B8 - B&W - Raadsinformatiebrief over gebiedsverkenning toekomstbestendig watersysteem Loenen-Eerbeek D476590
Tekst van het document
Gemeenteraad Brummen
Brummen Ons kenmerk Uw kenmerk Onderwerp
: 3 februari 2026 : Z115743/D475926 : : informatie over gebiedsverkenning toekomstbestendig watersysteem LoenenEerbeek
Geachte leden van de gemeenteraad, In juli 2025 berichtten we u over de modelstudie ‘effectbepaling winningen Eerbeek’ (raadsinformatiebrief D462153). Daarin gaven wij aan dat als vervolgonderzoek een gebiedsverkenning zou worden uitgevoerd. Wij delen graag met u dat de ‘gebiedsverkenning toekomstbestendig watersysteem Loenen-Eerbeek’ is afgerond. Het rapport is tot stand gekomen in opdracht van gemeente Brummen, provincie Gelderland en Waterschap Vallei en Veluwe. Op 27 januari 2026 heeft ingenieursbureau Arcadis het definitieve rapport opgeleverd. Uit het rapport van ingenieursbureau Arcadis blijkt dat de gestelde doelen van de gebiedsverkenning zijn gehaald: • • •
Er is meer inzicht verkregen in de werking en knelpunten van het watersysteem waarin Eerbeek en Loenen liggen (hoofdstuk 2). De mogelijke maatregelen en handelingsperspectieven zijn in beeld gebracht (hoofdstuk 4, paragraaf 4.2). De taken en verantwoordelijkheden van de drie betrokken overheden, inwoners, ondernemers en grondwater onttrekkende partijen in beeld gebracht op basis van wettelijke kaders (hoofdstuk 3).
De door Arcadis uitgevoerde gebiedsverkenning is een neutrale studie, zonder beoordeling van haalbaarheid, wenselijkheid en doelmatigheid. Deze beoordeling en overweging moet als vervolgstap worden gezet. Als eerste stap daarin is op 9 februari aanstaande een bestuurlijk overleg voorzien. Tijdens dit overleg zullen de bestuurders van provincie Gelderland, Waterschap Vallei en Veluwe en gemeente Brummen samen het rapport bespreken. Daarna worden ook op ambtelijk niveau de vervolgstappen tussen de drie betrokken overheden afgestemd. Verdere stappen die ondernomen zullen worden:
Engelenburgerlaan 31 6971 BV Brummen Postbus 5 6970 AA Brummen Telefoon (0575) 56 82 33 Fax (0575) 56 82 88 E-mail: gemeente@brummen.nl
Z115743/D475926
• • • •
Blz. 2 van 2
De inhoud van de gebiedsverkenning wordt o.a. via een persbericht met onze inwoners gedeeld. Na het bestuurlijk overleg op 9 februari bepalen we hoe we onze inwoners verder kunnen informeren over de inhoud van de gebiedsverkenning. Arcadis maakt een publieksvriendelijke samenvatting van het rapport. Deze wordt eind maart 2026 verwacht. Nieuwe ontwikkelingen rond dit onderwerp worden later dit jaar via een nieuwe raadsinformatiebrief met uw raad gedeeld.
Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Brummen,
H. Matser secretaris
Bijlage(n):
S. van de Graaf loco-burgemeester
- gebiedsverkenning toekomstbestendig watersysteem Loenen-Eerbeek (D475927)
Gebiedsverkenning toekomstbestendig watersysteem LoenenEerbeek Provincie Gelderland, Waterschap Vallei en Veluwe, Gemeente Brummen 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
2
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Inhoudsopgave
1
2
3
Inleiding
5
1.1
Achtergrond en aanleiding
5
1.2
Doel en scope
5
1.3
Leeswijzer
6
Watersysteembeschrijving
7
2.1
Synthese (werking van het watersysteem)
7
2.2
Systeembeschrijving o.b.v. literatuur en praktijkervaring
8
2.2.1
Ontstaan van een stuwwal
8
2.2.2
Ligging Loenen en Eerbeek
11
2.2.3
Hydrogeologie
12
2.3
Grondwater
14
2.3.1
Regionale grondwaterstroming
14
2.3.2
Grondwaterfluctuatie
15
2.4
Oppervlaktewater
16
2.5
Samenvatting bestaande analyses wateroverlast 2024
17
2.6
Analyse grondwatermetingen
18
2.6.1
Regionaal beeld
18
2.6.2
Lokaal beeld
22
2.6.3
Grondwateronttrekkingen
25
2.6.4
Verband tussen onttrekkingen en grondwaterstanden
26
2.7
Beheer en onderhoud oppervlaktewater
32
2.7.1
Overzicht van de aanwezige watergangen
32
2.7.2
Watersysteem van vroeger
34
2.7.3
Impact van beheer en onderhoud
37
2.8
Leemten in kennis
38
2.9
Meldingen wateroverlast door inwoners
39
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
3
4
5
6
4
Taken en verantwoordelijkheden
40
3.1
Wettelijk kader
40
3.1.1
Algemeen
40
3.1.2
Grondwater
40
3.1.2.1
Gemeenten
40
3.1.2.2
Waterschappen
41
3.1.2.3
Provincies
42
3.1.2.4
Rijk
42
3.1.2.5
Taken en verantwoordelijkheden grondwaterbeheer
42
3.1.3
Oppervlaktewater
45
3.1.4
Hemelwater
45
3.2
De praktijk
46
3.2.1
Lokale invulling
46
3.2.2
Aandachtspunten in de praktijk
48
3.3
Loenen - Eerbeek
49
3.3.1
Betrokken partijen, beleid en voorgenomen ontwikkelingen
50
3.3.2
Feitelijke situatie
50
Mogelijke handelingsperspectieven
52
4.1
Hydrologische kenmerken en uitdagingen
52
4.2
Overzicht mogelijke maatregelen
53
Conclusies en aanbevelingen
59
5.1
Conclusies
59
5.2
Aanbevelingen
61
References
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
62
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
1
Inleiding
1.1
Achtergrond en aanleiding
Achtergrond In het gebied Loenen – Eerbeek , dorpen op de oostflank van de Veluwe, spelen problemen gerelateerd aan het grondwaterpeil. Dit gebied op de Veluwe heeft een complexe ondergrond en grote hoogteverschillen. Er zijn ook andere factoren die van invloed zijn op het grondwaterpeil. Het is belangrijk om de achtergronden en samenhang in beeld te krijgen. Aanleiding Er is tussen oktober 2023 en maart 2025 overlast geweest door een combinatie van factoren. De extreme weersveranderingen van de laatste jaren, zoals extreem droge periodes en langdurige natte periodes, spelen hierbij een rol. Bovendien is de grondwateronttrekking van papierfabriek De Hoop na de sluiting gestopt. Ook de andere papier- en kartonfabrieken werken aan het verder beperken van grondwateronttrekking. Waar een aantal jaren geleden sprake was van droogte en droogval van beken, hebben inwoners en ondernemers de afgelopen periode wateroverlast ervaren. De betrokken overheden verkennen het samenspel hoe daarmee om te gaan (korte termijn) en de zoektocht naar een toekomstbestendig systeem i.r.t. klimaatverandering, beleid herstel natuurlijk systeem (langere termijn). Gemeente, waterschap en provincie hebben behoefte aan een helder samenspel op basis van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en eigen rollen, en in interactie met bewoners en bedrijven.
1.2
Doel en scope
Het doel van dit project is om op basis van een gedeelde kennisbasis inzicht te bieden in de werking van het watersysteem in de regio Loenen - Eerbeek. Deze gebiedsverkenning brengt bestaande kennis, modellen, monitoringgegevens en praktijkervaringen samen en verbindt deze met elkaar. Dit vormt de gedeelde kennisbasis voor goed onderbouwde beleidskeuzes en uitvoeringsmaatregelen die bijdragen aan een robuust bodem- en watersysteem, het omgaan met wateroverlast én droogte, en het vergroten van de weerbaarheid. De verkenning richt zich op het beschrijven van de werking van het huidige watersysteem en de effecten daarvan op de omgeving (zoals natte of droge situaties), evenals op de verwachte effecten van mogelijke ingrepen. Daarbij worden ook rollen en verantwoordelijkheden van álle betrokken partijen - waaronder (vastgoed-)eigenaren (privaat, corporatie), gebruikers (zoals huurders), de overheden (gemeente, waterschap, provincie, zowel ambtelijk als bestuurlijk) en de grondwater-onttrekkers (Vitens, bedrijven, particulieren) en tenslotte de watergebruikers (zoals terreinbeheerders) en belangengroepen (zoals bekenstichting)- in beeld gebracht, evenals handelingsperspectieven. De verkenning focust zich op het gebied van Laag-Soeren tot en met Loenen. Doel • • • •
5
Inzicht in het watersysteem van het gebied Inzicht in de knelpunten; Inzicht in mogelijke oplossingsrichtingen en (tijdelijke) knoppen die mogelijk bijdragen aan een zoveel mogelijk natuurlijk en toekomstbestendig watersysteem. Met “knoppen” zijn mogelijke maatregelen bedoeld. In beeld brengen van de verschillende rollen en verantwoordelijkheden van de betrokken overheden en andere belanghebbenden zoals inwoners, ondernemers (boeren en industrie) en drinkwaterbedrijven..
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
1.3
Leeswijzer
De voor u liggende rapportage bestaat uit onderdelen. •
• • •
6
Als eerste een technisch-inhoudelijke deel (hoofdstuk 2). Deze beschrijft de werking van het watersysteem op basis van de aangeleverde informatie en uitgevoerde analyses. De nadruk ligt op het verbinden van bestaande kennis, data en praktijkervaringen tot een samenhangend beeld van het grond- en oppervlaktewatersysteem. De rapportage biedt een synthese van wat geleerd is over de systeemwerking, zoals de invloed van neerslag, verdamping, grondwateronttrekkingen en het beheer van watergangen op natte en droge situaties. Daarbij wordt ook ingegaan op de mate van stuurbaarheid van het systeem. Deel 2 (hoofdstuk 3) geeft een samenvatting van de taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot het waterbeheer. In het derde en laatste deel (hoofdstuk 4) worden mogelijke handelingsperspectieven beschreven en beoordeeld. Afsluitend komen in hoofdstuk 5 conclusies en aanbevelingen naar voren.
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
2
Watersysteembeschrijving
In dit hoofdstuk is de werking van het watersysteem beschreven. Als eerste de samenvattende synthese, daarna gevolgd door verdiepende paragrafen per deelsysteem.
2.1
Synthese (werking van het watersysteem)
Het gebied Loenen-Eerbeek ligt op de overgang van de Veluwse stuwwal naar de IJsselvallei. Deze overgang is geologisch en hydrologisch bepalend voor de werking van het watersysteem en de gevoeligheid voor wateroverlast en droogte. De stuwwal is ontstaan tijdens het Saalien, waarbij sedimentlagen zijn opgestuwd en scheefgesteld. Hierdoor is een complexe ondergrond ontstaan met afwisselende zand-, grind- en kleilagen, waarin kleischotten een belangrijke rol spelen. Deze kleischotten zijn niet volledig ondoorlatend, maar vormen wel een hydraulische weerstand die de stroming van grondwater beïnvloedt. In de stuwwal stroomt het grondwater hier voornamelijk in noord-zuidrichting, gestuurd door de noord-zuid oriëntatie van kleischotten. Oostwaartse stroming richting de IJsselvallei wordt beperkt door de hoge weerstand van kleilagen. Ondanks de beperkte stroming is de invloed van het Veluwesysteem op de grondwaterstand duidelijk terug te zien in Eerbeek en Loenen. Het watersysteem is onderverdeeld in drie geohydrologische deelgebieden, elk met een eigen dynamiek: Veluwe (stuwwal) • Diepe grondwaterstanden en een dikke onverzadigde zone. • Trage respons op neerslag door lange reistijd van infiltrerend water. • Stroming voornamelijk noord-zuid, gestuurd door kleischotten. • Ontbreken/ beperkte invloed van oppervlaktewater.
• Gevoelig voor grondwateronttrekkingen, die direct merkbaar zijn in de – weliswaar diepe - freatische grondwaterstand door het ontbreken van scheidende lagen boven de winningen. IJsselvallei • Stroming van de rand van de Veluwe richting de IJssel. • Grondwaterstanden dichter aan maaiveld, met duidelijke seizoen dynamiek. • Sterke invloed van oppervlaktewater, met mogelijkheden voor peilbeheer via sloten en greppels. Grondwaterfluctuatiezone (overgangsgebied) • Gelegen tussen stuwwal en Ijsselvallei – Eerbeek en Loenen liggen in deze zone • Combinatie van trage toevoer van grondwater vanuit de Veluwe en directe respons op neerslag en verdamping. • Grote en trage fluctuaties in grondwaterstanden. • Gevoelig voor wateroverlast bij langdurige natte periodes, mede door afwezigheid van ontwateringsmiddelen. • Beïnvloedbaar door onttrekkingen en deels door oppervlaktewater. Er zijn verschillende factoren die de fluctuaties van het grondwater bepalen: Meteorologie Neerslag en verdamping zijn primaire bepalende factoren in het systeem. Infiltratie vindt vooral plaats op de Veluwe, waar het water met vertraging via de ondergrond afstroomt naar de randen. In de stuwwal leidt dit tot langzame, langjarige fluctuaties in grondwaterstanden. In de IJsselvallei is de dynamiek seizoensgebonden, met duidelijke jaarlijkse cycli.
De Grondwaterfluctuatiezone vertoont een gemengde respons: zowel vertraagde stijgingen door kwel vanuit de Veluwe als snelle reacties op neerslag en droogte. In 2023-2024 viel hier circa 1.200 mm neerslag, wat leidde tot een extra stijging van de grondwaterstand met 0,5 tot 1 meter. Grondwateronttrekkingen Industriële en drinkwateronttrekkingen (zoals Coldenhove en Vitens) beïnvloeden het systeem afhankelijk van diepte en ligging ten opzichte van kleischotten. Statistische analyses tonen aan dat onttrekkingen vooral invloed hebben in de stuwwal en Grondwaterfluctuatiezone, niet of minder in de IJsselvallei. De sluiting van papierfabriek De Hoop in Eerbeek heeft geleid tot een lokale stijging van de grondwaterstand met 0,5 tot meer dan 2 meter. 7
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Oppervlaktewaterbeheer Het oppervlaktewatersysteem bestaat uit (sprengen)beken, sloten en greppels. Deze watergangen voeren hemelwater en grondwater af naar lager gelegen gebieden. Er zijn echter ook geisoleerde stukken die geen afvoer hebben, maar waar het water infiltreert in de bodem. Normaliter voert een sloot grondwater af als de grondwaterstand hoger is dan het waterpeil in de sloot. In sommige sprengenbeken is de bodem beleemd, waardoor deze als het ware afgesloten is en geen grondwater afvoert. ). De afvoer is afhankelijk van de afvoercapaciteit. De afvoercapaciteit wordt bepaald door enerzijds het verhang in het systeem en afmetingen van de watergang en inliggende kunstwerken, maar ook begroeiing in de watergang speelt een belangrijke rol. Het maaien van watergangen die begroeid zijn kan het afvoerdebiet vergroten met een factor 1,5 tot 3. Stuurbaarheid van het systeem De mate van stuurbaarheid verschilt per deelgebied: • Veluwe: beperkt stuurbaar door trage respons en diepe ligging van het grondwater. Onttrekkingen hebben wel directe invloed. • IJsselvallei: relatief goed stuurbaar via oppervlaktewaterbeheer en peilregulatie. • Grondwaterfluctuatiezone: complex maar potentieel beïnvloedbaar via een combinatie van maatregelen (zie hoofdstuk 4).
2.2
Systeembeschrijving o.b.v. literatuur en praktijkervaring
Deze paragraaf beschrijft een beknopte analyse van het hydrologische systeem rondom Loenen - Eerbeek op basis van verscheidene rapportages en openbare data. Hiermee biedt dit een overzicht en gedeelde kennisbasis over het watersysteem.
2.2.1
Ontstaan van een stuwwal
Loenen en Eerbeek zijn gelegen aan de oostzijde van de Veluwse stuwwal. Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien, reikte landijs tot halverwege Nederland. Dit landijs stuwde een serie stuwwallen op, waaronder die van de Veluwe. Hierbij werd de ondergrond over elkaar heen geduwd en scheefgesteld. De schematische weergave in Figuur 2-1 toont stapsgewijs hoe een stuwwal ontstaat onder invloed van een ijslob. De stappen zijn als volgt: a. Vervorming van sediment: Onder invloed van het gewicht en de beweging van een massieve ijslob wordt het onderliggende sediment samengedrukt en vervormd. Dit proces leidt tot de vorming van een ondoorlatende laag keileem (grondmorene) aan de basis van het ijs. b. Inschuring en verspoeling: De ijslob schuurt zich steeds verder in de ondergrond in. Aan de voorkant van de ijslob ontstaan verspoelingen, doordat smeltwater niet in de bodem kan infiltreren. c. Opstuwend sediment: Het oprukkende ijs duwt sediment voor zich uit. Hierdoor ontstaan geplooide lagen en overschuivingen d. Vorming stuwwal: Door verdere opstuwing worden de geplooide en overschoven sedimentlagen omhoog gedrukt tot een stuwwal. e. Overrijden stuwwal: De stuwwal wordt overreden door aangroeiend landijs. Het reliëf onder het ijs wordt gladgestreken. Op de stuwwal en aan de lijzijde (linkerkant in de figuur) wordt keileem afgezet onder het ijs. f.
Aftocht van de ijslob: Wanneer het klimaat opwarmt en de ijslob zich terugtrekt, blijft het glaciale bekken achter. Dit bekken wordt vervolgens opgevuld met sediment. Door deze ontstaanswijze komen in de Veluwse stuwwal scheefgestelde lagen voor, die in de richting van het glaciale bekken hellen. Naarmate de afstand tot de oorspronkelijke ijslob toeneemt, worden deze lagen minder steil [2]. Omdat de Veluwe uit meerdere stuwwallen bestaat, verschilt de oriëntatie van de scheefgestelde lagen. Aan de oostzijde van de Veluwe, waar Loenen en Eerbeek zijn gelegen, is de oriëntatie van deze scheefgestelde lagen voornamelijk noordzuid (zie Figuur 2-2).
8
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-1: Schematische voorstelling van de opeenvolgende stadia van het ontstaan van een stuwwal in Oost-Nederland [1].
9
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-2: Oriëntatie van de kleischotten in de Veluwse stuwwal [2].
10
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
2.2.2
Ligging Loenen en Eerbeek
Loenen en Eerbeek zijn gelegen aan de zuidoostflank van de Veluwse stuwwal, ten zuiden van Apeldoorn, en bevinden zich op de overgang van het Veluweplateau naar het landschap van de IJsselvallei (Figuur 2-3).
Figuur 2-3: Regio Vallei en Veluwe en de ligging van Eerbeek en Loenen ten opzichte van Apeldoorn. Overgenomen uit [3].
In westelijke richting vanaf Loenen en Eerbeek stijgt het maaiveld naar de hogere delen van de Veluwe (Stuwwal plateau). Naar het oosten, richting de IJsselvallei, daalt het maaiveld. Op de hoogtekaart zijn verschillende dalen zichtbaar. Deze dalen zijn hoofdzakelijk uitgesleten door smeltwater dat gedurende en na de ijstijden door het gebied stroomde. Tegenwoordig liggen in deze dalen (sprengen)beken (Figuur 2-4).
11
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Loenen
Figuur 2-4: Maaiveldhoogte in de omgeving van Loenen en Eerbeek (stippelijn = gemeentegrens).
2.2.3
Hydrogeologie
Rondom Loenen en Eerbeek verschilt de ondergrond tussen het westelijke deel (Veluwse stuwwal) en het oostelijke deel (IJsselvallei) door verschillen in ontstaansgeschiedenis. Een geologische dwarsdoorsnede is weergegeven in Figuur 2-5. De diepe ondergrond rondom Loene en Eerbeek bestaat uit een opeenvolging van formaties, geologische lagen in de ondergrond met kenmerkende samenstellingen en ontstaanswijzen. Van diep naar ondiep wordt de ondergrond gevormd door de mariene afzettingen van de Formaties van Breda (BR), Oosterhout (OO) en Maassluis (MS). Boven de Formatie van Maasluis ligt de Formatie van Peize-Waalre (PZWA). Deze formatie bestaat uit klei- en zandlagen die door oude riviersystemen zijn afgezet [4] [5]. De Formatie van Peize-Waalre wigt richting het oosten uit. De horizontale doorlatendheid van de Peize en Waalre zanden liggen tussen de 25 en 50 meter per dag. Onder het tweede en derde zandeenheid van deze formatie ligt de slecht doorlatende Waalre klei. Deze kleiige formatie heeft een verticale doorlatendheid tussen de 0.01 en 0.005 meter per dag [6]. Tijdens de vorming van de stuwwal de Veluwe zijn onderliggende grondlagen met zand, grind en klei opgestuwd. Deze lagen zijn hierdoor scheefgesteld en zijn kleilagen als schotten over elkaar heen gedrukt. Deze schotten zorgen voor een complexe gelaagdheid en variabele doorlatendheid.
Daarnaast is door de druk van het ijs en de schuivende 12
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
grondlagen het glijvlak tussen Peize-Waalre en de gestuwde afzettingen samengedrukt en/of versmeerd [4]. Dit glijvlak biedt echter geen weerstand aan waterstroming, en is doorlatend. De afsluitende laag van het grondwatersysteem is daarom de Waalre Klei.
Doorlatendheid van kleischotten Binnen het systeem van de Veluwse stuwwal spelen kleischotten een belangrijke rol in de stroming van grondwater. Hoewel deze schotten vaak worden voorgesteld als ondoorlatende lagen die de watervoerende pakketten scheiden, zijn ze in werkelijkheid niet continu en niet volledig ondoorlatend [5]. Het moedermateriaal van de stuwwal bestaat uit verschillende formaties en gletsjermateriaal dat tijdens het Saalien door het landijs is verschoven en als schubben over elkaar is geduwd. Hierdoor is een complex gestuwd pakket ontstaan met een sterke afwisseling van grof (zandig) en fijn (kleihoudend) materiaal. De zones van de schubben met fijn materiaal noemen we kleischotten. Deze kleischotten werken als gedeeltelijke barrières voor de grondwaterstroming: ze versmallen de banen van de watervoerende pakketten en zorgen voor extra weerstand in de stuwingsrichting. Waar de schubben dicht bij elkaar liggen, neemt de weerstand sterk toe en kunnen grondwatersprongen ontstaan. Dit is bij grotere afstanden tussen de schubben minder het geval. Water kan ook tussen of onder de lagen door stromen, zij het met meer weerstand en een langere stromingsweg. Kleischotten vormen dus geen volledig ondoorlatende lagen, maar scheefgestelde, geschubde structuren die lokaal de stroming afremmen en zorgen voor variatie in de hydraulische weerstand binnen de stuwwal.
Deze variabiliteit verklaart waarom we lokale verschillen in stijghoogte en stromingsrichting waarnemen, en waarom steil verhang van isohypsen optreedt. Kortom, de kleischotten vormen geen ondoordringbare barrière, maar eerder een heterogeen systeem van gedeeltelijke scheidingen.
Aan de oostzijde gaat de stuwwal over in de IJsselvallei. Diep in de vallei komt de Formatie van Drente – Laagpakket van Gieten (DRGI) voor, een laag keileem die is ontstaan door versmering en druk onder het landijs [5]. In tegenstelling tot het fluvioglaciale materiaal van de Formatie van Drente (DR) is dit materiaal slecht gesorteerd en heeft het een lage verticale doorlatendheid. De verticale doorlatendheid van de Formatie van Drenthe – Laagpakket van Gieten is 0,001 tot 0,005 meter per dag [6]. Het dal van de IJsselvallei is na het terugtrekken van het landijs opgevuld met dikke pakketten fijne afzettingen van de Rijn (Formatie van Kreftenheye – Laagpakket van Twello (KRTW)). Het laagpakket van Twello bestaat voornamelijk uit klei en heeft een verticale doorlatendheid tussen de 0,0001 en 0,0005 meter per dag [6]. Boven Laagpakket van Twello is het dal opgevuld met grofzandige en grindige afzettingen (Formatie van Kreftenheye (KR)). Tijdens het Eemien (warme tijdperk) ging het riviersysteem over van een vlechtend naar een meer meanderend riviersysteem en is in het dal een komklei afgezet (Formatie van Kreftenheye – Laagpakket van Zutphen (KRZU)) [4]. Het laagpakket van Zutphen bestaat voornamelijk uit klei en heeft een verticale doorlatendheid die ligt tussen de 0,01 en 0,05 meter per dag [6]. Boven de Formatie van Kreftenheye ligt de Formatie van Boxtel.
Deze formatie is tijdens en na de laatste ijstijd (Weichselien) ontstaan. Door de kou was er weinig begroeiing en vonden er eolische (wind) processen plaats. Hierdoor is er zand vanaf de stuwwal en rivierbeddingen verplaatst en als dekzand achtergelaten. Het dekzand bestaat voornamelijk uit zand, met een horizontale doorlatendheid van 2,5 tot 10 meter per dag [7]. Tijdens het Holoceen heeft de IJssel de IJsselvallei verder opgevuld met sediment (HLc). De afzettingen in deze periode bestaan uit rivierafzettingen, veen en stuifzand, afhankelijk van het landschapstype [7].
13
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-5: West-oost georiënteerde dwarsdoorsnede van de ondergrond rondom Loenen en Eerbeek van REGIS II v2.2.3 [6], tot een diepte van -135 m NAP. Met blauwe peilen is een globale inschatting van de stroomrichting weergeven. Het oranje huisje geeft de globale ligging van Loenen en Eerbeek aan. De volgende formaties komen, van ondiep naar diep, voor: HLc = Holocene afzettingen, BX = Formatie van Boxtel, KR = Formatie van Kreftenheye, KRZU = Formatie van Kreftenheye – Laagpakket van Zutphen, KRTW = Formatie van Kreftenheye – Laagpakket van Twello, DR = Formatie van Drente, DRGI = Formatie van Drente – Laagpakket van Gieten, gsc = gestuwd complex, PZ-WA = Formatie van Peize en Formatie van Waalre, WA = Formatie van Waalre, MS = Formatie van Maassluis, OO = Formatie van Oosterhout, BR = Formatie van Breda. Zand - en klei-eenheden worden onderscheden met toevoegsel: z = zand, k = klei (gebaseerd op [4]).
2.3
Grondwater
2.3.1
Regionale grondwaterstroming
In Figuur 2-6 is de grondwaterstand t.o.v. NAP weergeven. De grondwaterstand is het hoogst op de Veluwse stuwwal en loopt af richting de IJssel. Aan de isohypsen, de lijnen op de kaart waar de stijghoogte van het grondwaterpeil gelijk is, is te zien dat er op de overgang van de Veluwe naar de IJsselvallei veel verhang is (lijnen dicht op elkaar). De geologische opbouw heeft een grote invloed op de grondwaterstroming in het gebied. Zandige lagen geleiden het grondwater goed, terwijl slecht doorlatende lagen, zoals kleischotten, Waalre-klei en het Laagpakket van Twello de stroming juist belemmeren. Hierdoor ontstaan lokaal grote verschillen in grondwaterstanden en -stromen. Tijdens het ontstaan van de Veluwe zijn kleischotten schuin afgezet in noord-zuidrichting (Figuur 2-2). Deze kleischotten verlopen oostwaarts schuin door de ondergrond (Figuur 2-1Figuur 2-5). Doordat kleischotten een hoge weerstand bieden aan waterstroming, vormen ze een natuurlijke barrière voor de west-oost stroming van grondwater. Het gevolg is dat het grondwater in de zandlagen voornamelijk in noord-zuidrichting stroomt. Ook kan er water richting het oosten stromen wanneer de grondwaterstand boven de kleischotten uitkomt; niet overal komen deze tot aan maaiveld; zie Figuur 2-5 als schematisch voorbeeld. Onder de stuwwal ligt de zandige formatie van Peize-Waalre, die naar het westen toe afneemt in dikte.
Onder dit zandpakket ligt de Waalre klei en Oosterhout klei. Aan de bovenkant bevindt zich de hoge weerstand van het Laagpakket van Twello. Door deze combinatie kan het diepe grondwater niet gemakkelijk oostwaarts stromen. Hierdoor wordt het diepe grondwater westwaarts geleid (Figuur 2-5) [4].
14
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-6: Weergave van isohypsen, lijnen met gelijke grondwater stijghoogtes, van de grondwaterstand in m t.o.v. NAP, van [8]. De weergegeven isohypsen zijn berekend voor laag 1 van het LHM (Landelijk Hydrologisch Model), op basis van metingen (peilbuizen) en het LHM. Laag 1 geeft het freatisch grondwater in gebieden zonder deklaag weer.
2.3.2
Grondwaterfluctuatie
De specifieke bodemopbouw in het gebied zorgt voor verschillen in timing in de reactie van grondwater op neerslag. Door de hoge ligging en de zandige bodem van het Veluwemassief kan regenwater hier makkelijk in de grond zakken en is het Veluwemassief een infiltratiegebied voor regenwater. Dit water vult het grondwater aan en stroomt naar de randen van de Veluwe. In het Veluwemassief is de onverzadigde zone, het deel van de ondergrond boven de grondwaterspiegel, dik en bevindt het grondwater zich vele meters onder het maaiveld. Het duurt lang voordat het regenwater het grondwater bereikt. Hierdoor is de dynamiek van de grondwaterstanden in het centrale deel van de Veluwe langjarig vertraagd. Door deze vertraging is er geen duidelijke dynamiek van neerslaggebeurtenissen [2]; de grondwaterstand verandert hier pas na langere periodes van veel of juist weinig neerslag [9]. Aan de randen van de stuwwallen, zoals de overgangszone tussen het hoge Veluwemassief en de lagergelegen IJsselvallei, is de onverzadigde laag tussen maaiveld en het grondwater veel dunner. Hier werkt het systeem van de stuwwal nog wel door, maar reageert het grondwater ook sneller op neerslag. In deze zone is een combinatie van beide invloeden zichtbaar.
Hier zijn zowel langzame, langjarige fluctuaties door de toevoer van grondwater uit het hogere gebied als snelle, directe reacties op neerslag en droogte merkbaar. Door die combinatie kan het grondwater soms snel en onverwacht stijgen of dalen [9]. Loenen en Eerbeek bevinden zich in deze overgangszone [4]. Deze zone, die extra gevoelig is voor grondwateroverlast, is de zogenoemde Grondwaterfluctuatiezone [10]. Sloten en greppels zijn hier veelal niet aanwezig, omdat het grondwater normaliter niet zo hoog komt. Daardoor is het risico op wateroverlast bij extreem lang nat weer juist in deze gebieden groter. In de lagergelegen gebieden om de Veluwe, waaronder de IJsselvallei, is de grondwaterstand veel dichter aan maaiveld en kent een duidelijke seizoen dynamiek als gevolg van neerslag en verdamping. In dit gebied zijn sloten en greppels aanwezig die invloed hebben op de grondwaterstanden en de mogelijkheid bieden tot peilbeheer [2]. [9]. 15
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
2.4
Oppervlaktewater
Het oppervlaktewatersysteem in de omgeving van Loenen en Eerbeek bestaat uit een netwerk van (bron)beken, sprengenbeken, sloten en greppels. Sprengenbeken zijn kenmerkend voor de Veluwe. Dit zijn door mensen gegraven beken die oorspronkelijk zijn aangelegd voor industrieel gebruik, zoals bijvoorbeeld het aandrijven van watermolens bij de papierindustrie. Vooral aan de oostkant van de Veluwe zijn deze beken veel voorkomend [11]. Het natuurlijke hoogteverschil (verval) in het landschap zorgt ervoor dat de beken kunnen stromen. Op plekken waar de beekbodem onder de grondwaterspiegel ligt wordt het grondwater aan het oppervlak gebracht; deze bronpunten worden aangeduid als sprengkoppen en sprengen. Sprengbeken zijn veelal opgeleid om het verval over de watermolen groot te maken. Stroomafwaarts van de watermolen ligt het grondwaterpeil dieper dan de bodem van de beek. Om te voorkomen dat het water hier weer uit de beek wegzakt in de bodem, is op de beekbodem vaak een laag leem, slecht waterdoorlatend materiaal, aangebracht. De Loenense Molenbeek, Eerbeekse beek en Soerense Beek zijn voorbeelden van sprengenbeken (Figuur 2-7). Deze beken ontspringen aan de stuwwal en stromen vervolgens door respectievelijk Loenen, Eerbeek en Laag-Soeren. De sprengbeken zijn veelal opgeleid om het verval bij de molen te maximaliseren.
Daarom is de beekbodem benedenstrooms van de sprengkoppen vaak hoger dan de grondwaterstand en is er leem in de bodem van de sprengbeek aangebracht om het verlies/lekkage te minimaliseren. De overige watergangen zijn veelal gegraven om de grondwaterstand te verlagen en het land te ontwateren. Samen voeren alle watergangen het water af richting de IJssel. Dat vormt daarmee het hoofdsysteem voor de afvoer van zowel oppervlakte- als grondwater uit de regio. In paragraaf 2.7 wordt verder ingegaan op de watergangen in en rondom Eerbeek.
Figuur 2-7: Oppervlaktewater in het zuidwesten van de Veluwe, weergegeven op de hoogtekaart van het maaiveld.
16
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
2.5
Samenvatting bestaande analyses wateroverlast 2024
In de periode 2023/2024 is in de Grondwaterfluctuatiezone (waaronder Eerbeek en Loenen) sprake geweest van aanzienlijke wateroverlast. Deze is in verschillende studies onderzocht. Deze paragraaf geeft een samenvatting van deze studies: • •
Wateroverlast Vallei en Veluwe 2023/2024, TAUW (2025) [2] Eerbeek - analyse grondwaterstanden, Arcadis (2025) [12]
Samenvatting rapportage Wateroverlast Vallei en Veluwe 2023/2024 (zie [2] voor de volledige rapportage) Door de uitzonderlijke neerslag in het najaar van 2023 en voorjaar 2024 raakte het grondwatersysteem rond de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug geleidelijk verzadigd. In de eerste fase begon de bodem in lagergelegen gebieden, zoals de IJsselvallei en Gelderse Vallei, vol te lopen door de aanhoudende neerslag. De Veluwe zelf reageert trager. Door de aanhoudende neerslag stijgt de grondwaterstand na verloop van tijd sterk. Door de specifieke bodemopbouw en aanwezigheid van kleischotten stroomde het water via doorlatende zandlagen naar de randen, In de sprengenbeken was dit te zien doordat de afvoer toenam. De Grondwaterfluctuatiezones kregen nu veel grondwater toestroming vanaf de stuwwal en bleef langdurig nat, doordat het opgebolde grondwater uit de Veluwe en Heuvelrug nog lang bleef toestromen. De grafieken in Figuur 2-8, die hieronder worden toegelicht, geven weer wat er in de directe omgeving van Eerbeek heeft plaatsgevonden. De peilbuis in het linker figuur (nummer B33D0132) bevindt zich ten westen van Eerbeek, relatief hoog in het systeem (grondwaterstanden tussen 25 m en 26 m +NAP), maar wel in of aan de rand van de Grondwaterfluctuatiezone en vertoont geen seizoensdynamiek.
De neerslag die in de winter op de Veluwe is gevallen stroomt hiernaartoe, waardoor de grondwaterstand in deze fluctuerende zone gedurende de hele zomer hoog is gebleven. Vanaf november 2023 is hier duidelijk een stijging van de grondwaterstand zichtbaar. In het rechter figuur (peilbuis nummer GW000158, ten oosten van Eerbeek) is te zien dat de grondwaterstand vanaf november 2023 tot boven de 95%-bandbreedte stijgt. Ook in de zomer van 2024 blijft de grondwaterstand hier lang erg hoog, buiten de 95%-bandbreedte. Ondanks dat deze peilbuis verder van de Grondwaterfluctuatiezone afstaat, ontvangt het gebied veel kwel vanaf de Veluwe, die niet snel kan worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hierdoor stijgen de grondwaterstanden.
Figuur 2-8: Grondwaterdynamiek Eerbeek over de periode 2022-2024. Peilbuis B33D0132 (links, gelegen ten westen van Eerbeek) en GW000158 (rechts, gelegen ten oosten van Eerbeek).
Het onderzoek beschrijft dat bij Eerbeek wateroverlast op het maaiveld en in kelders onder andere werd veroorzaakt door volgelopen infiltratiebuizen. Deze infiltratiebuizen worden gebruikt om water gecontroleerd in de bodem te laten infiltreren. Het doel ervan is om water op te slaan en langzaam af te geven aan het grondwater, waardoor wateroverlast en later droogte wordt verminderd. Echter wanneer infiltratiebuizen vol raken tijdens langdurige neerslag en hun maximale opslagcapaciteit is bereikt, kunnen ze geen extra water meer opnemen met als gevolg dat het water niet meer in de bodem geïnfiltreerd wordt. Dit kan ook worden veroorzaakt door hoge grondwaterstanden waardoor de 17
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
infiltratiebuizen vol raken. Beide kan leiden tot water dat zich verzamelt op het maaiveld of terugstromend water in gebouwen of kruipruimtes. De herhalingstijd van de neerslag die gevallen is in 2023-2024, is eens per 35 jaar bij Oldebroek, eens per 300 jaar bij Radio Kootwijk, en circa eens per 1.000 jaar bij Wageningen en Soest. Samenvatting rapportage Eerbeek - analyse grondwaterstanden (zie [12] voor de volledige rapportage) Deze studie heeft de combinatie van de neerslag en het uitschakelen van winning de Hoop onderzocht: Met een hydrologisch model is het gecombineerde effect van de verminderde grondwaterwinning en de extreme neerslag inzichtelijk gemaakt. Op basis van het neerslagstation bij Eerbeek is er 1200 mm neerslag gemeten in 2024. Uit de modelstudie blijkt dat de extreme neerslag in 2024 op de rand van de Veluwe heeft geleid tot een extra stijging van 50 cm tot 1 meter. De vermindering van de grondwaterwinning De Hoop heeft geleid tot een verhoging van de grondwaterstand bij Eerbeek met circa 0,5 tot lokaal meer dan 2 meter 1 ( 2-9). Beide effecten hebben elkaar in 2024 versterkt, wat heeft geresulteerd in een aanzienlijk hogere grondwaterstand dan in voorgaande jaren.
2-9: Berekend stationair effect van uitschakeling winning De Hoop (links) en tijdreeks bij peilbuislocatie 33DM008001 (rechts) bij Eerbeek.
2.6
Analyse grondwatermetingen
Verschillende partijen (waterschap, gemeenten, terrein beherende organisaties en onttrekkers) monitoren de grondwaterstanden in peilbuizen. Zij hebben allemaal verschillende doeleinden en gebieden waarin zij monitoren. Door deze gegevens allemaal bij elkaar te halen ontstaat een beter beeld in tijd en ruimte van de grondwaterstanden.
2.6.1
Regionaal beeld
In de omgeving van Eerbeek zijn van 397 grondwatermeetpunten de tijdreeksen geanalyseerd, zie figuur 2-10. Deze meetreeksen beslaan niet allemaal dezelfde periode, maar zijn wel geschikt om een beeld te krijgen van de grondwaterstanden in tijd en ruimte. Op basis van de tijdreeksanalyse is na te gaan waar in een bovengemiddeld droge periode (2018/2019 op basis van KNMI-gegevens) de grondwaterstanden (relatief) het laagst waren en waar in een bovengemiddeld natte periode (winter 2023/2024) de grondwaterstanden (relatief) het hoogst waren. Op basis van verklarende variabelen (meteorologie, waterpeilen, onttrekkingen) is aan te geven of er een statistisch verband is tussen de grondwaterstand en deze omgevingsfactoren.
1 De maximaal berekende verlaging is 5,8 meter op de locatie van de winlocatie zelf.
18
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
19 Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential Figuur 2-10 Kaart van de ligging, diepte en bemeten periode van peilbuizen. NB: meetreeksen uit Lizard (Vitens) zijn uitgelezen vanaf 1972, deze reeksen beginnen soms ook eerder.
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
De flanken van de stuwwal worden gekenmerkt door grote, langdurige fluctuaties in grondwaterstanden (paragraaf 2.3.2). In een “normaal” systeem is binnen het jaar een fluctuatie te zien tussen nat (gemiddeld hoogste grondwaterstand: GHG) en droog (gemiddeld laagste grondwaterstand: GLG), dat ieder jaar ongeveer dezelfde grondwaterstanden kent. In de Grondwaterfluctuatiezone van de stuwwal is de grondwaterstand vooral een afspiegeling van de situatie van de voorgaande jaren, doordat het water dat geïnfiltreerd is op de Veluwe met een vertraging weer in de flanken uittreedt. Hierdoor treden verschillen in grondwaterstand niet zozeer op binnen een jaar, maar vooral tussen een bovengemiddeld nat jaar en een bovengemiddeld droog jaar. Om te bepalen wat een bovengemiddeld droog of nat jaar is, hanteert het KNMI de SPEI (de neerslag-verdamping index) [13]. Hierbij wordt het afgelopen jaargemiddelde uitgezet tegen het langjarig gemiddelde, waarbij een hoge index een bovengemiddeld natte periode aangeeft en een erg negatieve index een bovengemiddeld droge periode aangeeft, zie Figuur 2-11.
Figuur 2-11 Neerslag, verdamping en de neerslag-verdamping index (SPEI) in Eerbeek (gemaakt op basis van KNMI-gegevens).
Hieruit blijkt dat 2018/2019 en 2024 eruit springen als respectievelijk droog en nat jaar. Voor deze jaren zijn daarom RHG en RLG (representatieve hoogste en laagste grondwaterstand) bepaald. Om verschillen in meetfrequentie tussen peilbuizen te ondervangen zijn de tijdreeksen eerst geschaald naar 14-daagse metingen. Bij het begin van het droge jaar 2018 waren de RHG’s ongeveer aan maaiveld in de Landgoederen Brummen, omdat de voorafgaande winter een natte december en natte januari maand hadden [14], terwijl op de stuwwal de grondwaterstanden meerdere meters onder maaiveld lagen. De verschillen tussen RHG en RLG waren meer dan een meter in Brummen, terwijl verschillen tussen RHG en RLG op de stuwwal beperkt bleven tot ongeveer een halve meter. In het natte jaar 2024 waren de RHG’s op de meeste plekken ten westen van het Apeldoorns Kanaal 1 m-mv tot meerdere meters onder maaiveld, terwijl ten oosten van het kanaal de RHG op veel plekken nabij maaiveld lag. De fluctuatie binnen het jaar was op de stuwwal veelal minder dan een halve meter, terwijl ten oosten van het kanaal de verschillen tussen RHG en RLG rond de 0,7-0,8 m lagen. De verschillen tussen het droge en het natte jaar zijn in beeld gebracht in Figuur 2-12Figuur 2-12 en Figuur 2-13.
Hierin is te zien dat in de directe nabijheid van De Hoop de grondwaterstanden ruim 3 meter hoger zijn in 2024 dan in 2018, en ook dat dit een groter verschil is dan op de alle andere plaatsen. Ruimtelijk zijn de verschillen in grondwaterstanden tussen 2018 en 2024 het grootst net ten westen van de N786 (Harderwijkerweg/Eerbeekseweg). Er zijn echter geen peilbuizen ten oosten en ten zuiden van De Hoop die zowel metingen in 2018 als 2024 hebben, waardoor een verband in andere richtingen niet te maken is. Het verschil in geohydrologische deelgebieden ten oosten (Laagpakket van Twello) en ten westen (stuwwal) van het Apeldoorns Kanaal wordt uit deze vergelijking ook zichtbaar. Ten oosten van het kanaal is er geen verschil in RHG’s tussen beide jaren en een meter verschil in RLG’s tussen beide jaren. Ten westen van het kanaal is het verschil tussen RHG’s vergelijkbaar met het verschil tussen de RLG’s, hier is dus sprake van het traag reagerende grondwatersysteem.
20
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-12 Verschil in RHG tussen het natte jaar 2024 en het droge jaar 2018.
Figuur 2-13 Verschil in RLG tussen het natte jaar 2024 en het droge jaar 2018.
21
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
2.6.2
Lokaal beeld
Naast het duidelijke verschil tussen geohydrologische hoofdsystemen zijn er op lokale schaal verschillen in geomorfologie die leiden tot hydrologische verschillen. Figuur 2-21 geeft een indicatie van welke deelsystemen er zijn. Op de flank van de stuwwal is het verschil direct te zien in de dichtheid van het oppervlaktewatersysteem. Op de plaatsen waar (fijn lemig) dekzand is afgezet liggen de hoofdwatergangen (A- en B-watergangen). Deze 'kronkelen' om de dekzandkopjes heen om zo min mogelijk hoogteverschil te verliezen. In peilbuis B33D0256-001 zien we hier dat de grondwaterfluctuatie wel leidt tot uitzakken in droge jaren, maar in natte jaren de grondwaterstand wordt afgetopt door het oppervlaktewatersysteem. In de IJsselvallei (peilbuis GW000007_filter1) zakt het grondwater iedere zomer uit en wordt het iedere winter afgetopt door oppervlaktewater of maaiveld. Waar grof zand en grind direct aan maaiveld komen, liggen geen watergangen zoals op de stuwwal of alleen rechte greppels en C-watergangen op de daluitspoelingswaaier. In de stuwwal is een sterke fluctuatie tussen langjarige perioden, zie peilbuis B33D0144-001. De daluitspoelingswaaiers zijn later ontgonnen omdat grof zand sneller uitdroogt en mineralogisch arm is, zodat er moeilijker gewassen zijn te telen [15]. Deze locaties liggen in de Grondwaterfluctuatiezone.
Door de vlakkere ligging is hier een sterkere jaarlijkse cyclus in grondwaterstanden te merken dan op de stuwwal, maar worden de grondwaterstanden ook beïnvloed door de grondwaterstanden in de stuwwal. Dit is duidelijk te zien in tijdreeksen op de flanken (zie kaart Figuur 2-21), zoals een langjarige reeks (peilbuis B33G0232-001). Ook de metingen peilbuis GMW000000081824_1 lijken sterk samen te hangen met een trage factor (Figuur 2-14), maar blijkt uit de tijdreeksanalyse ook een correlatie te hebben met onttrekkingen in de omgeving.
Figuur 2-14 Meteorologie en meteorologie-index langs de tijdreeks van peilbuis GMW000000081824_1.
22
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-20 Op tijdreeksen gebaseerde RHG ten opzichte van maaiveld voor het droge jaar 2018.
23
Figuur 2-15: Op tijdreeksen gebaseerde RHG ten opzichte van maaiveld voor het droge jaar 2018
Figuur 2-18 Op tijdreeksen gebaseerde RHG ten opzichte van maaiveld voor het natte jaar 2024.
Figuur 2-16 2-17:Op Optijdreeksen tijdreeksengebaseerde gebaseerdeRLG RLGten tenopzichte opzichtevan vanmaaiveld maaiveldvoor voorhet hetdroge drogejaar jaar2018. 2018.
Figuur 2-19 Op tijdreeksen gebaseerde RHG ten opzichte van maaiveld voor het natte jaar 2024.
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
24 Geomorfologische Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januarigrondwatertijdreeksen 2026 - Confidential voor de lokale situatie. Figuur 2-21 kaart met oppervlaktewatersysteem en enkele representatieve
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
2.6.3
Grondwateronttrekkingen
In het gebied tussen Arnhem, Apeldoorn en Zutphen (groter gebied dan enkel Loenen - Eerbeek) wordt voor verschillende doeleinden grondwater onttrokken, waarvan de geregistreerde hoeveelheden zijn weergegeven in Figuur 2-22. De uitsnede voor de omgeving Eerbeek staat onderin dit figuur. Hierin is te zien dat het debiet van geregistreerde grondwateronttrekkingen in de laatste jaren onder de 50 miljoen m3/j is uitgekomen, wat in de afgelopen 50 jaar niet eerder is voorgekomen. Het grootste aandeel hierin is het afnemende geregistreerde verbruik voor industriële toepassing, waaronder de sluiting van papierfabriek De Hoop in Eerbeek. Hiervoor is recent met een grondwatermodel [4] onderzoek gedaan naar het effect van de sluiting. In hetzelfde watervoerend pakket als de onttrekking van de Hoop is in 2011 de drinkwaterwinning verdiept (ca 1 miljoen m 3/j, de post “Drinkwater diep” in Figuur 2-22), waardoor daar uit een dieper pakket wordt onttrokken en niet meer uit hetzelfde pakket als De Hoop. Door de onttrekking uit een dieper pakket dat door een weerstandlaag wordt afgedekt, werken de effecten van een diepere winning minder sterk door naar het freatische pakket (de grondwaterstanden die aan maaiveld te merken zijn). Het aandeel van De Hoop in de industriële onttrekkingen in Eerbeek was 35% de laatste 25 jaar, met gemiddeld 2 miljoen m3/j.
Figuur 2-22 Geregistreerde jaarlijkse onttrekkingshoeveelheden, met een uitvergroting naar de industrieën in Eerbeek. 25
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
2.6.4
Verband tussen onttrekkingen en grondwaterstanden
De in de omgeving aanwezige papierfabrieken en drinkwaterwinningen hebben de verplichting om jaarlijks het onttrokken debiet op te geven, zodat dit in een openbaar register opgenomen kan worden. De onttrekkingen ten westen van de IJssel tussen Apeldoorn en Arnhem (zie Figuur 2-22) zijn in dit onderzoek gebruikt. Hierdoor hebben wij de invloed van deze grondwateronttrekkingen statistisch kunnen koppelen aan grondwatermetingen in peilbuizen. Dit gebeurt aan de hand van parameter fitting met het python-package Pastas [16]. Hiervoor hebben wij per peilbuis de debieten van onttrekkingen als verklarende parameter opgegeven, waarbij op basis van kwadratische afwijking (least squares), statistisch wordt bepaald of en hoe groot de invloed van een onttrekking mogelijk is op de verklaarbaarheid van de waargenomen stijghoogte, zie Figuur 2-23 voor een visuele uitleg hoe reeksen uit elkaar gehaald worden. In Figuur 2-24 is weergegeven hoe voor iedere tijdreeks het aandeel onttrekkingen opgesplitst in een aandeel per onttrekking.
Figuur 2-23 Voorbeeld van een uitgesplitste tijdreeks voor grondwaterstanden, waarbij er (naast een meteorologisch verband) een verband is tussen grondwaterstand en nabije onttrekkingen.
26
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-24 De invloed van de winningen op basis van tijdreekscorrelatie, uitgesplitst per winning, waaraan te zien is dat de onttrekkingsdebieten van een drietal winningen op deze locatie sterker correleren met de gemeten tijdreeks dan de andere winningen.
Het verschil in verklaarbaarheid tussen een model met onttrekkingen en een model zonder onttrekkingen is weergegeven in Figuur 2-25. Hierin vertonen de lichtgekleurde meetlocaties geen statistisch verband met de onttrekkingsvariabelen, terwijl de donkergekleurde meetlocaties een duidelijke samenhang vertonen met onttrokken debieten in de nabijheid van het grondwatermeetpunt. De invloed van onttrekkingen op de gemeten grondwaterstanden komt met name voor ten westen van het Apeldoorns Kanaal, dit hangt samen met de zone waar grofzandige en grindige afzettingen voorkomen omdat het geomorfologisch gezien stuwwallen of uitspoelingswaaiers zijn, waar weinig oppervlaktewateren liggen. Op de stuwwal zijn ook locaties waar zeer lokaal geen samenhang lijkt te zijn met onttrekkingen, te midden van locaties waar dat verband er wel is. Hierbij zijn er verschillende dieptes waarop gemeten is, waarbij een deel van de filterdieptes wel verband laten zien en een deel niet, waarschijnlijk wordt hier aan twee zijden van een scheidende laag (een kleischot) gemeten. Daarnaast zijn er reeksen gemeten op momenten dat er geen (grote) veranderingen in debieten waren, waardoor het verband met een onttrekking moeilijk is aan te tonen.
Ten oosten van Brummen lijken enkele punten enige samenhang te vertonen met de onttrekkingen, maar dat is onwaarschijnlijk, omdat dan ook effecten in het tussenliggende gebied zouden moeten zijn. Waarschijnlijk is hier samenhang met de waterstand op de IJssel en is de statistische correlatie met de winningen onterecht.
27
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-25 Verklaarbaarheid van de tijdreeksen aan de hand van meteorologie. Grotere cirkels geven diepere filters aan op locaties waar op meerdere dieptes wordt gemeten
Figuur 2-26 Verklaarbaarheid van de tijdreeksen aan de hand van meteorologie en onttrekkingen. Grotere cirkels geven diepere filters aan op locaties waar op meerdere dieptes wordt gemeten. 28
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-27 Kaart van de onttrekkingen en verschil in tijdreeksverklaarbaarheid met en zonder onttrekkingen als variabele. Grotere cirkels geven diepere filters aan op locaties waar op meerdere dieptes wordt gemeten.
Voor de locaties waar de tijdreeksen een duidelijk statistisch verband laten zien met de geregistreerde onttrekkingshoeveelheden (eis = verklaarbaarheid met onttrekkingen >70%; verklaarbaarheid met onttrekkingen > 5% hoger dan zonder onttrekkingen) is op basis van de tijdreeksanalyse een inschatting gemaakt van de effecten van het stoppen van alle onttrekkingen. Hiervoor is met het opgestelde tijdreeksmodel met onttrekkingen een simulatie gedaan waarbij alle onttrekkingshoeveelheden op 0 zijn gezet, zie Figuur 2-28. In de praktijk zal de stijging van het grondwater op enig moment worden belet door afvoer via het oppervlaktewatersysteem of maaiveld, wat niet in deze statistische modellen zit, omdat die zijn getraind op de situatie waarbij de grondwaterstanden veelal dieper onder maaiveld liggen. In het fysisch gebaseerde AZURE-model wordt de oppervlakte(water)afvoer en verdamping vanuit de onverzadigde zone beter gesimuleerd, maar ontbreekt soms inzicht in de lokale ondergrondopbouw. Het statistische tijdreeksmodel en het fysisch gebaseerde AZURE-model zijn vergeleken in Figuur 2-29, waarbij wordt gekeken naar het verschil in GHG of gemiddelde grondwaterstand bij het uitschakelen van winningen. Hierin is te zien dat het grondwatermodel en het tijdreeksmodel redelijk overeenkomen.
Beide modellen bevatten andere onzekerheden, dus wijken op verschillende locaties iets van elkaar af. Zo is het effect volgens het tijdreeksmodel groter verder naar het westen de Veluwe op, en verder naar het noorden (richting Apeldoorn). Bij Loenen komen de modellen redelijk goed overeen waarbij het tijdreeksmodel een iets groter effect laat zien. De tijdreeksmodellen laten ook wat onlogische effecten zien; een locatie met nauwelijks tot geen effect dicht bij de winningen, of afwisselend veel en weinig effect dicht bij elkaar. De verwachting is dat het grondwatermodel een betrouwbaarder beeld geeft doordat hierin fysische processen zijn meegenomen in plaats van enkel statistische relaties. Het globale beeld van het effectgebied is bij beide modellen gelijk.
29
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-28 Voorbeeld van tijdreeksberekening met onttrekkingsmodel waarbij de onttrekkingen op nul zijn gezet. De bovenste figuur laat de metingen zien in het zwart, het tijdreeksmodel op basis van neerslag en verdamping in blauw, en het tijdreeksmodel op basis van neerslag, verdamping en onttrekkingen, waarbij nu de onttrekkingen zijn uitgeschakeld, in het oranje (zie ook Figuur ).
30
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-29 Vergelijking tussen statistisch model (tijdreeksen) en fysisch gebaseerd model (AZURE) voor een situatie waarbij alle grondwateronttrekkingen gestopt zouden worden. Voor het statistisch model is gekeken naar de verandering op de GHG, met het fysisch model is een stationaire berekening gedaan en wordt gekeken naar de gemiddelde grondwaterstand.
Een stijging van grondwaterstanden leidt niet automatisch tot grondwaterproblematiek. Wanneer de grondwaterstanden stijgen tot (nabij) maaiveld terwijl dat in het recente verleden niet zo is geweest, kan dit tot overlast zorgen in het watersysteem of de landgebruiksfuncties op die plaatsen. In Figuur 2-30 is te zien dat het stoppen van alle onttrekkingen volgens de tijdreeksmodellen met name in het vlakke gebied tussen de Eerbeekse Beek en de Horstweg in Loenen zorgt voor grondwaterstanden nabij maaiveld (waarbij geen rekening wordt gehouden met drainage door oppervlaktewater). Ook de grondwaterstanden ten noorden en ten zuiden van deze laagte stijgen, maar doordat het maaiveld hoger ligt, is de ontwateringsdiepte nog steeds ruim onder maaiveld, waardoor er minder invloed is op het oppervlaktewatersysteem en landgebruik in deze zones. De zone waar volgens de tijdreeksanalyse de grondwaterstanden aan maaiveld kunnen komen valt samen met de gebieden die voor de tweede helft van de negentiende eeuw als heide (op de bodemkaart herkenbaar als podzolbodems) en weiland (herkenbaar op de bodemkaart als gooreerdgronden) in gebruik waren, tussen de bouwlanden van de Eerbeekse Enk en Loenense Enk [17]. Tussen de weilanden lagen altijd al greppels of sloten, en dit deel is nu ook nog voorzien van veel watergangen.
De heide had een grens ter plaatse van de Oude Beek, die tegenwoordig slechts ten dele nog bestaat als C-watergang. Waarschijnlijk lag daar 200 jaar geleden al een watergang, de overige watergangen zijn aangelegd bij of na de markeverdeling van 1847 [18]. De Oude Beek is in de legger van 1993 nog aangemerkt als A-watergang [19], maar tegenwoordig is deze watergang deels gedempt en deels aangemerkt als C-watergang [20]. Afgaande op luchtfoto’s [21] is de Oude Beek deels meer dan 20 jaar geleden gedempt, deels in 2017/2018. Een vergelijkbare zone is aanwezig tussen Eerbeek en Laag-Soeren. Dit gebied heeft dezelfde kenmerken als het gebied tussen de Eerbeekse Enk en Loenense Enk, maar hier zijn geen peilbuizen aanwezig. 31
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Figuur 2-30 GHG ten opzichte van maaiveld volgens het tijdreeksmodel voor peilbuizen waar de grondwaterstanden stijgen wanneer alle onttrekkingen zouden stoppen.
2.7
Beheer en onderhoud oppervlaktewater
Momenteel lopen er verschillende onderzoeken naar de staat van beheer en onderhoud van de watergangen. De onderzoeken worden uitgevoerd door het waterschap, de provincie en de gemeente. De resultaten van deze onderzoeken zijn nu nog niet beschikbaar. Daarom geven wij op basis van de beschikbare gegevens – waaronder recente en historische leggerkaarten en een overzicht van reeds genomen maatregelen – een overzicht van de aanwezige watergangen en het vroegere watersysteem. Daarnaast beschrijven wij kwalitatief de verwachte impact van beheer en onderhoud op het functioneren van het oppervlaktewatersysteem. Zie ook de toelichting bij Figuur 2-36.
2.7.1
Overzicht van de aanwezige watergangen
Figuur 2-31 laat het oppervlaktewatersysteem zien. De Eerbeekse Beek heeft haar oorsprong als de Coldenhovense Beek in het landgoed Grootmoeshul. Vanaf hier stroomt de beek, aanvankelijk als A-watergang, langs park Coldenhove. Vervolgens wordt de beek samengevoegd met de Huiskamperspreng, waar een vaste dam aanwezig is. Na deze samenvoeging stroomt het water via een duiker met een diameter van circa 800 mm in de richting van zwembad Coldenhove. 32
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
Daarna passeert de beek, opnieuw via een duiker, een bedrijventerrein en komt samen met de C-watergangen Gravinnebeek en Molenbeek. Vanaf dit punt wordt de watergang aangeduid als de Eerbeekse Beek. De beek vervolgt haar weg onder meerdere papierfabrieken door en stroomt vervolgens verder door het dorp Eerbeek. Binnen Eerbeek zijn diverse stuwen en duikers aanwezig. Ter hoogte van Huis te Eerbeek bevinden zich enkele grotere vijvers. Na dit deel van het traject stroomt de beek met behulp van een sifon onder het Apeldoorns Kanaal door. De invloed van de onttrekkingen heeft ook effect op de Zilvense Beek en andere beken en watergangen bij Loenen. De Zilvense Beek begint als de Steenputtense Spreng. De Zilvense Beek loopt langs een aantal duikers waarna het zicht samenvoegt met de Bergakkersloot en de Loenense Molenbeek. Vandaar stroomt het water onder de Eerbeekseweg door, waar er beken en watergangen vanuit landbouwpercelen bij komen en vervolgens verder afstromen naar Loenen.
Figuur 2-31: Watergangen (A-B-C) voor een deel van het gebied (bron: legger waterschap V&V)
In het gebied liggen veel C-watergangen. Een deel van deze watergangen is niet aangesloten op andere watergangen (zie hetzelfde figuur), deze zorgen dus niet voor afvoer. Watergangen die wel aansluiten op andere C, B en/of Awatergangen dragen wel bij aan de afvoer van water uit het gebied. Watergangen voeren het grondwater af als dat hoger staat dan het waterpeil in de watergang, met uitzondering van de Eerbeekse beek (deze is opgelegd in een lemen constructie, waardoor er geen uitwisseling is met grondwater). Bij andere watergangen worden hoge grondwaterstanden dus afgevoerd, waarbij de afvoer afhankelijk is van hoe makkelijk water door de watergang kan stromen (zie paragraaf 2.7.3). De invloed van watergangen op de grondwaterstanden is het sterkst direct bij de watergang, en neemt af verder van de watergang af.
33
Onze referentie: KHCKJJCZWMC4-1131051956-17245:2 - Datum: 27 januari 2026 - Confidential
GEBIEDSVERKENNING TOEKOMSTBESTENDIG WATERSYSTEEM LOENEN-EERBEEK
2.7.2
Watersysteem van vroeger
De oudste beschikbare kaart uit Topotijdreis dateert uit 1850. Vergeleken met de huidige legger van de watergangen zijn er enkele verschillen zichtbaar, met name in de loop van het water bij de papierfabrieken in Eerbeek en bij Coldenhoven. Verder vertoont het watersysteem weinig afwijkingen; ook de sprengen zijn al in 1850 in het landschap aanwezig. Vanaf 2011 krijgt het watersysteem duidelijk zijn huidige vorm. De aanpassingen door de tijd heen lijken relatief beperkt, waardoor het niet aannemelijk is dat het systeem in het verleden robuuster was dan nu. Hierbij wordt wel aangenomen dat alle greppels van vroeger zichtbaar zijn op de kaarten. Ook Zilvense beek lijkt sinds 1850 niet aangepast. De sprengen zijn in Figuur 2-32 tot en met Figuur 2-35 al zichtbaar en de loop van de watergang lijkt ook niet aangepast.