CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering 2 november 2021, gemeente Brunssum31.460 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.5.1 Toegelaten bedrijven 1. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. artikel 4.1.1 onder a ten behoeve van bedrijven die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen en/of een hogere milieucategorie; of b. artikel 4.1.1 onder b, c, d, e en i ten behoeve van een ander bedrijf dan op grond van artikel 4.1.1 ter plaatse is toegelaten. 2. de vergunning kan slechts worden verleend indien: a. het een bedrijf betreft dat naar aard en invloed op de omgeving gelijk kunnen worden gesteld met de bedrijven die op grond van dit plan op het betreffende perceel zijn toegestaan; b. geen toename van stikstofemissie plaatsvindt.

22

bestemmingsplan Oostflank

4.5.2 Buitenopslag a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.2 ten behoeve van opslag anders dan toegelaten op grond van dat artikel, mits uit een bij de aanvraag omgevingsvergunning gevoegd inpassingsplan blijkt dat wordt voorzien in een goede ruimtelijke c.q. landschappelijke inpassing van de opslag; b. Het bevoegd gezag borgt door middel van voorschriften aan de omgevingsvergunning dat inpassing van het opslag conform het inpassingsplan plaatsvindt en de betreffende inrichting vervolgens duurzaam in stand wordt gehouden.

bestemmingsplan Oostflank

23

Artikel 5 5.1

Bos

Bestemmingsomschrijving

5.1.1 Doeleinden De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.

behoud en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden; bestaand grondgebonden agrarisch grondgebruik; bossen en houtopstanden; extensieve dagrecreatie, zoals wandelen en fietsen; water- en waterhuishoudkundige voorzieningen; de daarbij behorende voorzieningen.

5.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 5.2

Bouwregels

5.2.1 Gebouwen Op de voor 'Bos' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 5.2.2 Andere bouwwerken Op de voor 'Bos' aangewezen gronden mogen geen andere bouwwerken worden gebouwd. 5.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 5.2, ten behoeve van: a.

gebouwen en overkappingen ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de oppervlakte maximaal 10 m² bedraagt en de hoogte maximaal 3,00 meter bedraagt; b. een hoogzit ten behoeve van de uitoefening van de jacht met een maximale hoogte van 4,00 meter; c. nestpalen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 10,00 meter bedraagt; d. bij de bestemming passende andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, waarbij de volgende regels in acht worden genomen: 1. de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,00 meter; 2. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,00 meter. onder de voorwaarden dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. 2. 3. 4. 5.

de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; de landschappelijke en/of natuurlijke waarden en/of archeologische waarden van de gronden; de waterstaatkundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden.

24

bestemmingsplan Oostflank

5.4

Specifieke gebruiksregels

5.4.1 Geen toename stikstofemissie 1. Tot een gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanaf de betreffende gronden c.q. vanuit de betreffende bouwwerken. 2. Onder het gebruik van gronden en bouwwerken wordt ook begrepen de aan de functie van de gronden en bouwwerken gerelateerde verkeersbewegingen. 5.4.2 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken: a. b. c. d. e. f.

5.5

voor sport- of wedstrijdterreinen, kampeer- of caravanterreinen, campings en zwemgelegenheden; voor het beproeven van voertuigen, het beoefenen van de motorsport, voor het houden van wedstrijden met motorrijtuigen of bromfietsen; voor het racen of crossen met motorrijtuigen of bromfietsen; als staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; voor de stalling en opslag van aan het oorspronkelijke gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen; voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden

5.5.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Bos' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.

e. f.

het wijzigen van de bodemstructuur, het ophogen, afgraven en egaliseren van gronden met meer dan 0,20 meter; het verwijderen van opgaande beplantingen, zoals bosschages, houtwallen en singels; het dempen, graven en/of uitdiepen van sloten, vaarten, poelen en daarmee gelijk te stellen waterpartijen; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en / of telecommunicatieleidingen, met uitzondering van het aanbrengen van leidingen ten behoeve van de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet; het verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; het aanbrengen dan wel wijzigen van drainage systemen.

5.5.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 5.5.1 is niet van toepassing op: a. b. c.

normale onderhoudswerkzaamheden; werken of werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen; werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.

bestemmingsplan Oostflank

25

5.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.5.1 kan alleen worden verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 5.1.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

26

bestemmingsplan Oostflank

Artikel 6 6.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

6.1.1 Doeleinden De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.

groenvoorzieningen, bermen en beplanting; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - fietspark': tevens een mountainbikepark; parken en plantsoenen; fiets- en voetpaden, speelvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; voorzieningen ten behoeve van duurzame energieopwekking en een (collectief) gebruik daarvan;

6.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 6.2

Bouwregels

6.2.1 Algemeen Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen geen gebouwen maar uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd. 6.2.2 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a.

de bouwhoogte mag maximaal 5 meter bedragen, met uitzondering van: 1. erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter mag bedragen; 2. lichtmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 9 meter mag bedragen.

bestemmingsplan Oostflank

27

Artikel 7

Maatschappelijk - Militaire zaken

7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk - Militaire zaken' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. militaire doeleinden; alsmede voor daarbij behorende: b. (ontsluitings)wegen en paden; c. verkeers- en parkeervoorzieningen; d. doeleinden van openbaar nut, waaronder voorzieningen voor de opwekking van energie; e. groenvoorzieningen; f. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen; met dien verstande dat: g. h. i. j.

bedrijfswoningen niet zijn toegestaan; geluidzoneringsplichtige inrichtingen c.q. niet zijn toegestaan; risicovolle inrichtingen niet zijn toegestaan; kwetsbare objecten niet zijn toegestaan.

7.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 7.3

Bouwregels

7.3.1 Gebouwen Op de voor 'Maatschappelijk - Militaire zaken' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 7.3.2 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a.

7.4

de bouwhoogte mag maximaal 8,00 meter bedragen, met uitzondering van: 1. erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 2,00 meter mag bedragen; 2. lichtmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 9,00 meter mag bedragen. Specifieke gebruiksregels

7.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor de opslag van munitie. 7.4.2 Geen toename stikstofemissie 1. Tot een gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanaf de betreffende gronden c.q. vanuit de betreffende bouwwerken. 2. Onder het gebruik van gronden en bouwwerken wordt ook begrepen de aan de functie van de gronden en bouwwerken gerelateerde verkeersbewegingen.

28

bestemmingsplan Oostflank

Artikel 8 8.1

Natuur

Bestemmingsomschrijving

8.1.1 Doeleinden De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud en/of herstel van natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden; b. behoud en ontwikkeling van ecologische waarden; c. extensieve dagrecreatie, zoals wandelen en fietsen; d. natuureducatie; met daaraan ondergeschikt: a. b. c.

beschoeiingen parkeervoorzieningen water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

8.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 8.2

Bouwregels

8.2.1 Gebouwen Op de voor 'Natuur' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 8.2.2 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a.

b.

er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van: 1. de verlichting van wegen, rijwiel- en voetpaden; 2. recreatief medegebruik, zoals recreatieve bewegwijzering, informatieborden en kleinschalige uitzicht- en rustpunten; 3. straatmeubilair; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,00 meter, met dien verstande dat: 1. de bouwhoote van erfafscheidingen niet meer dan 1,00 meter mag bedragen; 2. de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 8,00 meter mag bedragen.

8.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2, ten behoeve van: a.

gebouwen en overkappingen ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de oppervlakte maximaal 10 m² bedraagt en de hoogte maximaal 3,00 meter bedraagt; b. een hoogzit ten behoeve van de uitoefening van de jacht met een maximale hoogte van 4,00 meter; c. nestpalen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 10,00 meter bedraagt; d. bij de bestemming passende andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, waarbij de volgende regels in acht worden genomen: 1. de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter; 2. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 meter. onder de voorwaarden dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

bestemmingsplan Oostflank

29

1. 2. 3. 4. 5. 8.4

de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; de landschappelijke en/of natuurlijke waarden en/of archeologische waarden van de gronden; de waterstaatkundige en waterhuishoudkundige functie van de gronden en van de aangrenzende gronden. Specifieke gebruiksregels

8.4.1 Geen toename stikstofemissie 1. Tot een gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanaf de betreffende gronden c.q. vanuit de betreffende bouwwerken. 2. Onder het gebruik van gronden en bouwwerken wordt ook begrepen de aan de functie van de gronden en bouwwerken gerelateerde verkeersbewegingen. 8.4.2 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken: a. b. c. d. e. f.

8.5

voor sport- of wedstrijdterreinen, kampeer- of caravanterreinen, campings en zwemgelegenheden; voor het beproeven van voertuigen, het beoefenen van de motorsport, voor het houden van wedstrijden met motorrijtuigen of bromfietsen; voor het racen of crossen met motorrijtuigen of bromfietsen; als staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; voor de stalling en opslag van aan het oorspronkelijke gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen; voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden

8.5.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Natuur' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.

e. f. g.

het wijzigen van de bodemstructuur, het ophogen, afgraven en egaliseren van gronden met meer dan 0,20 meter; het verwijderen van opgaande beplantingen, zoals bosschages, houtwallen en singels; het dempen, graven en/of uitdiepen van sloten, vaarten, poelen en daarmee gelijk te stellen waterpartijen; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en / of telecommunicatieleidingen, met uitzondering van het aanbrengen van leidingen ten behoeve van de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet; het verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; het aanbrengen dan wel wijzigen van drainage systemen; het verrichten van exploratieboringen en / of seismologisch onderzoek.

8.5.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 8.5.1 is niet van toepassing op: a.

30

normale onderhoudswerkzaamheden;

bestemmingsplan Oostflank

b. c.

werken of werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen; werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.

8.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 8.5.1 kan alleen worden verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 8.1.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

bestemmingsplan Oostflank

31

Artikel 9 9.1

Verkeer

Bestemmingsomschrijving

9.1.1 Doeleinden De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. stroomwegen; b. gebiedsontsluitingswegen. met daarbij behorende: c. d. e. f. g. h. i. j.

langzaam-verkeervoorzieningen; geluidwerende voorzieningen; viaducten, bruggen en andere kunstwerken, waaronder kunstwerken voor kruisingen met wegverkeer; groenvoorzieningen, bermen en taluds; water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; nutsvoorzieningen; voorzieningen ten behoeve van duurzame energieopwekking en een (collectief) gebruik daarvan; bluswatervoorzieningen.

9.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 9.2

Bouwregels

9.2.1 Algemeen Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen geen gebouwen maar uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd. 9.2.2 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a.

de bouwhoogte mag maximaal 8 meter bedragen, met uitzondering van: 1. erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter mag bedragen; 2. lichtmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 9 meter mag bedragen.

9.3 Specifieke gebruiksregels Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken als verkooppunt voor motorbrandstoffen, al dan niet inclusief lpg.

32

bestemmingsplan Oostflank

Artikel 10 10.1

Water

Bestemmingsomschrijving

10.1.1 Doeleinden De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

water(lopen) en waterhuishoudkundige voorzieningen, bermen, taluds en kademuren; groenvoorzieningen; bruggen, duikers en andere kunstwerken voor kruisingen met (weg)verkeer, alsmede culturele kunstwerken en waterornamenten;

10.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 10.2 Bouwregels Op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat: a. b.

de andere bouwwerken alleen mogen worden gebouwd ten behoeve van de waterbeheersing, de verbinding van oevers of in de vorm van ornamenten en culturele kunstwerken e.d.; de bouwhoogte van andere bouwwerken maximaal 5 meter mag bedragen.

bestemmingsplan Oostflank

33

Artikel 11 11.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

11.1.1 Doeleinden De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. a. b.

wonen; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening': tevens dienstverlening; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf': tevens bedrijfsdoeleinden in de vorm van opslag van materialen ten behoeve van een aannemersbedrijf; c. aan huis verbonden beroepen met inachtneming van het in artikel 11.3.1 bepaalde; met daaraan ondergeschikt: 1. 2. 3.

tuinen, erven en groenvoorzieningen; ontsluitings- en parkeervoorzieningen ten behoeve van de toegelaten functies; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

11.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 11.2

Bouwregels

11.2.1 Algemeen Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. b. c.

woningen; bijbehorende bouwwerken; andere bouwwerken.

11.2.2 Woningen Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e. f. g.

woningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd; het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; het bestaande aantal woningen mag niet toenemen; ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen uitsluiten aaneengesloten wonignen worden gebouwd; het aantal bouwlagen mag maximaal 2 bedragen; de inhoud van een woning moet minimaal 250 m³ en maximaal 850 m³ bedragen; woningsplitsing is niet toegestaan.

11.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a.

b. c. d.

bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden opgericht met dien verstande dat de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw, voor zover gelegen buiten het bouwvlak, niet meer mag bedragen dan 70 m2; bijbehorende bouwwerken moeten worden opgericht achter de voorgevelrooilijn; de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 5 meter te bedragen; de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,20 meter;

34

bestemmingsplan Oostflank

e.

de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 4,50 meter, dan wel maximaal de bestaande bouwhoogte indien deze groter is;

11.2.4 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a. b. c. 11.3

de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 2 meter; de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 meter; de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 meter. Specifieke gebruiksregels

11.3.1 Aan huis verbonden beroepen De uitoefening van aan huis verbonden beroepen is onder de volgende voorwaarden toegestaan: a. b. c. d. e. f. g.

h. i.

j. k. l.

de woonfunctie blijft als hoofdfunctie gehandhaafd; de wijziging in gebruik betekent geen uitbreiding van het aantal woningen; de woonuitstraling blijft behouden; het gebruik ten behoeve van beroepsmatige activiteiten beslaat niet meer dan 35% van het bebouwde vloeroppervlak, tot een maximum van 60 m²; het aan huis gebonden beroep wordt uitgeoefend door de bewoner van het pand; de activiteiten leveren geen ernstige c.q. onevenredige hinder op voor de directe woonomgeving en doen geen ernstige afbreuk aan het woonkarakter van de buurt en de woning; detailhandel is niet toegestaan, uitgezonderd ondergeschikte detailhandel en detailhandel in de vorm van webshops, onder de voorwaarde dat het enkel verzending vanuit de woning en geen balieverkoop betreft. Maximaal 10% van de vloeroppervlakte die voor de beroepsactiviteit in aanmerking komt, wordt voor uitstalling gebruikt; horeca is niet toegestaan; het aan huis verbonden beroep wordt uitgeoefend in de hoofdmassa en/of een bijgebouw.

Indien het aan huis gebonden beroep in een vrijstaand bijgebouw wordt uitgeoefend, moet de ontsluiting van dat bijgebouw aan de voorzijde/straatzijde van het perceel plaats vinden; de woning blijft aan het Bouwbesluit 2012 voldoen; de parkeerdruk en/of de verkeersbelasting in het openbare gebied mag niet onevenredig toenemen; raamprostitutie en straatprostitutie, een seksinrichting en/of een escortbedrijf, een coffeeshop, growshop, headshop en/of smartshop, een groothandel van producten die in het maatschappelijk verkeer worden aangeduid als smart-, head- en/of growshopproducten en een belhuis zijn niet toegestaan.

bestemmingsplan Oostflank

35

Artikel 12 12.1

Wonen - Woonwagenstandplaats

Bestemmingsomschrijving

12.1.1 Doeleinden De voor 'Wonen - Woonwagenstandplaats' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maximaal 6 standplaatsen voor wonen in woonwagens en bijbehorende verzorgingsunits; met daaraan ondergeschikt: 1. 2. 3.

tuinen, erven en groenvoorzieningen; ontsluitings- en parkeervoorzieningen ten behoeve van de toegelaten functies; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

12.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende bepalingen van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 12.2

Bouwregels

12.2.1 Algemeen Op de voor 'Wonen - Woonwagenstandplaats' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. b. c. d. e. f. g. h.

6 standplaatsen ten behoeve van woonwagens, en de daarbij behorende bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen. per standplaats mag slechts één woonwagen worden geplaatst; de oppervlakte van bijgebouwen mag maximaal 18 m2 per standplaats bedragen; een standplaats mag voor ten hoogste 85% worden bebouwd, met inbegrip van de geplaatste woonwagen; de goothoogte van de woonwagen en bijgebouwen mag ten hoogste 3,50 meter bedragen; de woonwagen en de bijgebouwen mogen plat of met een kap van ten minste 30° en ten hoogste 60° worden afgedekt; de afstand van de woonwagen tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 2.00 meter te bedragen. Bijgebouwen dienen in of minimaal 1,50 meter uit de zijdelingse perceelsgrens te worden gebouwd; bijgebouwen dienen 3,00 meter achter de voorgevel te zijn gelegen.

12.2.2 Overige regels met betrekking tot bebouwing Binnen het bestemmingsvlak mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de bouwhoogte voor de voorgevelrooilijn niet meer dan 1.00 meter en achter de voorgevelrooilijn niet meer dan 2,00 meter mag bedragen. 12.3

Specifieke gebruiksregels

12.3.1 Strijdig gebruik a. Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van bouwwerken voor: 1. afzonderlijke bewoning, indien het een vrijstaand bijgebouw betreft; 2. bedrijfsmatige werk- en/of opslagruimte, waaronder de opslagruimte voor explosie- en brandgevaarlijke goederen en stoffen; 3. detailhandel en/of groothandel; 4. recreatieve en/of horecadoeleinden;

36

bestemmingsplan Oostflank

b.

5. opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het in 12.1 toegestane gebruik; Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden anders dan voor: 1. groenvoorzieningen; 2. ontsluiting; 3. parkeervoorzieningen.

bestemmingsplan Oostflank

37

Artikel 13 13.1

Leiding - Hoogspanningsverbinding

Bestemmingsomschrijving

13.1.1 Doeleinden De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van een bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en voorzieningen, met een belemmeringenstrook van 20 meter aan weerszijden van de hartlijn van de verbinding. 13.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 13.2

Bouwregels

13.2.1 Bouwwerken Op de voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a.

b.

bouwwerken ten behoeve van een hoogspanningsverbinding, waarvan de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen, uitgezonderd masten, waarvan de bouwhoogte maximaal de bouwhoogte van de bestaande masten mag bedragen; bouwwerken ten behoeve van de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande, op basis van de voor deze gronden geldende andere bestemmingen toegestane bouwwerken, waarbij de oppervlakte en bouwhoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

13.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 13.2, ten behoeve van het bouwen van gebouwen of andere bouwwerken, geen gebouw zijnde op de voor 'Leiding Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden, met dien verstande dat: a. b. c. d.

de belangen en de veiligheid van de in artikel 13.1 bedoelde hoogspanningsverbinding niet worden geschaad; geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de bedrijfsveiligheid van de artikel 13.1 bedoelde hoogspanningsverbinding; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder; bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende bestemming.

13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 13.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. b.

38

het aanbrengen of verwijderen van hoogopgaande beplantingen en bomen; het aanleggen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

bestemmingsplan Oostflank

c. d.

e. f.

het indrijven van voorwerpen in de bodem; het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend ontgronden, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen, veranderen van het maaiveldniveau of de weghoogte en aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het opslaan van goederen.

13.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 13.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden: a. b. c. d.

die verband houden met de aanleg van de betreffende ondergrondse/bovengrondse hoogspanningsleiding; die reeds in uitvoering zijn op het moment van het van kracht worden van het plan; die overeenkomstig een verleende omgevingsvergunning mogen worden verricht; die het normale onderhoud ten aanzien van de verbinding en de belemmerde strook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen.

13.4.3 Toepassingscriteria De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 13.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien: a. b.

de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig schaden; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder over de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.

13.4.4 Voorwaarden a. Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.4.1 kunnen door het bevoegd gezag gelet op de waarborging van de belangen als bedoeld in 13.1.1 en 13.4.3 voorwaarden worden verbonden. b. Bij de afwegingen omtrent het verbinden van voorwaarden aan de vergunning betrekt het bevoegd gezag het advies van de leidingbeheerder als bedoeld in 13.4.3 sub b.

bestemmingsplan Oostflank

39

Artikel 14 14.1

Waarde - Archeologie hoog

Bestemmingsomschrijving

14.1.1 Doeleinden De voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 14.1.2 Bestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen (dubbel)bestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 14.2

Bouwregels

14.2.1 Bouwverbod Op de voor 'Waarde - Archeologie hoog' bestemde grond mag niet worden gebouwd. 14.2.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 14.2.1 is niet van toepassing indien: a. b.

c. d.

14.3

het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Afwijken van de bouwregels

14.3.1 Afwijken ten behoeve van grotere bodemingrepen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 14.2.1 mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

14.3.2 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

40

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

bestemmingsplan Oostflank

14.3.3 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 14.3.2, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 14.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d.

het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

14.4.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 14.4.1 is niet vereist indien: a. b. c. d. e.

f.

de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven / booronderzoek); de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt; de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; het voor 'Verkeer' aangewezen gronden betreft die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat en het betreft: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen tot een diepte van 1,5 meter, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; 2. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren tot een breedte van 1 meter; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tot een diepte van 1,5 meter.

14.4.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 14.4.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;

bestemmingsplan Oostflank

41

b. c.

schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

14.4.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

14.4.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 14.4.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 14.5

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

14.5.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen. 14.5.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 14.5.1 is niet vereist indien: a. b. c.

de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 250 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 250 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

14.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.5.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

14.5.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b.

42

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen;

bestemmingsplan Oostflank

c.

de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

14.5.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 14.5.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.

bestemmingsplan Oostflank

43

Artikel 15 15.1

Waarde - Archeologie laag

Bestemmingsomschrijving

15.1.1 Doeleinden De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 15.1.2 Bestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen (dubbel)bestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 15.2

Bouwregels

15.2.1 Bouwverbod Op de voor 'Waarde - Archeologie laag' bestemde grond mag niet worden gebouwd. 15.2.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 15.2.1 is niet van toepassing indien: a. b.

c. d.

15.3

het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Afwijken van de bouwregels

15.3.1 Afwijken ten behoeve van grotere bodemingrepen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 15.2.1 mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

15.3.2 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

44

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

bestemmingsplan Oostflank

15.3.3 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 15.3.2, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d.

het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

15.4.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 15.4.1 is niet vereist indien: a. b. c. d. e.

f.

de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven / booronderzoek); de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt; de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; het voor 'Verkeer' aangewezen gronden betreft die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat en het betreft: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen tot een diepte van 1,5 meter, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; 2. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren tot een breedte van 1 meter; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tot een diepte van 1,5 meter.

15.4.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 15.4.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;

bestemmingsplan Oostflank

45

b. c.

schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

15.4.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

15.4.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 15.4.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 15.5

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

15.5.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen. 15.5.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 15.5.1 is niet vereist indien: a. b. c.

de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 10.000 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 10.000 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

15.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.5.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

15.5.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b.

46

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen;

bestemmingsplan Oostflank

c.

de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

15.5.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 15.5.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.

bestemmingsplan Oostflank

47

Artikel 16 16.1

Waarde - Archeologie middelhoog

Bestemmingsomschrijving

16.1.1 Doeleinden De voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 16.1.2 Bestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen (dubbel)bestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 16.2

Bouwregels

16.2.1 Bouwverbod Op de voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' bestemde grond mag niet worden gebouwd. 16.2.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 16.2.1 is niet van toepassing indien: a. b.

c. d.

16.3

het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 2.500 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 2.500 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Afwijken van de bouwregels

16.3.1 Afwijken ten behoeve van grotere bodemingrepen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 16.2.1 mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

16.3.2 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

48

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op

bestemmingsplan Oostflank

het terrein van de archeologische monumentenzorg. 16.3.3 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 16.3.2, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d.

het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

16.4.2

Uitzonderingen

Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 16.4.1 is niet vereist indien: a. b. c. d. e.

f.

de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven / booronderzoek); de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 2.500 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 2.500 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt; de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; het voor 'Verkeer' aangewezen gronden betreft die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat en het betreft: 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen tot een diepte van 1,5 meter, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; 2. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren tot een breedte van 1 meter; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tot een diepte van 1,5 meter.

16.4.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 16.4.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

bestemmingsplan Oostflank

49

a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

16.4.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

16.4.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 16.4.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 16.5

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

16.5.1

Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen. 16.5.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 16.5.1 is niet vereist indien: a. b. c.

de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 2.500 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 2.500 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.

16.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.5.1 wordt slechts verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

16.5.4 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

50

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;

bestemmingsplan Oostflank

b. c.

de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

16.5.5 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 16.5.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.

bestemmingsplan Oostflank

51

Artikel 17 17.1

Waarde - Archeologie zeer hoog

Bestemmingsomschrijving

17.1.1 Doeleinden De voor 'Waarde - Archeologie zeer hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 17.1.2 Bestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen (dubbel)bestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.1. 17.2

Bouwregels

17.2.1 Bouwverbod Op de voor 'Waarde - Archeologie zeer hoog' bestemde grond mag niet worden gebouwd. 17.2.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 17.2.1 is niet van toepassing indien: a. b.

c. d.

17.3

het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m2 beslaat; de grootte van de bodemingreep meer dan 100 m2 beslaat en de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt. Afwijken van de bouwregels

17.3.1 Afwijken ten behoeve van grotere bodemingrepen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 17.2.1 mits de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: a. b. c.

er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld.

17.3.2 Voorwaarden Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden: a.

b. c.

52

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op

bestemmingsplan Oostflank

het terrein van de archeologische monumentenzorg. 17.3.3 Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 17.3.2, onder c, van toepassing is, wordt in de voorwaarden aan de omgevingsverguninng tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie zeer hoog' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=4f29b9ee-fd9d-460d-9991-77836bfbba2b