CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

E9 - Burgemeester en wethouders gemeente brummen - Collegebesluit - Vaststelling beleidsregels Wmo 2021

Besluitvormende raadsvergadering 2 september 2021, gemeente BrummenBij agendapunt: Ingekomen en te verzenden (hamerstuk)17.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.4

Besluit en toekenning

Het onderzoek leidt tot een besluit van het college over het toekennen van een maatwerkvoorziening. De toekenning van de maatwerkvoorziening staat in een besluit (de toewijzingsbeschikking). Hierin staat: • doel en resultaat van de ondersteuning; • maatwerkvoorziening en type ondersteuning (product); • in geval van zorg in natura: duur, omvang van de ondersteuning en de aanbieder die de ondersteuning levert; • in geval van een PGB: duur en omvang van de ondersteuning. Een voor akkoord ondertekend verslag van het keukentafelgesprek wordt beschouwd als aanvraagformulier tenzij de belanghebbende een afzonderlijk aanvraagformulier wenst in te vullen. Dit getekende verslag wordt als bijlage van het toekenningsbesluit meegestuurd. Indien een inwoner het oneens is met het toekenningsbesluit kan hij/zij bezwaar aantekenen. In de toekenning staat toegelicht op welke wijze dit mogelijk is.

2.5

Bemiddeling

2.6

Verstrekking voorziening

2.7

Ingangsdatum voorziening

Als de inwoner niet tevreden is over de het advies zoals verwoord in het ondersteuningsplan, is er de mogelijkheid van bemiddeling door een onafhankelijke clientondersteuner om zo tot een bevredigende oplossing te komen. Zodra het door de inwoner ondertekende gespreksverslag is ontvangen, wordt de voorziening verstrekt. Voor het verstrekken van enkele maatwerkvoorzieningen is een apart collegebesluit noodzakelijk. Als er lopende het onderzoek al ondersteuning in de vorm van een voorziening nodig is, kan dit worden ingediend door middel van een aanvraagformulier. Voor alle besluiten die worden genomen in het kader van de Wmo geldt dat de datum van besluit de eerst mogelijke startdatum van de toegekende voorziening is. In uitzonderlijke gevallen kan het besluit een terugwerkende kracht hebben en de toewijzingsdatum in het verleden liggen. De toewijzingsdatum kan echter nooit voor de meldingsdatum liggen.

11

3

Persoonsgebonden budget

Een persoonsgebonden budget (PGB) is een bedrag waarbij de inwoner zelf zijn zorg kan regelen. Een PGB draagt actief bij aan de mogelijkheden van de inwoner om regie te voeren over het eigen leven en het kan een oplossing zijn bij ondersteuningsvormen die niet of onvoldoende beschikbaar zijn via zorg in natura (ZIN). Een PGB en ZIN worden beschouwd als gelijkwaardige verstrekkingsvormen.

3.1

Voorwaarden om in aanmerking te komen voor een PGB

Bij een maatwerkvoorziening kan de inwoner de keuze maken deze ondersteuning te verzilveren via een PGB. Een inwoner moet daarvoor een gemotiveerd plan indienen bij het college. In dit plan moet de inwoner motiveren waarom hij/zij een PGB wil en hoe de zorg bijdraagt aan de doelen die geformuleerd zijn in het onderzoek. Andere voorwaarden die worden meegewogen in de toekenning van een PGB zijn: a) De inwoner is in staat, al dan niet met behulp van het eigen sociaal netwerk, tot waardering van zijn eigen belangen; b) De inwoner is in staat, al dan niet met hulp van het eigen sociaal netwerk, de aan een PGB verbonden taken uit te voeren; c) De met het PGB ingekochte diensten en goederen zijn van voldoende kwaliteit en passen bij het resultaat dat behaald moet worden met de ondersteuning; d) De ondersteuning die de inwoner wil inkopen via een PGB moet aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als de ondersteuning of hulp(verlening) die de gemeente zelf als ZIN inkoopt. De inwoner is verantwoordelijk voor de juiste kwaliteit van de ondersteuning en dient aan te tonen dat de gekozen professionele zorgaanbieder aan de kwaliteitseisen voldoet. e) Daarnaast zijn de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt voor het doel waarvoor het PGB wordt verstrekt.

De inwoner is verantwoordelijk voor het aantonen op welke wijze de kwaliteit geborgd is en de dienstverlening voldoet aan het doel en de resultaten. f) De diensten en goederen zijn veilig, doeltreffend en worden cliëntgericht verstrekt; Op basis van het PGB-plan dat de inwoner indient, beoordeelt het college of de inwoner in aanmerking komt voor een PGB. Leidend bij de beoordeling van het PGB-plan is de aard en omvang van de ondersteuning en de te behalen resultaten die als noodzakelijk zijn vastgesteld tijdens het onderzoek. Het besluit kan van persoon tot persoon verschillen, het is altijd een individuele weging. Toestemming voor verzilvering van de ondersteuning in de vorm van een PGB kan pas gegeven worden als het PGB-plan is goedgekeurd.

3.2

Uitsluitingsgronden

3.3

Eigen verantwoordelijkheid

Wanneer er een ernstig vermoeden is dat de inwoner problemen zal krijgen met het omgaan met een PGB, dan wordt een PGB geweigerd. Andere uitsluitingsgronden zijn wanneer er door of namens eerder juridisch vastgesteld misbruik is gemaakt van een PGB of er eerder sprake is geweest van vastgestelde fraude.

De inwoner met een PGB is zelf verantwoordelijk voor: • het inkopen van de individuele voorziening, hulpmiddel of ondersteuning; • het onderhoud, de reparaties, het aanbrengen van aanpassingen en de verzekering van het hulpmiddel (hiervoor kunnen jaarlijks kosten tot een vastgesteld maximumbedrag worden gedeclareerd)

12

Degene die door de inwoner ingeschakeld wordt voor het leveren van ondersteuning is verantwoordelijk voor het doorgeven van loongegevens aan de belastingdienst.

3.4

Inzetten informele hulp

In het PGB-plan kan de inwoner de wens uitspreken om zijn sociale netwerk in te willen zetten. Een vergoeding vanuit het PGB voor de inzet van het sociale netwerk zal in elk geval beperkt blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt. Voor informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen geldt dat een PGB alleen wordt verstrekt als is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

3.4.1 Afwegingskader inzet informele hulp

Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot betaling van een informele hulpverlener vanuit het PGB zal er tijdens het onderzoek, naast het algemene afwegingskader voor ondersteuning, aanvullend worden meegewogen: a) de inwoner moet zijn keuze, om informele hulp met het PGB in te schakelen, motiveren; b) de informele hulpverlener/mantelzorger mag daarbij op geen enkele wijze druk op de inwoner hebben uitgeoefend bij zijn besluitvorming om over te gaan tot inzet van de informele hulpverlener/mantelzorger en eventuele uitbetaling; c) de informele hulpverlener/mantelzorger moet in staat zijn om de gevraagde hulp te bieden, het mag niet te zwaar zijn; d) is er sprake van verlies aan inkomsten? Dit is het geval wanneer de informele hulpverlener/mantelzorger behoort tot de beroepsbevolking en door de geboden hulp minder kan werken. Het college is van mening dat doorgaans het verlenen van circa acht uur informele hulp per week, boven de gebruikelijke dagelijkse hulp, niet ten koste gaat van een betaalde baan; e) de kosten die de informele hulpverlener moet maken om zorg te verlenen en de mogelijkheid om dit zelf te kunnen bekostigen; f) is de informele hulp structureel, te typeren is als zwaar, kent deze een hoge mate van verplichting en is de hulp van behoorlijke omvang of betreft het incidenteel geboden hulp.

3.5

Beheer van het PGB

Regie kunnen voeren is een belangrijke voorwaarde voor het succesvol inzetten van een PGB. In die gevallen waar de inwoner dit niet zelf kan, kan de inwoner een beheerder of vertegenwoordiger aanwijzen. Een inwoner moet kunnen aantonen dat de beheerder of vertegenwoordiger hiervoor bekwaam is en beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn om een PGB goed te kunnen beheren. Het college kan in deze gevallen vragen om een verklaring ‘gewaarborgde hulp’. Het PGB-budget moet volledig ten goede komen aan de ondersteuning zelf en mag niet wegvloeien naar bemiddelingskosten en administratiekosten. De vertegenwoordiger of beheerder van het PGB is niet alleen verantwoordelijk voor de besteding van het budget, maar voor alle taken en verantwoordelijkheden die verbonden zijn aan een PGB. Daarmee is de vertegenwoordiger of beheerder ook verantwoordelijk voor de kwaliteit en veiligheid van de geboden ondersteuning. De beheerder van het budget kan niet tegelijkertijd de professionele hulpverlener zijn. De beheerder kan ook niet op een andere manier betrokken zijn bij de uitvoerende organisatie, als bijvoorbeeld directeur of bestuurder. Dit in verband met de onafhankelijke positie die de beheerder moet kunnen innemen ten opzichte van de zorgverlener.

13

3.6

Maximale inzet van een hulpverlener

3.7

Vakantie

3.8

Hoogte PGB

Een hulpverlener (professioneel en informeel) die via een PGB wordt ingehuurd mag niet onbeperkt ondersteuning leveren. Bij de beoordeling van het aantal uren dat een hulpverlener mag worden ingehuurd, worden alle betaalde werkzaamheden meegewogen en ook de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een PGB, levert aan andere personen of gezinsleden.

De Wmo is bedoeld voor ondersteuning bij de zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving. Een PGB dat naar zijn aard bedoeld is om in te zetten in en rond de woning van inwoner kan in beginsel niet tijdens een vakantie worden ingezet. Alleen onder voorwaarden en na toestemming van het college is het mogelijk het PGB in te zetten tijdens een vakantie in Nederland. Kosten voor ondersteuning tijdens een vakantie in het buitenland worden niet door het college gehonoreerd.

De hoogte van het PGB voor een verstrekking: 1. is maximaal de kostprijs van de in de situatie van de inwoner goedkoopste voorziening in natura; 2. is toereikend voor de aanschaf van de voorziening; 3. wordt, voor zover nodig, aangevuld met een (periodieke)vergoeding voor instandhoudingskosten (onderhoud, reparatie, aanbrengen van aanpassingen en verzekeringskosten). De hoogte van het PGB voor dienstverlening is maximaal het tarief van de door de gemeente gecontracteerde dienstverlening. Het college kan tarieven hanteren die lager liggen dan tarieven waarmee vergelijkbare zorg in natura wordt ingekocht. Dat heeft ermee te maken dat er bij een PGB minder overheadkosten hoeven te worden mee berekend. Voor een niet-opgeleid persoon uit het eigen netwerk geldt een lager tarief dan voor een opgeleide hulpverlener in dienst bij een aanbieder. Het PGB-budget moet volledig ten goede komen aan de ondersteuning zelf. Uit het pgb worden geen administratieve bemiddelingsbureaus, tussenpersonen of belangenbehartigers betaald. Ook kan het pgb niet gebruikt worden voor administratiekosten, crisishulp, cisisopvang en spoedeisende zorg, pleegzorg en collectief vraagafhankelijk vervoer. De kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening worden in natura verstrekt als daartoe afspraken zijn gemaakt met leveranciers, installateurs en onderhoudsbedrijven.

Als deze afspraken ontbreken, wordt de hoogte van de vergoeding voor die voorzieningen vastgesteld op basis van de werkelijke kosten. De vergoeding is gemaximeerd en er gelden voorwaarden.

3.9

Duur van de toekenning PGB voorziening

De voorziening wordt toegekend voor de periode die in de beschikking staat. Als de voorziening tussentijds niet blijkt te voldoen en er geen sprake is van veranderde omstandigheden, kan geen beroep worden gedaan op een vervangende voorziening. Voor hulpmiddelen en woonvoorzieningen geldt: als wordt verwacht dat de inwoner (langzaam) achteruit zal gaan wordt dit vooraf opgenomen in het programma van eisen. Indien nodig, moet de inwoner meewerken aan een medisch onderzoek.

3.10 Trekkingsrecht

De inwoner kan het PGB alleen verzilveren via het zogenaamde trekkingsrecht. Het rijk heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aangewezen als de uitvoerder van dit trekkingsrecht. De gemeente

14

stort het budget op de rekening van het SVB. De SVB beheert het PGB en betaalt dit uit aan de zorgverlener.

3.11 Weigering voorziening PGB

Een aanvraag voor een PGB kan geweigerd worden als de kosten van het PGB hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening. Het college zal het PGB weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening die het college beschikt. De inwoner zal het verschil zelf moeten betalen.

3.12 Aanschaf voorziening PGB

Na ontvangst van de beschikking heeft de inwoner zes maanden de tijd om de voorziening aan te schaffen. Is na 6 maanden geen gebruik gemaakt van het PGB dan wordt de beschikking ingetrokken.

3.13 Verantwoording éénmalige PGB voorziening

Het PGB voor een éénmalige voorziening wordt door de inwoner of aangewezen budgethouder na aanschaf van- of besteding aan de voorziening aan het college verantwoordt door, voor zover van toepassing, het inleveren van: a) de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; b) een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening Verantwoording dient binnen 2 maanden na aanschaf van de voorziening en uiterlijk binnen 6 maanden na afgifte van de beschikking door het college te zijn ontvangen.

3.14 Omzetting PGB in voorziening in natura

Een omzetting van het PGB in een voorziening in natura is alleen mogelijk als het PGB nog niet is besteed aan een voorziening. Als het PGB al is besteed aan een voorziening moet de inwoner ten minste tot einde afschrijvingstermijn wachten met het doen van een nieuwe aanvraag.

3.15 Derdenbeding

In geval dat een zorgverlener zich ten onrechte uit het persoonsgebonden budget laat betalen kan het college de onterecht ontvangen gelden rechtstreeks bij de zorgverlener terughalen.

3.16 PGB voor hulp bij het huishouden

Omdat het bij hulp bij het huishouden (HH) gaat om de inhuur van menskracht is het bij deze voorziening extra belangrijk dat de inwoner goed weet wat zijn rechten en plichten zijn. In het onderzoek wordt nagegaan of de belanghebbende ook daadwerkelijk in staat is de eigen regie te voeren.

3.17 PGB bij rolstoelen, losse woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen

Wanneer de inwoner kiest voor een PGB krijgt hij bij de beschikking een programma van eisen waar de voorziening aan moet voldoen. De inwoner kan op basis van dit programma van eisen zelf de voorziening aanschaffen. Als een inwoner een andere voorziening wil, kan hij daarvoor kiezen onder de voorwaarde dat de voorziening gelijkwaardige ondersteuning biedt en geen (andere) belemmeringen oproept. In geval de andere voorziening duurder is zijn de meerkosten voor rekening van de inwoner.

15

3.18 PGB bij auto aanpassing

Een vervoersvoorziening in de vorm van de aanpassing van een eigen auto bestaat altijd uit een PGB. Bij de toekenning van het persoonsgebonden budget vormen de werkelijke kosten van de auto aanpassing het uitgangspunt. De kosten worden door tussenkomst van de verstrekker van de autoaanpassingen vastgesteld. Het college stelt de aanvaardbare kosten vast. Voor de toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aanpassing van een eigen auto geldt: 1) dat de aanvrager medisch niet in staat is om met de PlusOV te kunnen reizen; 2) dat de voorziening nodig is voor alle vervoersbehoeften zowel op de korte als de lange afstand; 3) en een (combinatie van 2 of meer) andere voorziening(en) een duurder alternatief zal zijn. Aan de toekenning van deze voorziening zijn de volgende voorwaarden verbonden: 1) aanpassingen die bij de aanschaf van een eigen auto al voorzien konden worden en ook gekocht hadden kunnen worden, worden niet vergoed; 2) de aanpassing moet functioneel noodzakelijk zijn voor het gebruik van de auto door de inwoner; 3) de staat van de aan te schaffen auto is dusdanig dat de reële verwachting is dat de aan te schaffen voorziening ten minste 5 jaar bruikbaar is; 4) de tegemoetkoming in de kosten van aanpassing eigen auto wordt slechts eenmaal per 5 jaar verstrekt.

3.19 PGB bij rolstoel

Het PGB voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst adequate voorziening, verhoogd met het goedkoopst adequate bedrag voor onderhoud en reparatie voor vergelijkbare rolstoelen.

3.20 PGB bij sportvoorziening

In het geval dat het noodzakelijk is om te kunnen participeren kan een sportvoorziening worden verstrekt. Voor de verstrekking van een sportvoorziening geldt een forfaitaire financiële tegemoetkoming die bedoeld is voor de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van minimaal drie jaar.

3.21 PGB bij individuele begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf

Het tarief voor een PGB is mede gebaseerd op een door de inwoner opgesteld persoonlijk plan over hoe het PGB wordt besteed. Het bedrag is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. De hoogte van een PGB voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.

16

4

Eigen bijdragen voor het gebruik van voorzieningen

4.1

Eigen bijdrage algemene voorziening

4.2

Eigen bijdrage maatwerkvoorziening (abonnementstarief)

Het algemene uitgangspunt is dat er geen bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen wordt gevraagd met uitzondering van eventuele onkosten voor het nuttigen van consumptieve goederen, het gebruik van materialen en eventuele lidmaatschapskosten.

Het Rijk heeft het abonnementstarief Wmo ingesteld. De eigen bijdrage wordt door het CAK berekend conform de voorwaarden van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit is een vast tarief voor de eigen bijdragen aan Wmo-voorzieningen. Voor alle maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van rolstoelen, de vervoerspas PlusOV en hulpmiddelen voor kinderen tot 18 jaar, is een eigen bijdrage verschuldigd. Dit tarief geldt voor iedereen, ongeacht inkomen, vermogen of gebruik. Voor woningaanpassingen ten behoeve van een kind wordt wel een eigen bijdrage in rekening gebracht aan de ouder(s) van de minderjarige. Dit is ook van toepassing indien de ouders gescheiden leven of het kind niet bij de ouders verblijft.

17

5 Afweging maatwerkvoorzieningen Als vastgesteld is dat er sprake is van belemmeringen in de zelfredzaamheid en participatie en de inwoner kan niet zelf, al dan niet met behulp van zijn sociaal netwerk voldoende resultaat behalen, kan er een noodzaak zijn voor ondersteuning via de Wmo. Allereerst dient onderzocht te worden of met de ondersteuning via een algemene voorziening voldoende resultaat behaald kan worden. Is dat niet het geval dan wordt er onderzocht of een combinatie van een algemene voorziening en een maatwerkvoorziening voldoende resultaat kan opleveren. Pas wanneer het antwoord hierop negatief is, kan er een noodzaak zijn voor het bieden van alleen een maatwerkvoorziening. Maatwerkvoorzieningen kennen verschillende verschijningsvormen, passend bij het resultaat dat behaald moet worden. Naast het algemene afwegingskader, zoals beschreven in deze beleidsregels, wordt bij de beoordeling van een verzoek voor ondersteuning in de uitvoering gewerkt volgens nadere uitvoeringsrichtlijnen. In dit hoofdstuk wordt toegelicht welke afwegingen gemaakt worden om tot een passend resultaat te komen.

5.1

Leidraad schoon en leefbaar huis

5.1.1 Algemene afwegingen

Huishoudelijke activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit betekenen dat een deel van het huishouden door de inwoner of iemand uit de leefeenheid wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Het type en de grootte van de woning zijn niet van invloed op de hoeveelheid te verstrekken hulp. Als norm wordt de grootte en inrichting van een sociale huurwoning gehanteerd. Er wordt geen of minder ondersteuning bij het schoonhouden of organiseren van het huishouden geboden op het moment dat er gebruikelijke hulp aanwezig is. Er wordt onderzocht wat een inwoner zelf via een algemeen gebruikelijke voorziening kan oplossen. Een voorbeeld is de glazenwasser. Een inwoner kan op eigen kosten een glazenwasser een aantal keren per jaar het glas- en houtwerk buiten laten doen. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de inwoner mag worden verwacht dat rekening wordt gehouden met het praktisch inrichten van de woning, het zelf opruimen en de planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo ver als mogelijk voorbereiden van de was, zelf zorgen dat ruimtes opgeruimd zijn en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning.

De gevolgen van het houden van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren) op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Het resultaat van de ondersteuning is dat de inwoner beschikt over een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat de inwoner gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapkamer in gebruik zijnde ruimte(s), de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het huishouden moet “op

18

orde” zijn. Er kan goed geleefd worden, het vormt een basis waar de inwoner mensen kan ontvangen en van waaruit de inwoner kan participeren in de samenleving. Wanneer een inwoner regie kan voeren over het eigen leven, mag van hem/haar worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en keuzes worden gemaakt. Gemeentelijke ondersteuning bij het voeren van een huishouden neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar helpt de inwoner om het resultaat te behalen. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van de ondersteuning.

5.1.2 Gebruikelijke zorg bij een schoon en leefbaar huis

Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht (een deel van) het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die ondersteuning vraagt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar ook inwonende ouders. Of sprake is van inwonen wordt op basis van concrete feitelijkheden vastgesteld. Onder inwonend wordt ook verstaan dat de aanvrager geen eigen zelfstandige huishouding heeft maar bij anderen inwoont. Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. • Van kinderen tot 5 jaar wordt niet verwacht dat zij een bijdrage leveren in het huishouden. In de leeftijd van 5 tot 12 jaar wordt verwacht dat zij naar hun eigen mogelijkheden een bijdrage leveren bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand doen. • In de leeftijd van 12 tot 18 jaar wordt verwacht dat zij, naast hiervoor genoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Er kan voor activiteiten die kinderen van 12 tot 18 jaar uitvoeren tijd in mindering worden gebracht.

Er wordt wel onderzoek gedaan naar de belastbaarheid van het kind: mag gezien de leeftijd worden verwacht dat het kind deze taak doet of gaat doen waarbij rekening wordt gehouden met school, stage, hobby’s, een bijbaantje etc. • Van huisgenoten van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat zij de huishoudelijke taken voor een eenpersoons huishouden verzorgen. • Van een huisgenoot van 23 jaar of ouder wordt meer verwacht. Deze kunnen alle taken in een meerpersoons huishouden verzorgen. • Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen voeren. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten komen niet-uitstelbare taken in aanmerking voor zorgverlening.

5.1.3 Informele hulp/mantelzorger en een schoon en leefbaar huis

Ook bij informele hulp/mantelzorgers kan er sprake zijn van problemen met een schoon huis. In het geval dat een mantelzorger ergens anders woont en niet toekomt aan het schoonmaken van zijn eigen huis dan kan de inwoner, als hij een zorgzwaartepakket (ZZP) heeft, mogelijk de zorg in natura door het zorgkantoor laten wijzigen in een PGB en dat budget gebruiken om de mantelzorger te betalen, die op zijn beurt met dat geld hulp in eigen huis kan bekostigen. Het college beschouwt deze opties als een voorliggende voorziening. Indien aannemelijk is dat er een indicatie via het CIZ kan komen wordt er geen voorziening verstrekt voordat een afwijzing van het CIZ wordt overlegd door de inwoner.

19

5.1.4 Tijdnormering schoon en leefbaar huis

Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Onder een wasvoorziening wordt verstaan: wassen, drogen en vouwen van kleding en het terugleggen van kleding in de garderobekast zodat dat een client beschikt over schone kleding. Gemiddeld huishouden Bij een schoon en leefbaar huis gaan we uit van een gemiddeld huishouden.

Onder een gemiddelde huishouden wordt verstaan: • een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; • wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; • er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; • de inwoner kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak; • de inwoner heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; • er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; • er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de inwoner die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; • de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. Afbakening ruimtes De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, berging, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke hulp. Afwegingskader Het college hanteert het HHM rapport (normenkader huishoudelijke hulp 2019 Bureau HHM) als leidraad voor onderbouwing van een toekenning voor huishoudelijke hulp.

Afwijkend van het HHM rapport heeft het college bepaald dat wasvoorziening onderdeel is van huishoudelijke hulp. Het toekennen van huishoudelijke hulp kan alleen als uit de afweging duidelijk blijkt welke andere mogelijke opties zijn onderzocht en er onderbouwing wordt gegeven voor het toekennen. Hierop vindt toetsing plaats. Op basis van het onderzoek kan het college tot een van de volgende conclusies komen: 1. er is geen hulp nodig: ondersteuning kan uit de eigen omgeving komen. 2. er is hulp nodig: het college kan, als er sprake is van enkelvoudige ondersteuningsvraag, maximaal 2 uur per week toekennen voor het resultaat schoon en leefbaar huis. Kan dus ook minder zijn dan 2 uur. 3. er is sprake van regieproblematiek: het college kan, op basis van een onderbouwing, maximaal 30 minuten extra toekennen voor het resultaat regie op gestructureerd huishouden. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon en leefbaar huis kan in uitzonderlijke situaties, op basis van een uitgebreide analyse en goed onderbouwd, zonodig aanvullende ondersteuning worden ingezet. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, klaarzetten van maaltijden, beschikken over schone kleding of kindzorg. 20

Bij het toekennen van huishoudelijke hulp wordt een totaal aantal uren voor de duur van de beschikking gegeven. De inwoner kan, in overleg met de zorgaanbieder, invulling geven aan de inhoud en inzet van ondersteuning.

5.2

Leidraad wonen in een geschikt huis

Het beschikken over een woning behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Dit geldt in beginsel ook voor het beschikken over een zo geschikt mogelijke woning. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid om passende maatregelen te nemen behorend bij de levensfase en te verwachten beperkingen. Een woningaanpassing, of ondersteuning bij het vinden van een geschikte woning, wordt in het kader van de Wmo daarom in beginsel alleen verleend indien het ontstaan van beperkingen, verminderde zelfredzaamheid en participatieproblemen het gevolg zijn van onvoorziene en onverwachte omstandigheden, gelegen buiten eigen toedoen. Het is de verantwoordelijkheid van de inwoner om tijdens het onderzoek te laten zien dat, ondanks de eigen verantwoordelijkheid om passende maatregelen te nemen behorend bij de levensfase en te verwachten beperkingen, toch om een voorziening bij de gemeente verzocht wordt. Wanneer er door de inwoner onvoldoende aangetoond wordt dat er sprake is van onvoorziene en onverwachte omstandigheden, gelegen buiten eigen toedoen, dan kan het college een verzoek afwijzen.

5.2.1 Extra grote woning of mantelzorgunit

Een extra grote woning of een mantelzorgunit op het erf om mantelzorgtaken op zich te kunnen nemen komt niet in aanmerking voor een vergoeding.

5.2.2 Aard en omvang van de woningaanpassing

Bij het bepalen van de aard en omvang van de te verstrekken woningaanpassing gelden de volgende uitgangspunten: 1) Het niveau sociale woningbouw geldt als bovengrens van de geboden oplossing. Dit betekent dat wordt gekozen voor een sobere doch doelmatige noodzakelijke oplossing. Voor een aangepast keukenblok is de standaard 3 onderkasten en twee bovenkasten. Wanneer het nodig is om een slaapkamer en natte cel op de begane grond te creëren, dan wordt beoordeeld of het mogelijk is dit te realiseren binnen de bestaande oppervlakte, bijvoorbeeld door een ruime woonkamer op te delen in meerdere ruimten zodat er een inbouw natte cel geplaatst kan worden. De financiële tegemoetkoming wordt hierop afgestemd. Het staat de inwoner vrij voor een hoger afwerkingsniveau te kiezen dan sociale woningbouw. De meerkosten komen dan voor eigen rekening. 2) Het op de woning van toepassing zijnde bouwbesluit wordt als uitgangspunt genomen voor wat betreft het uitrustingsniveau dat verwacht mag worden.

Alleen zaken die dat uitrustingsniveau te boven gaan, kunnen als maatwerkvoorziening worden aangeboden; 3) Aanpassingen aan de eisen van de tijd komen voor eigen rekening van de bewoner dan wel de eigenaar van de woning; 4) Afschrijving van bestaande woonelementen zal worden meegewogen bij het bepalen van de (financiële) omvang van de maatwerkvoorziening; 5) Bij toekenning van de woningaanpassing zullen afspraken worden gemaakt over (gedeeltelijke) terugbetaling van de woningaanpassing bij verhuizing. Deze afspraken worden vastgelegd in de beschikking.

21

5.2.3 Verhuizing op advies van de gemeente

De mogelijkheid van het verhuizen naar een geschikte woning wordt bij de beoordeling van de goedkoopst adequate oplossing door het college meegewogen. Indien verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is, kan dit worden verlangd zolang dit werkelijk kan plaatsvinden binnen een medisch verantwoorde termijn. Van een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten is alleen sprake bij een door het college vastgestelde mogelijkheid tot verhuizen naar een passende woning. Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt geen verhuiskostenvergoeding toegekend. De hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten is vastgelegd in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2020.

5.2.4 Lening toekomstbestendig wonen

Inwoners die eigenaar zijn van een woning (en daarin hun hoofdverblijf hebben) kunnen een lening aanvragen voor het aanpassen van de woning om het makkelijker te maken om maatregelen te nemen om (langer) in de woning te kunnen blijven wonen. De gemeente biedt daarmee inwoners de mogelijkheid om zelf in toekomstige woonbehoeften te faciliteren om langer, comfortabel, veilig en levensloopbestendig te blijven wonen in hun eigen woning.

5.2.5 Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen 1) Er worden geen algemeen gebruikelijke aanpassingen aan woningen vergoed als de belemmeringen te verwachten of te voorspellen zouden zijn. 2) Woonvoorzieningen komen niet voor vergoeding in aanmerking wanneer deze voorzieningen als algemeen gebruikelijk kunnen worden gezien. Het gaat daarbij om voorzieningen en producten die in iedere sanitaire winkel of bouwmarkt verkrijgbaar zijn tegen een redelijke prijs en zijn niet specifiek bedoeld voor mensen met een beperking. Deze voorzieningen worden veelal aangeschaft vanwege gemak/comfort. Er vindt daarom geen vergoeding plaats wanneer iemand de voorziening wil aanschaffen vanwege beperkingen. 3) Woonvoorzieningen voor specifiek ouderen en chronisch zieken komen niet voor vergoeding in aanmerking wanneer verwacht mag worden dat de inwoner hierop tijdig heeft kunnen anticiperen. Bij het verhuizen naar een nieuwe woning kan de inwoner rekening houden met de toekomstige situatie en hier tijdig op anticiperen. Blijft men wonen in de huidige woning, dan is het ook aan de inwoner om hierop te anticiperen. Een inwoner maakt hierin eigen keuzes. Een keuze kan zijn om, ondanks een slechter wordende gezondheid door een chronische ziekte, niet te willen verhuizen.

Inherent aan deze keuze is dat de inwoner zelf de verantwoordelijkheid heeft om de gewenste aanpassingen in het huis te regelen en te financieren. 4) Bij het onderzoek voor een woonvoorziening wordt rekening gehouden met afschrijvingen. Voor het gedeelte dat al is afgeschreven wordt geen tegemoetkoming verstrekt, want het wordt door het college als algemeen gebruikelijk beschouwd dat een inwoner hiervoor reserveert in geval van een koopwoning. Afschrijvingsschema’s en restwaardes zijn vastgelegd in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2020.

5.2.6 Algemene voorzieningen

Het college streeft ernaar zoveel mogelijk algemene voorzieningen in te zetten. Als er nog geen algemene voorziening beschikbaar is, wordt onderzocht of deze gecreëerd kan worden. Als het opzetten van een algemene voorziening binnen redelijke termijn gerealiseerd kan worden, en deze voorziening is passend voor de inwoner dan wordt er geen maatwerkvoorziening ingezet.

22

5.2.7 Maatwerkvoorzieningen

Als er uit het onderzoek blijkt dat er een noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening, dan zal er door het college een plan van aanpak worden opgesteld. Het college kan indien dit nodig wordt geacht, hiervoor een ergonomisch of medisch advies inwinnen bij een daartoe door het college gecontracteerd adviesbureau. Het college beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Als de kosten voor de aanpassingen in het huis boven het bedrag uitkomen dat het college maximaal beschikbaar stelt voor verhuis- en herinrichtingskosten dan wordt er geen vergoeding voor aanpassingen verstrekt. Er kunnen de volgende redenen zijn om hiervan af te wijken: a) medische redenen: wanneer er medische redenen een verhuizing in de weg staan, dan kan het college besluiten om wel een voorziening te verlenen. b) wanneer een verhuizing, ondanks anticiperen van de inwoner, niet binnen de redelijke termijn van 6 maanden realiseerbaar is; c) een andere woning is niet in redelijkheid betaalbaar omdat de huur boven de grens voor huurtoeslag ligt terwijl de inwoner gelet op zijn/haar inkomen, wel voor huurtoeslag in aanmerking komt als de huur onder deze grens zou liggen; d) wanneer verhuizing leidt tot onherstelbare aantasting van het sociaal netwerk van de inwoner.

Dit is aan de orde als het verhuizen zou leiden tot het wegvallen van bepaalde vormen van mantelzorg en buurtgebonden vrijwilligerswerk. Het gaat daarbij om niet verplaatsbare mantelzorg die in belangrijke mate de activiteiten van het dagelijks leven ondersteunt en daarmee een besparing oplevert ten opzichte van professionele zorg; e) vermogensverlies: dit kan zich voordoen wanneer de inwoner eigenaar is van de woning, en de verkoopprijs van de woning aanzienlijk lager zal zijn dan de aankoopprijs. Als richtlijn voor ernstig vermogensverlies wordt aangehouden dat er sprake moet zijn van 5% of meer verlies ten opzichte van de aankoopprijs. Bij woningen die al langer in eigendom zijn van de bewoner, zal er doorgaans geen sprake zijn van vermogensverlies, eerder van overwaarde. f) een bedrijf aan huis kan een reden zijn om de woning toch aan te passen. Doorslaggevend hierbij is of het bedrijf al dan niet verplaatsbaar is naar een andere locatie en de kosten die daarmee gemoeid zijn. g) In het belang van de inwoner en de inzet van andere Wmo voorzieningen is het noodzakelijk om tot verlening van de woonvoorziening over te gaan; h) Als bij verhuizing de woonlastenstijging de draagkracht van een inwoner te boven gaat, kan de woning toch aangepast worden. Hierbij moet bedacht worden dat voor veel gehandicapten een hogere huur opgevangen wordt door een hogere huurtoeslag.

De bevoegdheid om een afwijkend besluit te nemen is niet gemandateerd aan Team voor Elkaar. Aanvullende toetsing en advies worden ingezet voordat besluitvorming plaatsvindt.

5.3

Leidraad goederen voor primaire levensbehoeften

Iedere inwoner moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften (levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, producten die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden). Het uitgangspunt is dat een inwoner zelf of via zijn/haar eigen sociaal netwerk zorgt dat de noodzakelijke boodschappen gedaan worden. Aanvullend kan er gebruik gemaakt worden van de aanwezige boodschappendiensten van winkels en supermarkten. Is dit niet mogelijk dat wordt er onderzocht of via de algemene voorziening ondersteuning kan worden geboden. Er zijn vele vrijwilligers en “maatjes” die dit kunnen en willen doen. Hiermee is vrijwel uitgesloten dat er een noodzaak is om een maatwerkvoorziening in te zetten. Mocht dit in zeer uitzonderlijke individuele gevallen noodzakelijk zijn dan zal hulp dit beperken tot beschikken over primaire levensbehoeften. Grotere inkopen zoals kleding en huishoudelijk en andere apparaten zijn uitgesloten.

23

5.3.1 Gebruikelijke zorg voor primaire levensbehoeften

Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht om te voorzien in de primaire levensbehoeften. Onder huisgenoot wordt verstaan: Een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die ondersteuning vraagt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar ook inwonende ouders. Of sprake is van inwonen wordt op basis van concrete feiten vastgesteld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. gedeeld worden Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. • Van kinderen tot 5 jaar wordt niet verwacht dat zij een bijdrage leveren door boodschappen te doen. • In de leeftijd van 5 tot 12 jaar wordt verwacht dat zij naar hun eigen mogelijkheden een bijdrage leveren bij het boodschappen doen. • In de leeftijd van 12 tot 18 jaar wordt verwacht dat zij naar vermogen helpen bij het doen van boodschappen voor het huishouden. • Van huisgenoten van 18 jaar en ouder wordt verwacht dat zij de boodschappen voor het huishouden doen.

5.3.2 Bereiden van brood- en warme maaltijden

Een inwoner is primair zelf verantwoordelijk voor het bereiden van brood en warme maaltijden. Wanneer echter objectief is komen vast te staan dat een inwoner door bijvoorbeeld initiatiefverlies niet in staat is om zelf een brood en warme maaltijd te bereiden kan ondersteuning geboden worden. Uiteraard wordt samen met de inwoner besproken of aanspraak doen op de Wet Langdurige zorg aan de orde is. Als helpen met eten of toezicht houden op eten noodzakelijk is hoort deze taak onder de zorgverzekeringswet.

5.4

Leidraad voor het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding

De dagelijkse kleding en het linnengoed moeten met enige regelmaat worden gereinigd. Dit betekent het wassen, drogen, in uitzonderlijke situaties ook strijken, opvouwen en opruimen. We spreken hier in deze beleidsregels uitsluitend over normale kleding voor alledag en over (keuken) handdoeken en beddengoed zoals dekbedhoezen of lakens. Daarbij is het uitgangspunt dat er niet gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding en linnengoed kan een inwoner hiermee rekening houden wanneer er beperkingen zijn. De inwoner heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid. Bestaat er in bepaalde situaties toch een noodzaak om kleding te strijken, dan kan mogelijk gebruik worden gemaakt van een strijkservice. Bij het wassen en drogen van kleding en linnengoed is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Licht verstelwerk, zoals het vastzetten van een naad of het aanzetten van een knoop komt niet voor vergoeding in aanmerking.

5.4.1 Gebruikelijke zorg schone, draagbare en doelmatige kleding Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht te wassen, drogen, in bepaalde situaties strijken, opvouwen en opruimen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die ondersteuning vraagt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar ook inwonende ouders. Of sprake is van inwonen wordt op basis van concrete feitelijke vastgesteld. Daarbij staat inwonend tegenover het

24

hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. gedeeld worden. Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. • Van kinderen tot 5 jaar wordt niet verwacht dat zij een bijdrage leveren. • In de leeftijd van 5 tot 12 jaar wordt verwacht dat zij naar hun eigen mogelijkheden een bijdrage leveren zoals was in de wasmand doen. • In de leeftijd van 12 tot 18 jaar wordt verwacht dat zij kunnen helpen met de wasverzorging. Er wordt wel onderzoek gedaan naar de belastbaarheid van het kind: mag gezien de leeftijd worden verwacht dat het kind deze taak doet of gaat doen waarbij rekening wordt gehouden met school, stage, hobby’s, een bijbaantje etc. • Van huisgenoten van 18 en ouder wordt verwacht dat zij alle taken kunnen uitvoeren.

5.4.2 Algemene voorziening schone, draagbare en doelmatige kleding

Een algemene voorziening is altijd voorliggend aan de optionele inzet van een maatwerkvoorziening. Wanneer een algemene voorziening nog niet beschikbaar is kan onderzocht worden of deze ontwikkeld kan worden in opdracht van het college. Wanneer deze algemene voorziening binnen een redelijke termijn beschikbaar kan zijn, dan wordt in afwachting daarvan geen maatwerkvoorziening ingezet.

5.5

Leidraad het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren

De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak en eigen verantwoordelijkheid van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang is voor de kinderen is. Wanneer beide ouders mede door beperkingen in een individuele uitzonderlijke situatie niet in staat zijn hun kinderen op te vangen dan kan het college tijdelijk ondersteuning bieden. Gedurende deze tijdelijke ondersteuning is de verantwoordelijkheid van ouders om zelf een permanente oplossing te zoeken en vinden. Onvoldoende inzet en inspanning van de ouders om zelf en actief een permanente oplossing te vinden is reden om de tijdelijke ondersteuning te stoppen.

5.5.1 Voorliggende voorzieningen • • • •

5.6

Buitenschoolse opvang zijn voorliggende voorzieningen. Kan hier gebruik van worden gemaakt, dan wordt er door het college geen voorziening ingezet. Kinderopvang is ook een voorliggende voorzieningen. Kan hier gebruik van worden gemaakt, dan wordt er door het college geen voorziening ingezet. Calamiteiten-, zorg- en/of ouderschapsverlof vanuit de werkgevers is ook een voorliggende voorzieningen. Kan hier gebruik van worden gemaakt, dan wordt er door het college geen voorziening ingezet. Voorzieningen vanuit de Jeugdzorg zijn voorliggend

Leidraad voor het verplaatsen in en om de woning

Wanneer een inwoner beperkt is in de mobiliteit kunnen er voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning gewenst zijn. Uitgangspunt voor het college is dat een inwoner zich binnenshuis en buitenshuis in een straal van 100 meter om de woning zelfstandig moet kunnen voortbewegen. Ook wanneer een inwoner zich dagelijks over langere afstanden moet verplaatsen en hiertoe niet in staat is, kan een voorziening gewenst zijn. Op voorzieningenniveau gaat het bijvoorbeeld om rolstoelen voor dagelijkse verplaatsen. 25

5.6.1 Algemene voorzieningen of een collectief vervoerssysteem gaan voor op een maatwerkvoorziening

Bij het onderzoek naar het meest geschikte vervoermiddel wordt rekening gehouden met de persoonskenmerken en vervoersbehoefte van de inwoner. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Immers ook een inwoner zonder beperkingen moet voor vervoerkosten maken. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft bijvoorbeeld al een auto en is gewend daarmee in de vervoersbehoefte te voorzien) is er geen noodzaak tot het bieden van een oplossing. Dat kan anders zijn indien door het optreden van de beperkingen ook het inkomen daalt. Om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Ook algemeen gebruikelijke voorzieningenkunnen een oplossing zijn zoals een fiets met trapondersteuning, een bakfiets en dergelijke. Bij kortdurend en/of incidenteel gebruik wordt een beroep gedaan op eigen mogelijkheden en/of de inzet van algemene voorzieningen. Een verzoek voor een voorziening kan in deze gevallen worden geweigerd

5.6.2 Afwegingskader

1) Het doel is zich kunnen verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de eigen woning worden gedaan. Daarbij gaat het om voorzieningen die het mogelijk maken om zich dagelijks zittend te kunnen verplaatsen. 2) Een rolstoel is een voorziening waar de inwoner (semi) permanent gebruik van maakt. Rolstoelen voor incidenteel gebruik waarbij bijvoorbeeld de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes te gebruiken, komen niet in aanmerking voor een vergoeding. 3) Voor loophulpmiddelen is een voorliggende regeling via de zorgverzekeraar. 4) Voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning worden verstrekt aan inwoners met een zelfstandige woonruimte. Vanuit de Wet langdurige zorg worden ook mobiliteitshulpmiddelen voor bewoners in een Wet langdurige zorginstelling verstrekt. In de situatie dat er sprake is van een Wet langdurige zorg indicatie aan thuiswonenden kan een voorziening worden ingezet.

5.6.3 Financiële mogelijkheden

In het gesprek met de inwoner doet het Team voor Elkaar actief een moreel beroep op eigen financieringsmogelijkheden van de inwoner.

5.6.4 Programma van eisen

Als er tijdens het onderzoek blijkt dat er noodzaak bestaat voor een voorziening voor dagelijks gebruik, dan wordt een programma van eisen opgesteld. Het college kan hiervoor een ergonomisch of medisch advies inwinnen bij een daartoe gecontracteerde adviesinstantie.

5.6.5 Goedkoopst adequate voorziening Er wordt altijd onderzocht wat de goedkoopst adequate voorziening is voor het verplaatsen in en om de woning. Doel is de inwoner ondersteunen om zich te kunnen verplaatsen in en om het huis, of zich over langere afstanden te kunnen verplaatsen. Ondanks alle opties die leveranciers en aanbieders beschikbaar hebben die het leven aangenamer maken, er worden alleen die goedkoopste voorzieningen ingezet die het mogelijk maken zich te kunnen verplaatsen. 26

5.6.7 Mantelzorgers

De zelfredzaamheid van de inwoner is het uitgangspunt. Wanneer er mantelzorgers aanwezig zijn zal het college in haar onderzoek hiermee rekening houden. Wanneer na medisch onderzoek blijkt dat een mantelzorger niet in staat is de rolstoel te duwen, kan er duwondersteuning op de rolstoel overwogen worden.

5.7

Leidraad voor vervoer

Om te kunnen participeren is het zich kunnen verplaatsen in de directe woon en leefomgeving belangrijk. Het gaat over verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en in het leven van alledag. Deze verplaatsingen kunnen veelal plaatsvinden met algemene voorzieningen als het openbaar vervoer of algemeen gebruikelijke voorzieningen als de eigen auto, en al dan niet aanvullend op het gebruik van de (elektrische) fiets of brommer. Binnen de grenzen van de gemeente Brummen zijn voldoende opstapmogelijkheden van openbaar vervoer aanwezig. De regiobussen zijn lage instapbussen. Hiermee zijn de bussen goed toegankelijk en voor inwoners bereikbaar. Daarnaast rijdt in de gemeente Brummen de Buurtbus en in aanvulling op het reguliere openbaar vervoer is er het collectief vraagafhankelijk vervoer dat ook voor iedereen vrij toegankelijk is. Wanneer iemand beperkingen heeft, dan volstaan algemeen (gebruikelijke) voorzieningen niet altijd meer. Het kan dan nodig zijn om een maatwerkvoorziening te onderzoeken. In het onderzoek wordt onderzocht of er sprake is van meerkosten die niet financieel gedragen kunnen worden door de inwoner. Van iedere inwoner is het normaal om kosten te maken voor vervoer. Ook wordt onderzocht of er sprake is van een daadwerkelijk andere situatie dan voorheen.

Heeft een inwoner een auto of ander vervoer en is gewend om daar alles mee te doen, dan is er geen noodzaak om een voorziening in te zetten. Ook bij het onderzoek naar de mate van verplaatsen wordt onderzocht wat voorheen “normaal” en gebruikelijk was. Is een inwoner gewend om maar een enkele keer per week zich buitenhuis te verplaatsen, dan is ondersteuning voor deze enkele keer per week ook passend. Het college hanteert maximaal 20 kilometer rond de woning als norm voor een gereduceerd tarief Op jaarbasis gaat het college uit van maximaal 1500 kilometer reizen waarvoor een gereduceerd tarief geldt.

5.7.1 Vervoer om sociale verbanden aan te gaan (Participatie)

Medemensen kunnen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden met anderen aangaan is voor iedere inwoner belangrijk. Een rolstoel of een sportvoorziening kan een inwoner hierbij ondersteunen. Rolstoelen voor incidenteel gebruik (transportrolstoel) worden niet verstrekt door het college.

5.7.2 Collectieve voorzieningen gaan voor een individuele maatwerkvoorziening

Collectieve voorzieningen zoals het collectief vraagafhankelijk vervoer of een scootmobielpool gaan altijd voor een individuele voorziening tenzij de individuele voorziening goedkoper is. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoersmogelijkheid aangeboden. Net als dat voor personen zonder beperkingen geldt moet er voor vervoer betaald worden in de vorm van een ritbijdrage of eventueel eigen bijdrage.

5.7.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen vervoer Een eigen auto is een algemeen gebruikelijke voorziening. Een (elektrische) fiets, (elektrische) bakfiets, brommer of scooter zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen.

27

5.7.4 Voorliggende voorzieningen vervoer

Voor vervoer naar het ziekenhuis kan een beroep gedaan worden op de Regeling zittend ziekenvervoer. Alleen wanneer de zorgverzekeraar geen vergoeding verstrekt kan een voorziening onderzocht worden. Voor vervoer naar het ziekenhuis kan gebruik gemaakt worden van algemene vervoersvoorzieningen. Voor vervoer naar werk of school kan een beroep gedaan worden op voorzieningen die vanuit de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) verstrekt worden door het UWV of op de regeling Leerlingenvervoer.

5.7.5 Algemene voorziening vervoer

Een algemene voorziening is altijd voorliggend aan de optionele inzet van een maatwerkvoorziening. Wanneer deze algemene voorziening binnen een redelijke termijn beschikbaar kan zijn dan wordt in afwachting daarvan geen maatwerkvoorziening ingezet.

5.7.6 Collectief vraagafhankelijk vervoer

In het onderzoek beoordeelt het college of in de vraag van de inwoner voorzien kan worden met het collectief vraagafhankelijk vervoer. Als de inwoner de beschikking heeft over een eigen auto en daarvan gebruik kan maken, wordt er geen voorziening collectief vraagafhankelijk vervoer ingezet. Collectief vraagafhankelijk vervoer gaat boven de inzet van een individuele voorziening tenzij een individuele voorziening goedkoper is. Met het collectief vraagafhankelijk vervoer kan voor maximaal 20 kilometer gereisd worden tegen gereduceerd tarief. Boven deze 20 kilometer is reizen en vervoer uitsluitend mogelijk tegen een commercieel tarief.

5.7.7 Bovenlokale verplaatsingen

Van bovenlokale verplaatsing is sprake wanneer een inwoner meer dan 20 km rond de woning reist. Als er tijdens het onderzoek blijkt dat er noodzaak bestaat voor bovenlokale verplaatsingen kan het college hiervoor een maatwerkvoorziening inzetten. Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van de eigen auto of het openbare vervoer. Als het reguliere openbaar vervoer om medische redenen niet mogelijk is, kan een inwoner gebruik maken van Valys (beschikbaar vanaf 25 kilometer vanaf het woonadres). Niet alle bovenlokale verplaatsingen komen voor vergoeding in aanmerking. Het is gebruikelijk dat iemand zowel op bezoek gaat als bezoek ontvangt en dat de kosten door beide partijen worden gedeeld. Kosten voor bovenlokale reizen naar recreatieve bestemmingen komen niet voor vergoeding in aanmerking.

5.7.8 Individueel vervoer

Alleen wanneer individueel vervoer goedkoper is dan collectief vraagafhankelijk vervoer kan individueel vervoer worden onderzocht. Een individuele voorziening wordt verstrekt in de vorm van een taxi-kilometerbudget of rolstoel-taxikilometerbudget.

5.7.9 Meereizen begeleider

Als het om medische- en/of veiligheidsredenen noodzakelijk is dat een begeleider meereist wordt vervoersondersteuning van de mantelzorger onderzocht. Indien uit het onderzoek blijkt dat er een noodzaak is, kan een begeleiderspas verstrekt worden.

5.7.10 Autoaanpassingen

Wanneer een autoaanpassing goedkoper is dan de inzet van collectief vraagafhankelijk vervoer of individueel vervoer kan een vergoeding voor een autoaanpassing worden onderzocht. Alleen

28

meerkosten die vanwege (het ontstaan van) de beperking noodzakelijk zijn komen voor een vergoeding in aanmerking.

5.7.11 Scootmobiel

Een scootmobiel kan worden ingezet voor vervoer op de korte (in de directe nabijheid van de woning) en middellange afstanden. De scootmobiel kan een voorziening zijn voor de directe omgeving van de eigen woning, voor activiteiten als boodschappen doen, bezoek aan inwoners uit het eigen sociaal netwerk of het meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Wanneer een inwoner objectief aangetoonde ernstige belemmeringen heeft in de sta- en loopfunctie en daardoor problemen van langdurige aard heeft bij het verplaatsen buitenshuis kan deze voorziening onderzocht worden. Voorafgaand aan het onderzoek kan het college de inwoner vragen om een haalbaarheidsonderzoek aan te leveren. In dit onderzoek wordt de bruikbaarheid van een voorziening voor de inwoner beoordeelt. Voor dit onderzoek kan gebruik gemaakt worden van externe expertise. Alleen de goedkoopst passende scootmobiel wordt als voorziening ingezet voor vervoer op de korte (in de directe nabijheid van de woning) en middellange afstanden. Wanneer de inwoner meer luxe wil of een scootmobiel met een hogere snelheid dan is dit voor eigen kosten mogelijk. De kosten voor de reparatie van de scootmobiel als gevolg van verwijtbaar gedrag of nalatigheid zijn voor rekening van de inwoner. De kosten van het opladen van een scootmobiel worden beschouwd als algemeen gebruikelijke kosten en zijn voor rekening van de inwoner zelf.

5.8

Leidraad voor sportvoorzieningen om sociale verbanden aan te gaan (Participatie)

Een sportvoorziening is een voorziening die deelname aan sportieve activiteiten in het maatschappelijk leven voor personen met een beperking bevordert. Een sportvoorziening kan worden toegekend als de gebruiker actief lid is van een sportvereniging en/of aantoonbaar deelneemt aan sportieve activiteiten, zoals wedstrijden. Hoewel een sportvoorziening in het algemeen de participatie van de inwoner kan vergroten wil dat nog niet zeggen dat de gevraagde sportvoorziening door het college wordt verleend. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de inwoner was voor hij ondersteuning nodig had. Uit het onderzoek moet blijken dat een inwoner zonder sportvoorziening niet in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en dat er een causaal verband is tussen de beperking en een gebrek aan participatie. Het verlenen van een maatwerkvoorziening in de vorm van sportvoorziening gericht op de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner is uitgesloten. Onder persoonlijke ontwikkeling valt bijvoorbeeld sportbeoefening op (een hoog) wedstrijdniveau; een hoger niveau dan ‘normale’ sportbeoefening waarmee sociale contacten kunnen worden onderhouden. Wil iemand ‘topsport’ beoefenen dan zal hij daarvoor – net als valide topsporters – zijn aangewezen op fondsen, sponsors en/of een sportbond.

Ook een sportvoorziening om de conditie op peil te houden komt niet voor vergoeding in aanmerking.

5.8.1 Financiële mogelijkheden De wet staat niet toe dat slechts op basis van inkomen ondersteuning wordt verleend of geweigerd. Tegelijkertijd biedt het beschikken over financiële middelen de mogelijkheid om in eigen oplossingen te voorzien. In het gesprek met de inwoner zal door Team voor Elkaar een moreel beroep worden gedaan op eigen financieringsmogelijkheden. En zal de inwoner en zijn sociale omgeving actief worden aangesproken op de eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid.

29

5.8.2 Algemeen gebruikelijk

De volgende kosten van reguliere sportbeoefening worden gezien als algemeen gebruikelijk: • lidmaatschap van een sportvereniging of toegangskaart voor bijvoorbeeld een zwembad; • reiskosten naar de sportvereniging en wedstrijden; • sportkleding.

5.8.3 Algemene voorzieningen

Voorbeelden van algemene sportvoorzieningen zijn: • zwembaden; • sportverenigingen; • sportaccommodaties.

5.9

Leidraad begeleiding

Onder begeleiding verstaan we activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de inwoner opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Begeleiding draagt op individueel niveau bij aan het: • bevorderen, behouden van de zelfredzaamheid of het verminderen van de snelheid waarmee de zelfredzaamheid afneemt; • voorkomen van sociaal isolement; • het gevoel van eigenwaarde, gezondheid, welbevinden en kwaliteit van leven. Begeleiding is bedoeld voor inwoners die zelfstandig wonen en onder de Wmo vallen (in een woning op eigen naam of op naam van de zorginstelling), beperkt zelfredzaam zijn en niet door het Team voor Elkaar via kortdurende cliëntondersteuning kunnen worden ondersteund vanwege het intensieve dan wel specifieke karakter van de zorgvraag. Begeleiding kan bestaan uit begeleiding groep of begeleiding individueel.

5.9.1 Beperkingen in zelfredzaamheid en participatie

Er is sprake van beperkingen in zelfredzaamheid en participatie als het zelfstandig nemen van besluiten of oplossen van problemen niet vanzelfsprekend is. Wanneer de inwoner hulp nodig heeft bij het regelen van dagelijkse bezigheden en bij het aanbrengen van dagelijkse routine en structuur, niet goed begrijpt wat anderen zeggen en zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. Als gevolg van deze problematiek is er bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist door een professional, omdat de situatie anders verslechtert en/of waardoor de veiligheid van betrokkene en/of zijn omgeving in gevaar zijn. De beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kunnen het gevolg zijn van lichamelijke beperkingen en/of beperkingen in cognitief functioneren en/of in psychisch en psychosociaal functioneren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10461757/1