heeft het budgetrecht. Het college van B & W heeft als DB de uitvoerende rol en legt periodiek verantwoording af over het gevoerde beleid. De Omgevingswet borduurt voort op het dualisme en de reguliere verantwoordelijkheidsverdeling. Voor de raad betekent de invoering van de Omgevingswet: • Kaders stellen: vaststellen omgevingsvisie • Regels stellen: vaststellen omgevingsplan en regelgeving bij toezicht en handhaving • Controleren: op basis van de afgesproken beleidscyclus en de uitvoering van programma’s (zie onder 3.A.c) • Adviseren: bij ‘buitenplanse’ omgevingsvergunningen • Uitoefenen volksvertegenwoordigende rol: visie op dienstverlening en participatie (zie onder 3.A.b en hierna onder d.) De rol van de raad bij het toepassen van de kerninstrumenten van de Omgevingswet De omgevingsvisie bevat het strategisch beleid en is voor de raad een sturingsinstrument.
De raad bepaalt door het vaststellen van de omgevingsvisie op basis van een integrale benadering de kwaliteit, ambities en beleidsdoelstellingen van de fysieke leefomgeving en formuleert daarmee de kaders voor het omgevingsplan. De raad stelt tevens het omgevingsplan vast, waarin de regels voor het grondgebied van Brunssum zijn opgenomen, die voor iedereen bindend zijn en door B & W worden gehandhaafd. De raad kan verder regels stellen als B&W zelf uitvoering en handhaving als taak hebben en moeten regels stellen als de omgevingsdienst dat in opdracht van B&W doen. De raad is volgens de wet niet het bevoegd gezag bij het vaststellen van programma’s. Bijsturing is desondanks mogelijk via de politieke weg en de controlerende rol. De raad heeft evenwel bij motie van 13 november 2018 (zie bijlage 1) unaniem de wens uitgesproken om ‘de raad actieve invloed te geven bij het opstellen van de in het kader van de Omgevingswet op te stellen programma's’. Het ligt dus voor de hand om de raad conform de afgesproken beleidscyclus actief te betrekken bij het opstellen en actueel houden van het programmaportfolio en bij de kaderstelling, monitoring en evaluatie van de diverse programma’s.
Bindend adviesrecht van de raad bij buitenplanse omgevingsvergunningen Onder de Omgevingswet is het college bevoegd om door middel van het verlenen van een vergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten af te wijken van regels die in het omgevingsplan staan (5.1 lid 1 sub a Omgevingswet juncto 5.8 Omgevingswet). Deze vergunning kan worden gebruikt om initiatieven en omgevingsplanactiviteiten die niet passen in het geldende ongevingsplan mogelijk te maken. Op grond van diezelfde Omgevingswet kan de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijzen waarin zij in de procedure voor verlening van een dergelijke vergunning, een adviesrecht wil (16.15a
17
onder b sub 1 Omgevingswet). Het college mag dan in haar besluit over de aanvraag om vergunning niet afwijken van het advies van de raad (16.15b Omgevingswet). Het advies van de raad heeft met andere woorden een bindende werking. Wat is de huidige praktijk? Onder het huidige recht kan de raad een lijst met gevallen vaststellen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet noodzakelijk is. In Brunssum heeft de raad een dergelijke lijst in 2015 vastgesteld (zie bijlage 2). Onder de Omgevingswet ligt de bevoegdheid bij het college en kan de raad een lijst met gevallen vaststellen waarin een advies van de raad wel nodig is. Dus een omgekeerde benadering. Stelt de raad niet vast in welke gevallen zij een adviesrecht wenst dan is er geen betrokkenheid van de raad bij de verlening van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voorgesteld wordt om de huidige praktijk voort te zetten en de algemene verklaring van geen bedenkingen om te zetten in het adviesrecht. Dat betekent, dat de raad bij buitenplanse omgevingsvergunningen een bindend adviesrecht heeft, tenzij een geval zoals vermeld op de lijst in bijlage 2 aan de orde is. Raadsbesluiten vóór invoeringsdatum Omgevingswet Op het moment dat de wet van kracht wordt moeten in elk geval de volgende raadsbesluiten zijn genomen: 1.
Raadsbesluit over gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de raad adviesrecht heeft (zie hiervoor); 2. Raadsbesluit gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor participatie verplicht is (zie onder d.); 3. Verordening Nadeelcompensatie (v/h planschadeverordening); 4. Instellen / herbenoemen commissie ruimtelijke kwaliteit (v.h. welstandscommissie); 5. Raadsbesluit Delegatiebesluit aan het college om het omgevingsplan te wijzigen (zie onder b.) ; 6. Legesverordening (waarin gevolgen Omgevingswet en WKB zijn verwerkt). Ad 3. Verordening nadeelcompensatie (v.h. planschadeverordening) De overheid kan rechtmatig handelen en toch schade veroorzaken. Bijvoorbeeld door het verlenen van een omgevingsvergunning, het inperken van rechten of neveneffecten door werkzaamheden. Het gaat dus om schade veroorzaakt door rechtmatige besluiten, en om schade veroorzaakt door rechtmatige feitelijke handelingen. Bij planschade gaat het om inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak als gevolg van een planologische maatregel. Nadeelcompensatie is dus breder dan planschade, Naar verwachting treedt in 2022 de nadeelcompensatieregeling cfm titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking.
In die regeling worden bestaande regelingen voor nadeelcompensatie in verschillende wetten en buitenwettelijke regelingen samengevoegd en geharmoniseerd. In 2022 treedt ook de Omgevingswet in werking. In de Ow is een nadeelcompensatieregeling opgenomen die aansluit op de generieke regeling uit de Awb (hoofdstuk 15 van de Ow). Vandaar dat de huidige planschadeverordening moet worden vervangen door een verordening nadeelcompensatie. Ad 4. Commissie Ruimtelijke kwaliteit De wet verplicht het instellen van een (gemeentelijke) adviescommissie, in elk geval voor vergunningaanvragen voor Rijksmonumenten maar ook voor een andere dan rijksmonumentenactiviteit in door de gemeenteraad aangewezen gevallen of als B&W hiervoor aanleiding zien. Deze commissie moet voor inwerkingtreding van de wet aangesteld zijn. De wet kent géén overgangsrecht voor de huidige welstandscommissie en monumentencommissie. Zonder verdere actie zou dit betekenen dat (de taken van de) welstandcommissie en monumentencommissie komen te vervallen. Aangezien eind 2019 een stadsbouwmeester en monumentencommissie door de raad zijn benoemd en alle gemeentelijke taken op het gebied van welstandsadvisering en monumenten met deze functies afdoende zijn
18
geborgd, kiezen we vooralsnog voor het handhaven van de huidige praktijk . Dit vraagt een apart besluit van uw raad. De uitvoeringspraktijk moet uitwijzen of een bredere taak van de huidige commissie gewenst is. Ad 6. Legesverordening Gemeenten moeten vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet hun leges(verordening) aangepast hebben. Samen met de Omgevingswet wordt ook de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen ingevoerd. Deze wet heeft grote gevolgen voor de bouwtechnische taken bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning die nu nog binnen de gemeente zijn ondergebracht. Een groot deel van deze taken wordt na invoering van de Wet kwaliteitsborging door marktpartijen uitgevoerd. Dit betreft twee onderdelen: a. aanpassing vanuit wettelijke eisen die zowel de Omgevingswet als de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen stelt, waaronder het verdwijnen van een aantal vergunningen, het splitsen van de bouwtechnische en de ruimtelijke toets bij vergunningen, de mogelijkheid om leges te heffen op milieuvergunningen, wijzigingen in terminologie en kostenstructuur; b) aanpassingen vanuit lokale keuzes die samenhangen met de gemeentelijke filosofie op regulering.
Als gevolg van deze lokale keuzes, is de legesverordening de aankomende jaren naar verwachting sowieso aan veranderingen onderhevig, in ieder geval totdat er zicht komt op het definitieve, gemeentedekkende omgevingsplan. Het vraagstuk van kosten en dekking voor dienstverlening aan derden (in het kader van omgevingsplaninitiatieven), hangt direct samen met onze dienstverleningsvisie. Daarnaast is het van belang om via een impactanalyse zicht te krijgen op de consequenties voor de gemeentelijke begroting.
Het streven is om genoemde raadsvoorstellen zoveel mogelijk gelijktijdig met dit concept ambitiedocument (december 2021) aan de raad aan te bieden. Ten aanzien van de legesverordening zal een splitsing plaatsvinden. De actualisering van de legesverordening zal op 1-1-2022 op gebruikelijke wijze plaatsvinden. Voor 1-7-2022 wordt dan een herziening vastgesteld, waarin de gevolgen van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging worden opgenomen. Dit kan niet eerder.
Uitgangspunten 1.De rolverdeling tussen raad en college van B&W in het kader van de Omgevingswet ligt in het verlengde van de reguliere bevoegdhedenverdeling op grond van de Gemeentewet en stemmen we af op bestaande afspraken in de praktijk; 2.Ter uitvoering van de motie ‘Omgevingswet’ van 13-11-2018 heeft de raad actieve invloed bij het opstellen van de in het kader van de Omgevingswet op te stellen programma's. 3.de algemene verklaring van geen bedenkingen bij een buitenplanse activiteit wordt omgezet in het adviesrecht van de raad. Het college brengt daartoe een raadsbesluit in procedure, dat ingaat op de invoeringsdatum van de Omgevingswet en waarin tevens de participatieverplichting wordt vastgelegd;. 4. de raadsbesluiten die vóór invoering van de Omgevingswet moeten worden genomen, worden zoveel mogelijk gelijktijdig met dit ambitiedocument maar in elk geval in het 1e kwartaal van 2022 geagendeerd.
19
d. Participatie
De Omgevingswet gaat uit van een andere verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en samenleving. Dat betekent meer ruimte geven om met initiatieven te komen. Loslaten en niet alles vastleggen in regels. En meer vertrouwen op de creativiteit, zelfwerkzaamheid en inventiviteit van de lokale gemeenschap, De Omgevingswet zegt alleen dat er participatie moet plaatsvinden, maar niet hoe dat moet. Dit geeft gemeenten ruimte om een werkwijze te ontwikkelen die past in de lokale context. Bij participatie in het kader van de Omgevingswet is het van belang om onderscheid te maken tussen een aantal aspecten: o Participatie om als gemeente aangesloten te zijn op initiatieven uit de samenleving. De gemeente weet wat er leeft in de samenleving en kent ideeën voor initiatieven in een vroeg stadium. Zo kan ze bepalen welke rol zij daarbij wil spelen. o
Participatie bij het maken van de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Vanuit de wet geldt een kennisgevings- en een motiveringsplicht bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het bevoegd gezag geeft bij de kennisgeving van een besluit aan hoe de participatie wordt vormgegeven en het bevoegd gezag geeft bij de vaststelling van het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn.
o
Participatie bij de behandeling van initiatieven en vergunningaanvragen Hierbij gaat het om het horen en zorgvuldig afwegen van de belangen van de direct betrokkenen bij het initiatief. Bij het indienen van een vergunningaanvraag krijgt de initiatiefnemer te maken met de aanvraagvereiste ‘participatie’. Hierbij geeft de initiatiefnemer aan of, en zo ja hoe, burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is (artikel 16.55 lid 7 OW). Pas daarna mag een aanvraag worden ingediend voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het is dan dus de initiatiefnemer die, voordat een aanvraag om van het omgevingsplan af te wijken kan worden ingediend, de participatie en het overleg moet organiseren. De motiveringsplicht stimuleert dus het bevoegd gezag tot participatie, terwijl de aanvraagvereiste de initiatiefnemer aanzet om actief de interactie met de omgeving/ belanghebbenden aan te gaan. B&W zijn hoe dan ook verantwoordelijk voor de participatie en dienen ervoor te zorgen c.q.te waarborgen, dat eenieder positief kan meedenken over een nog te maken keuze.
20
Wet versterking participatie op decentraal niveau Met het wetsvoorstel 'Versterking participatie op decentraal niveau' wil het kabinet de verplichte inspraakverordening verbreden tot een participatieverordening. Het kabinet beoogt met de wet niet alleen om inwoners invloed te geven op de voorbereiding van gemeentelijk beleid, maar ook op de uitvoering en evaluatie van beleid. In de participatieverordening kunnen gemeenten ook de spelregels rondom het uitdaagrecht (de Nederlandse variant van Right to Challenge) vastleggen. De VNG onderschrijft het belang van een heldere set van spelregels, waardoor duidelijk is voor inwoners en belanghebbenden hoe hun input wordt meegenomen in het proces, niet alleen vooraf maar ook achteraf. Het conceptvoorstel sluit aan bij de ontwikkelingen die gemeenten zelf in gang hebben gezet. De wet treedt naar verwachting in 2022 in werking. De VNG ontwikkelt vooruitlopend hierop in afstemming met gemeenten en het ministerie van BZK een model voor de participatieverordening en een handreiking bij de uitvoering van het wetsvoorstel. Uitgangspunten: 1. Conform coalitieprogramma ‘de burger centraal’ betrekken we bewoners, bedrijven en maatschappelijk middenveld vroegtijdig bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid en programma’s/ projecten in de fysieke leefomgeving.
Daardoor krijgen we alle relevante belangen, meningen, creatieve ideeën en praktijkervaringen in beeld en vergroten we de kwaliteit en het draagvlak voor het ontwikkelen en beheren van de fysieke leefomgeving. 2. Onze opvatting dat participatie vanzelfsprekend is, klinkt door in de manier waarop we participatie in de Omgevingswet concreet vorm geven. We bieden de samenleving de gelegenheid om mee te denken en te doen bij onderwerpen die hun directe leefomgeving raken. We zorgen ervoor, dat bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties hierover zeggenschap kunnen uitoefenen. En we geven vooraf inzicht geven in het proces dat we doorlopen en motiveren achteraf wat we hebben gedaan met de uitkomsten van de participatie; 3. We geven maximale ruimte aan de samenleving om zelf initiatieven te nemen. Daarin wegen de belangen van andere burgers/partijen nadrukkelijk mee. Daarom stimuleren we initiatiefnemers tot vanzelfsprekende participatie. We vinden het niet maar dan normaal dat je met je buren of andere belanghebbenden praat over je initiatief en hen erbij betrekt; 4. Voor initiatieven die niet passen in het Omgevingsplan stellen we participatie verplicht, ongeacht de grootte van het initiatief en de mate van afwijking van het Omgevingsplan; 5.
We helpen initiatiefnemers middels ondersteuning van een casemanager en een participatiewijzer bij het organiseren van participatie en de verslaglegging hiervan; 6. uit een oogpunt van transparantie en met het oog op de inwerkingtreding van de ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’ stelt de raad uiterlijk in 2023 het lokaal participatiebeleid vast en formaliseert dit beleid desgewenst in een verordening.
21
e. Gezondheid en de Omgevingswet Het creëren van een gezonde leefomgeving is een belangrijk streven. De mens is onderdeel van de leefomgeving en de leefomgeving is onderdeel van het menselijk bestaan. Zij beïnvloeden elkaar en als wij betrokken en met aandacht met de leefomgeving omgaan dan heeft dat een positieve invloed op onze gezondheid en op het ecologisch systeem als geheel.
In de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid 2020-2024 (LNG) en in de uitvoeringsagenda van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn ambities gesteld die betrekking hebben op een gezonde en natuurinclusieve leefomgeving. Uitgangspunt is een ‘Health in All Policies-benadering’: gezondheidsvraagstukken worden vanuit een breed perspectief aangepakt, waarbij de verschillende domeinen worden overstegen. Vanaf 2024 maakt gezondheid een vast onderdeel uit van de belangenafweging in ruimtelijke beleidsontwikkeling. Dit noodzaakt tot meer verbinding tussen het fysieke en het sociale beleidsdomein. Een gezonde en leefbare omgeving bestaat niet zonder natuur. Het is de basis van ons voortbestaan en de economie. Er bestaat daarom een grote synergie tussen de inspanningen gericht op gezondheid en de natuur en biodiversiteitsdoelstellingen. De nieuwe Omgevingswet die op 1 juli 2022 in werking treedt, is erop gericht om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken en in stand te houden en de fysieke leefomgeving zodanig te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen dat alle maatschappelijke functies ook op de lange termijn duurzaam vervuld kunnen worden.
22
Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die als prettig wordt ervaren, die uitnodigt tot gezond gedrag en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is. Het bevordert ook de positieve gezondheid. Met positieve gezondheid wordt de eigen kracht van mensen benadrukt. De leefomgeving (school, werk, zorginstelling, wijk, stad, regio, landelijk- en natuurgebied) kan een instrument zijn om te komen tot gezondheidswinst. Dit kan door: • gezondheidsbevordering: bijvoorbeeld het stimuleren van bewegen, vergroenen van de omgeving of goede beschikbaarheid van gezonde voeding én via • gezondheidsbescherming: bijvoorbeeld door verminderen van luchtvervuiling, lichtvervuiling, blootstelling aan UV-straling en geluidshinder. De Omgevingswet verplicht de gemeente om de fysieke leefomgeving zo in te richten, dat deze gezond is, toegankelijk is voor iedereen én dat mensen deze kunnen benutten voor een gezonde leefstijl.
Bij een gezonde leefomgeving denken we aan een omgeving die: ➢ schoon en veilig is; ➢ uitnodigt tot ontspanning, bewegen, spelen en sporten, fietsen, wandelen en ontmoeten; ➢ zorgt voor goede bereikbaarheid en openbaar vervoergebruik stimuleert; ➢ aantrekkelijk en herkenbaar is door een zorgvuldig ontwerp en inzet van erfgoed en identiteit van leefomgeving; ➢ een goede milieukwaliteit (geluid, lucht, water, bodem, externe veiligheid) heeft; ➢ voldoende groen, biodiversiteit en water bevat en voorbereid is op een klimaat met grotere weersextremen (bv. hitte en UV-straling), maar ook verspreiding van infectieziekten voorkomt; ➢ gezonde en duurzame woningen heeft; ➢ uitnodigt tot het maken van gezonde voedselkeuzes; ➢ een gevarieerd aanbod aan voorzieningen (bijvoorbeeld woningen, scholen, winkels, cultuur, bedrijven, openbaar vervoersvoorzieningen, sport) biedt; ➢ rekening houdt met de behoeften van de (toekomstige) bewoners en specifieke bevolkingsgroepen (kinderen, ouderen, chronisch zieken, mensen met beperkingen, lagere inkomensgroepen), arbeid en arbeidsomstandigheden en toegankelijk is voor iedereen. De Omgevingswet geeft bestuurders en beleidsmakers meer handvatten om samen met burgers een gezonde groene leefomgeving te ontwikkelen.
In de Omgevingswet is bijvoorbeeld vastgelegd dat overheden bij het ontwikkelen van gebieden in een zo vroeg mogelijk stadium nadenken over het realiseren van een gezonde groene fysieke leefomgeving. Zij kunnen lokale gezondheidsambities vastleggen en uitwerken in verschillende instrumenten van de Omgevingswet, De Nationale Omgevingsvisie biedt de basis om regionaal inhoudelijke keuzes te maken. Een van de vier integrale prioriteiten van de NOVI luidt ‘Sterke en gezonde steden en regio’s’. Het Rijk zoekt hierin de samenwerking met de relevante regionale en lokale partijen. Gezondheid komt daarom ook terug in de samenwerkingsafspraken tussen Rijk en regio. Er zijn acht NOVI gebieden aangewezen, waaronder Zuid-Limburg, die dienen als leer- en praktijk gebieden. Belangrijk instrument hierbij zijn de omgevingsagenda’s. Kansen voor gezondheidsbevordering door het benutten van de leefomgeving worden de laatste jaren steeds meer gezien. Tegelijkertijd kan de samenwerking tussen het sociale en fysieke domein op het niveau van bestuur en beleid nog aanzienlijk worden verstevigd. Doordat beide werelden veelal sectoraal zijn georganiseerd en op een andere manier naar de wereld kijken, is samenwerking niet vanzelfsprekend.