CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Ruimte en Techniek 30 juni 2026, gemeente Brunssum18.386 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bundel - Commissie Ruimte en Techniek van 30 juni 2026 1

19:00 - Opening

2.a

19:01 - Vaststellen concept besluitenlijst d.d. 26 mei 2026 Concept Besluitenlijst Commissie R&T 26-05-2026

2.b

19:02 - Toezeggingenlijst (afgedaan tussen 12-05-2026 en 09-06-2026) Toezeggingen (8)

2.c

19:03 - Actieve informatieplicht en passieve informatieplicht

2.d

19:04 - Terugkoppeling vanuit verbonden partijen

3

19:05 - Raadsvoorstel Erfgoedverordening Brunssum 2026 RAADSVOORSTEL 202637829 Erfgoedverordening 2026 Gemeente Brunssum Raadsvoorstel 202637829 (bijlage) Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2026

4

19:30 - Raadsvoorstel Huisvestingsverordening Brunssum 2026 RAADSVOORSTEL 202653391 Huisvestingsverordening Gemeente Brunssum 2026 Raadsvoorstel 202653391 (bijlage) 17e begrotingswijziging en overzicht verwachte kostenposten Raadsvoorstel 202653391 (bijlage) Concept Huisvestingsverordening Gemeente Brunssum 2026

5

19:55 - Raadsvoorstel Bindend advies omgevingsvergunning realisatie 16 appartementen Prins Hendriklaan 32-34 RAADSVOORSTEL 202665944 Bindend advies omgevingsvergunning realisatie 16 appartementen Prins Hendriklaan 32-34 Raadsvoorstel 202665944 (bijlage) Aanvraagformulier Raadsvoorstel 202665944 (bijlage) Motivering Prins Hendriklaan 32-34 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Raadsvoorstel 202665944 (bijlage) Omgevingsvergunning BP Prins Hendriklaan 32-34 Brunssum (geanonimiseerd) Raadsvoorstel 202665944 (bijlage) Sfeerimpressie Prins Hendriklaan 32-34 Brunssum Raadsvoorstel 202665944 (bijlage) Situatietekening

6

20:35 - Raadsvoorstel Meerjarenprognose Grondexploitaties MPG 2026 Bij dit raadsvoorstel hoort een geheime bijlage. Deze bijlage ligt ter inzage bij de griffie. RAADSVOORSTEL 202658786 Meerjarenprognose Grondexploitaties MPG 2026 Raadsvoorstel 202658786 (bijlage) 19e begrotingswijziging 2026 Meerjarenprognose Grondexploitatie 2026-2029 Raadsvoorstel 202658786 (bijlage) Meerjarenprognose Grondexploitaties 2026

7

21:00 - Raadsvoorstel De realisatie van acht woonwagenstandplaatsen aan de Nelson Mandelastraat RAADSVOORSTEL 202658276 De realisatie van acht woonwagenstandplaatsen aan de Nelson Mandelastraat Raadsvoorstel 202658276 (bijlage) Technische omschrijving woonwagens Raadsvoorstel 202658276 (bijlage) Verkavelingsplan Raadsvoorstel 202658276 (bijlage) Voorlopige Grondexploitatie woonwagenlocatie Nelson Mandelastraat

8

21:45 - Sluiting

BESLUITENLIJST VAN DE OPENBARE VERGADERING VAN DE RAADSCOMMISSIE RUIMTE & TECHNIEK VAN DE GEMEENTE BRUNSSUM GEHOUDEN OP DINSDAG 26 MEI 2026 OM 19:00 UUR IN DE RAADZAAL

Pagina 1 van 4 Besluitenlijst van de vergadering van de raadscommissie Ruimte & Techniek van 26 mei 2026

Besluitenlijst van de openbare vergadering van de raadscommissie Ruimte en Techniek, gehouden op dinsdag 26 mei om 19:00 uur in de Raadzaal. Van deze vergadering zijn geluidsopnamen beschikbaar via: Agenda Brunssum - Commissie Ruimte en Techniek dinsdag 26 mei 2026 19:00 - 21:11 - iBabs Publieksportaal AANWEZIG COMMISSIE RUIMTE EN TECHNIEK: Voorzitter:

Dhr. Joosten (VVD)

Burger-commissieleden:

Dhr. Gerards (LBL) Dhr. Ulaga (PAK) Dhr. Friedrichs (PvdA) Dhr. Arts (VVD Brunssum) Dhr. Hermans (Lijst Borger) Dhr. De Rijck (Lijst Borger) Dhr. Nelissen (BBB Lijst Palmen) Dhr. L’Espoir (LBL) Dhr. Nelissen (BBB Lijst Palmen) Mw. Di Palma (VVD Brunssum) Dhr. Kusters (PAK) Mw. Braam (PvdA) Dhr. Van Dijk, Dhr. Janssen, Mw. Van der Rijt Mw. Tummers Dhr. Roos, Dhr. Ohlenforst, Dhr. Dinjens, Mw. Ruijpers Dhr. Reewinkel, Mw. Van der Heijden, Mw. Pluymakers

Raadsleden:

Collegeleden: Notulist (plv. griffier): Ambtelijke ondersteuning: Externe ondersteuning: Participanten: Afwezig met afmelding:

Agendapunt 1: Opening De voorzitter opent de vergadering om 19:00 uur. Agendapunt 2A: Vaststellen concept besluitenlijst d.d. 3 maart 2026 Mw. Braam geeft aan dat ze wel aanwezig was bij de commissievergadering van 3 maart, maar niet vermeld staat op de besluitenlijst. Dit is aangepast. Agendapunt 2B: Toezeggingenlijst (afgedaan tussen 03-02-2026 en 11-05-2026) Er zijn geen vragen vanuit de commissie. Agendapunt 2C: Actieve informatieplicht en passieve informatieplicht Mw. Offermans heeft de volgende vragen gesteld i.h.k.v. de passieve informatieplicht: We hebben vernomen dat er sinds kort een Centrum Coach is aangesteld namens de Gemeente Brunssum voor Ons Nieuwe Centrum. Voor hoeveel uur per week is deze functie? En voor welke periode is deze functie aangesteld (6 maanden, 1 jaar, 2 jaar?) Heeft er een vacature opengestaan voor deze functie, en wat zijn de inhoudelijke taken van deze functie en hoe worden de werkzaamheden beoordeeld om als succesvol te kunnen worden gezien? Maw; volgt er ook een (tussentijdse) evaluatie en worden de resultaten gedeeld met ons als raad en commissie? En uit welk budget wordt deze functie betaald? Wij wensen de Centrum Coach uiteraard veel succes maar waren nogal verrast door dit nieuws.

Portefeuillehouder Van Dijk heeft de volgende reactie gegeven: Het werken met een centrumcoach vloeit voort uit het besluit van de gemeenteraad in december 2025 om extra in te zetten op samenwerking, regie en uitvoering binnen het programma Centrum. Uw raad heeft in het programmaplan Ons Nieuwe Centrum (2025) op kaderstellend niveau expliciet een inspanning vastgesteld Pagina 2 van 4 Besluitenlijst van de vergadering van de raadscommissie Ruimte & Techniek van 26 mei 2026

gericht op de doorontwikkeling van het centrummanagement. De inzet van een centrumcoach vormt een eerste stap in deze doorontwikkeling. De keuze voor de persoon in kwestie is gemaakt vanwege zijn ruime ervaring in complexe samenwerkingsprocessen en zijn bekendheid met zowel het lokale ondernemersveld als vastgoedeigenaren en overheid. Juist in deze fase van de centrumontwikkeling achten wij een onafhankelijke, spiegelende en verbindende rol van belang. Het betreft een tijdelijke inzet voor de duur van één jaar. De voortgang en resultaten van deze inzet worden tussentijds geëvalueerd conform afspraak. Daarbij wordt gekeken naar de kwaliteit van de samenwerking, de betrokkenheid van stakeholders en de mate waarin gezamenlijke afspraken en projecten daadwerkelijk tot beweging en uitvoering komen. Met deze tijdelijke inzet wordt invulling gegeven aan de ontwikkelprincipes binnen het programma Centrum: de mens centraal, kansgericht denken, oog voor morgen, bouwen op wat goed is en vooral samen sterker. De kosten voor deze tijdelijke inzet worden gedekt binnen het bestaande programmabudget van Centrum voor 2026. Mw. Offermans stelt de aanvullende vraag om hoeveel uur per week het gaat. Portefeuillehouder Van Dijk heeft de volgende reactie gegeven: Het gaat om 8 uur per week.

Aanvullende vraag LBL tijdens de commissie: Wat houdt de functie precies in en wat is de meerwaarde van de functie? (Je hebt namelijk al Streetwise, een wijkmanager en Remco (ambtelijk)). Schriftelijke reactie vanuit de ambtelijke organisatie: De centrumcoach vervult een andere rol dan Streetwise, de wijkmanager en de programmamanager Centrum. Waar deze functies zich richten op respectievelijk ondernemersondersteuning, wijkgericht werken en programmasturing, richt de centrumcoach zich specifiek op het versterken van de samenwerking tussen ondernemers, vastgoedeigenaren en gemeente. De meerwaarde zit in de onafhankelijke positie van de coach. Hierdoor kan hij partijen verbinden, het gesprek begeleiden en waar nodig ook de gemeente kritisch spiegelen. De inzet is tijdelijk voor de duur van een jaar en bedoeld om een stevige basis te leggen voor duurzame samenwerking binnen het centrum. Er zijn geen opmerkingen in het kader van de actieve informatieplicht. Agendapunt 2D: Terugkoppeling vanuit verbonden partijen Er is geen terugkoppeling vanuit verbonden partijen. Agendapunt 3: Raadsvoorstel Rd4 Begroting 2027 en jaarrekening 2025 Het woord wordt gegeven aan portefeuillehouder Janssen, ambtelijk ondersteund door dhr. Roos en extern ondersteund door dhr. Reewinkel. De commissie adviseert unaniem voor behandeling in de raad van het raadsvoorstel/besluit.

De commissie adviseert, met uitzondering van de fractie BBB Lijst Palmen, het voorstel als akkoordstuk te behandelen in de raadsvergadering van 2 juni 2026. Agendapunt 4: Raadsvoorstel Herinvulling Voormalige Ziekenhuislocatie Het woord wordt gegeven aan portefeuillehouder Van Dijk, ambtelijk ondersteund door dhr. Ohlenforst. TOEZEGGING: Wethouder Van Dijk zegt toe de raad periodiek te informeren over de voortgang van dit project, gelet op omvang en impact, alvorens te zijner tijd het omgevingsplan aan de raad zal worden voorgelegd. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij de P&C-cyclus. Pagina 3 van 4 Besluitenlijst van de vergadering van de raadscommissie Ruimte & Techniek van 26 mei 2026

De commissie adviseert unaniem voor behandeling in de raad van het raadsvoorstel/besluit. De commissie adviseert, met uitzondering van de fractie BBB Lijst Palmen, het voorstel als akkoordstuk te behandelen in de raadsvergadering van 2 juni 2026. Agendapunt 5: Raadsvoorstel Vaststelling TAM - Omgevingsplan 'Woningbouw Muziekbuurt/Componistenwijk' Het woord wordt gegeven aan portefeuillehouder Van Dijk, ambtelijk ondersteund door dhr. Ohlenforst en dhr. Dinjens. De commissie adviseert unaniem voor behandeling in de raad van het raadsvoorstel/besluit. De commissie adviseert, met uitzondering van de fractie BBB Lijst Palmen, het voorstel als akkoordstuk te behandelen in de raadsvergadering van 2 juni 2026. Agendapunt 6: Raadsvoorstel Omgevingsdienst Zuid-Limburg Ontwerpbegroting 2027 (meerjarenraming 2028-2030), begrotingswijziging 2026 en jaarrekening 2025 Het woord wordt gegeven aan portefeuillehouder Van der Rijt, ambtelijk ondersteund door mw. Ruijpers en extern ondersteund door mw. Van der Heijden en mw. Pluymakers. De commissie adviseert unaniem voor behandeling in de raad van het raadsvoorstel/besluit. De commissie adviseert unaniem het voorstel als akkoordstuk te behandelen in de raadsvergadering van 2 juni 2026.

Agendapunt 7: Sluiting De voorzitter sluit de vergadering om 21:15 uur.

Pagina 4 van 4 Besluitenlijst van de vergadering van de raadscommissie Ruimte & Techniek van 26 mei 2026

Onderwerp

Datum toezegging

Nummer

Portefeuillehouder

Datum reactie

Afgedaan

Toezegging 5 -

20-05-2026

5

Brüning

26-05-2026

Ja

20-05-2026

4

Brüning

26-05-2026

Ja

Aantal kinderen sociaal medische indicatie Toezegging 4 Overzicht statushouders

Raadsvoorstel

Collegeverg. d.d. Zaaknummer Afdeling opsteller Portefeuillehouder Raadsvergadering d.d. Uiterlijke datum

: 19 mei 2026 : 202637829 : Ruimtelijke ontwikkeling en vastgoed : Jaimy van Dijk : 7 juli 2026 : Niet van toepassing

Aan de raad, 1. Onderwerp Erfgoedverordening 2026 2. a.

Uitgangssituatie (WAAROM?) Aanleiding Brunssum heeft op dit moment geen mogelijkheid om erfgoed te beschermen. Alleen monumenten die zijn aangewezen door het Rijk hebben een beschermde status. In Brunssum zijn wel gebouwen en elementen aanwezig die beschermenswaardig zijn. Daarnaast voldoet de huidige erfgoedverordening niet aan de Omgevingswet. De verordening moet aangepast worden zodat deze weer voldoet aan de huidige wetgeving.

b.

Huidige situatie/probleemstelling De huidige Erfgoedverordening uit 2013 biedt geen ruimte om gemeentelijke monumenten aan te wijzen. De verordening regelt alleen dat Rijksmonumenten in stand gehouden moeten worden. De gemeente heeft dus geen middelen om waardevolle gebouwen en elementen te beschermen. Hierdoor is bijvoorbeeld het waardevolle pand aan Schiffelerstraat 6 in het centrum gesloopt. Andere oudere gebouwen die gesloopt zijn maar erg waardevol waren zijn onder andere het klooster bij het Clemensdomein en de Poolse School in het centrum. Oude gebouwen zijn vaak beeldbepalend voor een stad en vormen het karakter en de identiteit van een gebied. Het beschermen van deze waarden is daarom belangrijk voor de identiteit van Brunssum.

3. a.

Gewenste situatie (WAT?) Wat willen we bereiken? Een vernieuwde Erfgoedverordening die de gemeente handvatten geeft om waardevolle gebouwen en elementen te beschermen. De Erfgoedverordening zal uiteindelijk een plek krijgen in het nieuwe omgevingsplan.

b.

Kaders 1. eerdere besluitvorming Vaststelling Erfgoedverordening Brunssum 2013 (djumanr. 437632) 2.

traject tot dusverre

Bestaande erfgoedverordening is aangepast zodat het voldoet aan de Omgevingswet. Ook zijn er hoofdstukken toegevoegd zodat de gemeente meer cultuurhistorisch waardevolle zaken kan beschermen.

de

3.

rol/ bevoegdheden college van B en W Het college heeft een adviserende rol in de vaststelling van dit geactualiseerde beleid. Uw raad is beslissingsbevoegd ter zake de vaststelling ervan.

4.

algemene beleidskaders (landelijk/ provinciaal/ lokaal) Erfgoedverordening Brunssum 2013 Koerskompas: bijdragen aan de identiteit van Brunssum; behoud van cultureel en historisch erfgoed. Erfgoedwet: gaat over rijksmonumenten, archeologie en collecties. Omgevingswet: gaat over cultuurhistorische waarden op gemeentelijk niveau.

5.

past het voorstel in de strategische visie/ relatie met uitvoeringsagenda? Ja. In het Koerskompas is gesteld dat de gemeente cultuurhistorisch waardevolle objecten gaat beschermen door beleid te maken.

6.

relatie met programmabegroting/ financiële gevolgen Geen financiële gevolgen. Beschikbaar budget ‘monumenten/archeologie’ (product 830001): €5012,00.

c.

Argumenten en overwegingen De identiteit van Brunssum en het behoud van erfgoed zijn belangrijk voor de gemeente. In het Koerskompas wordt daarom ook benoemd dat er beleidskaders gemaakt gaan worden voor het behoud van mijnkoloniën en andere erfgoedlocaties met aantoonbare culturele waarde, en met aandacht voor hun toekomstwaarde. Een vernieuwde Erfgoedverordening is hierin een eerste stap.

d.

Opties en keuze Indien uw raad geen nieuwe erfgoedverordening vaststelt, dan blijft de oude erfgoedverordening van kracht. Omdat deze juridisch gezien niet aansluit op de Omgevingswet, is het juridisch kader om het aanwezige erfgoed goed te kunnen beschermen gebrekkig. Dit is een onwenselijke situatie. Wij adviseren u dan ook om nieuwe erfgoedverordening vast te stellen.

4. Bijlagen: Erfgoedverordening Brunssum 2026 Archeologische verwachtingskaart Het college van burgemeester en wethouders,

Burgemeester

Secretaris

Raadsbesluit

Afdeling Registratiekenmerk

: Ruimtelijke ontwikkeling en vastgoed : 202637829

De raad van de gemeente Brunssum, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. <Vul hier de datum in>, afdeling Ruimtelijke ontwikkeling en vastgoed; Besluit: 1. De Erfgoedverordening Brunssum 2026 vast te stellen; 2. De Erfgoedverordening Brunssum 2013 in te trekken. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 juli 2026.

De Raad voornoemd,

Voorzitter

Griffier

Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2026 Intitulé Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2026

Raadsbesluit De raad van de Gemeente Brunssum; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. xx mei 2026 gelet op het bepaalde in de Erfgoedwet en de Omgevingswet; Besluit: tot vaststelling van de navolgende ‘Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2026’ onder gelijktijdige intrekking van de Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2013.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen adviescommissie: een commissie zoals bedoeld in de ‘Verordening op de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, gemeente Brunssum 2024’. archeologisch onderzoek: onderzoek dat tot doel heeft vast te stellen of, en in welke mate, in een bepaald gebied archeologische waarden aanwezig zijn, om deze waarden te beschermen, te behouden, te documenteren of te beheren. beslistabel: de tabel, waarin per waardecategorie, zoals aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart, de criteria zijn vermeld, die aangeven in welk geval al dan niet een onderzoeksplicht geldt en die als [bijlage 3] integraal onderdeel uitmaakt van deze verordening. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de vergunningverlening en handhaving als bedoeld in artikel 2.3 van de Omgevingswet; bouwhistorisch onderzoek: onderzoek dat voldoet aan de vigerende ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum; cultuurhistorisch onderzoek: onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, dat zich richt op de aanwezigheid, aard, betekenis en waarde van archeologie, aardkundige waarden, architectuurgeschiedenis, historische bouwkunde, bouw- en tuinhistorie, stedenbouwkunde en historische geografie;

cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen: het door menselijk denken en handelen bepaalde en gevormde deel van het cultuurlandschap; fysieke leefomgeving: de fysieke leefomgeving zoals omschreven in artikel 1.2 lid 2 van de Omgevingswet. gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven en daaraan gekoppeld een archeologische waardecategorie met bijbehorende vrijstellingsgrenzen en die als Bijlage 2 integraal onderdeel uitmaakt van deze verordening; gemeentelijk cultuurgoed: erfgoed dat ‘verplaatsbaar’ en 'tastbaar' is en dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit.

gemeentelijk erfgoedregister: een register zoals bedoeld in artikel 3.16 lid 3 van de Erfgoedwet; gemeentelijk monument: onroerende zaak als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet dat staat ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; kerkelijk monument: kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; monumententeam: een van ambtelijke deskundige of deskundigen op het gebied van erfgoed; normaal onderhoud: onderhoud als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; plan van aanpak: plan waarin inzichtelijk is gemaakt hoe de archeologische werken gaan voldoen aan de vereisten van de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; Programma van Eisen: Een Programma van Eisen (PvE) is een inhoudelijk document waarin het doel, de vraagstelling en de uitvoeringswijze van een gravend archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord staan, alsook de randvoorwaarden van het onderzoek en van het uitvoerend bedrijf. Het PvE dient te voldoen aan de eisen van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en dient door het bevoegd gezag te worden goedgekeurd vooraleer het archeologisch veldonderzoek kan plaatsvinden.

redengevende omschrijving: een waardestellende beschrijving waarmee een zaak is aangewezen als beschermd erfgoed; regio-archeoloog: een archeoloog die verantwoordelijk is voor het coördineren, adviseren en toezien op archeologisch onderzoek en -beleid binnen Parkstad. roerend monument: een monument dat zichzelf kan verplaatsen, zoals een vaartuig of railvoertuig; vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; voorlopig monument: zaak of terrein waarover aan de eigenaar een voornemen tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2:1, 3:1, 4:1 en 5:1 kenbaar is gemaakt.

waarderingscriteria: de door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed ontwikkelde standaard voor het waarderen van erfgoed;

Artikel 1:2 Reikwijdte 1. Deze verordening is alleen van toepassing op zaken, terreinen en stadsgezichten gelegen in de gemeente Brunssum. 2. Deze verordening ziet alleen op bescherming op gemeentelijk niveau, betreffende gemeentelijke monumenten, gemeentelijk beschermde stadsgezichten en beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen. Artikel 1:3 Doel Het doel van deze verordening is het in stand houden, beschermen en benutten van gemeentelijk cultureel erfgoed.

Artikel 1:4 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht; c. gegevens over de door het college van gedeputeerde staten ontvangen afschriften van inschrijving van een monument die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht. Artikel 1:5. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister en archeologische beleidskaart 1. Het college kan wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister en aan de archeologische beleidskaart. 2.

Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het gemeentelijk erfgoedregister of van de archeologische beleidskaart zijn de artikelen 2:8, 3:8, 4:6 en 5:5 van overeenkomstige toepassing, tenzij dat de onroerende of roerende zaak is tenietgegaan.

Hoofdstuk 2: Archeologisch erfgoed Paragraaf 2.1 Aanwijzing gemeentelijke archeologische monumenten Artikel 2:1 Aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, besluiten een onroerende zaak, die van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, (archeologische) betekenis voor

2.

3.

4. 5.

de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk archeologisch monument. Het college kan bepalen dat, ten behoeve van de aanwijzing van een roerende zaak als gemeentelijk archeologisch monument een cultuurhistorisch en/of archeologisch onderzoek dient te worden verricht. Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak schriftelijk in kennis van: a. de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument, of; b. het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument. Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak in de gelegenheid te worden gehoord. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en; b. archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 2:2 Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 2.2 is van overeenkomstige toepassing op een onroerende zaak ten aanzien waarvan een aanvraag of een voornemen als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of wanneer het verzoek of voornemen niet heeft geleid tot aanwijzing. Artikel 2:3 Advies adviescommissie en regio-archeoloog 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2:1, eerste lid, advies aan de adviescommissie en de regio-archeoloog. 2. De adviescommissie en de regio-archeoloog brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit. Artikel 2:4. Beslistermijn 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag. 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen. 3. Indien de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 2:3, tweede lid, genoemde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen. 4. Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:5. Inhoud aanwijzingsbesluit De aanwijzing bevat in ieder geval: a.

gegevens over de inschrijving ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk archeologisch monument; b. een beschrijving van de archeologische waarden. Artikel 2:6. Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de aanvrager en alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het: a. gemeentelijk erfgoedregister; b. gemeentelijk beperkingenregister.

Artikel 2:7. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk archeologisch monument 1. In een spoedeisend geval kan het college een onroerende zaak aanwijzen als voorlopig archeologisch monument. In afwijking op artikel 2:3 wordt in dat geval aan de adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk archeologisch monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk archeologisch monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid. 3. Artikel 2:2 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 2:8. Wijzigen of intrekking aanwijzing als gemeentelijk archeologisch monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke archeologische monumenten of voorlopige gemeentelijke archeologische monumenten al dan niet op aanvraag van een belanghebbende wijzigen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Bij toepassing van lid 1 zijn de artikelen 2:3 tot en met 2:6 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor aanwijzing wordt gelezen wijzigingsbesluit of intrekking van de aanwijzing. 3. Indien de wijziging naar oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2 achterwege. 4. Het college kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of intrekking van de aanwijzing. 5.

De wijziging of intrekking wordt schriftelijk medegedeeld aan alle zakelijk gerechtigden. 6. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag dat het gemeentelijk archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Paragraaf 2.2 Bescherming gemeentelijke archeologisch erfgoed Artikel 2:9. Instandhoudingsplicht Het is verboden om een gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen of te vernielen. Artikel 2:10. Omgevingsvergunning 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bodem te verstoren, in een gemeentelijk archeologisch monument of in een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht, zoals opgenomen op de vigerende [gemeentelijke archeologische beleidskaart]. Hiervoor geldt: a. in gebieden van archeologische zeer hoge waarde (categorie 2/ waarde archeologie 2) onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een omvang van meer dan 100m2; b. in gebieden met een hoge archeologische verwachting, historische kern (categorie 3/ waarde archeologie 3) onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een omvang van meer dan 250m2; c. in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 4/ waarde archeologie 4) onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een omvang van meer dan 2500m2; d. in gebieden met een lage archeologische verwachting (categorie 5/ waarde archeologie 5) onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een omvang van meer dan 10.000m2;

e. in gebieden met geen archeologische verwachting (categorie 6/ waarde archeologie 6) als het project Mer of tracéwet plichtig is. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing: a. als het de verstoring betreft van een gebied van archeologische waarde of gebied met een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachting dat is aangegeven op de vigerende gemeentelijke archeologische beleidskaart en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door de gemeenteraad vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring, zoals vermeld onder artikel 2:10 lid 1. b. als de activiteit plaatsvindt op basis van een door het college goedgekeurde beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologisch erfgoed rekening wordt gehouden en onevenredige schade aan archeologische waarden wordt voorkomen, of; c. als met een onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel 2:11. Advies adviescommissie/regioarcheoloog 1. Het college vraagt over een omgevingsvergunning met betrekking tot gemeentelijke archeologische monumenten advies aan de adviescommissie/regioarcheoloog. 2. De adviescommissie/regioarcheoloog en het monumententeam brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit. 3.

In het geval de adviescommissie/regioarcheoloog op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht én de in artikel 2:11, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen. Artikel 2:12. Beslistermijn 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag omgevingsvergunning. 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen. 3. Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:13. Weigeringsgronden 1. Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2:10, lid 1, kan slechts worden verleend als: a. naar oordeel van het college in voldoende mate blijkt dat: i. het behoud van de archeologische waarden is geborgd; of ii. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of iii. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. b. Het belang van de archeologische monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/ gebieden die in overeenstemming met paragraaf 3.1 van de Erfgoedwet zijn aangewezen als beschermd archeologisch rijksmonument. Artikel 2:14.

Archeologisch onderzoek Als binnen het grondgebied van de gemeente archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in de zin van de Erfgoedwet, paragraaf 5.1, dienen onverminderd de bepalingen van deze wet. In aanvulling daarop geldt dat: a. het college bij gravend onderzoek een programma van eisen vaststelt als bedoeld in artikel 1:1 van deze erfgoedverordening, waarbij nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek;

b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1:1 van deze erfgoedverordening ter goedkeuring aan het college te overleggen.

Hoofdstuk 3: Gebouwde monumenten en monumentale objecten Paragraaf 3.1 Aanwijzing gemeentelijke monumenten Artikel 3:1. Aanwijzing als gemeentelijke monumenten 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, besluiten een onroerende zaak, dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende omschrijving die opgebouwd is aan de hand van waarderingscriteria: a. conform bijlage 1, lid A voor gebouwde monumenten en monumentale objecten; b. conform bijlage 1, lid B voor funerair erfgoed. 3. Het college kan bepalen dat ten behoeve van de aanwijzing van een onroerende zaak als gemeentelijk monument een bouwhistorisch, cultuurhistorisch en/of archeologisch onderzoek dient te worden verricht. 4. Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak schriftelijk in kennis van: a. de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument, of; b. het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument. 5. Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak in de gelegenheid te worden gehoord. 6.

Voordat het college een kerkelijk monument, dat uitsluitend of waarvan een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert het college overleg met de eigenaar. 7. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en; b. monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel 3:2. Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 3.2 is van overeenkomstige toepassing op een onroerende zaak ten aanzien waarvan een aanvraag of voornemen als bedoeld in artikel 3:1, vierde lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of wanneer het verzoek of voornemen niet heeft geleid tot een aanwijzing. Artikel 3:3. Advies adviescommissie 1. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de aan de adviescommissie. 2. De adviescommissie en het monumententeam brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit. Artikel 3:4. Beslistermijn 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag.

2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen. 3. In het geval de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 3:3, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen. 4. Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3:5. Inhoud aanwijzingsbesluit De aanwijzing bevat in ieder geval: a. gegevens over de inschrijving ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk monumenten; b. redengevende omschrijving. Artikel 3:6. Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de aanvrager en alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het: a. gemeentelijk erfgoedregister; b. gemeentelijk beperkingenregister. Artikel 3:7. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kan het college een roerende zaak aanwijzing als voorlopig monument. In afwijking op artikel 3:3 wordt in dat geval aan de adviescommissie adviesgevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.

Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monumenten vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid. 3. Artikel 3:2 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 3:8. Wijziging of intrekking aanwijzing gemeentelijk monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten al dan niet op aanvraag van een belanghebbende wijzigen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Bij toepassing van lid 1 zijn artikel 3:3 tot en met artikel 3:6 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor aanwijzing wordt gelezen wijzigingsbesluit of intrekking van de aanwijzing. 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2 achterwege. 4. Het college kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of intrekking van de aanwijzing. 5. De wijziging of intrekking wordt schriftelijk medegedeeld aan alle zakelijk gerechtigden. 6. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag dat het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

PARAGRAAF 3.2 Bescherming gemeentelijke monumenten Artikel 3:9. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 3:10. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of; b. te herstellen, te restaureren, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of; b. inpandige veranderingen van het gemeentelijk monument voor zover op voorhand middels een bouwhistorisch onderzoek is aangetoond het een onderdeel betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg een indifferente of storende waarde heeft; c. het binnen een monument als begraafplaats in gebruik is met in achtneming van de monumentale waarden: i. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; ii. doen van begravingen of asbijzettingen, of; iii. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

Deze regels kunnen mede inhouden wanneer en onder welke voorwaarden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid, kan worden opgelegd. 4. Het college kan nadere gegevens eisen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning. Artikel 3:12. Beslistermijn 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag omgevingsvergunning. 2. Het college kan het in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen. 3. Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3:13. Weigeringsgronden 1. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Hoofdstuk 4: Cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen Paragraaf 4.1: Aanwijzing beschermde cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen Artikel 4:1 Aanwijzing beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college,: a. een cultuurhistorisch waardevol landschap aanwijzen als beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap;

2. 3.

4. 5. 6.

b. een cultuurhistorisch waardevol landschapselement aanwijzen als beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement. De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende omschrijving die opgebouwd is aan de hand van waarderingscriteria conform bijlage 1, lid C voor cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen Het college kan bepalen dat ten behoeve van de aanwijzing van een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement een cultuurhistorisch en/of archeologisch onderzoek dient te worden verricht. Het college stelt alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak of zaken in de gelegenheid te worden gehoord. Dit artikel is niet van toepassing op erfgoed dat is aangewezen op grond van de [kaart monumentale bomen Brunssum]. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en; b. monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 4:2. Advies adviescommissie 1. Voordat de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de aan de adviescommissie. 2. De adviescommissie en het monumententeam brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit. Artikel 4:3. Beslistermijn 1. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag. 2. Indien de adviescommissie op het moment dat de gemeenteraad een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 4:2, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen. 3. Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4:4. Inhoud aanwijzingsbesluit De aanwijzing bevat in ieder geval: a. gegevens over de inschrijving ter identificatie van het aangewezen beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement; b. een kaart met begrenzingen van het beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement. c. redengevende omschrijving. Artikel 4:5. Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de aanvrager en alle zakelijk gerechtigden tot de onroerende zaak. 2.

Een aangewezen beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 3. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van artikel 4:1, eerste lid, aangewezen beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet

ruimtelijke ordening vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement kan hiertoe een termijn worden gesteld. 4. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt. Artikel 4:6. Wijziging of intrekking aanwijzing beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, wijzigen of intrekken. 2. Bij toepassing van lid 1 zijn artikel 4:2 en 4:3 hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het beschermd cultuurhistorisch landschap of beschermd cultuurhistorisch landschapselement waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgedaan. 3. Het college kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of intrekking van de aanwijzing. 4. De wijziging of intrekking wordt schriftelijk medegedeeld aan alle zakelijk gerechtigden.

Paragraaf 4.2 Bescherming Cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landschapselementen Artikel 4:7. Instandhoudingsplicht beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement Het is verboden om een cultuurhistorisch waardevol landschap of een cultuurhistorisch waardevol landschapselement te beschadigen of te vernielen. Artikel 4:8. Omgevingsvergunning beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement 1. Het is verboden zonder of in afwijking op een omgevingsvergunning van het college een beschermd cultuurhistorisch waardevol landschap of beschermd cultuurhistorisch waardevol landschapselement: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of; b. te herstellen, te restaureren, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal beheer, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of; 3. Het college kan nadere regels stellen aan het verlenen van een omgevingsvergunning. Artikel 4:9. Advies adviescommissie 1. Het college vraagt over de omgevingsvergunning advies aan de adviescommissie. 2.

De adviescommissie en het monumententeam brengen binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit. 3. In het geval de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 4:9, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen.

Artikel 4:10. Beslistermijn 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag omgevingsvergunning. 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen. 3. Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4:11. Weigeringsgronden De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als de cultuurhistorische waarden niet worden aangetast.

Hoofdstuk 5: Beschermde gemeentelijke cultuurgoederen Paragraaf 5.1 Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed en gemeentelijk beschermde verzameling

Artikel 5:1. Aanwijzing van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed en een beschermde gemeentelijke verzameling 1. Het college kan besluiten om, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een: a. gemeentelijk cultuurgoed aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed; b. verzameling van gemeentelijke cultuurgoederen aan te wijzen als beschermde gemeentelijke verzameling. 2. Een aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling kan enkel van toepassing zijn op zaken die in eigendom zijn van, of waarvan de zorg is toevertrouwd aan: a. de gemeente Brunssum b. een museum c. erfgoedverenigingen 3. De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende omschrijving die opgebouwd is aan de hand van de waarderingscriteria conform bijlage 1, lid D cultuurgoederen. 4. Het college stelt alle zakelijke gerechtigden tot de roerende zaak schriftelijk in kennis van: a. de aanvraag tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed, of; b. het voornemen tot aanwijzing als beschermde gemeentelijke verzameling. 5. Voor de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling is toestemming van de eigenaar vereist. 6. Dit artikel is niet van toepassing op: a. beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen van cultuurgoederen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en; b.

cultuurgoederen aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel 5:2 Advies adviescommissie 1. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de aan de adviescommissie. 2. De adviescommissie en het monumententeam brengen binnen twee weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk een advies uit. Artikel 5:3 Beslistermijn 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag. 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste zes weken verlengen. 3. In het geval de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht en de in artikel 5:2, tweede lid, bedoelde termijn is verstreken,

wordt de adviescommissie geacht het advies van het monumententeam te hebben overgenomen. 4. Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5:4 Mededeling en registratie aanwijzingsbesluit 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de aanvrager en de eigenaar van het aangewezen beschermd gemeentelijk cultuurgoed of de beschermde gemeentelijke verzameling. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het: a. gemeentelijk erfgoedregister; b. gemeentelijk beperkingenregister. c. Artikel 5:5. Wijziging of intrekking aanwijzing beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1. Het college kan ten aanzien van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, wijzigen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Bij toepassing van lid 1 zijn artikel 5:2 tot en met artikel 5:4 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor aanwijzing wordt gelezen wijzigingsbesluit of intrekking van de aanwijzing. 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2 achterwege. 4. Het college kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of intrekking van de aanwijzing. 5.

De wijziging of intrekking wordt schriftelijk medegedeeld aan de eigenaar. 6. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag dat het beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3.11 van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Paragraaf 5.2 Bescherming beschermd gemeentelijk beschermd cultuurgoed en beschermde gemeentelijke verzameling Artikel 5:6 Instandhoudingsplicht beschermd gemeentelijk cultuurgoed en beschermde gemeentelijke verzameling 1. Het is verboden om een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling te beschadigen of te vernielen 2. Indien een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling op een locatie bewaard wordt anders dan gespecificeerd in het erfgoedregister dient het college hier onverwijld van op de hoogte te worden gesteld.

Hoofdstuk 6: Overige bepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling Overtreding van hetgeen benoemd in artikel 2:9, 2:10, 3:9, 3:10, 5:6 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 6:2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaald bij of krachtens deze verordening zijn belaste bij besluit van het college aangewezen personen. 2. Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 6:3 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking de dag nadat de bekendmaking is geschied. 2. Op dat tijdstip vervalt de ‘Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2013’, vastgesteld bij het besluit van 1 oktober 2013. Artikel 6:4 Overgangsrecht 1. Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning is ingediend, waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, wordt daarop de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid toegepast. Artikel 6:5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Erfgoedverordening Gemeente Brunssum 2026’. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 juli 2026.

Bijlage 1 – Waarderingscriteria A. Gebouwde monumenten en monumentale objecten I. Cultuurhistorische waarde: 1. belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) culturele, sociaaleconomische en/of bestuurlijke/beleidsmatige en/of geestelijke ontwikkeling(en); 2. belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) geografische, landschappelijke en/of historisch-ruimtelijke ontwikkeling; 3. belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) technische en/of typologische ontwikkeling(en); 4. belang van het object/complex wegens innovatieve waarde of pionierskarakter; 5. belang van het object/complex wegens bijzondere herinneringswaarde. II. Architectuur- en kunsthistorische waarde: 1. bijzonder belang van het object/complex voor de geschiedenis van de architectuur en/of bouwtechniek; 2. bijzonder belang van het object/complex voor het oeuvre van een bouwmeester, architect ingenieur of kunstenaar; 3. belang van het object/complex wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp; 4. belang van het object/complex wegens het bijzondere materiaalgebruik, de ornamentiek en/of monumentale kunst; 5. belang van het object/complex wegens de bijzondere samenhang tussen exterieur en interieur(onderdelen). III. Situationele en ensemblewaarde: 1.

betekenis van het object als essentieel (cultuurhistorisch, functioneel en/of architectuurhistorisch en visueel) onderdeel van een complex; 2. a. bijzondere, beeldbepalende betekenis van het object voor het aanzien van zijn omgeving;

b. bijzondere betekenis van het complex voor het aanzien van zijn omgeving, wijk, stad of streek; 3. a. bijzondere betekenis van het complex wegens de hoogwaardige kwaliteit van de bebouwing in relatie tot de onderlinge historisch-ruimtelijke context en in relatie tot de daarbij behorende groenvoorzieningen, wegen, wateren, bodemgesteldheid en/of archeologie; b. bijzondere betekenis van het object wegens de wijze van verkaveling/ inrichting/ voorzieningen. IV. Gaafheid en herkenbaarheid: 1. belang van het object/complex wegens de architectonische gaafheid en/of herkenbaarheid van ex- en/of interieur; 2. belang van het object/complex wegens de materiële, technische en/of constructieve gaafheid; 3. belang van het object/complex als nog goed herkenbare uitdrukking van de oorspronkelijke of een belangrijke historische functie; 4. belang van het complex wegens de waardevolle accumulatie van belangwekkende historische bouw- en/of gebruiksfasen; 5. belang van het complex wegens de gaafheid en herkenbaarheid van het gehele ensemble van de samenstellende onderdelen (hoofd- en bijgebouwen, hekwerken, tuinaanleg e.d.); 6. belang van het object/complex in relatie tot de structurele en/of visuele gaafheid van de stedelijke, dorpse of landschappelijke omgeving. V. Zeldzaamheid: 1.

belang van het object/complex wegens absolute zeldzaamheid in architectuurhistorisch, bouwtechnisch, typologisch of functioneel opzicht; 2. uitzonderlijk belang van het object/complex wegens relatieve zeldzaamheid in relatie tot één of meer van de onder I t/m III genoemde kwaliteiten.

B. Funerair erfgoed I. Ouderdom grafmonument: Het betreft een grafmonument dat ouder is dan vijftig jaar. Toelichting: De ouderdom van het grafmonument is met name bedoeld om te bewaken dat het oorspronkelijke grafmonument wordt gewaardeerd wordt. Het komt regelmatig voor dat historische grafmonumenten door hergebruik zijn aangepast, waardoor de cultuurhistorische waarden als geheel verloren zijn gegaan. Nieuwe of vernieuwde monumenten worden niet gewaardeerd, tenzij deze op een graf van een persoon staan die historische betekenis heeft. II. Biografische gegevens: Een aanduiding of verwijzing naar een historische persoon of familie. Toelichting: Om op grond van dit criterium op de lijst te kunnen worden geplaatst, dienen onder meer de volgende richtlijnen: - De overledene moet publicaties van enig belang op zijn naam hebben of er is over hem/haar gepubliceerd, of; - Het moet gaan om een overledene die bij leven openbare functies bekleedde die van betekenis waren voor de gemeenschap van de gemeente of de regio. Maatgevend is bijvoorbeeld duur van de functie, vernoeming van de persoon in straatnaam of naam van openbaar gebouw, of;

-

De persoon moet over een zekere (lokale) status beschikken, bijvoorbeeld door het uitgeoefende beroep of de bekendheid die de persoon bij leven genoot en die nu nog als zodanig wordt herinnerd. Voor het maken van keuzes op basis van de bovengenoemde criteria, zijn de personen in categorieën ingedeeld. De aanduiding van de categorie is, indien van toepassing, ook opgenomen in de lijst. De categorieën voor de deze begraafplaats zijn als volgt vastgesteld: - v1 Bijzondere gevallen (verbonden met bijzondere gebeurtenissen); - v2 Notabelen en bestuurders: ambtenaren en ambten zoals burgemeesters, wethouders, artsen, bestuurders en dergelijke; - v3 Sport, cultuur en onderwijs: onderwijzers, schrijvers, sportlieden, kunstenaars; - v4 Kerkelijke functionarissen: pastoors, dekens, broeders, bestuursleden en dergelijk; - v5 Industrie, landbouw en arbeid: fabrikanten, ondernemers, boeren, ambachtslieden. Bij de categorie v1 wordt vooral gelet op de verhalende omstandigheden, terwijl bij de andere categorieën meer gekeken wordt naar het belang van de overledene zelf. De mate van belang die aan de verdiensten van een persoon gehecht kan worden, wordt met behulp van een cijfer tot uitdrukking gebracht. De cijfers lopen van 1 tot en met 5, waarbij het hoogste cijfer staat voor het meeste belang.

Daarbij gaat het vooral om het belang voor de historie van Brunssum: - 1: minst: wel enige bekendheid, maar geen invloed op de historie; - 2: matig: wel bekend, maar weinig invloed op de historie; - 3: gemiddeld: bekend en heeft enige invloed gehad op de historie; - 4: belangrijk: heeft de nodige invloed gehad op de historie; - 5: zeer belangrijk: heeft veel invloed gehad op de historie. III. Materiaalgebruik en hantering: Een grafmonument waarin sprake is van bijzonder materiaalgebruik en -hantering. Toelichting: Bijzondere materialen zijn met name materialen die in het algemeen niet vaak gebruikt zijn voor grafmonumenten, zoals zandsteen, marmer of graniet maar ook bijvoorbeeld kunststeen. Ook metaal (hekwerken, gietijzeren monumenten of ornamenten) en houten grafmonumenten kunnen van belang zijn. De hantering gaat over de wijze waarop bijvoorbeeld het grafmonument technisch bewerkt is. Dus het gebruik van een bijzonder materiaal met een slechte afwerking zal minder snel in aanmerking komen dan een goed verwerkt materiaal. Als een grafmonument van een uitzonderlijk materiaal is gemaakt of een bijzondere bewerkingswijze dan wordt aan het monument een punt toegekend. IV. Vormgeving van het monument: Een grafmonument met een vormgeving met cultuurhistorische betekenis.

Toelichting: De vormgeving van een individueel grafmonument kan van doorslaggevende betekenis zijn om dit te selecteren. Dat kan bijvoorbeeld vanwege het feit dat het zeldzaam is of omdat het binnen de stijl een goed voorbeeld vormt. Om die reden is bijvoorbeeld gekeken naar een grafmonumenten die te maken hebben met de zogenaamde ‘armere’ grafcultuur waarbij geen natuursteen wordt toegepast. Voor dit criterium wordt ook gekeken naar de plaats van het grafmonument binnen het algehele karakter van de begraafplaats. Indien sprake is van een bijzonder vormgegeven grafmonument dan wordt aan het monument een punt toegekend. V. Bijzondere symboliek: Een grafmonument dat voorzien is van bijzondere symboliek of bijzondere teksten. Toelichting: Symbolen op grafmonumenten zijn er in veel varianten. Op Nederlandse begraafplaatsen zijn de palmtak en het kruis de meest voorkomende symbolen, beide verwijzend naar het christelijke

geloof. Alleen wanneer sprake is van een uitzonderlijke vormgeving zou zo’n symbool opgenomen kunnen worden in de lijst. Persoonlijke symboliek of een samenvoeging van verschillende betekenissen kan een dusdanig symbool opleveren dat er sprake is van een bijzonder symbool. Voor dit criterium wordt gekeken naar de algemene deler, maar ook naar de uitzonderlijke symbolen. Wanneer een grafmonument voorzien is van een bijzonder symbool dan wordt aan het monument een punt toegekend. VI. Passend in karakter van het grafveld: Een grafmonument dat een impact heeft op de totale aanblik van de begraafplaats of van belang is voor de karakteristiek van het betreffende grafveld. Toelichting: Hierbij wordt feitelijk niet gekeken naar de intrinsieke waarde van het grafmonument, maar naar de collectieve waarde. Dat betekent dat het grafmonument bijvoorbeeld goed aansluit bij het karakter van de begraafplaats of het grafveld. Dat betekent dat groepen van grafmonumenten in aanmerking kunnen komen, zoals een verzameling zerken met een gave vormgeving of monumenten die sterk opvallen in het beeld en ankerpunten vormen in de beleving. Grote en hoge grafmonumenten kunnen om die reden gescoord worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=5a71e0f2-aeea-4490-991f-8f9723cb1683