Agendabundel
Tekst van het document
5.2.5
Spoorweglawaai
Het dichtstbij gelegen spoortraject waarover verkeersbewegingen plaatsvinden is gelegen op een afstand van meer dan 4000 meter. Geluid ten gevolge van spoorweglawaai is vanwege de afstand van het plangebied tot de betreffende spoorlijn niet relevant om verder te beschouwen. Conclusie Uit het akoestisch rapport is gebleken dat ten aanzien van de gecumuleerde geluidbelasting voor wegverkeer- en industrielawaai ter plaatse van de te realiseren
woningen
alsnog
een
gevelgeluidwering
voor
de
individuele
woningen het vereiste binnenniveau van 33 dB (bouwbesluit 2012) behaald kan worden. Bij de verdere planvorming en vergunningverlening van de woonappartementen
zal
dat
dan
voorkeursgrenswaarde
ten
aanzien
nader van
de
worden in
het
uitgewerkt. akoestisch
De
rapport
opgenomen gedezoneerde wegen wordt niet overschreden.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
47
SMA-Advies
In die zin kan worden gesteld dat wegverkeerslawaai ten gevolge van deze wegen niet betekenend is en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gesteld wordt verder dat ten gevolge van spoorweglawaai gezien de grotere afstand tot het plangebied geen geluidhinder wordt verwacht en dat geen overschrijdingen
plaatsvinden
van
de
daarvoor
gestelde
normering.
Spoorweglawaai vormt voor het realiseren van de te realiseren woning dus geen belemmering.
5.3
Luchtkwaliteit en geur
Luchtkwaliteit Ruimtelijke plannen moeten worden getoetst aan hoofdstuk 5, titel 2, van de Wet milieubeheer (de Wet luchtkwaliteit). Dit hoofdstuk is op 15 november 2007 in werking getreden en bevat alle basisregels over luchtkwaliteit. In augustus 2009 zijn de regels aangevuld om de Europese richtlijn luchtkwaliteit in de Nederlandse wetgeving over te nemen. De luchtkwaliteitseisen van de Wet luchtkwaliteit vormen geen belemmering voor plannen wanneer de activiteiten kleinschalig zijn dan wel
“niet in
betekenende mate” bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16 lid 1 onder c Wet milieubeheer).
Figuur 17. Indicatieve berekening luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ter hoogte van het plangebied
indicatief
monitoringstool
de
luchtkwaliteit
bepaald.
(www.nsl-monitoring.nl/viewer)
Aan als
de
hand
onderdeel
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
van
de
van
het
48
SMA-Advies
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), is een indicatieve berekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel ‘grenswaarden maatgevende stoffen Wm’. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof ligt onder de grenswaarde. In de onderstaande afbeelding zijn van de meest belastende wegen de rekenpunten weergegeven. Gesteld
wordt
dat
het onderhavige
plan voor het
realiseren van
14
woonappartementen als herbestemming in een bestaand gebouw “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de het aspect luchtverontreiniging. Er zal ten behoeve van het gebruik van de woningen geen sprake zijn van een meetbare toename van emissie van stoffen die een negatieve invloed hebben op de luchtkwaliteit zoals de emissie van CO2 en NOx verkeersbewegingen van voertuigen. Verder leidt het plan niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor de geplande bestemmingswijziging. Geur Met betrekking tot het aspect geur wordt gesteld dat de te realiseren woningen aangemerkt worden als geurgevoelig in de zin van de diverse wet- en regelgeving voor geur en geurhinder. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven, dan wel worden geen andere geuremitterende activiteiten gebezigd die een negatieve invloed hebben op de actuele (geur)hinderbeleving. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening speelt geur verder geen rol.
5.4 Een
Bedrijfshinder/milieuzonering goede
ruimtelijke
ordening
voorziet
ook
in
het
voorkómen
van
voorzienbare hinder en gevaar door omliggende bedrijven. Met andere woorden dient rekening te worden gehouden met de milieuzone van de voorgenomen activiteiten ten opzichte van de omliggende bedrijven. Milieuzonering
zorgt
ervoor
dat
nieuwe
ontwikkelingen
een
passende
bestemming krijgen.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
49
SMA-Advies
Daarbij is het in eerste instantie belangrijk dat bedrijven en voor verstoring gevoelige objecten, ruimtelijk van elkaar worden gescheiden. Uiteindelijk weegt het bevoegde gezag alle belangen mee in het besluit bepaalde ontwikkelingen wel of andere weer niet toe te staan. De omgeving van het plangebied karakteriseert zich als een gebied met verschillende functies. Om vast te stellen of omliggende bedrijven potentieel belemmerend kunnen zijn
voor
de
gewenste
ontwikkeling,
wordt
gebruik
gemaakt
van
de
richtafstanden uit de uitgave “Bedrijven en Milieuzonering (VNG 2009)”. In
bijlage
1
(Staat
van
Bedrijfsactiviteiten)
van
het
bestemmingsplan
“Beschermd Dorpsgezicht Mijnkoloniën Brunssum” zijn deze richtafstanden ook verwerkt. Het dichtbijgelegen bedrijf (InterCar Brunssum/ Canadian Corner) is gelegen op ca. 330 meter noord-westelijk van het plangebied. Op ca. 40 meter noord-oostelijk van het plan ligt de Bredeschool Langeberg (In ’t Ven 4) met een basisschool en een (naschoolse) kinderopvang. Bepalend ten aanzien van hinder of verstoring is de verkeersaantrekkende werking zoals het brengen en halen van kinderen. Binnen de bestemming zijn ruime parkeerplaatsen aanwezig om aan de parkeervraag te voldoen. In zoverre vormt de Brede School geen belemmering in het dagelijks gebruik van de betreffende woonappartementen. Aangezien de speelplaats van de school en kinderopvang direct grenst aan het plangebied, is het aannemelijk dat hiervan geluidhinder is te verwachten. Voor het bepalen van stemgeluid van kinderen ten tijde van het gebruik van de speelplaats, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In par. 5.2 is dat aspect verder uitgewerkt. Gesteld is onder andere dat er alsnog nadere bouwkundige maatregelen getroffen moeten worden om ter plaatse van de te realiseren te kunnen spreken over een goed woon- en leefklimaat. In fase 2 zal bij de aanvraag voor de activiteit bouwen daar verder uitwerking aan worden gegeven.
Uit de inventarisatie blijkt dat er geen bedrijven zijn die belemmerend zijn voor de gewenste ontwikkeling van de 14 woonappartementen. Gesteld kan worden dat het oprichten van de 14 woonappartementen geen belemmeringen
vormt
voor
de
omliggende
bedrijven.
Het
aspect
milieuzonering vormt dus geen verdere randvoorwaarde bij de voorgenomen ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
50
SMA-Advies
5.5
Externe veiligheid
Risico’s naar de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen of het vervoer daarvan, moeten bij nieuwbouwplannen of functiewijzigingen integraal worden afgewogen. Om er zeker van te zijn dat de externe veiligheid problematiek in ruimtelijk beleid goed wordt meegewogen, is in de wet (Besluit externe veiligheid inrichtingen) de zogenaamde verantwoordingsplicht opgenomen die eisen stelt aan gegevens die over het groepsrisico verzameld moeten worden alvorens een ruimtelijk besluit genomen kan worden (art. 13 Bevi). Op
basis
daarvan
moet
door
het
bevoegd
gezag
een
schriftelijke
verantwoording worden opgesteld waarin wordt onderbouwd waarom een bepaald risico aanvaardbaar wordt geacht. De verantwoordingsplicht geldt op het moment dat de nieuwe ontwikkeling voorziet in het toevoegen van extra personen binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit (risicobron). Om risico’s zo veel mogelijk te reguleren is op 27 oktober 2004 het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden met de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Het Bevi verplicht het bevoegd gezag op basis van de Wet milieubeheer om veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. In het Bevi zijn gevoelige objecten gedefinieerd als kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De risicovolle bedrijven zijn genoemd in artikel 2 van het Besluit. Over het algemeen gaat het om bedrijven waar (zeer) grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en/of bewerkt. Naast het Bevi is per 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen milieubeheer (Bevb) en de Handreiking buisleidingen in bestemmingsplannen in werking getreden. Risico wordt uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico (GR).
Bij het plaatsgebonden risico gaat het om de kans dat een persoon overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich een jaar lang permanent en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle bron bevindt. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Op 11 november 2011 is het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportroutes.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
51
SMA-Advies
Op 3 maart 2015 is de Wet Basisnet en de betreffende regeling in werking getreden. Het Basisnet is een landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, binnenwater en spoor. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen
van
de
risico's
voor
het
vervoer
van
gevaarlijke
stoffen
(vervoerskant).
5.5.1. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) De regelgeving rond de risico’s van het transport van gevaarlijke stoffen volgt uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS). In de WVGS en het Bevt zijn normwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In
de
bijlagen
van
de
Regeling
Basisnet
is
opgenomen
voor
welke
transportroutes de externe veiligheidsrisico’s bepaald moeten worden. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Als dat het geval is, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich binnen het invloedsgebied van een risicobron
bevindt.
Het
invloedsgebied
wordt
bepaald
door
de
1%
letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. De ligging van het invloedsgebied per modaliteit is in navolgende tabellen weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
52
SMA-Advies
Tabel 5.5.1. renvooi gevaarlijke stoffen
Stofcategorie Weg, water
Invloedsgebied 1%-letaliteitsafstand (mtr) Spoor
Spoor
LF1
Weg
Water
45
35
LF2
C3
35
45
35
LT1
D3
375
730
600
880
880
>4000
n.v.t.
LT4
n.v.t.
n.v.t.
GF1
40
n.v.t.
GF2
280
65
355
90
245
n.v.t.
LT2 LT3
GF3
D4
A
>4000
460
GT2 GT3
B2
995
560
1070
GT4
B3
>4000
>4000
n.v.t.
GT5
B3
>4000
>4000
n.v.t.
Tabel 5.5.2. Invloedsgebied per stofcategorie en modaliteit.
5.5.2
Transport over waterwegen
Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, zijn uitsluitend waterwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Afhankelijk van de soort stoffen die worden getransporteerd reikt het invloedsgebied voor de modaliteit water van 35 meter tot maximaal 1.070 meter (zie tabel 5.5.1). Binnen een afstand van 1.070 meter van het plangebied zijn geen waterwegen gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer plaatsvindt.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
53
SMA-Advies
Het plangebied valt daarmee dus niet binnen het invloedsgebied van een waterweg. De risico’s als gevolg van het transport over het water vormen derhalve geen aandachtspunt voor het plangebied. In de onderhavige toelichting hoeven geen bepalingen te worden opgenomen met betrekking tot externe veiligheidsrisico’s bij transport over het water vanwege de grote ruimtelijke scheiding.
5.5.3. Transport over wegen en per spoor De planlocatie is gelegen op een afstand van ruim 4000 meter van een weg die is opgenomen in het Basisnet en waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Op basis van afstandsmeting ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van een spoorweg en/of rijksweg. Er is in die zin geen (beperkte) verantwoording (door het bevoegde gezag) van het groepsrisico noodzakelijk.
5.5.4. Risicokaart Door de Limburgse gemeenten en de provincie zijn de risicovolle activiteiten in beeld
gebracht.
Er
is
inmiddels
een
landelijke
kaart
samengesteld
(www.risicokaart.nl ) van alle activiteiten die een bepaald (extern) risico met zich meebrengen.
Figuur 18. Uitsnede Risicokaart Limburg
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
54
SMA-Advies
Plangebied Het gebied rond het plangebied is geïnventariseerd op grond van de beschikbare gegevens uit de risicokaart. Hieruit is het volgende gebleken: Binnen het plangebied zelf vinden geen activiteiten plaats die externe veiligheidsrisico’s
voor
het
plangebied
of
de
omgeving
met
zich
afstand
van
meebrengen; Bevi-bedrijven
bevinden
zich
op
minimaal 1500 meter
nabijheid
van
het
het plangebied; In
de
directe
plangebied
zijn
geen
spoor- of
waterwegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ter hoogte van Akerstraat 153 (ca. 440 meter van plangebied) is een bovengrondse propaantank in gebruik van Resort Brunssumerheide, waarbij de plaatsgebonden risico-contour van 15 meter ten gevolge van deze activiteit het plangebied niet raakt; Het
plangebied
ligt
niet
binnen
de
invloedgebieden
van
een
spoorweg of een andere (rijks) weg die is opgenomen in het Basisnet en waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Verder ligt op circa 360 meter zuid-oostelijk van het plangebied een hogedruk aardgastransportleiding (Z-503-01, diameter van 8 inch leiding, werkdruk van 40 bar). De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 contour) ligt op het hart van de leiding. Het invloedsgebied strekt
zich
uit
tot
95
meter
aan
weerszijden van de leiding. Het plangebied ligt daarmee ruim buiten het invloedsgebied. Naar aanleiding van de uitgevoerde inventarisatie kan worden gesteld dat het plangebied ten aanzien van externe veiligheid gelegen is buiten de invloedsgebieden van transportroute van een weg of spoorweg en de hogedruk aardgastransportleiding Vanwege
de
ligging
buiten
(Z-503-01) en andere transportroutes. de
invloedsgebieden
van
voornoemde
risicobronnen, is het niet noodzakelijk om invulling te gegeven aan de (beperkte) verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Externe veiligheid vormt voor het planvoornemen dus verder geen randvoorwaarde.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
55
SMA-Advies
5.6
Waterhuishouding
5.6.1
Europees en Rijksbeleid
Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Brunssum in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas (2016-2021) is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2021. Daarnaast is het ontwerpstroomgebiedenbeheersplan vastgesteld.
Een
Rijn,
belangrijk
Maas,
Schelde
onderdeel
van
en
Eems
het
(2022-2027)
SGBP
is
een
maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Naar aanleiding van het verleden opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkomen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden.
Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord.Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
56
SMA-Advies
De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken en verbetering van de waterkwaliteit.
5.6.2
Regionaal en gemeentelijk beleid
Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 is een structuurvisie van de provincie Limburg waarin het nationale waterbeleid verder doorvertaald wordt. Het plan bevat enkele specifieke doelen om het watersysteem met het oog op de toekomst te verbeteren, zijnde het herstel van de sponswerking, het herstel van natte natuur, schoon water, duurzame watervoorziening en een veilige Maas. Met deze doelen wordt ingezet op nieuw waterbeheer waarbij functies gebonden aan waterkwaliteit in balans moeten zijn met variaties in de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Hierbij wordt ingezet op een grensoverschrijdend-stroomgebied-benadering door middel van een integrale brongerichte aanpak. Daarnaast moet er meer ruimte gecreëerd worden voor natuurlijke processen in het watersysteem, moet het solidariteitsprincipe in acht worden genomen en dient water vooraf betrokken te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen.
Waterbeheerprogramma
2022-2027
'Limburgs
water
in
een
veranderend klimaat' Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld. Het betreft het centrale beleids- en uitvoeringsplan van het waterschap. In dit document wordt de koers voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg uitgezet. Het waterschap beschrijft hierin hoe:
Inwoners worden beschermd tegen overstromingen vanuit de Maas;
de juiste balans kan ontstaan tussen water afvoeren en water vasthouden;
het water schoon wordt (gehouden) en wateren natuurlijk worden ingericht;
rioolwater
wordt
gezuiverd
en
daarbij
grondstoffen
worden
teruggewonnen en gebruikt.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
57
SMA-Advies
Gemeentelijke uitgangspunten omgang hemelwater Het klimaat is aan het veranderen en leidt tot meer extremere buien. Het (hemel) watersysteem en de afvalwaterketen moet deze neerslag zo goed als mogelijk verwerken. Het besef groeit dat dit niet meer uitsluitend met grotere rioolbuizen op te vangen is. Om
de
waterbelangen
(hemelwater
en
grondwater)
bij
ruimtelijke
ontwikkelingen te borgen, dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in principe de watertoetsprocedure doorlopen te worden. De resultaten hiervan worden uiteindelijk vastgesteld in de waterparagraaf. Hemelwater Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt, dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. De gemeente Brunssum houdt bij de verwerking van hemelwater onderstaande voorkeursvolgorde aan:
hergebruiken;
bergen en infiltreren in de bodem of aanleg van groene daken;
noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratie-voorziening;
lozen naar oppervlaktewater;
geknepen lozen op de riolering.
Pas wanneer uit onderzoek blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is, mag het hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het overtollig hemelwater altijd gescheiden aan te bieden. In deze situatie wordt minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we dan minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden. Voorwaarden watertoets Bij de watertoets dient gerekend te worden met de navolgende eisen:
Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur;.
Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging / infiltratie eis T=25 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 50 mm in 2 uur;
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
58
SMA-Advies
Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui;
Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen;
Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag;
Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden;
Vrijkomend vuilwater (toiletten, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente.
Grondwater De
perceeleigenaar
is
zelf
verantwoordelijk
voor
het
tegengaan
van
grondwateroverlast en/of –onderlast. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Ondergrondse verblijfsruimten van panden, in een kelder of een souterrain, moeten volgens de bouwregelgeving waterdicht zijn. Van de perceeleigenaar verwachten wij dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander; particulier of overheid. Dat geldt ook voor woningen/gebouwen met diepe kelders. Pas wanneer de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollig grondwater, is er een taak voor de gemeente of Waterschap. Ook hier geldt dat het water dan gescheiden van het vuilwater aangeboden dient te worden. De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en op de grondwaterkwaliteit zowel binnen als buiten het plangebied. Plangebied Voor het plangebied geldt dat na realisering van de woningen het bebouwd oppervlak
niet
toeneemt.
Regenwater
van
verhardingen
en
bebouwde
oppervlakten worden opgevangen in een berging met een bergend vermogen van minimaal 50 mm van het aangesloten verhard oppervlak. Het
betreft
een
bestaand
gebouw
waarvoor
volgens
het
gemeentelijk
Rioleringsplan (GRP) geldt dat er geen verplichting bestaat om alsnog het regenwater af te koppelen van de huidige aansluiting op het gemeentelijk riool.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
59
SMA-Advies
Afkoppelen heeft vooralsnog wel de voorkeur maar kan voor dit plan dus niet worden verplicht. In overleg met de gemeente zal bij de aanvraag 2 e fase het bouwplan op dat onderdeel verder worden uitgewerkt. Er zal voor de berging van regenwater van dakvlakken en verhard oppervlak rekening worden gehouden met een bergend vermogen van 50 mm van het aangesloten verhard oppervlak. Het perceel heeft een oppervlak van ca. 5575 m2, daarvan is na realisatie van het
project
ca.
2097
m2
bebouwd.
Bij
het
ontwerp
van
de
14
woonappartementen zal met het waterhuishoudingsvraagstuk alsmede de verhardingen rond het gebouw rekening worden gehouden. In ieder geval gaat het om een ondergeschikt plan in die zin dat na realisatie van het plan het bebouwd oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie niet wijzigt. Het is niet noodzakelijk om te zijner tijd alsnog een watertoets uit te laten voeren, dan wel het plan te melden bij het Waterschap Limburg. Het aspect (afval)water vormt verder dus geen belemmering om het plan te realiseren. In fase 2 zal in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning bouwen het een en ander verder worden uitgewerkt.
5.7
Archeologie en cultruurhistorie
De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta. Het gaat om een raamwet die regelt hoe het Rijk, provincies en gemeenten bij ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de (Limburgse) bodem.
Figuur 19. Uitsnede Verwachtingskaart Brunssum, gebied met een lage archeologische verwachting
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
60
SMA-Advies
De gemeenten zijn bij deze wet in principe aangewezen als bevoegd gezag en moeten de archeologische belangen op een goede manier verweven en mee laten wegen in het ruimtelijk beleid. Voldoende duidelijk moet zijn dat met de ontwikkelingen geen archeologische waarden worden bedreigd. Volgens de Archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Brunssum (2013) is het plangebied gelegen in een zone waarvoor een lage archeologische verwachting geldt (Waardearcheologie 5). Dat gebied is mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen
en
valt
de
onderzoekslocatie
binnen
het
onderzoeksgebied/
aandachtsgebied voor een lage, mogelijke verwachting van archeologische waarden. In beginsel mogen zonder omgevingsvergunning binnen de te beschermen gebieden geen nieuwe gebouwen (b.v. woningen) worden opgericht (artikel 20.2.1. bestemmingsplan). De planvorming heeft betrekking op het wijzigen van een bestaand bouwwerk waarbij de dimensies van het pand niet wijzigen. Er vinden verder geen nadere bodemingrepen plaats waardoor eventueel aanwezige waarden in de bodem niet worden verstoord. Tenslotte heeft het planvoornemen geen betrekking op bodemingrepen die groter zijn dan 10.000 m2 en waarbij de verstoringsdiepte groter is dan 40 cm onder maaiveld. Gezien het bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering om de woonappartementen te realiseren. Cultuurhistorie Zoals eerder aangegeven zal het betreffende pand als voormalige kerk met de bijbehorende cultuurhistorische waarde behouden blijven. In het ontwerp is er optimaal rekening mee gehouden dat bepalende bouwkundige elementen van het gebouw in tact blijven. Het pand is geen Rijks-provinciaal of gemeentelijk monument. Brunssum kent overigens geen gemeentelijke monumenten en ook geen beeldbepalende panden. De voormalige kerk als bouwwerk is wel een belangrijk cultuurhistorisch gebouw in het door het Rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezicht Langeberg. In die zin komt het pand wel bescherming toe.
In het ontwerp en ten behoeve van de nieuwe bestemming wonen, is daar maximaal rekening mee gehouden.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
61
SMA-Advies
Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt het plangebied aangemerkt als “bebouwd gebied” binnen de begrenzing van een cultuurhistorisch waardevol gebied. Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing
van
een
dorpskern.
Geconcludeerd
wordt
dat
het
aspect
cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de planontwikkeling. Het pand is geen gemeentelijk monument. Brunssum kent geen gemeentelijke monumenten en ook geen beeldbepalende panden6. De kerk is een belangrijk cultuurhistorisch gebouw in het door het Rijk aangewezen beschermde stadsen dorpsgezicht Langeberg.
5.8 De
Ecologie Wet
natuurbescherming
heeft
tot
doel
om
beschermde
flora-
en
faunasoorten en gebieden te beschermen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen tot gevolg hebben dat beschermde gebieden en/of beschermde soorten in het geding
komen.
Indien
dergelijke
soorten
aanwezig
zijn
en
door
de
voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wezenlijk worden bedreigd, kan het zijn dat er een ontheffing moet worden aangevraagd bij de Provincie Limburg. Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen binnen het bebouwde gebied van de gemeente Brunssum. Omliggende percelen hebben met name een woonbestemming. Het is niet ondenkbaar dat met de voorgenomen bouwplannen bepaalde planten dan wel dieren worden verstoord of verjaagd. Mede gezien het voormalig gebruik als kerk/ locatie waar mensen samen komen, de direct omliggende (woon)bebouwing
en
verharding
en
de
afwezigheid
van
betekenisvolle
groenvoorzieningen, worden ter plaatse van het plangebied geen (negatieve) effecten verwacht
op
de
direct in de
omgeving
bevindende
habitats,
ecosystemen en beschermde gebieden zoals de Ecologische Hoofdstructuur, Natura 2000 gebieden en beschermde Natuurmonumenten. Mede in dat kader kan er van uit worden gegaan dat overtredingen van de verbodsbepalingen niet aan de orde zijn en dat de Wet natuurbescherming ten aanzien van flora en fauna dus geen belemmering vormt voor de in dit plan voorziene ontwikkeling.
6 Het begrip beeldbepalende gebouwen wordt in de Omgevingsverordening Limburg 2014 in par. 2.2 (Duurzame verstedelijking), artikel 2.1.1 omschreven als: gebouwen met historische karakteristieken en/of deel uitmakend van een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988. Het kerkgebouw maakt onderdeel uit van een gebied dat als zodanig is aangewezen.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
62
SMA-Advies
Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming loopt er sinds mei 2022 een langer lopend onderzoek dat doorloopt tot in 2024. Ter plaatse van het hoofdgebouw (huidige kerkzolder) zijn een aantal sporen van vleermuizen waargenomen. Uit het voorlopige resultaten van het onderzoek blijkt dat vleermuizen de kerkzolder gebruiken als verblijfplaats en dat de omliggende beeldbepalende bomen dienen als schakel tussen omliggende foerageergebieden. De opzet van het onderzoek en de voorlopige resultaten worden verder beschreven in par. 5.9.1.
5.9
Natuur en landschap
De Wet Natuurbescherming (Wnb) vormt in Nederland het wettelijke kader voor o.a. de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, mogen niet plaatsvinden zonder vergunning (artikelen 2.7 en 5.6 Wnb). Het plangebied is niet gelegen in of nabij een Natura-2000 gebied. Het dichtstbij gelegen Natura-2000 gebied (Brunssummerheide, gebiedsnr. 155) is gelegen op ca. 440 meter. Aannemelijk is het dat de voorgenomen ontwikkeling mede gezien de relatief grote afstand naar verwachting geen negatieve effecten op de omliggende groenzones heeft die behoren tot de oostelijk gelegen Natuurnetwerk Nederland (NNN- voormalig EHS) dan wel de Natura 2000-gebieden. Het achterliggende gebied “De landgraaf” op ca. 40 meter oostelijk gelegen van het plangebied, is een overgangszone naar het N-2000 gebied “De Brunsummerheide”. Gezien het gegeven dat de nieuwe woningen binnen de dimensies van een bestaand gebouw worden gerealiseerd, is het niet aannemelijk
dat
flora
en
fauna
ten
gevolge
van
de
voorgenomen
herbestemming wordt verstoord, ook niet bij het realiseren van nieuwe gevelopeningen. Een onderzoeksplicht is er vooralsnog niet. Alsdan kan dat separaat worden uitgevoerd. In het ecologisch onderzoek (zie par. 5.9.1) zal daar aandacht aan worden besteed. Op het gebied van natuur en landschap vormt het plan daarom geen belemmeringen. In ieder geval geldt voor dit plan een algemene zorgplicht (art. 1.11 Wnb) voor rond het plangebied aanwezige natuurwaarden.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
63
SMA-Advies
In dat kader dient zorg in acht te worden genomen voor Natura 2000 gebieden, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten.
5.9.1
Ecologisch onderzoek
Door Ecolybrium is een vleermuizen onderzoek opgesteld alsmede een plan van aanpak (kenmerk 22-1156 van 12 april 2022, zie bijlage 3) om zo tijdens de bouwfase de hinder voor vleermuizen tot een minimum te beperken zodat ze niet of zo min mogelijk worden verstoord. De verdere uitwerking daarvan vindt plaats in fase 2. In dat kader zal ook een vervolgonderzoek worden ingesteld om vast te stellen of er sprake is van aanwezigheid van flora en of fauna waarvoor bij de uitvoering van het project eventueel maatregelen voor moeten worden getroffen. Vervolg ecologisch onderzoek 2023-2024 Het vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van onder andere vleermuizen zal plaatsvinden vanaf mei 2023 en gaat door tot in 2024. Daartoe is aan Ecolybrium een vervolgopdracht worden verstrekt. Het vervolgonderzoek heeft met name betrekking op de uitpandige situatie om vast te stellen of er verblijfplaatsen zijn van gebouwbewonende soorten die
mogelijk onder
dakpannen verblijven, in holtes of in de bestaande muurconstructie. Tevens richt het vervolgonderzoek zich op de aanwezige zolders omdat daar mogelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn van (zeldzame soorten) vleermuizen. Uit
de
eerste
resultaten
van
het
vervolgonderzoek
blijkt
dat
in
de
dakconstructie van het hoofdgebouw grijze Grootoorvleermuizen aanwezig zijn. De vermoedelijke uitvliegplek is ergens aan de zuidgevel van het pand. De dieren vliegen direct vanuit het pand de omliggende boomkronen in. De bomen binnen het plangebied zijn daardoor essentieel voor het functioneren van het hoofdgebouw
als
verblijfplaats.
Van
verblijfplaatsen
van
andere
vleermuissoorten is nog niets gebleken. Uit de waarnemingen blijkt verder dat in de pastoriewoning en de direct daarnaast gelegen particuliere woning Gewone
dwergvleermuizen
aanwezig
zijn.
Verder
zijn
Laatvleigeres
waargenomen die rond het plangebied alleen jagen. Na afronding van het veldwerk zal de ontheffingsaanvraag verder gecompleteerd worden met een plan van aanpak om te zorgen dat de beoogde plannen gerealiseerd kunnen worden met behoud van aanwezige vleermuizen. De resultaten van het onderzoek zullen te zijner tijd separaat worden gerapporteerd
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
64
SMA-Advies
Soortenontheffing Wet natuurbescherming Bij de provincie Limburg, als bevoegd gezag, is op 30 augustus 2023 een soortenontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd om de voorgenomen werkzaamheden binnen het plangebied uit te kunnen voeren, ondanks dat ter plaatse van de zolderruimten voor de herinrichting zover geen werkzaamheden zijn voorzien. Op 31 augustus 2023 is de daarvoor te volgen procedure bevestigd (zie bijlage 3A).
5.9.2
Stikstofemissies bouwfase en realisatiefase
Op 2 november 2022 is het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (1-72021) in de Porthoszaak door de Raad van Staten vernietigd. Dat besluit regelde de daarin opgenomen resultaatsverplichtingen om uiteindelijk in 2035, 74%
stikstofemissie
te
reduceren.
Voor
bouwprojecten
in
de
bouw-/
aanlegfase was in het besluit een vrijstellingsregeling opgenomen. Deze
vrijstelling
is
komen
te
vervallen
waardoor
nu
ook,
naast
de
exploitatiefase voor de bouwfase, een stikstofberekening uitgevoerd moet worden om vast te stellen of deze van invloed zijn op stikstofdepositie ter plaatse van Natura-2000 gebieden. Aeriusberekening stikstofonderzoek Door MBH-consultants is op 22 november 2023 een stikstofonderzoek opgesteld voor de exploitatiefase. Het dichtbijgelegen voor stikstof gevoelige Natura-2000 gebied is gelegen op ca. 500 meter (Brunssumerheide). Daarbij is een van de uitgangspunten dat de woningen niet worden aangesloten op het aardgasnet. Na de transformatie wordt gebruik gemaakt van een gasloos energieconcept met alternatieve (niet fossiele) energiebronnen. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) in de nieuwe gebruiksfase vinden tevens plaats door verkeersbewegingen van en naar het plan. De verkeersgeneratie wordt bepaald op basis van kengetallen uit de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig Parkeren’(2018) en de parkeernota van de gemeente Brunssum. Uit het rapport blijkt dat het projecteffect op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/j bedraagt. Er treden dus geen (significant) negatieve effecten op binnen het dichtstbij gelegen Natura-20000 gebied Brunssumerheide. Dat
betekent
ook dat er geen aanvraag
in
het
kader van de
Wet
natuurbescherming aangevraagd hoeft te worden. Geconcludeerd kan worden dat
stikstof
vooralsnog
geen
randvoorwaarde
vormt
voor
onderhavig
planvoornemen.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
65
SMA-Advies
5.10
Duurzaamheid en energie
In Nederland wordt er jaarlijks steeds meer stroom verbruikt, het merendeel daarvan is duurzame energie. Energie is duurzaam wanneer het opgewekt wordt door energiebronnen die niet schadelijk zijn voor het milieu en per definitie herbruikbaar zijn. Duurzame energie wordt steeds belangrijker omdat de fossiele brandstoffen steeds meer opraken. Energietransitie is het principe van het verschuiven van de energieopwekking van fossiel naar volledig duurzame energie. Onderhavig planvoornemen voorziet er in dat de benodigde energie in de exploitatiefase volledig wordt gehaald uit eclectische energie van hernieuwbare bronnen zoals zonne-energie. Sinds 1 februari 2022 geldt de eis dat het gebruik van hernieuwbare energie verplicht is indien een ingrijpende renovatie plaatsvindt. De verplichting vloeit voort uit de EU-richtlijn Renewable Energy Directive II (RED II). Deze verplichting geldt alleen als meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil verandert. Bovendien moet de verandering op de integrale gebouwschil zijn uitgevoerd. Hernieuwbare energie (HE) is duurzame of groene energie die afkomstig is van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld.
Hiervoor
zijn
verschillende
technieken
te
gebruiken,
zoals
zonnepanelen, een warmtepomp of een warmtenet. Zoals al aangegeven worden, nog los van de genoemde voorwaarden, de woningen “all-in-electric” uitgevoerd en worden ten behoeve daarvan op een deel van het bestaande dakvlak PV-cellen geïnstalleerd. Het bouwplan zal gaan voldoen aan de laatste eisen ten aanzien van duurzame woningbouw. Er wordt geen aardgas gebruikt. In die zin voldoet het planvoornemen aan het uitgangspunt alleen gebruik te maken aan hernieuwbare energie.
5.11
Ondergrondse infrastructuur
Het is aannemelijk dat binnen het onderzoeksgebied ter plaatse van het voorterrein, dat aansluit op het openbaar gebied, kabels en leidingen gelegen zijn. Voor het plangebied is op 10 juni 2022 een Klic-melding opgevraagd (zie bijlage
6).
Uit
het
datatransportkabels
rapport liggen,
blijkt
een
dat
lagedruk
binnen
het
gasleiding,
plangebied een
enkele
electriciteits-
middenspanningskabel en een waterleiding. Deze leidingen zijn aangelegd ten behoeve van de noodzakelijke nutsvoorzieningen van het huidige pand. Voor de ontwikkeling van het planvoornemen vormen deze kabels verder geen randvoorwaarde. Bij graafwerkzaamheden binnen het plangebied liggen in ieder geval geen hogedruk gasleidingen van de Gasunie, energieleveranciers of Defensie zoals beschreven in par. 5.5.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
66
SMA-Advies
5.12
Verkeer, infrastructuur en parkeerbeleid
Op basis van de Planwet Verkeer en Vervoer (1998, hierna: Planwet)
is
vastgesteld dat nationale, regionale en lokale overheden samenhangend en uitvoeringsgericht beleid dienen te voeren en dit moeten vastleggen in een verkeers- en vervoerplan. De Planwet bepaalt dat de gemeente zorgdraagt voor het zichtbaar voeren van een samenhangend en uitvoeringsgericht verkeers- en vervoersbeleid, dat richting geeft aan de te nemen beslissingen inzake verkeer en vervoer en waarbij de essentiële onderdelen van het nationale verkeers- en vervoerplan en van het provinciale verkeers- en vervoerplan in acht worden genomen alsmede het beleid van omliggende gemeenten (subregionaal niveau). Door de gemeenteraad is voor het uitvoeren van het verkeers- en vervoersbeleid in februari 2022 het nieuw Mobiliteitsplan 2022-2032 vastgesteld. De tevens vastgestelde Parkeernota Brunssum 2022 maakt daar onderdeel van uit. Het
bouwplan
voorziet
in
de
bouw
van
14
woonappartementen
met
bijbehorende voorzieningen in een bestaand, voormalig kerkgebouw. De gemeentelijke parkeernota (Parkeernota Brunssum 2022) maakt ook deel uit van het bestemmingsplan. In die zin dient bij nieuwe ontwikkelingen zoals deze, rekening gehouden worden met de beleidsuitgangspunten ten aanzien van het gemeentelijk parkeerbeleid. Het plangebied is volgens de parkeernota gelegen binnen het deel dat als “rest bebouwde kom” is aangemerkt en gaat het daarbij om een “matig stedelijk” gebied. In de Parkeernota zijn de parkeernormen opgenomen voor motorvoertuigen en fietsen die de gemeente Brunssum hanteert voor nieuwe bouwplannen en (her)ontwikkelingen.
Figuur 20. ligging plangebied binnen “rest bebouwde kom”, “matig stedelijk” gebied
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
67
SMA-Advies
Het doel van de gemeentelijke parkeernota is inzicht te geven in de verwachte parkeerbehoefte van bouwplannen en ruimtelijke ontwikkelingen die plaats vinden binnen de gemeente Brunssum. De insteek is dat bij (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plan wordt zorggedragen voor voldoende parkeergelegenheid voor de auto en de fiets. De parkeernormen
zijn
vooralsnog
niet
bedoeld
voor
reeds
bestaande
bouwwerken en functies. Voor de nieuw te realiseren grondgebonden woningen geldt volgens de parkeernota een norm van 1,4 parkeerplaatsen per woning7. Dat betekent dat afgerond binnen het plangebied 20 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden8. Binnen het plangebied vindt inpassing plaats van 20 parkeerplaatsen die minimaal voor dit plan benodigd zijn, waarvan 3 royale invalideparkeerplaatsen. Zie figuur 20 pagina 67 ev. Met het realiseren van 20 parkeerplaatsen kan worden voldaan aan de gestelde parkeernorm waarmee voldaan wordt aan de voorwaarde om de parkeervraag op te lossen binnen het plangebied. De aanwezige groenstructuur binnen het bestaande voorterrein blijft behouden en wordt met de landschappelijke/ tuininpassing verder versterkt. Het omliggende groen/tuin wordt als collectieve tuin c.q. park ingericht. Deze zal gemeenschappelijk
worden
onderhouden,
zonder
tuinafscheidingen
en
privégebruik door de nieuwe bewoners/huurders. Het ontwerp van de inrichting van de betreffende parkeerplaatsen wordt rekening gehouden met het behoud van het aanwezige voorplein dat betrokken wordt bij de groeninpassing en entree van het gebouw. De landschappelijke inpassing van de parkeerplaatsen en de tuin zal zo nodig later nog worden uitgewerkt in de volgende fase van het plan. Als er voor de ontsluiting van de parkeerplaatsen
een
aanvraag
ingediend
moet
worden
(Inrit/
uitwegvergunning) dan zal dat in de aan te vragen Wabo-vergunning (fase 2) voor het bouwen van de woning, ook worden meegenomen. Parkeren in combinatie met groeninpassing vormt voor het planvoornemen dus geen belemmering.
7
Parkeernota Brunssum 2022. Uitgegaan wordt van middenhuur woonappartementen met een norm van 1,4 parkeerplaatsen per woonappartement 8 1,4 parkeerplaatsen per woonappartement x 14 appartementen = 19,6 parkeerplaatsen. Afgerond volgens de afrondingsregels Parkeernota 2022, zijn dat in totaal 20 parkeerplaatsen.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
68
SMA-Advies
Figuur 21. Uitsnede oplossing parkeerplaatsen en verlegde uitweg. In totaal 19 parkeerplaatsen waarvan 3 voor invaliden.
Als er al sprake is van verkeersaantrekkende werking, dan is deze niet onevenredig. Als het gaat om personen die de woonappartementen bezoeken, is er rond het plangebied (in een actieradius van 250 meter) voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Gezien de aard van het planvoornemen om ter plaatse 14 woonappartementen te realiseren, zal er ten aanzien daarvan geen sprake zijn van enige verkeer aantrekkende werking. Zoals beschreven maken alleen bewoners en eventueel bezoek gebruik van een eigen motorvoertuig. Daarbij kan voor motorvoertuigen alsmede voor fietsen aan de parkeernorm van de gemeente Brunssum worden voldaan. Gesteld wordt dat parkeren voor motorvoertuigen en fietsen verder geen randvoorwaarde vormt. Verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde woonfunctie te bepalen, wordt aangesloten bij de verkeersgeneratiecijfers die zijn opgenomen in de CROW publicatie 381 (2018).
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
69
SMA-Advies
Dat resulteert in een weekdaggemiddelde van 73 verkeersbewegingen van- en naar het plangebied (14 x 5,2 = 72,8 afgerond 73) en maximaal 84 (14 x 6,0 = 84). Het zal daarbij met name gaan om verkeersbewegingen van lichte motorvoertuigen
(personenauto’s),
ca.
95%.
Overige
bewegingen
zoals
toelevering zal met middelzware voertuigen plaatsvinden (ca. 5%). Dat betekent dus dat minimaal afgerond ca. 69 verkeersbewegingen (maximaal 80) bestaan uit lichte motorvoertuigbewegingen en 4 (maximaal 4) uit middelzware motorvoer-tuigen.9 De
verkeersgeneratie
per
woning
is
conform
CROW
publicatie
381
‘Toekomstbestendig parkeren’ (“rest bebouwde kom”, “matig stedelijk” ) minimaal 5,2 en maximaal 6,0 per woning per werkdag. Dit komt neer op een verkeersveilige verkeersdruk van minimaal 73 motorvoertuigen en maximaal 84 motorvoertuigen per weekdagetmaal. Om de werkdagetmaal te bepalen wordt een omrekenfactor voor wonen, conform CROW publicatie 381, gehanteerd van 1,11. Gedurende een werkdagetmaal genereren de 14 woningen dus (73-84 x 1,11) 81 tot 93 motorvoertuigen. Na de realisatie van het planvoornemen zal sprake zijn van een beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen ter plaatse. De bestaande verkeersstructuur, waaronder de Akerstraat en de Rembrandtstraat/ Reinstraat die toegang bieden tot de het plangebied, is berekend op een groter aantal voertuigbewegingen10 en zal door de toevoeging van de genoemde aantal verkeersbewegingen niet onevenredig worden belast. De verkeersdruk zal zich over de genoemde wegen verdelen waardoor geen overmatige verkeersdruk ter hoogte van het plangebied wordt verwacht.
5.13
Mer-Milieubelangen en effecten ten gevolge het planvoornemen
Het aan de orde zijnde planvoornemen voorziet in het realiseren van 14 woonappartementen binnen de dimensies van een bestaand gebouw. Het toevoegen van 14 woonappartementen heeft mogelijk (significante) effecten op de directe omgeving, het milieu, natuur en (stads)landschap. Er kan sprake zijn van een bepaalde mate van verontreiniging en hinder eventueel ook door cumulatie met andere projecten. Of er mogelijk sprake is van significante negatieve gevolgen van particuliere projecten, kan worden bepaald aan de hand van bijlage III van de Europese richtlijn betreffende de “milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten”.
9
Afronden geschiedt volgens de afrondingsregels zoals beschreven in de gemeentelijke Parkeernota. De Akerstraat heeft een etmaalbelasting van ca. 11.257 motorvoertuigbewegingen, waarvan gemiddeld ca. 95 % lichte motorvoertuigen: bron Akoestisch onderzoek bijlage 2. 10
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
70
SMA-Advies
De geografische ligging ten opzichte van eventueel kwetsbare gebieden wordt daar ook bij betrokken zoals bosgebieden, wetlands of reservaten. Het project kan worden beoordeeld als “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” zoals beschreven in onderdeel D, categorie D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer). Bij het toetsen aan de in die categorie opgenomen drempelwaarden, is het plan (1) niet groter dan 100 hectare, (2) omvat het plan niet meer dan 2000 woningen en gaat het niet om (3) een bedrijfsoppervlak van meer dan 200.000 m2. Relevantie voor het plangebied Het planvoornemen, c.q. de daarin opgenomen dimensies blijven (zeer) ruim onder de drempelwaarden zoals opgenomen in Bijlage D, categorie D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage en zoals hierboven beschreven. De Wet Natuurbescherming is bij dit planvoornemen ook een afwegingskader. Bij mogelijk significatie, negatieve effecten op bijvoorbeeld Natura 2000gebieden, dient een zogenoemde plan-m.e.r-procedure te worden gevolgd. Zoals uit de onderbouwing blijkt, zijn er geen significante negatieve effecten ter plaatse van Natura-2000 gebieden te verwachten. In de onderbouwing van de diverse randvoorwaarden is in voldoende mate gebleken dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten.
Bij wijze van een vormvrije mer-aanmeldnotitie wordt aan de hand van de onderstaande kenmerken het projectvoornemen andermaal beschreven: 1. Kenmerken van het project: a.
Het toepasselijk bestemmingsplan maakt met een functiewijziging het realiseren en het toevoegen van 14 woonappartementen binnen een bestaand gebouw niet rechtstreeks mogelijk. Onderhavige onderbouwing voorziet er in om alsnog het planvoornemen te realiseren.
b.
De drempelwaarden van categorie D11.2 (bijlage 1 Besluit m.e.r.) worden niet overschreden;
c.
Er zijn verder geen autonome (vergelijkbare) projecten bekend waardoor er geen sprake is van cumulatie van (nadelige) milieueffecten met deze projecten;
d.
Tijdens
de
voorbereidingsfase/
milieubelastende
stoffen
realisatiefase,
geproduceerd.
Afvalstoffen
worden van
geen
bewoners
worden via de reguliere processen door of namens de gemeente afgevoerd naar een daartoe erkend verwerker; e.
Het project wordt binnen de dimensies van bestaande bebouwing gerealiseerd.
Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Akerstraat 91, Brunssum
71