CConstaterende datBrunssum
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering 6 juli 2021, gemeente Brunssum45.332 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

artikel heeft inmiddels de rechterlijke toets doorstaan, waarbij de overweging is dat zo’n bepaling, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht. Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst van verboden drugs op grond van de Opiumwet voorkomen, en waartegen wel moet worden opgetreden, of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren. Achter deze notitie is een overzicht opgenomen van het bestaande juridisch instrumentarium voor de aanpak van het gebruik van lachgas. Zie pag. 8 e.v. 4. Intrekken verbod op Carbid schieten. Art. 2:73a In verband met de handhaving van coronamaatregelen is in december 2020 in de APV een verbod op carbidschieten opgenomen. Daarbij heeft de portefeuillehouder toegezegd, dat het een tijdelijke regeling betreft die bij de eerstvolgende gelegenheid zou worden ingetrokken. Het betreft artikel 2:73a. De overige voorstellen. 5. Heling. Art. 2:68 Voor het tegengaan van heling wordt binnen SVBBL het project Digitaal Opkopers Register (DOR) en Digitaal Opkopers Loket (DOL) uitgevoerd. In het DOL schrijven opkopers zich digitaal als zodanig in. In het DOR moeten zij de gegevens noteren van producten die zij opkopen en verkopen.

Momenteel mogen zij dit nog schriftelijk bijhouden. Voordeel van het digitale systeem is dat de politie direct kan controleren op geregistreerde gestolen goederen. In het kader van het project gaan we de ondernemers informeren en hen stap voor stap meenemen in de overgang. De Brunssumse APV voldoet al aan de richtlijnen die nodig zijn, er zijn twee kleine aanpassingen wenselijk. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: 1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: a. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging en de naam van de desbetreffende onderneming; b. van een verandering van de onder 1º, bedoelde adressen; c. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; d. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. 2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; 3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; D4 een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

6. Vuurwerk. Art. 2:73 In de geldende APV hebben we de mogelijkheid gebieden aan te wijzen waar het verboden is vuurwerk af te steken, de vuurwerkvrije zones. Bij de wijziging van het Vuurwerkbesluit (Stb 2019, 378; inwerkingtreding 29 november 2019) heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en waterstaat 5

toegelicht dat het Vuurwerkbesluit niet in de weg staat om het gehele grondgebied van de gemeente vuurwerkvrij te maken. Het is dus mogelijk om de regeling om te draaien in die zin, dat er een algemeen vuurwerkverbod geldt, maar dat er gebieden worden aangewezen waar wel vuurwerk mag worden afgestoken. Binnen de politieregio Limburg hebben de burgemeesters, politie en Openbaar Ministerie met elkaar afgesproken, dat wordt geprobeerd eenzelfde lijn in de aanpak van vuurwerkoverlast op te stellen. In afwachting van binnen dit gremium ontwikkelde voorstellen, wordt voorgesteld de huidige regeling van artikel 2:73 vooralsnog te handhaven. 7. Wijziging eisen aan exploitant/leidinggevende openbare inrichtingen. Art. 2:28a De VNG stelt voor om als weigeringsgrond voor een exploitatievergunning in het derde lid van artikel 2:28a op te nemen dat de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Dit is sterker dan de huidige regeling waarin een verklaring omtrent het gedrag bij de vergunningaanvraag moet worden overlegd. De toevoeging is ontleend aan de gemeentelijke praktijk. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Wel is het verstandig dat de burgemeester beleidsregels vaststelt Artikel 2:28 a Exploitatievergunning openbare inrichting 1.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling. 3. De burgemeester weigert de vergunning, als de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of geldende beheersverordening, of als de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven of als de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 5.

Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds bloot staat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 6. De burgemeester kan de vergunning voor de andere openbare inrichtingen dan die waarin alcoholhoudende dranken worden geschonken, weigeren of intrekken, als de leidinggevende(n) niet voldoet (n) aan de eisen die worden gesteld bij of krachtens artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Drank en Horecawet. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 8. Loslopende honden op openbare plaatsen. Art. 2:57 Voorgesteld wordt om het verbod voor niet-aangelijnde honden uit te breiden tot openbare plaatsen binnen de bebouwde kom. Hierdoor geldt het verbod ook voor andere plaatsen binnen de bebouwde

6

kom, zoals parken, plantsoenen, openbare begraafplaatsen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Artikel 2: 57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op de weg een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; b. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; d. op de weg een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder a en, b en c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 9. Verbod op crossen ook buiten wedstrijdverband. Art. 5:32 Het crossverbod in artikel 5:32 beperkt zich tot wedstrijden of de voorbereiding daarvan. Voorgesteld wordt crossen buiten wedstrijdverband aan de verbodsbepaling in het eerste lid toe te voegen.

Zo kan worden opgetreden indien een terrein (in het buitengebied) wordt gebruikt voor puur recreatief crossen, dat tot (geluids)overlast leidt. Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buitenwedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

7

Bijlage bij wijzigingsvoorstellen APV 2020 ->2021 Bestaand juridische instrumentarium waarmee overlast door gebruik van lachgas kan worden aangepakt. 1. APV Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade: • Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen • Artikel 2:49 Verboden gedrag in of bij gebouwen • Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Deze drie bepalingen bevatten meer algemene verboden. Deze verboden gelden op openbare plaatsen, bij gebouwen en in publiek toegankelijke ruimten en deze plekken hoeven dus niet in een afzonderlijk besluit eerst te worden aangewezen: het is zonder meer verboden om daar hinderlijk of verboden gedrag te vertonen. Ook hoeft niet afzonderlijk te worden onderbouwd dat het hinderlijk of verboden gedrag is veroorzaakt door de verkoop of het gebruik van lachgas. Afdeling 11. Drugsoverlast: • Artikel 2:74 Drugshandel op straat • Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Deze bepalingen zijn geschreven met het oog op de handhaving van de openbare orde/het voorkomen van overlast. Het gaat hierbij uitdrukkelijk (alleen) om overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt.

Daarom hebben we al enkele jaren geleden een bepaling in de APV opgenomen waarbij openlijk drugsgebruik wordt verboden. Het artikel heeft inmiddels de rechterlijke toets doorstaan, waarbij de overweging is dat zo’n bepaling, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht. Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst van verboden drugs op grond van de Opiumwet voorkomen, en waartegen wel moet worden opgetreden, of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren. Afdeling 3. Evenementen • Artikel 2:25 Evenementenvergunning Bij evenementen waarvoor een vergunning is vereist, kan in de voorschriften een verbod op verkoop en gebruik van lachgas in de voorschriften worden opgenomen met als motivering hinder en overlast. Bij evenementen waarvoor een vergunningplicht geldt, kan de burgemeester een verbod op verkoop van lachgas in de vergunning opnemen. Dat kan hij bijvoorbeeld motiveren met het belang van het voorkomen van hinder, aantasting van de openbare orde en/of milieu of het belang van de volksgezondheid. Als niet wordt voldaan aan het vergunningvoorschrift (verbod op verkoop van lachgas), dan kan de burgemeester daartegen optreden of de vergunning intrekken. Afdeling 4.

Toezicht op openbare inrichtingen (in samenhang met Drank en Horeca Wet, per 1 juli Alcoholwet) Er kunnen verschillende bepalingen worden ingezet bij het tegengaan van verkoop of gebruik van lachgas in openbare inrichtingen/horecabedrijven. 8

Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen horeca-inrichtingen waar alcohol mag worden geschonken (natte horeca) en inrichtingen waar dit niet mag (droge horeca). Beide soorten horeca zijn op grond van de APV aan te merken als openbare inrichting. Voor beide soorten horeca kan zijn geregeld dat een exploitatievergunning verplicht is. • Artikel 2:28: Exploitatie openbare inrichting De exploitatievergunning is vooral een overlastvergunning. Er kan dus (preventief) worden getoetst of de exploitatie van een inrichting zich verdraagt met het woon- en leefmilieu en of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Aan de exploitatievergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Met het oog op het voorkomen van hinder en overlast of aantasting van de openbare orde, of ter bescherming van het woon- en leefklimaat of het milieu kunnen langs deze weg beperkingen worden opgelegd aan de verkoop en het (oneigenlijk) gebruik van lachgas. Verder geldt dat bij inrichtingen waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, een DHW-vergunning is vereist ex artikel 3 van de DHW.

Intrekking van die vergunning is mogelijk als de vergunninghouder in of vanuit de inrichting kleinhandel bedrijft (lees: lachgas verkoopt) of als zich in de inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid (artikel 31, leden 1, onder c, en 2, DHW).  Artikel 2:29 Sluitingstijd Dit artikel biedt de mogelijkheid om sluitingstijden vast te stellen, zodat overlast in de late uren door het gebruik van lachgas (deels) kan worden tegengegaan. 2. Alcoholwet.  Artikel 14, lid 2 De Alcoholwet (die van toepassing is op de natte horeca) verbiedt in artikel 14, lid 2, kleinhandel vanuit een horecalokaliteit. Als in een horecalokaliteit lachgas wordt verkocht kan op grond van dit artikel worden gehandhaafd, mits die verkoop als kleinhandel kan worden aangemerkt.  Artikel 31, lid 1, sub c Dit artikel maakt het mogelijk dat de burgemeester de alcoholvergunning intrekt als in de inrichting dingen zijn gebeurd die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. De verkoop van lachgas in de inrichting kan bij overlast door gebruik van lachgas worden gesanctioneerd. 3.

Winkeltijdenverordening Gemeenten kunnen zich niet bemoeien met de verkoop van lachgas in winkels binnen de reguliere openingstijden (6:00 tot 22:00 uur). In de Winkeltijdenwet worden (in artikel 3, eerste en tweede lid) beperkingen gesteld aan de openingstijden van winkels. Voor de late/nachtelijke uren gebeurt dit met name met het oog op de openbare orde en veiligheid. Voor winkelopening tijdens deze uren kan soms vrijstelling of ontheffing worden verleend. Een verleende ontheffing kan op grond van artikel 5 van de Verordening winkeltijden (2013) worden ingetrokken (of gewijzigd) als de exploitatie van de winkel gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon- en leefklimaat ter plaatse. Dit biedt de mogelijkheid om bij ernstige verstoring van de openbare orde, veiligheid of ernstige overlast voor de woonomgeving, die (mede) is veroorzaakt door de verkoop van lachgas bij een nacht-/avondwinkel de ontheffing van deze winkel in te trekken of te wijzigen. 4. Wet Milieubeheer De Gemeente Arnhem pakt de overlast van verkoop van lachgas in inrichtingen mede op grond van de Wet milieubeheer (Wm) aan. Artikel 9.2.1.2 van de Wm behelst een zorgplicht voor diegene die 9

beroepshalve een stof aan een ander ter beschikking stelt om (mogelijke) gevaren voor mens of voor het milieu te voorkomen of te beperken. Gelet op de gevaren voor de mens en het milieu wordt de ondernemer in Arnhem die in strijd met dit artikel handelt indien hij lachgas in ballonnen afkomstig uit tanks aanbiedt, aangepakt. Handhaving op grond van artikel 9.2.1.2 Wm is echter uitsluitend mogelijk indien 'lachgas' niet wordt gezien als een erkend genotmiddel. Arnhem kwalificeert lachgas als een genotmiddel waarvoor geen specifieke (stofgerichte) wet- en/of regelgeving geldt en heeft zich op het standpunt gesteld dat het daarom onder het bereik van artikel 9.2.1.2 van de Wm kan vallen.

10

1 Raadsvoorstel 56 (bijlage) Verordening Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Brunssum 2021.docx

De Raad van de gemeente Brunssum gemeentebladnummer 2021/56; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 juni 2021, afdeling Bestuurszaken; gelet op het bepaalde in artikel 149 van de gemeentewet; Besluit vast te stellen: "ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING GEMEENTE BRUNSSUM 2021”. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; c. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de geldende Bouwverordening der Gemeente Brunssum; d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; e. college: het college van burgemeester en wethouders; f. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van de Woningwet; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; i.

openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990); l. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. 3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid. 4. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10 of 2:11. 5.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 en lid 2 beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag als bedoeld in artikel 2:25 (evenement) en 2:25A binnen 26 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag Vervallen Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.

van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. De vergunning of ontheffing kan tevens worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3.

In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 (evenement) of 2:25A worden geweigerd als deze minder dan 26 weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft, wordt ingediend. Artikel 1.9 Termijnen Vervallen.

HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU AFDELING 1. VOORKOMEN OF BESTRIJDEN VAN ONGEREGELDHEDEN Artikel 2:1 a Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2:1 b Verblijfsontzegging (snel mensen verwijderen) 1.

In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan het college een gebied aanwijzen waar door politieambtenaren aan een persoon, die zich bevindt op de weg of plaats, die deel uitmaakt van dit gebied, gedurende de uren daarbij genoemd, het bevel kan worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester: a. aan de persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het eerste lid, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd; b.

aan de persoon, aan wie eerder een verbod als bedoeld onder a is opgelegd, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste zes maanden, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarbij genoemd. 3. De burgemeester beperkt het in het tweede lid, onder a en b genoemde verbod of de daarin genoemde termijn als dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 4. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het tweede lid, onder a en b. Artikel 2:2 Optochten Vervallen. Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging van de betoging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging van de betoging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk om 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2:4 Afwijking termijn Vervallen. Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens Vervallen. Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.Voor het verspreiden of openlijk aanbieden van geschreven of gedrukte stukken dan wel afbeeldingen onder publiek dient aan de volgende regels te worden voldaan: a.

Het verspreiden of openlijk aanbieden van geschreven of gedrukte stukken dan wel afbeeldingen onder publiek is toegestaan op iedere dag tussen 09.00 uur en 18.00 uur en op koopavonden tot 21.00 uur. b. De verspreider is verplicht de geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen direct op te ruimen of te laten opruimen, als deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats worden weggeworpen of zijn achtergebleven. c. De verspreider mag geen overlast veroorzaken voor winkelend publiek en overige voetgangers en gebruikers van de openbare ruimte. d. Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd. e. De verspreider is verplicht de schade die hij door zijn handelen aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden toebrengt te vergoeden en voorts dient hij alle mogelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van zijn handelen schade zullen lijden. 2. Het eerste lid geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van geschreven of gedrukte stukken en afbeeldingen. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. 4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3.van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijden en dergelijke Vervallen.

Artikel 2:8 Dienstverlening Vervallen. Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.Voor het optreden ten behoeve van het publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids dient aan de volgende regels te worden voldaan: a. Het optreden als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids is toegestaan op iedere dag tussen 09.00 uur en 18.00 uur en op koopavonden tot 21.00 uur. b. De straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids dient zich regelmatig minimaal 100 meter te verplaatsen en mag zich niet langer dan 15 minuten op een en dezelfde plaats ophouden. c. De straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids mag geen overlast veroorzaken voor winkelend publiek en overige voetgangers en gebruikers van de openbare ruimte. d. Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd. e. De straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids is verplicht de schade die hij door zijn handelen aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden toebrengt te vergoeden en voorts dient hij alle mogelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van zijn handelen schade zullen lijden. 2.

De burgemeester kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. AFDELING 2. BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN DE WEG Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg of een openbare plaats 1. Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan ten behoeve van de publieke functie daarvan. 1a. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen van het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid onder j of k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.b. Het verbod is niet van toepassing op overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 1.c Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 en de Omgevingsverordening Limburg 2014 (provinciale wegen). 2. Het verbod is tevens niet van toepassing op: a. terrassen, die voldoen aan de door het college te stellen nadere regels; b.

het plaatsen van infoborden als bedoeld in artikel 2:10a van deze verordening; c. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van deze verordening; d. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 van deze verordening; e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op: a. Het uitstallen van producten en reclame-uitingen door winkels en bedrijven; b. Het stallen van goederen, bouwmaterialen en materieel voor een periode korter dan een week, mits voor zowel in de situaties als bedoeld onder a. als onder b wordt voldaan aan de volgende regels: 1. Het beoogd gebruik mag geen schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 2.Het beoogd gebruik dient hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving te voldoen aan redelijke eisen van welstand.

3. De overlast van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken dient zo veel mogelijk te worden voorkomen of te worden beperkt. 4. Het gebruik mag slechts plaatsvinden gedurende de daarvoor strikt benodigde tijd. 5. De breedte van de uitstallingen mag niet meer bedragen dan de breedte van het perceel. 6. De diepte van de uitstallingen mag vanaf de gevel maximaal 1 meter bedragen. 7. Op het trottoir dient voldoende ruimte over te blijven voor rolstoelgebruikers. 8. Het beoogd gebruik mag geen belemmering opleveren voor het verkeer en de hulpdiensten. 9. Er dient, voor zover van toepassing, te worden voldaan aan het Beheerplan Promenade. 10. Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd. 11. De gebruiker is verplicht de schade die hij door zijn handelen aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden toebrengt te vergoeden en voorts dient hij alle mogelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van zijn handelen schade zullen lijden. 4. In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3.

van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:10a Infoborden invalswegen 1. Onder infoborden worden verstaan de welkomstborden aan de invalswegen van de gemeente Brunssum die worden gebruikt voor aankondigingen van zaken die deze gemeente betreffen op het gebied van onder meer sport, cultuur, recreatie en evenementen die Brunssum kunnen promoten. 2. Voor het plaatsen van infoborden aan de diverse invalswegen dient aan de volgende regels te worden voldaan: a. Er moet uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop de borden moeten worden geplaatst melding zijn gedaan aan het college. b. De borden mogen alleen worden geplaatst voor de aankondiging van activiteiten van Brunssumse non-profit organisaties die de gemeente Brunssum betreffen op het gebied van sport, cultuur, recreatie en evenementen. c. De borden mogen gedurende een periode van maximaal 2 weken worden geplaatst. d. Het formaat van de borden bedraagt 180 x 45 cm en 8 mm dik of 180 x 30 cm en 8 mm dik. e. Als er meer aanvragen dan beschikbare plaatsen zijn, dan krijgen de vaste evenementen op basis van de evenementenkalender prioriteit. f.

De organisator is verplicht de schade die hij door zijn handelen aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden toebrengt te vergoeden en voorts dient hij alle mogelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van zijn handelen schade zullen lijden. g. Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:10 b Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen Vervallen. Artikel 2:10 c Vrij te stellen categorieën Vervallen.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. door het college in de overige gevallen. 3. De vergunning wordt geweigerd als één van de weigeringsgronden, zoals genoemd in artikel 1:8 van deze verordening, van toepassing is. 4. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 5. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Limburg 2014 (provinciale wegen), de Waterschapskeur en de Telecommunicatiewet. 6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg, van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a. een veilig gebruik van de weg; b. het noodzakelijk behoud van een openbare parkeerplaats; c. de bescherming van de openbare groenvoorzieningen; d. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; of e. vanwege strijd met het geldend bestemmingsplan of de geldende beheersverordening; of f. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de geldende Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Limburg 2014 (provinciale wegen). 4. Op de aanvraag om een vergunning is Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid Vervallen. Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze a.

te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke Vervallen. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden te roken in bossen of op heidegronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. 2. Het is verboden in bossen, op heidegronden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht. 4. Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Vervallen. Artikel 2:20 Vallende voorwerpen Vervallen.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijnen Vervallen. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs Vervallen. AFDELING 3. EVENEMENTEN Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39a van deze verordening; g. kleinschalige evenementen met een jaarlijks terugkerend karakter, binnen het gebouw van een horeca-inrichting

2. Onder evenement wordt tevens verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. het evenement tussen 10:00 uur en 00:00 uur plaatsvindt; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht vóór 07:00 uur en na 23:00 uur; d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, het (brom)fietspad of een parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 20 m2 per object; Artikel 2:25 Evenementen 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningsaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3.

Geen vergunning is vereist voor een klein evenement als de organisator binnen 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 2 weken na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. De burgemeester kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:25A Evenementen in gebouwen 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in een gebouw of vaartuig een voor publiek toegankelijk evenement te houden of te laten houden. 2. Het verbod geldt niet voor: a. manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties; b. bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt; c.

sportwedstrijden, met uitzondering van vechtsportwedstrijden of –gala’s; d. activiteiten in (horeca)bedrijven die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn; 3. De aanvrager en/of de organisator van een evenement waarvoor krachtens het derde lid, onder c, een vergunning is vereist is niet van slecht levensgedrag. 4. De burgemeester weigert de vergunning als: a. de aanvrager of de organisator van een evenement als bedoeld in het derde lid van slecht levensgedrag is; b. het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de veiligheid, de brandveiligheid of voor het ontstaan van wanordelijkheden; c. een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is; d. het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats waar het wordt gehouden.

5. De burgemeester kan andere categorieën van voor het publiek toegankelijke evenementen aanwijzen waarvoor het verbod niet geldt. 6. Bij de aanvraag voor een vergunning krachtens het tweede lid onder c dienen de volgende stukken te worden overlegd: a. een lijst met deelnemers aan het evenement; b. een lijst met sponsoren voor het evenement alsmede het sponsorbedrag; c. een KvK-uittreksel van het beveiligingsbedrijf dat het evenement beveiligt; d. een kopie van het bewijs van lidmaatschap van de brancheorganisatie. 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. 3. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 4. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. 5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid. Artikel 2:26 a Betaald voetbalwedstrijden Vervallen. AFDELING 4. TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel 2:28 a Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a.

winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling. 3. De burgemeester weigert de vergunning, als de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of geldende beheersverordening, of als de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 5. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds bloot staat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

6. De burgemeester kan de vergunning voor de andere openbare inrichtingen dan die waarin alcoholhoudende dranken worden geschonken, weigeren of intrekken, als de leidinggevende(n) niet voldoet (n) aan de eisen die worden gesteld bij of krachtens artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Alcoholwet. 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:28 b Aanvraag vergunning 1. De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en de bescheiden die bij een vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 2:28a moeten worden overlegd. 2. Per openbare inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen. Artikel 2:28 c Vrijstelling 1. De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in 2:28a niet geldt voor een of meer in zijn besluit aangeduide soorten openbare inrichtingen in de hele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente. 2. De exploitatie van een openbare inrichting, waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het bedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:28 d Overgangsbepaling Het in artikel 2:28 a vereiste geldt niet voor bestaande openbare inrichtingen: a. gedurende 12 weken na het in werking treden van het vergunningstelsel; b. ook na verloop van die 12 weken, voor zover vergunning aanvrager een aanvraag binnen de termijn heeft ingediend, totdat onherroepelijk op de aanvraag is beslist. Artikel 2:29 sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandagavond (maandag op dinsdag), dinsdagavond (dinsdag op woensdag) woensdagavond (woensdag op donderdag) en donderdagavond (donderdag op vrijdag) tussen 02.00 uur en 07.00 uur, en vrijdagavond (vrijdag op zaterdag) zaterdagavond (zaterdag op zondag) en zondagavond (zondag op maandag) tussen 03.00 uur en 07.00 uur (sluitingstijd). 2. In afwijking van het eerste lid zijn openbare inrichtingen gesloten tussen 03.00 uur en 07.00 uur a. in de nacht volgend op 31 december b. tijdens het traditionele Oud Wijvenbal c. in de nacht volgend op de maandag van carnaval d. in de nacht volgend op de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd e. in de nacht volgend op de dag waarop de bevrijding wordt gevierd g. in de nachten direct volgend op de Paradedagen h. in de nachten direct volgend op de dagen dat het oktoberfeest plaats vindt, als deze nachten vallen op een maandagavond, dinsdagavond, woensdagavond of donderdagavond. 3.

De burgemeester kan in afwijking van lid 1 en 2 plaatsen aanwijzen waar voor de terrassen afwijkende sluitingstijden gelden. 4. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 6. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28a, tweede lid, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 7. Het eerste, tweede en vierde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 8. Op de aanvraag van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:30a. Sluiting van voor publiek toegankelijke lokalen wegens ondermijnende activiteiten of andere activiteiten die ernstig gevaar opleveren voor de openbare orde. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; c. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of d. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b.

zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel 2:32 Handel in openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerst lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. AFDELING 5. REGULERING PARACOMMERCIËLE RECHTSPERSONEN UIT DE ALCOHOWET HORECAWET Artikel 2:34 a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank - paracommerciële rechtspersoon; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel 2:34 b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.

Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank van maandag tot en met zondag vanaf 1 uur vóór activiteiten die passen binnen de statutaire doelstelling van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon tot uiterlijk 0.00 uur. 2. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken.

AFDELING 6. TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister 1. De houder van een inrichting is verplicht een doorlopend register bij te houden van de in artikel 4.38 Wetboek van Strafrecht genoemde gegevens van personen, die de nacht in de inrichting door brengen. Dat betreft naam, woonplaats, dag van aankomst en dag van vertrek alsmede aantekening van een geldig reisdocument of identiteitsbewijs. 2. Op nachtverblijf, verschaft aan meereizende echtgenoten, minderjarige kinderen of aan reisgezelschappen, is lid 1 niet van toepassing. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. AFDELING 7.

TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN Artikel 2:39 Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39a Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. de woon een leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan of beheersverordening. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2.

In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. AFDELING 8. MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN OVERLAST, GEVAAR OF SCHADE Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5.

Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de in het vijfde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. 2. Het verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuig en hulpmiddelen voor winkeldiefstal 1. Het is verboden op een openbare plaats een werktuig, gereedschap of andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2. Het is verboden op een openbare plaats een tas of een andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, die er kennelijk toe dient om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Brunssum&id=bbe67c6e-1de9-4542-a202-9746bcaaf507