Agendabundel
Tekst van het document
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak. 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 3. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde, die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1. 2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Registratiekenmerk: 202349248 Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2. De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Registratiekenmerk: 202349248
Artikel 5 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,2816 %; b. de eigenarenbelasting: 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1462 %. 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3288 %. 2. Belastingbedragen van minder dan €5,00 worden niet geheven. 3. Voor de toepassing van het vorige lid worden de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 8 Overgangsrecht De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2023’ van 29 november 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 9, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 9 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. Artikel 10 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen gemeente Brunssum 2024’.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van
Registratiekenmerk: 202349248 De Raad voornoemd, voorzitter. griffier.
Wijzigingen Verordening onroerende-zaakbelastingen t.o.v. 2023 • De tarieven zijn conform de begroting 2024 verhoogd.
Registratiekenmerk: 202349253 De Raad van de gemeente Brunssum gemeentebladnummer 2023/90 ; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 nov. 2023, afdeling Financiën en control;
gelet op het bepaalde in artikel 228 van de Gemeentewet; Besluit vast te stellen: "VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN PRECARIOBELASTING GEMEENTE BRUNSSUM 2024" Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. dag: een periode van 24 uren beginnend op 00.00 uur, of een gedeelte daarvan b. week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen; c. maand: een kalendermaand d. kwartaal: een kalenderkwartaal e. jaar: een kalenderjaar; f. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben; Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht 1. 2.
De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of meer voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, dan wel van degene ten behoeve van wie voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft
Artikel 4 7 Vrijstellingen De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van: 1. voorwerpen ten behoeve van percelen, waarvan de gemeente krachtens eigendom, bezit of beperkt recht de genothebbende is, met uitzondering van die percelen, welke aan derden zijn verhuurd. 2. kelderingangen, licht- en luchtopeningen (koekoeken) en stoeptreden, welke in of op aan de gemeente om niet afgestane grond aanwezig waren op het tijdstip van overdracht; 3. vlaggen, vlagdoeken, wimpels en vlaggenstokken, tenzij deze voor reclamedoeleinden worden gebezigd. 4. voorwerpen, welke ingevolge een wettelijk voorschrift moeten worden gedoogd; 5. buizen in de grond tot lozing van fecaliën, van huishoud- of van hemelwater;
Registratiekenmerk: 202349253 6. 7.
dakgoten, vensterbanken en gevelroosters, welke aan een gebouw zijn aangebracht; afvoerbuizen van hemelwater, welke aan een gebouw zijn aangebracht en niet meer dan 0,12 meter buiten de gevel uitsteken; 8. voorwerpen welke uitsluitend in een algemeen c.q. verkeersbelang voorzien zoals verkeerstekens, wegwijzers, standbeelden, kruisbeelden, banken, fonteinen. 9. voorwerpen ter zake waarvan op grond van de geldende ”Verordening reclamebelasting” een belasting wordt geheven. 10. voorwerpen, waarvoor reeds ingevolge een privaatrechtelijke overeenkomst een vergoeding verschuldigd is. Artikel 4 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde. Artikel 5 6 Berekening van de precariobelasting 1.
Voor de berekening van de precariobelasting wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als volle eenheid aangemerkt. 2. Indien een oppervlaktetarief voor voorwerpen boven de gemeentegrond is vastgesteld, wordt de belasting als volgt berekend. Er wordt uitgegaan van de oppervlakte van het grootste gemeten vlak of bij niet rechthoekige vlakken van twee denkbeeldig langs de uitersten van het vlak getrokken lijnen die loodrecht op elkaar staan. 3. Indien een oppervlaktetarief voor voorwerpen op de gemeentegrond is vastgesteld, wordt de belasting als volgt berekend. Er wordt uitgegaan van de oppervlakte van de gemeentegrond die daadwerkelijk door de voorwerpen wordt ingenomen. 4. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is. Artikel 6 7 Belastingtijdvak 1.
Indien de belasting wordt geheven naar jaartarieven is het belastingtijdvak het kalenderjaar waarin het belastbare feit zich voordoet. In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.
2.
In de overige gevallen is het belastingtijdvak het kwartaal, de maand, de week of de dag waarop het belastbare feit zich voordoet, met dien verstande dat ook heffing voor elk belastbaar feit zelfstandig kan plaatsvinden.
Artikel 8 Wijze van heffing 1a. De belastingen genoemd in de tarieventabel onder de nummers 2, 3, 4.1 worden geheven bij wege van aanslag. 1b. In afwijking van het eerste lid wordt de voor een dag verschuldigde precariobelasting geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.; 2.
Voor elk nieuw belastbaar feit kan een afzonderlijke aanslag worden opgelegd of kennisgeving, nota of
Registratiekenmerk: 202349253 andere schriftuur worden verzonden. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting 1. 2. 3.
4. 5.
De naar jaartarieven geheven precariobelasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht in de loop van het tijdvak aanvangt, is de naar jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht in de loop van het tijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 5,00. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. Voor de toepassing van het vorig lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de precariobelasting worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending ervan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. 4.
Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1,2 en 3 letter b is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 11 Overgangsrecht De "Verordening precariobelasting 2023" van 29 november 2022, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 12 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. Artikel 13 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening precariobelasting gemeente Brunssum 2024".
Registratiekenmerk: 202349253 Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van De Raad voornoemd, voorzitter. griffier. TARIEVENTABEL BEHORENDE BIJ DE VERORDENING PRECARIOBELASTING BRUNSSUM 2024 Nummer Omschrijving Eenheid Tarief 1
2
Bouwmaterialen Het tarief bedraagt voor het hebben van: bouwmaterialen Uitstallen Het tarief bedraagt voor het hebben van: uitgestalde goederen, waren, reclamematerialen, met het oog deze ten verkoop aan te bieden
3
Aankondigingen Het tarief bedraagt voor het hebben van:
3.01
Reclame of andere aankondiging, Via reclameborden en/of spandoeken, met of zonder kunstverlichting, over de oppervlakte:
3.02
4
4.01
Reclame-driehoeksborden op daartoe aangewezen locaties, sandwichborden en overige aankondigen:
per m² per jaar per m² per maand
€ 19,92 € 1,66
per m² per jaar per m² per maand
€ 19,92 € 1,66
per m² per jaar per m² per maand
€ 19,92 € 1,66
per stuk per jaar
€
19,92
per stuk per maand of een kortere periode
€
1,66
Terrassen & Standplaatsen het tarief bedraagt voor: het op of boven een terras hebben van: stoelen, tafels, windschermen, parasols, luifels, markiezen,overkappingen of plantenbakken indien: het terras gelegen is aan het Lindeplein: per m² per jaar per m² per maand of een kortere periode
€ 32,16 € 2,68
indien: het terras elders dan aan het Lindeplein is gelegen per m² per jaar
€
19,92
Registratiekenmerk: 202349253 per m² per maand of een kortere periode €
1,66
het innemen van een standplaats voor: 4.02
4.03
4.04
de verkoop van eet-, drinkof goederen, w.o. koopmanswaren, kerstbomen, het houden van autoshows e.d. per m² per maand of een kortere periode
€ 1,66
een overdekt- c.q. openluchtcircus of feesttent, het houden van zogenaamde rommelmarkten, fancyfairs, luikse markten e.d.
per dag
€ 22,54
het vanuit commercieel oogpunt houden van braderieën, gildefeesten, promotionfeesten e.d.
per dag
€ 90,58
Behoort bij raadsbesluit van De griffier van de gemeente Brunssum,
Wijzigingen verordening precariobelasting t.o.v. 2023 • • • •
De tarieven zijn conform begroting 2024 verhoogd. De raad heeft een amendement (nr. 14) aangenomen om in 2023 geen precariobelasting te heffen. Het oude art. 7 is art 4 geworden. Dit maakt de volgorde logischer. De volgende artikelen t/m 7 zijn hernummerd. Art. 6.4 is toegevoegd conform de modelverordening van de VNG. Art. 6 (oud 7) tekst over vergunning is voor de volledigheid toegevoegd.
Registratiekenmerk: 202349255 De Raad van de gemeente Brunssum gemeentebladnummer 2023/90 ; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 nov. 2023, afdeling Financiën en control; gelet op het bepaalde in artikel 227 van de Gemeentewet; Besluit vast te stellen: "VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN RECLAMEBELASTING GEMEENTE BRUNSSUM 2024" (Verordening reclamebelasting gemeente Brunssum 2024) Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. opschriften: openbare aankondiging in letter(s) of symbolen, logo’s en kleuren, voor zover niet door middel van tijdschriften of nieuwsbladen gedaan; b. reclameobject: een openbare aankondiging zichtbaar vanaf de openbare weg als bedoeld in artikel 227 van de Gemeentewet; c. vestiging: een gebouw, of deel daarvan, dat door één organisatie of bedrijf wordt gebruikt; d. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij directe of indirecte steun vindt in of op de grond; e. voorziening: specifiek hulpmiddel bestemd voor het aanbrengen van één of meer (al dan niet wisselende) openbare aankondigingen; f.
tussenpersoon: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het verlenen van bemiddeling bij het tot stand brengen en het sluiten van overeenkomsten in opdracht en op naam van personen tot wie hij niet in vaste betrekking staat; g. exploitant: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn beroep of bedrijf maakt van het ten behoeve van derden tegen vergoeding aanbrengen van openbare aankondigingen op door hem daartoe beschikbaar gestelde oppervlakten. Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen op de bij deze verordening behorende kaart, een directe belasting geheven voor een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg. Artikel 3 Belastingplicht 1. 2. 3.
De reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie de openbare aankondiging wordt aangetroffen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de reclamebelasting voor een openbare aankondiging die is aangebracht door tussenkomst van een exploitant, zoals bedoeld in artikel 1 van deze verordening, geheven van die exploitant. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt de reclamebelasting voor een openbare aankondiging, die met vermelding van de naam van een tussenpersoon is aangebracht in verband met de verhuur of de verkoop van roerende en onroerende zaken, geheven van die tussenpersoon.
Registratiekenmerk: 202349255 Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. 2.
De reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag van € 504,60 per jaar voor één of meer openbare aankondigingen die worden aangetroffen per vestiging, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde. Reclameobjecten behoren tot één bouwwerk en daarmee tot één vestiging indien zij daarmee fysiek zijn verbonden of daarmee tezamen worden gebruikt.
Artikel 5 Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2.
3.
4. 5.
De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 5,00. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. Voor de toepassing van het vorig lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 7 Wijze van heffing De reclamebelasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8 Vrijstellingen De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: a. die uitsluitend het openbaar belang dienen; b. die door politieke partijen zijn aangebracht; c. die korter dan 13 weken aanwezig zijn, tenzij deze openbare aankondigingen zijn geplaatst in een voorziening waarin, waaraan of waarop wisselende openbare aankondigingen worden geplaatst, die individueel korter dan 13 weken aanwezig zijn, maar waarbij de verschillende openbare aankondigingen gezamenlijk 13 weken of meer aanwezig zijn; d. door of namens publiekrechtelijke rechtspersonen gedaan in de uitoefening van hun publiekrechtelijke taak; e. waarvoor op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst betaling aan de gemeente moet geschieden onderscheidenlijk een vergoeding aan de gemeente verschuldigd is; f. op zuilen, borden, muren of andere constructies aangewezen door het bevoegde bestuursorgaan; g. aangebracht op een voertuig; h. voorzien van opschriften aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; i. die door (semi)overheden of cultureel-maatschappelijke instellingen zijn aangebracht en die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; j.
die zijn gedaan in verband met de verhuur of de verkoop van roerende woonruimten, roerende bedrijfsruimten of onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren ruimte of zaak; k. op parasols en terrasschotten;
Registratiekenmerk: 202349255 l.
die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend kunnen worden aangemerkt; m. zijnde vlaggen zonder commercieel of bedrijfsmatig oogpunt. Artikel 9 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later.. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 10 Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 11 Overgangsrecht De ‘Verordening reclamebelasting 2023’ van 29 november 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 12 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. Artikel 13 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening reclamebelasting gemeente Brunssum 2024’. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van De Raad voornoemd, voorzitter. griffier.
Registratiekenmerk: 202349255 Kaart behorend bij de Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting gemeente Brunssum 2024 Als aangewezen gebied, bedoeld in artikel 2 van de Verordening reclamebelasting Brunssum 2024, geldt het op onderstaande kaart rood gekleurde gedeelte.
Behoort bij raadsbesluit van De griffier van Brunssum
Registratiekenmerk: 202349255
Wijzigingen verordening reclamebelasting t.o.v. 2023 • •
De tarieven zijn conform de begroting 2024 verhoogd. Aanvullende tekst opgenomen bij kaart.
Registratiekenmerk: 202349259
De Raad van de gemeente Brunssum gemeentebladnummer 2023/90 ; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 nov. 2023 , afdeling Financiën en control; gelet op het bepaalde in artikel 228a van de Gemeentewet; Besluit vast te stellen: "VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN RIOOLHEFFING GEMEENTE BRUNSSUM 2024" (Verordening rioolheffing Gemeente Brunssum 2024) Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; Toelichting begrip gemeentelijke riolering : Het begrip gemeentelijke riolering is veel ruimer dan alleen de riolering op zich. Het gaat om alle voorzieningen die worden getroffen om te voldoen aan de wettelijke zorgplichten. Daaronder vallen onder andere rioleringspijpen en kolken, maar ook bijvoorbeeld voorzieningen tegen grondwateroverlast en individuele behandelingssystemen (iba’s). b. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. Toelichting begrip water: Onder het begrip water vallen alle verschillende soorten water. In de zorgplichten van artikel 228a Gemeentewet worden meerdere waterbegrippen gebruikt die gebaseerd zijn op de herkomst van het water.
De definities van de specifieke waterbegrippen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer of Waterwet en behoeven in de verordening rioolheffing geen nadere toelichting. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Registratiekenmerk: 202349259 Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering verder te noemen: eigenarendeel; 2. Voor het eigenarendeel de belasting wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 4 Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel. Artikel 5 Maatstaf van heffing 1. De belasting wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel. 2. Als het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde kalenderjaar geldt. 3. Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 6 Belastingtarieven 1. Voor de toepassing van dit artikel dient een perceel in hoofdzaak tot woning als de heffingsmaatstaf voor dat perceel in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 2. Het tarief voor het eigenarendeel bedraagt: a. voor een perceel met een WOZ-waarde van € 0 tot € 30.000, 00 een bedrag van € 26,28; b. c.
voor een perceel met een WOZ-waarde van € 30.000, - tot € 1.000.000,00 een bedrag van € 270,84; voor een perceel met een WOZ-waarde van € 1.000.000,00 of hoger een bedrag van € 270,84 vermeerderd met € 270,84 voor elke € 500.000,00 aan WOZ-waarde of gedeelte daarvan waarmee de WOZ-waarde de € 1.000.000,00 overstijgt.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Registratiekenmerk: 202349259 Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Vrijstellingen artikel laten vervallen De belasting wordt niet geheven voor onroerende zaken waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit, of beperkt recht. Artikel 9 10 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar. 2. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 3. Voor de toepassing van het vorige lid worden de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 11 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan niet hoger is dan € 20.000,en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 11 12 Overgangsrecht De ‘Verordening rioolheffing 2023’ van 29 november 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 12 13 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. Artikel 13 14 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolheffing Gemeente Brunssum 2024’.
Registratiekenmerk: 202349259
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van
De Raad voornoemd, voorzitter. griffier.
Wijzigingen verordening rioolheffing t.o.v. 2023 • • •
Artikel 3: de term eigenarendeel is weggelaten. Brunssum heeft alleen rioolheffing voor eigenarendeel. Artikel 9 is geschrapt . In dit artikel was een vrijstelling opgenomen voor objecten waarvan de gemeente eigenaar is. Om risico’s op bezwaren naar aanleiding van deze vrijstelling uit te sluiten is dit artikel geschrapt. Het tarief voor 2024 wordt € 270,84 en stijgt t.o.v. het tarief 2023 € 243,60.
Registratiekenmerk: 202349262 De Raad van de gemeente Brunssum gemeentebladnummer 2023/90; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 nov. 2023 , dienst/afdeling Financiën en control; gelet op het bepaalde in artikel 224 van de Gemeentewet; Besluit vast te stellen: "VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN TOERISTENBELASTING GEMEENTE BRUNSSUM 2024 en 2025" (verordening toeristenbelasting Gemeente Brunssum 2024-2025) Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam 'toeristenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 1. in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen. 2. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 1. 3. Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot verblijf, is degene belastingplichtig die verblijf houdt als bedoeld in artikel 1. Artikel 3 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven ter zake van voor het verblijf: 1.
van degene die verblijft in een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders; 2. van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet en voor zover deze persoon verblijf houdt in een gelegenheid als bedoeld in artikel 2 1, van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan Asielzoekers. Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten. Artikel 5 Belastingtarief Het tarief bedraagt per overnachting € 1,85. Artikel 6 Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderkwartaal. Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Registratiekenmerk: 202349262 Artikel 8 Aanslaggrens 1. Belastingbedragen van minder dan 5,00 worden niet geheven. 2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 9 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later. 2. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in het eerste lid is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande lid gestelde termijnen. Artikel 10 Aanmeldingsplicht; aangifte 1. De belastingplichtige bedoeld in artikel 3 2, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid onderdelen b en d van de Gemeentewet.
dagelijks bestuur van de BsGW aangewezen ambtenaar belast met de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen als bedoeld in artikel 232, vierde lid sub a en b van de Gemeentewet. 2. De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de toeristenbelasting betrokken is. 3. De belastingplichtige doet aangifte van het aantal overnachtingen bij de heffingsambtenaar middels een aan hem uit te reiken aangiftebiljet. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de aangifte binnen twee weken na het uitnodigen daartoe gedaan. 4. Het aangiftebiljet wordt vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders. Artikel 11 Elektronische aangifte Het uitnodigen tot het doen van aangifte kan naast de op de in artikel 237, eerste lid, van de Gemeentewet aangegeven wijze geschieden door het uitreiken, toezenden of elektronisch verzenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze van het doen van elektronische aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan.
In dat geval geschiedt, in afwijking van de in artikel 237, tweede lid, van de Gemeentewet aangegeven wijze, de aangifte langs elektronische weg door het inleveren of toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden via de digitale voorziening ‘Digitale aangifte toeristenbelasting’ van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen. Artikel 11 12 Nachtverblijfregister De belastingplichtige is gehouden per belastingjaar een vanwege de gemeente kosteloos ter beschikking gesteld nachtverblijfregister, of een vergelijkbare eigen administratie, bij te houden en daarin de gegevens te boeken welke voor de heffing van de belasting van belang zijn. Artikel 12 13 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening toeristenbelasting 2022-2023’ van 30 november 2021 wordt ingetrokken, met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening Toeristenbelasting gemeente Brunssum 2024-2025’.
Registratiekenmerk: 202349262 Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van
De Raad voornoemd, voorzitter. griffier.
Wijzigingen verordening toeristenbelasting t.o.v. 2022-2023
• De tarieven zijn conform begroting verhoogd en afgerond op € 0,05. • In Art. 2 t/m 4 zijn kleine tekstuele aanpassingen gedaan. • Art. 10: In het eerste lid wordt verwezen naar de heffingsambtenaar van BsGW omdat BsGW de aanslag oplegt. Toevoeging van een tweede lid waarin wordt aangegeven dat “al bekende” belastingplichtigen zich niet jaarlijks hoeven te melden. Navolgende leden worden dan vernummerd naar 3 en 4. • Art. 11: dit artikel is toegevoegd zodat de aangifte toeristenbelasting ook elektronisch kan gebeuren met behulp van de digitale voorziening aangifte van de BsGW. De volgende artikelen worden hernummerd.
Raadsvoorstel Collegeverg. d.d. : 14-11-2023 Registratiekenmerk : 202351799 Gemeentebladnr. : 2023/91 Afdeling opsteller : Financiën en control Naam opsteller : Bereikbaar onder : Portefeuillehouder : Jaimy van Dijk Raadsvergadering d.d. : 12-12-2023 Uiterlijke datum : Uiterste datum 12-12-2023 Motivatie datum: de legesverordening dient vóór 1 jan. 2024 te worden vastgesteld. Aan de raad, 1. Onderwerp Verordening op de heffing en invordering van leges en werken voor derden gemeente Brunssum 2024 2. a.
Uitgangssituatie (WAAROM?) Aanleiding: Voordat leges kunnen worden geheven moet de verordening worden vastgesteld door de raad. In de Gemeentewet is bepaald dat door gemeenten geen winst mag worden gemaakt bij de heffing van leges. De legestarieven moeten, met andere woorden, zodanig zijn dat de geraamde opbrengsten niet hoger zijn dan de geraamde lasten. Om inzicht te houden in de mate van kostendekkendheid van de Legesverordening, moet jaarlijks een kostenonderbouwing van de legestarieven worden gemaakt.
b.
Huidige situatie/probleemstelling Als de legesverordening niet tijdig wordt vastgesteld kunnen de tarieven niet per 1 januari 2024 ingaan. De legesverordening 2024 is gebaseerd op de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking treedt.
3. a.
Gewenste situatie (WAT? Wat willen we bereiken? Doelstelling van legesheffing is de vergoeding van gemeentelijke diensten. Via dit voorstel wordt uw college geïnformeerd over de geactualiseerde kostenonderbouwing (kosten en baten afkomstig uit de begroting 2024) en kostendekkendheid van de legestarieven 2024.
b.
Kaders 1. eerdere besluitvorming (BBV nr. ). Er is geen eerdere besluitvorming. 2. traject tot dusverre. Er is geen voortraject. 3. rol/ bevoegdheden college van B en W. Het college wordt gevraagd in te stemmen met het voorstel, de raad stelt de verordening vast. 4. algemene beleidskaders (landelijk/ provinciaal/ lokaal) De invorderingswet 1990 en artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Gemeentewet. Gemeentewet(artikel229b) Programmabegroting 2024 Model kostenonderbouwing leges Omgevingsvergunning van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten Model kostenonderbouwing leges Algemene dienstverlening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (NVVB/VNG) Omgevingswet Wet kwaliteitsborging 5. 6.
past het voorstel in de strategische visie/ relatie met uitvoeringsagenda?. Het genereren van inkomsten door middel van het heffen van leges past binnen de strategische visie. relatie met programmabegroting/ financiële gevolgen. Leges opbrengsten zijn geraamd in de programmabegroting 2024.
c.
Argumenten en overwegingen De leges en de tarieven werken voor derden worden geïndexeerd met 3,1 %, zie ook onderdeel Beleid en tariefstelling van de paragraaf lokale heffingen van de programmabegroting 2024. Er zijn ook tarieven die wettelijk zijn vastgesteld. In de legesverordening zijn de wijzigingen in de tekst van hoofdstuk 1 en 3 en de gewijzigde bedragen in rood aangegeven.
Wijzigingen legesverordening 2024 De legesverordening 2024 is gebaseerd op de Omgevingswet (Ow) en de Wkb die op 1 januari 2024 inwerking treden. Wat voorheen titels waren zijn in de nieuwe verordening hoofdstukken geworden. De artikelen sluiten inhoudelijk en qua nummering zoveel mogelijk aan bij de nieuwe modelverordening van VNG. Omdat de inhoud in hoofdstuk 1 en 2 afwijkt van de legesverordening 2023 is alleen een kolom met de tarieven 2024 opgenomen. Vanuit de Eerste kamer zijn er kritische vragen gesteld aan Minister de Jonge over de invoering van de Ow en Wkb per 1 jan. 2024. Mocht de Ow niet in werking treden per 1 jan. a.s. dan dient hoofdstuk 2 van de legesverordening 2024 vervangen te worden door de oude tekst van Titel 2 uit de legesverordening 2023 met geïndexeerd bedragen (3,1%). Om dit mogelijk te maken zijn art. 11 en 12 in de legesverordening uitgebreid. Wijzigingen Hoofdstuk 1 Het bedrag voor leges BRP (art. 1.15 en 1.16.1) is gelijkgesteld aan het wettelijke tarief voor een uittreksel uit de burgerlijke stand (1.8.2) . Hiervoor is gekozen omdat het om eenzelfde soort document gaat. Wijzigingen Hoofdstuk 2 Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet Onder Ow is er een knip tussen bouwtechnische deel (art. 2.5)en omgevingsdeel (art. 2.6). De hoogte van de tarieven per staffeling bouwkosten is opnieuw bekeken.
In de oude verordening lagen de hoogste tarieven bij de hoogste bouwkosten. In de verordening 2024 is de druk evenwichtiger verdeeld en is meer aansluiting gezocht bij de ons omringende gemeenten. De omzetting van de “bestaande verordening” naar de Ow/Wkb is in principe beleidsneutraal. Onder de Ow is er een knip tussen bouwtechnische deel (art. 2.5) en ruimtelijk deel (art. 2.6) aangebracht. Deze onderdelen bij elkaar opgeteld komen grotendeels uit op de legesbedragen van de verordening 2023. Samen met de Ow wordt ook op 1 januari 2024 de 1e fase van Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) (deels) ingevoerd. In tegenstelling tot het oorspronkelijk plan heeft minister Hugo de Jonge op 24 oktober 2023 de 1e Kamer namenlijk laten weten dat de Wkb per 1 januari 2024 alleen voor nieuwbouw activiteiten vallende onder gevolgklasse 1 in werking treedt. Voor bouwactiviteiten aan bestaande bouwwerken, vallende onder gevolgklasse 1 treedt de Wkb niet eerder dan 1 januari 2025 in werking. Voor bouwactiviteiten die onder gevolgklasse 2 en 3 treedt de Wkb pas over enkele jaren in werking. Het vergunningstelsel voor de bouwactiviteit (bouwtechnische deel) wordt dus als gevolg van de Wkb de komende jaren in fases geprivatiseerd, dit gekoppeld aan een systeem van kwaliteitsborging door een private partij. Voor het geprivatiseerde deel zal de gemeente geen leges meer ontvangen.
Wel zal de gemeente hiervoor in de plaats een bouwmeldingen systeem moeten inrichten én blijft nog steeds toezicht nodig op lopende vergunningstrajecten die vóór 1 januari 2024 zijn aangevraagd. Voor de bouwactiviteiten die nog niet onder Wkb vallen, blijft de gemeente verantwoordelijk voor de bouwtechnische- toetsing en vergunningverlening. De Wkb ziet dus niet op de vergunningplicht voor de omgevingsplan activiteit (ruimtelijk deel). De gemeente blijft hiervoor verantwoordelijk, voor zover deze activiteit niet vergunningvrij is.
De Omgevingswet besteedt veel aandacht aan vooroverleg en participatie. Zo is het inrichten van een Omgevingstafel bijvoorbeeld een nieuw instrument om hier in de praktijk invulling aan te geven. Om legesheffing voor het voeren van vooroverleg, met een mogelijkheid tot verrekening, mocht het vooroverleg leiden tot een formele vergunningaanvraag, mogelijk te maken is het nieuwe artikel 2.4 geïntroduceerd. De duurzaamheidsparagraaf (was 2.5.6 in 2023) is in 2024 uit de verordening gehaald. Dit onderdeel was tijdelijk, de BENG norm (Bijna Energie Neutraal Gebouw) is ingevoerd. Vanaf de inwerkingtreding van de Ow is het weer toegestaan om voor de Omgevingsplanactiviteit milieubelastende activiteiten (de vroegere milieuvergunning) leges te heffen. Dit is in het verleden afgeschaft, maar nu weer ingevoerd. (zie paragraaf 2.5). De uitvoering van dit vergunningenstelsel is overigens als basistaak belegd bij de Regionale uitvoeringsdienst Z-Limburg. Voor Brunssum gaat het maar om een zeer beperkt aantal vergunningen per jaar. Een aantal artikelen uit het modelverordening van de VNG zijn niet overgenomen, omdat hiervoor in Brunssum momenteel geen vergunningplicht geldt. Deze (lege) artikelen zijn dan voor de toekomst gereserveerd. Stikstof en geluid zijn actuele thema’s.
Bij verschillende omgevingsplanactiviteiten dienen steeds vaker onderzoeksrapporten op het gebied van stikstof en geluid te worden beoordeeld, hiervoor zijn in artikel 2.46 en 2.49 nieuwe legestarieven geïntroduceerd. Kostenonderbouwing legestarieven De basis voor de kostenonderbouwing van de legestarieven zijn de cijfers uit de gemeentelijke begroting van 2024. Uit de begroting zijn alle kosten gedestilleerd die door de gemeentelijke organisatie worden gemaakt voor het verlenen van een vergunning, vrijstelling of ontheffing waarvoor een tarief is opgenomen in de legesverordening én die juridisch gezien mogen worden doorberekend aan de klant. Daarnaast zijn de in 2024 verwachte baten en legesinkomsten meegenomen. De gemeente Brunssum streeft naar maximale kostendekkendheid. Jaarlijks worden de leges steekproefsgewijs vergeleken met vergelijkbare gemeenten binnen en buiten de regio en voor wat betreft de bouwleges ook specifiek met de benchmark zoals deze jaarlijks door de Vereniging Eigen Huis wordt gepubliceerd. Voor wat betreft de hoogte van de tarieven, horen we landelijk tot de middenmoot. Binnen de regio en t.o.v. vergelijkbare gemeenten lopen we in de pas.
Een deel van de legestarieven uit Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 3 van onze legesverordening ("Algemene dienstverlening" respectievelijk "Tarieven die vallen onder de Europese dienstrichtlijn) wordt overigens van rijkswege bepaald, deels dienen deze legesinkomsten te worden afgedragen aan het rijk (o.a. reisdocumenten) en dienen kostendekkend te zijn. d.
Opties en keuze. Voorgesteld wordt de leges met 3,1% te indexeren met uitzondering van de wettelijk vastgestelde tarieven.
Het college van burgemeester en wethouders,
Burgemeester
Secretaris
Raadsbesluit Gemeentebladnr. Afdeling Registratiekenmerk
: 2023/91 : Financiën en control : 202351799
De raad van de gemeente Brunssum gemeentebladnummer 2023/91; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 nov. 2023, afdeling Financiën en control ; Besluit: 1. De verordening op de heffing en invordering van leges en werken voor derden gemeente Brunssum 2024 |(registratienr. 202357229) vast te stellen; 2. De kostenonderbouwing voor de legestarieven 2024 vast te stellen. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van
De Raad vernoemd,
Voorzitter
Griffier
Verwacht bouwvolume 2024 (Wkb) conclusies Impactanalyse onderzoek Senze: Vergunningverlening De gemeente Brunssum behandelt in de periode 2018 t/m 2022 gemiddeld 166 aanvragen per jaar met de activiteit bouwen. Dat zijn 136 aanvragen (82%) voor een Bouwbesluittoetsvrije bouwwerk, 22 aanvragen (13%) voor een gevolgklasse 1 bouwwerk en 8 aanvragen voor een gevolgklasse 2 of 3 bouwwerk (5%). In totaal besteedt de gemeente 1655 uur aan de aanvragen, waarvan 335 uur aan de Bouwbesluittoets. De onderstaande tabel geeft inzicht in het aantal bestede uren per gevolgklasse en de procentuele verdeling van alle aanvragen in de gevolgklasse-indeling. In Schema: Werkaanbod vergunningverlening
Percentages Aantal aanvragen Bestede uren
Bestede uren toets Bouwbesluit
Percentages
Bouwbesluittoetsvrije bouwwerken
136
681
0
82%
Gevolgklasse 1
22
609
196
13%
Totaal fase 1
158
1.290
196
95%
Gevolgklasse 2 en 3
8
364
140
5%
Totaal fase 1+2
166
1.655
335
100%
omschrijving
gevolgklasse 1 (aandeel 95%) (tot 1-1-2025 alleen voor nieuwbouw); vanaf 1-1-2025 nieuwbouw, verbouw, beheer en onderhoud.
projectmatige woningbouw * 3 projecten
gevolgklasse 2 t/m 3 geschatte (aandeel 5%) bouw/aanlegkosten tot 1-1-2025 incl. verbouw, beheer en onderhoud gevolgklasse 1
totaal aantallen won/app/hallen 62
realitijds- geraamde leges geraamde leges gehalte (%) per vergunning per vergunning (bouwdeel) (B)opa-deel
geraamd
begroting €
18.000.000 >50%
€
302.000 €
33.400
projectmatige woning verbouw, -beheer en -onderhoud(periode 1-1-2024 / 1-1-2025) 2
2 projecten (€ 50.000 per project) 2 projecten (€ 50.000 per project)
aandeel
5,0%
50
projecten (€ 10.000 per project)
30 15
projecten (€ 20.000 per project)
20
projecten (€ 50.000 per project) 45
projecten (€ 50.000 per project)
4
2 projecten (€30.000 per project)
58.799
2008
427.653
409.600
668.827
651.747
2009
439.419
140.113
109.419
87.502
*) Bron: https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/83887NED CBS index bouw: 1 juni 2023: 128,5 %, t.o.v. prijspeil 2015 (= 100%) stijging van 4,9 % t.o.v. 1 juni 2022
36.957
6
614.790
94
19.549
22
67.953
78
317.000
83
80
2010
438.497
290.501
338.137
64.000
20
253.000
15.200 €
7.750
2011
446.161
434.171
470.814
?
?
?
€
-
2012
369.537
527.500
587.918
?
?
?
?
2013
369.852
111.344
410.147
410.701
21.234
5
388.913
95
2014
392.711
579.174
626.406
521.382
19.908
4
501.474
96
2015**
401.205
401.205
539.140
474.234
11.246
2
462.988
2016
407.223
407.223
328.662
447.796
412.313
20.149
5
392.164
95
2017
407.223
328.662
795.725
746.313
25.156
7,5
303.506
92,5
337.866
583.615
545.249
21.291
6,3
316.575
93,7
€ 20.000 per project >50%
€
12.200 €
3.100
€ 20.000 per project <50%
€
- €
-
€ 50.000 per project >50%
€
31.000 €
4.500
€ 50.000 per project <50%
€
- €
-
2,5%
€
2
€ 30.000 per project <50%
2
€
278.000 <50%
€
4.000.000 <50%
bouwvolume in m3 (geschat) 378,72 270 449,45 400 451,03 300 185,43 750
geen bijdrage raming leges 2024 wel bijdrage raming leges 2024
bouwkosten 102.000 180.000 135.000 139.000
?
98
- €
-
2018
418.625
€
- €
-
2019
448.213
463.000
46.672
12,0
341.322
88,0
2020
388.760
728.993
478.760
773.562
718.245
53.583
9,7
498.812
90,3
€
- €
-
2021
450.241
525.243
465.000
896.326
851.026
53.583
9,7
498.812
90,3
€
- €
-
257.691
207.960
31.980
8,2
358.020
91,8
491.250
450.192
46.740
12,8
312.977
87,2
€
360.400 €
48.750
-
-
pm
5,0
pm
95,0
92,5%
2022
387.994
438.761
348.761
2023****
408.761
378.761
2024
408.671
****) per 20 oktober 2023
< 50% --> > 50% -->
%
288.997
€
***) per 16 augustus 2021
realiteitsgehalte:
projectmatig 17
€ 10.000 per project >50%
Totaal
gemiddelde bouwkosten per woning vlgs m3-eenhedenprijzen 2024 bouwkosten (prijspeil 2023)*: soort: prijs/m3 twee-onder-een kap met schuin dak Herenhuis, vrijstaand appartement 3 laags en meer 3 Bedrijfshal, 7,2 m. hoog, inhoud ca. 750 m
%
347.796
€-
€ 30.000 per project < 50%
1
fase gewijze (ver)nieuwbouw JFC-locatie 10% v. 40.000.000
particulieren
(B)opa/welstand
373.816
- €
bedrijfsgebouw nieuwbouw 2 projecten (€ 139.000 per project)
bouwen
373.419
€
bedrijfsgebouw verbouw, - beheer en onderhoud(periode 1-1-2024 / 1-7-2024) 2 projecten (€30.000 per project)
(B)opa/Welstand gerealiseerd
423.419
€
€ 10.000 per project <50% 20
projecten (€ 20.000 per project)
bouwen
bijgesteld
2007
<50%
particuliere woning verbouw, - beheer en -onderhoud(periode 1-1-2024 / 1-1-2025) projecten (€ 10.000 per project)
primair
geraamd aandeel particulier/projectmatige bouw
<50%
2
-
jaar
gerealiseerd
511.000
300.000 360.000 360.000
48.761
-
*) tot 1-7-2024
Kostenonderbouwing 2024 Hoofdstuk 1 Algemene Dienstverlening Legesverordening gemeente Brunssum LASTEN Product
Productnaam
Taakveld 0 Bestuur en ondersteuning 20001 Basis Registratie Personen 020001 Basis Registratie Personen 020001 Basis Registratie Personen 020001 Basis Registratie Personen 020001 Basis Registratie Personen 020001 Basis Registratie Personen 020001 Basis Registratie Personen 020001 Basis Registratie Personen 020003 Baliewerkzaamheden 020003 Baliewerkzaamheden 020002 Burgerlijke Stand 020002 Burgerlijke Stand 020002 Burgerlijke Stand 020002 020002
Burgerlijke Stand Burgerlijke Stand
Kostensoort
BATEN
Kostensoortnaam
Begroting 2024
Gemengde activiteit
Toerekening
Toe te rekenen kosten 2024
431102 431103 438001 438200 438210 438212 438268
Leges rijbewijzen/paspoort Afdracht COVOG Bureau-,schrijf-,tekenbeh.,druk-,bin Onderhoudskosten Huur (onroerende en roerende goed.) Automatiseringskosten Contibuties en donaties
€ € € € € € €
230.000 11.247 10.615 1.000 4.200 15.000 3.000
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%
€ € € € € € €
230.000 11.247 10.615 1.000 2.400 15.000 3.000
438001
Bureau-,schrijf-,tekenbeh.,druk-,bin
€
987
Nee
100%
€
987
435101 438001
Externe inhuur Bureau-,schrijf-,tekenbeh.,druk-,bin
438004 438233
Verfraaiing van dienstvertrekken Kledingvergoeding
€ € € €
1.915 1.393 1.900
Nee Nee Nee Nee
100% 100% 100% 100%
€ € € €
1.915 1.393 1.900
Inhuur WSW
€
14.000
Nee
100%
€
14.000
€ €
3.626 10.407
Nee Nee
100% 100%
€ €
3.626 10.407
€
172.086,00
Ja
12%
€
20.650
€ € € €
93.937 2.316 18.528 1.077.218
Nee Nee Nee Nee
100% 100% 100% 100%
€ € € € €
93.937 2.316 18.528 1.077.218 1.520.139
Taakveld 2 Verkeer, vervoer en waterstaat 210210 210210 Taakveld 6 Sociaal domein
Productnaam
Kostensoort
Kostensoortnaam
Begroting 2024
Taakveld 0 Bestuur en ondersteuning Basis Registratie Personen Basis Registratie Personen 837001
Leges BRP
€
482.000
020002 020002
Burgerlijke Stand Burgerlijke Stand
837002
Leges burgelijke stand
€
33.397
Taakveld 1 Veiligheid 120001 120001 120001 120001 120001
Bijzondere Wetten Bijzondere Wetten Bijzondere Wetten Bijzondere Wetten Bijzondere Wetten
837000 837149 837160 837161
Legesopbrengsten algemeen Leegstandswet tijd.verhuur woonruimte Leges kansspelautomaat Leges loterij/bingo
€ € € €
5.000 -
120001
Bijzondere Wetten
837162
Leges speelautomatenhal
€
2.000
837000
Legesopbrengsten algemeen
€
9.483
Gehandicaptenparkeerkaart Gehandicaptenparkeerkaart 837009