CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies bezwarencommissie 12-10-2023 (geanonimiseerd)

Besluitvormende raadsvergadering 21 december 2023, gemeente BrummenBij agendapunt: Nagekomen stukken13.645 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bezwaarmakers zijn het hier niet mee eens. Zij geven aan dat de omgevingsvergunning niet is aangepast, terwijl een warmtepomp met een buitenunit totaal andere gevolgen heeft voor omwonenden dan een cv installatie op gas waarvan alles in de woning zit. Zij betwisten dat de warmtepomp legaal zou zijn. Volgens hen kan het ook niet worden gekwalificeerd als ondergeschikte wijziging omdat er belangen van derden (namelijk van hen) in het geding zijn en er is geen wijziging vergund. De commissie verwijst naar haar uiteenzetting ten aanzien van de vergunde infiltratiekratten. Analoog aan deze redenering is zij van mening dat het college met de omgevingsvergunning toestemming heeft gegeven om het bouwplan met een cv installatie op gas uit te voeren. Er is aan vergunninghouder daardoor echter niet de verplichting opgelegd om daadwerkelijk een cv installatie op gas aan te leggen. Het niet-realiseren staat aan de verwezenlijking van de vergunde woning ook niet in de weg, mits de warmte-installatie op een andere wijze wordt gerealiseerd, die zonder omgevingsvergunning mag worden uitgevoerd. Dat de warmtepomp aan de vergunningvrije regeling van artikel 2, onderdeel 21, van bijlage II van het Bor voldoet heeft de commissie al onder het kopje ‘Warmtepomp met omkasting in strijd met de vergunningvrije regeling? ’ uitgelegd.

Zij is dan ook van mening dat de wijziging van de warmte-installatie niet leidt tot een overtreding van een wettelijk voorschrift. Werken en werkzaamheden in strijd met artikel 7 van het bestemmingsplan? Bezwaarmakers stellen dat binnen de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie verwachting laag” ten onrechte zonder de vereiste omgevingsvergunning ophoog- en afgraafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden waarvan het oppervlak groter is dan 2. 500 m 2 .

Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen

Pagina 15 van 21

Wat het college in het bestreden besluit daar tegenin heeft gebracht, overtuigt bezwaarmakers niet. Zij betwisten onder andere op basis van eigen kaartmateriaal dat de ophoog- en afgraafwerkzaamheden onder de 2. 500 m 2 zouden zijn gebleven. Zij verwijten het college daarbij gebruik te hebben gemaakt van kaartmateriaal dat onvolledig is, omdat het niet het gehele perceel Pongeweg 4a beslaat, en stellen dat het college al in 2018 had moeten inspecteren nu het college – kennelijk - bekend was met het fenomeen “inklinking”, waardoor nu niet meer vast te stellen zou zijn hoeveel m 2 grond er is opgehoogd

en/of afgegraven. Bezwaarmakers verwachten van het college een gedegen onderzoek op basis waarvan vervolgens een op feiten gebaseerde conclusie wordt getrokken voor wat betreft de vraag of er voor de uitgevoerde werkzaamheden een omgevingsvergunning ex. artikel 7 van het bestemmingsplan vereist is. Het college geeft aan dat bezwaarmakers hebben verzocht om handhavend op te treden vanwege handelen in strijd met artikel 7 van het bestemmingsplan. In het bestreden besluit heeft het college onderzocht of in strijd met dit artikel, zonder de vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2. 1, eerste lid, onder b, van de Wabo, dergelijke werkzaamheden ten tijde van de bouw hebben plaatsgevonden. Het college verwijst naar de artikelen 7. 3. 1 en 7. 3. 2 van het bestemmingsplan en geeft aan dat het verbod om zonder omgevingsvergunning op de gronden met de (dubbel) bestemming “Waarde-Archeologie verwachting laag” gronden af te graven of op te hogen niet geldt indien de werkzaamheden een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2. 500 m 2 .

Het college heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat geen omgevingsvergunningsplicht ex. artikel 7 van het bestemmingsplan gold/geldt. Voor zover het college, gelet op onder meer tijdsverloop (vijf jaar na voltooiing van de bouw) en inklinking van de grond, heeft kunnen nagaan hebben de werkzaamheden incl. de retentievijver een oppervlakte beslaan kleiner dan 2. 500 m 2 en is/was er op grond van artikel 7. 3. 2 geen omgevingsvergunning nodig. Het college heeft in het verweer aangegeven in het kader van de bezwarenprocedure ook aan het Paraplubestemmingsplan Archeologie getoetst te hebben. Dit bestemmingsplan is op 15 oktober 2020 in werking getreden en vervangt, blijkens artikel 3, de regels die inzake archeologie zijn opgenomen in de onderliggende plannen, zoals in het bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4-6”. Het college heeft onderzocht of op dit moment een omgevingsvergunningsplicht geldt. Dit onderzoek is niet gedaan ten tijde van het bestreden besluit. Dit gebrek kan in de beslissing op bezwaar worden hersteld.

Op grond van artikel 8. 3. 1 van het Paraplubestemmingsplan Archeologie is het verboden zonder omgevingsvergunning (aanlegvergunning) gronden met meer dan 50 cm op te hogen. Dat de ophoging niet meer dan 50 cm is, staat, naar de mening van het college, niet ter discussie. Volgens het college is er niet opgehoogd. Bezwaarmakers spreken wel van een ophoging van gronden, maar niet over een ophoging van 50 cm of meer. Het college concludeert uit het vorenstaande dat het verbod als bedoeld in artikel 8. 3. 1 niet geldt.

Samenvattend stelt zich het college op het standpunt dat noch ten tijde van het uitvoeren van de werkzaamheden noch ten tijde van het handhavingsverzoek sprake is (geweest) van handelen in strijd met artikel 2. 1, lid, sub b, van de Wabo.

Los hiervan merkt het college op dat alleen degene die de aanlegvergunningplichtige werken uitvoert overtreder kan zijn van het in het bestemmingsplan opgenomen verbod dit zonder vergunning te doen. Het college verwijst ten aanzien hiervan naar de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018, ECLI: NL: RVS: 2018: 2804. De eigenaren zijn pas bezitter van het perceel geworden op het moment dat de bouw (en daarmee ook de (beweerdelijke) vergunningplichtige werkzaamheden) ruimschoots waren voltooid en zijn daarom geen overtreder. De commissie overweegt het volgende. Ingevolge artikel 7. 1 zijn de voor “Waarde - Archeologie verwachting laag” aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Op grond van artikel 7. 3. 1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan is het verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 7. 1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (…) de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen

Pagina 16 van 21

afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 cm.

Artikel 7. 3. 2 van het bestemmingsplan bepaalt dat het verbod als bedoeld in artikel 7. 3. 1 niet van toepassing is, indien de werkzaamheden of werken: a. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 7. 2 van toepassing is; b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2. 500 m 2

(…) Op grond van artikel 7. 2. 1 in samenhang gelezen met artikel 7. 2. 4, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan is een omgevingsvergunning niet vereist indien de aanvraag een of meer bouwwerken betreft waarvan de totale te bebouwen oppervlakte kleiner is dan 2. 500 m 2 .

Voorstaande betekent dat de grondwerkzaamheden, die ten behoeve van de bouw van de woning zijn gedaan, buiten beschouwing blijven bij het bepalen van de gezamenlijke oppervlakte van de grondwerkzaamheden. De commissie stelt vast dat het grootste deel van de grondwerkzaamheden (uitgraven én egaliseren van de uitgegraven grond) toen is gedaan ten behoeve van de bouw van de woning en blijft daarom dan ook buiten beschouwing. Het college heeft aan de hand van luchtfoto’s uit het gemeentelijke systeem van 2018 en 2019 een inschatting gemaakt waar op het perceel de grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Er is zichtbaar waar grond is uitgegraven en dat grond is opgeslagen. Gelet op de grootte van het perceel Pongeweg 4a en de hoeveelheid grond die door de grondwerkzaamheden ten behoeve van de woning, schuur en retentievijver, vrijgekomen moet zijn, acht de commissie het niet ongebruikelijk en dus acceptabel dat deze grond rond de woning werd verspreid en (her) gebruikt werd op het eigen perceel. Zij is van mening dat er daardoor geen sprake is van (kunstmatige) ophoging zoals bedoeld in artikel 7 van het bestemmingsplan, maar van egaliseren van de grond in samenhang dan wel als gevolg van de bouw van de bouwwerken. Hiervoor is op grond van artikel 7. 2. 1 in samenhang gelezen met artikel 7. 2. 4, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning vereist.

Daarnaast is de commissie niet gebleken dat de oppervlakte van de (grond) werkzaamheden groter zou zijn dan 2. 500 m 2 Weliswaar hebben bezwaarmakers met hun bezwaarschrift (bijlage 24) een schets gemaakt waarop volgens hen zichtbaar is waar op het perceel afgegraven dan wel opgehoogd zou zijn. Hoe zij bij de ingetekende contouren komen, hebben zij echter niet onderbouwd. Hierbij komt dat de oppervlakte van de vergunde woning met de daarbij opgenomen verplichte voorziening voor afvoer van hemelwater en de schuur er vanaf moeten worden getrokken, waar zij geen rekening mee hebben gehouden. .

Gelet op het vorenstaande is de commissie van mening dat voor de grondwerkzaamheden geen omgevingsvergunningplicht ex. artikel 7 van het bestemmingsplan gold/geldt. Op 15 oktober 2020 is het Paraplubestemmingsplan Archeologie in werk getreden en is dit plan ten tijde van het handhavingsverzoek het geldende toetsingskader.

Op grond van artikel 8. 3. 1, aanhef en onder b, van het Paraplubestemmingsplan Archeologie is het verboden (…) zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2. 1, eerste lid, onder b, van de Wabo, van het bevoegd gezag (aanlegactiviteit) gronden met meer dan 50 cm op te hogen.

Net als het college is de commissie van mening dat er geen sprake is van ophoging. Hoewel bezwaarmakers van mening zijn dat er wél sprake is van ophoging, hebben zij noch in hun handhavingsverzoek noch in hun bezwaarschrift aangegeven dat de ophoging 50 cm of meer zal bedragen. Tijdens de hoorzitting hebben bezwaarmakers verklaard dat de ophoging 60 cm zou bedragen. Deze stelling hebben zij echter geenszins onderbouwd. Het is de commissie dan ook niet duidelijk of zij hiermee bedoelen dat de grond op het gehele perceel met 60 cm is verhoogd of alleen op een gedeelte. En mocht het alleen een gedeelte betreffen, dan is het onduidelijk waar zich dit deel op het perceel bevindt. De commissie kan op deze opmerking inhoudelijk dan ook niet ingaan. Wel wil zij opmerken dat zij haar twijfels heeft of deze inbreng van bezwaarmakers een juiste werkgave is van de feiten. Een oppervlakte van 2. 500 m 2 op te hogen met 60 cm zou immers betekenen dat er 1. 500 m 3 (ca. 60 vrachtwagens) grond voor nodig zijn. Het lijkt de commissie onwaarschijnlijk dat dit in casu is gebeurd.

Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen

Pagina 17 van 21

Gelet op het vorenstaande kan de commissie (ook) geen strijdigheid met het Paraplubestemmingsplan Archeologie vaststellen. Samenvattend komt zij daarom tot de conclusie dat noch ten tijde van het uitvoeren van de grondwerkzaamheden noch ten tijde van het handhavingsverzoek sprake was van handelen in strijd met artikel 2. 1, eerste lid, sub b, van de Wabo en dat er daarom geen sprake is van een

overtreding.

Nu er geen sprake is van een overtreding, kan er ook geen sprake zijn van een overtreder. Wellicht ten overvloede, maar omdat het college in het verweer hier op is ingegaan, wil de commissie opmerken dat zij het standpunt van het college ten aanzien van de ‘overtreder’ deelt om de volgende redenen. Het eerste lid van artikel 5: 32 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Op grond van artikel 5: 1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Ingevolge artikel 2. 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, (…) Dat de huidige eigenaren de grondwerkzaamheden niet zelf hebben uitgevoerd staat vast. Zij zijn immers pas later, na afronding van de bouw- en grondwerkzaamheden, eigenaar van het perceel geworden. Zij hebben en konden daarom de voorgenoemde bepaling niet overtreden. De bepaling verbiedt immers (alleen) het ‘uitvoeren’ zonder omgevingsvergunning en niet het in stand laten van een werk of van werkzaamheden dat/die zonder omgevingsvergunning zijn uitgevoerd. Dat de eigenaren het wellicht in hun macht hebben om de (gestelde) overtreding ongedaan te maken, doet aan het vorenstaande niet

af. De commissie wil er nogmaals op wijzen dat het vorenstaande hypothetisch is en zij dit volledigheidshalve in haar advies heeft opgenomen. Zoals eerder is geconcludeerd, is zij van mening dat er geen sprake is van een overtreding.

Ophogingen en afgravingen in strijd met artikel 13 van het bestemmingsplan?

Bezwaarmakers stellen dat, in strijd met artikel 3 en artikel 13 van het bestemmingsplan, geen omgevingsvergunning is verleend voor het ophogen/afgraven van Pongeweg 4a, voor zover gelegen binnen de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden A”, en dat deze vergunning ook niet kan worden verleend omdat de werkzaamheden niet noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de voor agrarisch gebruik bestemde gronden. Verder stellen zij onder meer dat de onderzoeksplicht of er, binnen de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden A”, vergunningplichtige werkzaamheden hebben plaatsgevonden, op het college rust en dat het college deze niet op hen kan afschuiven. Het college stelt zich in het verweer – anders dan in het bestreden besluit – op het standpunt dat het handhavingsverzoek van bezwaarmakers op dat punt onvoldoende specifiek is en hierdoor, ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling, niet gekwalificeerd kan worden als aanvraag. Bezwaarmakers geven niet aan of en zo ja op welk deel van het perceel met de bestemming “Agrarisch met waardenlandschapswaarden A” de door hen bedoelde werkzaamheden zouden zijn uitgevoerd. Dit met uitzondering van het perceelsgedeelte waar verharding zou zijn aangebracht en waartegen het college besloten heeft handhavend op te treden.

Omdat dit deel van het verzoek niet gekwalificeerd kan worden als aanvraag, had het college hierop

geen besluit moeten nemen, maar dit deel buiten beschouwing moeten laten. Dat het college het verzoek in het bestreden besluit heeft afgewezen, kan in de beslissing op bezwaar worden hersteld.

Mocht er op dat punt toch sprake zijn van een aanvraag om handhavend op te treden, is het college van mening dat het verzoek terecht is afgewezen. Bezwaarmakers hebben niet aannemelijk gemaakt dat – met uitzondering van het perceelsgedeelte dat verhard is – elders op gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden A” werkzaamheden hebben plaatsgevonden, die ingevolge artikel 3 juncto artikel 13 van het bestemmingsplan, omgevingsvergunningplichtig zijn.

Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen

Pagina 18 van 21

Daarbij komt dat, als het bezwaarmakers gaat om reeds uitgevoerde werkzaamheden, alleen degene die deze werkzaamheden heeft uitgevoerd de in artikel 2. 1, sub b, van de Wabo juncto artikel 13 van het bestemmingsplan beschreven verboden handeling kan uitvoeren, niet diens eventuele (rechts) opvolger. Het college verwijst ten aanzien hiervan nogmaals naar de uitspraak van de Afdeling, ECLI: NL: RVS: 2018: 2804. De commissie overweegt het volgende. Ingevolge artikel 4: 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. In het handhavingsverzoek geven bezwaarmakers ten aanzien van werken of werkzaamheden geen bouwwerken zijnde op pagina 3 aan dat “ (…) Het perceelsgedeelte met voornoemde dubbelbestemming dat is opgehoogd of afgegraven, is groter dan 2. 500 m 2 Om die reden mochten de gerealiseerde grondwerken niet zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd.

Deze regels betekenen dat de ophoging op het woonbestemde gedeelte, op het recreatie-verblijfsrecreatiebestemde gedeelte en de ophoging van het agrarisch bestemde gedeelte (…) niet zonder vergunning hadden mogen worden uitgevoerd. (…) ” .

.

De commissie constateert dat bezwaarmakers hun handhavingsverzoek voor wat betreft de gestelde ophoging (en) en/of afgraving (en) op de agrarische bestemming te algemeen hebben geformuleerd. Niet duidelijk is of zij bedoelen dat het gehele agrarische bestemmingsvlak opgehoogd zou zijn of een gedeelte daarvan en indien het een gedeelte betreft waar zich dat bevindt. Zij hebben hun handhavingsverzoek noch door kaartmateriaal noch door foto’s (ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden) of anderszins onderbouwd dan wel begrensd. Als een verzoek te algemeen geformuleerd is, moet het bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid stellen dit te preciseren. Dit heeft het college tijdens de handhavingsprocedure niet gedaan. Echter, tijdens de hoorzitting hebben bezwaarmakers deze gelegenheid wel gekregen. De commissie heeft hen tijdens de hoorzitting verzocht concreet te maken waar de grond is opgehoogd. Waarop bezwaarmakers hebben geantwoord dat de gemeente goed weet waar verhoogd is, gelet op de uitspraak van de bestemmingsplantoetser. Tevens hebben zij aangegeven dat het weiland 60 cm is verhoogd. De commissie is van mening dat deze (aanvullende) informatie steeds nog onvoldoende is om het verzoek van bezwaarmakers als aanvraag te definiëren. Zij neemt hierbij mede in aanmerking dat de stelling dat de agrarische grond om 60 cm is verhoogd geenszins is onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande sluit de commissie zich aan bij het standpunt van het college in het verweer dat het handhavingsverzoek ten aanzien van dit punt buiten behandeling is te stellen. Aan een inhoudelijke toets van het verzoek komt zij dan ook niet toe. In de beslissing op het bezwaar kan het bestreden besluit op dat punt worden hersteld. Raster van tuingaas in strijd met de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden A”? Bezwaarmakers geven in hun bezwaarschrift aan dat het raster van tuingaas strijdig zou zijn met de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden A”, omdat zij voor een geplant beukenhaagje staat, het beukenhaagje geen op agrarische gronden behorend landschapselement is, het beschermen van het beukenhaagje niet ten dienste van de agrarische bestemming is en raster met geplastificeerd tuingaas geen gebruikelijk materiaal is om weilanden mee af te rasteren. Het college handhaaft in het verweer het standpunt dat geen sprake is van een overtreding. De gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden A” zijn onder meer bestemd voor het op hobbymatige basis houden van dieren. Op deze gronden zijn ten behoeve van de bestemming bouwwerken geen gebouw zijnde met een bouwhoogte van maximaal 1, 25 m toegestaan.

Dat het raster is geplaatst in verband met het op hobbymatige basis houden van dieren staat niet ter discussie; bezwaarmakers geven dat zelf aan. Het bestemmingsplan schrijft niet voor van welk materiaal dergelijke rasters moeten zijn. Bezwaarmakers hebben geen verzoek gedaan handhavend op te treden tegen het beukenhaagje. Een dergelijk verzoek zou ook afgewezen zijn omdat dit beukenhaagje niet strijdig is met het ter plaatse vigerende “Paraplubestemmingsplan landschapselementen”. Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen

Pagina 19 van 21

De commissie sluit zich volledig aan bij het verweer van het college om de volgende redenen. Artikel 3. 1 van het bestemmingsplan bepaalt dat de voor “Agrarisch met waarden-landschapswaarden A” aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden, alsmede het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden met daaraan ondergeschikt het op hobbymatige basis houden van dieren. De bouwregels van artikel 3. 2 van het bestemmingsplan bepalen dat op de gronden met deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van deze bestemming zijn toegestaan. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte maximaal 1, 25 m bedraagt. De commissie heeft vastgesteld dat de afrastering is geplaatst om het weiland heen waarop (hobbymatig) pony’s worden gehouden. De geplaatste afrastering neemt de maximaal toegestane hoogtematen in acht. De planregels stellen geen eisen qua vorm, kleur of uitvoering van de afrastering, zodat ook om die reden geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

Wellicht ten overvloede – omdat het handhavingsverzoek van bezwaarmakers niet gericht is tegen het aangevoerde beukenhaagje – wil de commissie opmerken dat het Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied aanvullend op het agrarische gebruik van de onderliggende bestemmingsplannen de opgesomde landschapselementen toestaat. Anders dan bezwaarmakers stellen, is het beukenhaagje dus niet uitgesloten. Volgens artikel 3. 1 van het bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4-6” zijn de aangewezen gronden immers mede bestemd voor het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke en ecologische waarden.

Gebruik als tuin en aangebrachte verhardingen in strijd met de agrarische bestemming Bezwaarmakers nemen in hun bezwaarschrift kennis van het feit dat het college hen in het gelijk stelt wat het gebruik als tuin en de aangebrachte verharding binnen de bestemming “Agrarisch met waardenlandschapswaarden A” betreft. Zij geven aan verbaasd te zijn over de opmerking in de brief “voornemen last onder dwangsom” aan de eigenaren dat er de mogelijkheid bestaat om het grindterras te vergunnen voor een periode van 10 jaar. Dit vanwege de strijdigheid met artikel 13 van het bestemmingsplan en het voorkomen van ongewenste precedentwerking.

Het college reageert in het verweerschrift dat in deze procedure het besluit van 14 april 2023 centraal staat. Als bezwaarmakers menen dat de legalisatie voor een periode van 10 jaar niet mogelijk is, moeten zij te zijner tijd, als die vergunning wordt aangevraagd en door het college wordt verleend, tegen dat besluit bezwaar maken. Bij het verlenen van deze “afwijkingsomgevingsvergunning” zouden bezwaarmakers de door hen gevreesde precedentwerking aan de orde kunnen stellen. In deze procedure hoort dat argument/bezwaar niet thuis. De commissie deelt het standpunt van het college. Indien de eigenaren een omgevingsvergunning aanvragen om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan behoren de hiervoor ingebrachte argumenten van bezwaarmakers in de (bezwaar-/beroeps) procedure voor deze omgevingsvergunning thuis. Een zodanige omgevingsvergunning is op dit moment noch verleend, noch aangevraagd. Nú staat het handhavingsbesluit van 14 april 2023 ter discussie, waarbij de aangehaalde tijdelijke afwijking niet aan de orde is. De commissie gaat er dan inhoudelijk ook niet op in.

De commissie stelt vast dat het college in het bestreden besluit het handhavingsverzoek heeft toegewezen voor wat betreft de op de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden A” aangetroffen grindverharding met daarop een picknicktafel en op het gras een trampoline, een mobiele basketbalpaal en een speeltoestel met schommels. Hierbij is aangegeven dat dit allemaal vormen zijn van gebruik dat normaliter in een tuin gebruikelijk is en die dus in strijd met de agrarische bestemming is. Verder stelt artikel 13 van het bestemmingsplan dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een oppervlakteverharding aan te brengen. Het gebruik van het grindgedeelte met de tuinbank is ten behoeve van de bestemming wonen en dus ook in strijd met de agrarische bestemming. Zoals de commissie onder het kopje ‘Woning in strijd met de omgevingsvergunning/bestemmingsplan? ’ heeft toegelicht, ligt voor de locatie Pongeweg 4a sinds 30 september 2023 het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4a te Hall” ter inzage. Zij verwijst ten aanzien hiervan naar haar toelichting bij het genoemde kopje. Zij heeft geconstateerd dat het ontwerpbestemmingsplan de bestemmingen “Agrarisch met waarden-landschapswaarden A” en “Recreatie-verblijfsrecreatie” wijzigt in de bestemming “tuin”. Ter verduidelijking verwijst zij naar de hierboven opgenomen illustraties van de verbeeldingen.

Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen

Pagina 20 van 21

De grindverharding met picknicktafel en de speeltoestellen, waarvoor het handhavingsverzoek is toegewezen zoals hiervoor is omschreven, zijn allemaal gesitueerd op de “tuin”-bestemming. Artikel 3. 1 van het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4a te Hall” bepaalt dat de voor “tuin” aangewezen gronden bestemd zijn voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen met de daarbij behorende:

(…)

c.

d.

(…)

e.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde; speelvoorzieningen, zoals een trampoline en een schommel; terrassen tot een maximale oppervlakte van 100 m 2 ;

De commissie stelt vast dat het in het bestreden besluit geconstateerde strijdige gebruik van de gronden in het ontwerpbestemmingsplan (rechtstreeks) is toegestaan. Er is zodoende (inmiddels) sprake van concreet zicht op legalisatie. Dit is een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college af mag zien van handhaving. Er zijn de commissie geen redenen gebleken waarom het college geen gebruik zou kunnen maken van deze bevoegdheid. Zij is daarom van mening dat het college in de beslissing op bezwaar mag besluiten om ten aanzien van deze strijdigheid alsnog af te zien van handhaving vanwege concreet zicht op legalisatie.

Afsluitend merkt de commissie op dat haar niet is gebleken dat het college in de onderhavige zaak onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Van strijd met artikel 3: 2 van de Awb en/of onbehoorlijk bestuur is naar haar mening daarom geen sprake.

Conclusie Om bovenstaande redenen adviseert de commissie het college het bezwaarschrift ongegrond te ver-

klaren. Verder adviseert zij het college het bestreden besluit in stand te laten met dien verstande dat de motivering ten aanzien van beslispunt 5 wordt aangevuld, het handhavingsverzoek met betrekking tot beslispunt 7 buiten behandeling wordt gesteld en met betrekking tot beslispunt 8 alsnog wordt afgewezen.

Verslag hoorzitting Van de hoorzitting is een digitaal verslag gemaakt in de vorm van een geluidsopname. Bezwaarmakers hebben na de hoorzitting om toezending van de geluidsopname gevraagd. Op 20 september 2023 hebben zij deze per e-mail ontvangen.

Bijlagen Dit advies kent geen bijlagen.

Verzending advies Een exemplaar van dit advies is verzonden aan het college.

Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen

Pagina 21 van 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13558862/1