Advies bezwarencommissie 12-10-2023 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Advies Gemeente
van
de commissie
voor
de bezwaarschriften
Brummen
OPENBAAR Indiener
bezwaarschrift:
De heer
(gean(geanonimiseerd) o im se rd)
en
mevroul (geanonimiseerd) EN
Datum
bezwaarschrift:
22
2023, aangevuld op
mei
Bestreden
het
het verzoek om
handhavend
1.
de in het
3.
september
aan
de
Pongeweg
4 in Hall
(hierna: bezwaarmakers).
2023
besluit:
Het besluit van
2.
7
wonende
college
van
burgemeester
en
MEN (geanonimiseerd) (hierna: het college) van Pongeweg 4a in Hall tegen
14
april 2023, waarbij
op te treden op het perceel
afwijking met de omgevingsvergunning gebouwde schuur is afgewezen. strijdige gebruik van de schuur als slaap-/logeerkamer is afgewezen. deel van de woning op a. het in strijd met de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan gebouwde de bestemming “agrarisch met waarden” is afgewezen. b. de in afwijking met de omgevingsvergunning uitgevoerde opvangvoorziening voor hemelwater is afgewezen. c.
4.
de
in
afwijking met de omgevingsvergunning uitgevoerde verwarmingsinstallatie is afgewezen. strijd met het bestemmingsplan en de vergunningvrije regeling aangelegde retentievijver is afgewe-
de in zen.
5.
8. 9.
detijdens de bouw uitgevoerde werkzaamheden en werken in strijd met artikel 7 van het bestemmingsplan zijn afgewezen. het in strijd met de bestemming “agrarisch met waarden” geplaatste raster van tuingaas is afgewezen. de in strijd met het aanlegvergunningstelsel van het bestemmingsplan uitgevoerde ophogingen en afgravingen op de bestemming “agrarisch met waarden” is afgewezen. het gebruik van een deel van het perceel als tuin en het aanbrengen van een verharding in strijd met de bestemming “agrarisch met waarden” is toegewezen. de warmtepomp inclusief omkasting is afgewezen.
De commissie
voor
de
1.
het bezwaarschrift
2.
het bezwaarschrift het bestreden
bezwaarschriften van
22 mei
2023
van
22 mei
2023
besluit in stand
adviseert
het
ontvankelijk ongegrond
te laten met dien
college: te
verklaren;
te verklaren. verstande
dat
Verder adviseert de commissie de
motivering
ten
aanzien
van
het
college
beslispunt
5 wordt
aangevuld, het handhavingsverzoek met betrekking tot beslispunt 7 buiten behandeling met betrekking tot beslispunt 8 alsnog wordt afgewezen. gesteld
wordt
en
Brummen, Namens de
12
oktober
de commissie
2023 voor
de
bezwaarschriften,
secretaris,
de
voorzitter,
(g(geanonimiseerd) eano im se rd) Commissie
voor
de bezwaarschriften
gemeente
Brummen
Pagina
1 van
21
Inleiding Op
14 december
2022
hebben
havend
op te treden op het eigenaren van het naburige
bezwaarmakers
geheel
de
van
het
aan
college
bij Pongeweg
perceel Pongeweg
Bij besluit van 12 april 2023, verzonden en af te wijzen. gedeeltelijk toe
gedaan
percelen.
integraal handzijn
om
Bezwaarmakers
4.
14
op
verzoek
een
4a behorende
april 2023, heeft
het
college
besloten
dit verzoek
om
—
Tegen
dit besluit hebben
op het verweerschrift
op 22 mei 2023 een bezwaarschrift ingediend, dat zij in reactie op 7 september 2023 hebben aangevuld.
bezwaarmakers het
van
college
Het
college heeft het bezwaarschrift schriften (hierna: de commissie). aanwezic.
de
(geanonimiseerd)
heer
doorgestuurd
heeft het bezwaarschrift behandeld
De commissie waren
advies
voor
19
de
voor
september
bezwaar-
2023.
Hierbij
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
e
heeft zich
de
en
commissie
mr
De commissie
Advies
de
tijdens de hoorzitting van
(geanonimiseerd) (geano im se rd)(geanonimise rd) (geanonimiseerd) BE namens het college en -__de heer mr. (geanoniB mise rd)(geanonimise rd) (geanonimiseerd) A gemachtigde van de eigenaren benden (hierna: de eigenaren). mevrouw
naar
1. Het bezwaar
de
na
hoorzitting
beraden
en
komt
van
tot het
Pongeweg
onderstaande
is
1:3
Algemene
wet bestuursrecht
het bezwaarschrift is binnen de termijn van zes weken ontvangen. Ook bezwaar aan alle in de Awb gestelde eisen voor het maken van bezwaar. het
besluit
bezwaarschrift
ging bespreekt
plaats
ontvankelijk is, dient op grondslag
te vinden
de commissie
2. De bezwaren
advies.
ontvankelijk
en
streden
derde-belangheb-
motivering
Het bezwaar voldoet aan de ontvankel jkheidsvereisten Het bestreden besluit is een besluit in de zin van artikel
Omdat
4a als
(artikel 7:11,
hieronder
de
eerste inhoud
lid, van van
de
daarvan
Awb).
een
Ten
voor
het
(hierna: Awb)
overige
heroverweging behoeve
van
voldoet het
van
het
be-
die heroverwe-
het bezwaar.
zijn ongegrond
Feiten Bezwaarmakers
hebben op 14 december 2022 een verzoek gedaan bij het college om integraal handop te treden tegen diverse bouwwerken, uitgevoerde werken en werkzaamheden en gebruiksactiviteiten op het naastgelegen perceel Pongeweg 4a in Hall, die in strijd zouden zijn met de bouwregelgeving en het vigerend bestemmingsplan. Ook hebben bezwaarmakers het college verzocht om alle bouwwerken, geen gebouw zijnde, die voor de voorgevel zijn geplaatst opnieuw op te meten vanaf het havend
correcte
peil.
Het
college heeft op 6 maart 2023 ter plaatse college op de locatie de afstanden nagemeten. Op
14
april
zonden.
Op
last onder
een
controle
uitgevoerd. Op
15
maart
2023
heeft het
2023
heeft het college de beslissing op het handhavingsverzoek aan bezwaarmakers verdezelfde dag heeft het college aan de eigenaren een brief gestuurd met een waarschuwing
dwangsom.
De
eigenaren
hebben
vervolgens
een
zienswijze ingediend tegen
deze
waar-
schuwing. Op
22
mei
2023
hebben
bezwaarmakers
verzoek. Als reactie op het verweerschrift 7 september 2023 aangevuld. Juridisch Artikel Artikel
2.1
Commissie
het
gemaakt tegen de beslissing op hun handhavingscollege hebben bewaarmakers hun bezwaarschrift op
kader
125 van
Artikelen
bezwaar van
de Gemeentewet
5:4,
5:21
en
5.2
voor
en 5:32 van
van
de Wet
de bezwaarschriften
(hierna: Gemw)
de Awb
algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) gemeente
Brummen
Pagina
2 van
21
Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) Bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4-6” (hierna: het bestemmingsplan) Paraplubestemmingsplan Archeologie Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied Paraplubestemmingsplan bos-, natuur- en waterbestemmingen Paraplubestemmingsplan Parkeren De commissie overweegt over de ingediende gronden van bezwaar en het daartegen gerichte verweer als volgt: Allereerst merkt de commissie op dat in deze zaak uitsluitend het handhavingsbesluit van 14 april 2023 ter beoordeling staat. Bezwaarmakers hebben tijdens de hoorzitting aangegeven dat zij een conflict hebben met het college en hebben gerefereerd aan verschillende (bezwaar-, beroeps- en klachten) procedures uit het verleden of die nog lopende zijn. Ook hebben zij in hun aanvullend bezwaarschrift aan de commissie expliciet gevraagd om zich een oordeel te vormen over alle zaken van onbehoorlijk bestuur van de gemeente Brummen. Echter, een dusdanige beoordeling is geen taak van de commissie. Evenmin is het aan haar om een standpunt in te nemen voor wat betreft het aangevoerde conflict tussen bezwaarmakers en het college. Ook een mogelijke aansprakelijkheidsstelling staat in deze procedure nu niet ter discussie.
De commissie heeft in deze zaak enkel en uitsluitend te beoordelen of het college het handhavingsbesluit van 14 april 2023 zorgvuldig heeft voorbereid, op goede gronden heeft genomen en of het besluit in redelijkheid in stand kan blijven. Hierna volgen haar overwegingen. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemw is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemw uitgeoefend door het college, indien toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. In dit kader heeft de Afdeling overwogen dat slechts onder bijzondere omstandigheden van het bestuursorgaan ,
mag worden gevergd, dit niet te doen. Deze omstandigheden kunnen zich voordoen indien een concreet zicht op legalisering bestaat. Het enkele feit dat het college niet bereid is om af te wijken van het bestemmingsplan, is volgens de Afdeling al voldoende voor het oordeel dat er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Indien handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, behoort eveneens van handhavend optreden in die concrete situatie af te worden gezien. Hierbij moet worden gedacht aan een incidentele overtreding en/of een overtreding van geringe ernst en omvang.
Artikel 5: 21 van de Awb verstaat onder last onder bestuursdwang: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Het eerste lid van artikel 5: 32 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.
Op grond van artikel 5: 31d van de Awb wordt onder last onder dwangsom verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Ingevolge artikel 5: 1, eerste lid, van de Awb wordt in deze wet verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Is er sprake van een overtreding? Bezwaarmakers geven in hun bezwaarschrift aan dat het college het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en/of gemotiveerd. Per onderdeel onderbouwen zij hun standpunt.
Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 3 van 21
Peil Bezwaarmakers geven in hun handhavingsverzoek aan dat het op het perceel Pongeweg 4a gehanteerde peil niet conform het bestemmingsplan is. Dit zou blijken uit het externe advies dat in 2021 tijdens hun klachtenprocedure door de burgemeester is gevraagd. Volgens hen zou het peil een halve meter hoger zijn dan toegestaan. Dat zou grote gevolgen hebben voor de gebouwen en overige bouwwerken op het perceel Pongeweg 4a als ook voor hun perceel Pongeweg 4. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat in het hiervoor genoemde externe advies van 2021 ten aanzien van het begrip “peil” is uitgegaan van verouderde jurisprudentie uit 2004. In recentere uitspraken wordt bij een soortgelijke meetregel als opgenomen in het vigerende bestemmingsplan aansluiting gezocht bij artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor. Conform deze jurisprudentie en de bij dit artikellid behorende Memorie van Toelichting (hierna: MvT) is gemeten vanaf het aansluitende terrein. Daarbij zijn geen overtredingen geconstateerd voor wat betreft (de hoogte van) de schuur en de omkasting van de warmtepomp. Bovendien is het cijfermatige peil, genoemd in de omgevingsvergunning (12, 43 m + NAP) het peil dat vergund is.
Dit vergunde peil ligt hoger dan het door de toezichthouder bij de bouw uitgezette peil (vanaf 10 cm boven de kruin van de weg + 1 cm per strekkende meter) van 12, 345 m + NAP. Ter onderbouwing heeft het college een tekening opgenomen in het besluit. ,
Bezwaarmakers geven in hun bezwaarschrift aan dat zowel het in de omgevingsvergunning genoemde peil (12, 43 m + NP) als het in de berekening genoemde peil (12, 345 m + NAP) niet conform het bestemmingsplan zijn. Dit is ook de conclusie van het externe advies van 2021, aldus bezwaarmakers. Volgens hen dient in het veld alsnog het correcte peil conform bestemmingsplan te worden gehanteerd. Zij verwijzen ten aanzien hiervan de uitspraak de rechtbank Midden-Nederland naar van (ECLI: NL: RBMNE: 2021: 1301, r. o. 4) .
Verder voeren bezwaarmakers aan dat in de MvT bij artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, bijlage II van het Bor staat dat niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen aan de voet van het bouwwerk bij het meten van de hoogte buiten beschouwing moeten worden gelaten. Volgens hen is op het perceel Pongeweg 4a sprake van een dergelijke ophoging die bij het meten van de hoogte van de aanwezige bouwwerken, zoals de schuur en de omkasting van de waterpomp, buiten beschouwing moeten worden gelaten. Daarnaast merken bezwaarmakers in hun bezwaarschrift op dat de definities van “peil” in bijlage II van het Bor en in het bestemmingsplan niet identiek zijn. Het bestemmingsplan spreekt niet over “het aansluitende afgewerkte terrein”, maar over “het bestaand aansluitende afgewerkte terrein”. Dit kan volgens hen niets anders zijn dan het maaiveld ten tijde van de planwijziging dat tot de aanvang van de bouw ongewijzigd is gebleven.
Samenvattend zouden volgens bezwaarmakers bij zowel het vergunde als het uitgezette peil een wettelijke grondslag missen. Naar hun mening had het college vanaf de oorspronkelijke, voor de plaatsgevonden verhoging, aanwezige, als natuurlijk aan te merken terreinhoogte moeten meten in plaats vanaf het aansluitende afgewerkte terrein, waarbij niet bij het natuurlijke verloop van de grond passende ophogingen aan de voet van het bouwwerk buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten. Het college handhaaft in het verweer het standpunt dat is ingenomen in het bestreden besluit. Kort samengevat betekent dat dat het college van mening is van het juiste peil uit te zijn gegaan. Op basis van dat peil (het aansluitende afgewerkte terrein) zijn geen overtredingen van onder meer de schuur en de omkasting vastgesteld. Het college geeft in het verweerschrift de definities van “peil”, “bestaand” en “de wijze van meten” weer, zoals deze zijn vastgelegd in het bestemmingsplan. Het verwijst voor de vraag hoe het begrip “peil” moet worden uitgelegd in situaties als deze, waarbij het bestemmingsplan daarover niets anders heeft geregeld, naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling, die bepaalt, dat dan aansluiting moet worden gezocht bij de soortgelijke meetregel in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor. Het college citeert de r. o. 4.
2 van de uitspraak van de Afdeling ECLI: NL: RVS: 2020: 2800:
Op grond van artikel 2. 3 van de planregels wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk. Op grond van artikel 1. 53, onder d, is 'peil' de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. Voor de vraag hoe het begrip 'peil' moet worden uitgelegd sluit de Afdeling, nu het bestemmingsplan daarover niets anders heeft geregeld, in dit geval aan bij de jurisprudentie Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 4 van 21
over de soortgelijke meetregel in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Daarover heeft de Afdeling (onder meer in de uitspraak van 21 augustus 2019, ECLI: NL: RVS: 2019: 2811) overwogen dat gezien deze meetregel de hoogte moet worden gemeten vanaf het aan het bouwwerk aansluitend afgewerkt terrein. Zoals ook blijkt uit de nota van toelichting (Stb. 2010, 143, blz. 138) , gaat het om de staat van het direct aan het bouwwerk aansluitend terrein zoals dat na voltooiing van de
bouw is afgewerkt. Op deze hoofdregel bestaat één uitzondering. Die geldt in de situatie dat aangebrachte plaatselijke ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk niet bij het verdere verloop van het terrein passen en niet noodzakelijk zijn voor de bouw van het bouwwerk. In dat geval moeten die ophogingen of verdiepingen buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling van de hoogte van het bouwwerk. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI: NL: RVS: 2019: 1736, heeft overwogen is deze aanvulling blijkens de toelichting toegevoegd om ongewenste omzeiling van de hoofdregel te voorkomen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het aanleggen van een kunstmatige plaatselijke ophoging, uitsluitend met het oog op verhoogde plaatsing van een bouwwerk. Hierdoor oogt de op de verhoging geplaatste bebouwing hoger dan passend is bij het verdere verloop van het terrein. Daarom moet in dergelijke gevallen bij de bepaling van de bouwhoogte zo'n plaatselijke terreinverhoging aan de voet van een bouwwerk buiten beschouwing blijven. Het college heeft voor de nadere uitleg van het peil aansluiting gezocht bij deze jurisprudentie dan wel bijlage II van het Bor.
Het college heeft op basis daarvan het aansluitende afgewerkte terrein vastgesteld en vervolgens geconstateerd dat niet gebouwd is in afwijking van de verleende vergunning en/of anderszins overtredingen zijn geconstateerd. Dat in het bestemmingsplan een definitie is opgenomen voor “bestaand” maakt het vorenstaande naar de mening van het college niet anders, aangezien deze definitie alleen betrekking heeft op bouwwerken en gebruik en niet op het ‘peil’. “Bestaand” uit de begripsdefinitie van “peil” slaat niet op het peil dat ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig was, maar op het peil, zoals dat bestaat ten tijde van de afwerking. Het bestemmingsplan kan immers niet én toestaan dat het terrein wordt afgewerkt én voorschrijven dat het peil blijft zoals het was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan zoals bezwaarmakers stellen. Het college geeft verder aan dat er geen sprake is van een niet bij het verdere verloop van het terrein passende plaatselijke ophoging die eraan in de weg staat dat gemeten wordt van het aansluitende afgewerkte terrein. Het peil is uitgezet zoals dat in de gemeente Brummen gebruikelijk is (10 cm boven de kruin van de weg + 1 cm per strekkende meter) .
Het college verwijst verder naar de verleende omgevingsvergunning op grond waarvan gebouwd mag worden op 12, 43 m + NAP. Deze vergunning is onherroepelijk geworden en blijft daarmee het uitgangspunt. Het voor de bouw bepaalde (door de toezichthouder uitgezette) peil ligt op 12, 345 m + NAP. Dat is lager dat het vergunde peil. Het college geeft aan niet te kunnen beoordelen of de door bezwaarmakers aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI: NL: RBMNE: 2021: 1301) in casu van toepassing is. Een aangehaalde zinsnede komt immers uit een andere uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2020, waarvan het college de vindplaats op het internet niet heeft kunnen aantreffen.
Samenvattend geeft het college aan zijn standpunt uit het bestreden besluit te handhaven en dat de belangen van bezwaarmakers niet zijn geschaad.
Om te beginnen wil de commissie stilstaan bij de opmerking van bezwaarmakers tijdens de hoorzitting dat de gemeente Brummen gebruik maakt van het “cafetaria-systeem” (vergelijkbaar met een snackmuur) door in verschillende bestemmingsplannen definities wel of niet te gebruiken. Voor zover bezwaarmakers daarmee bedoelen dat het begrip “peil” in diverse bestemmingsplannen binnen de gemeente Brummen verschillend wordt gedefinieerd, kan de commissie zich voorstellen dat dit op be,
zwaarmakers willekeurig kan overkomen. Echter, dit is niet ongebruikelijk en ook niet onrechtmatig. Na een gepaste en zorgvuldige voorbereiding komt de gemeenteraad immers de bevoegdheid toe bestemmingsplannen naar zijn inzicht vast te stellen. Indien bewaarmakers het niet eens zijn met de definitie van “peil” zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan hadden zij dat in moeten brengen in de desbetreffende bestemmingsplanprocedure. Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 5 van 21
De commissie stelt vast dat het “peil” in het bestemmingsplan is gedefinieerd als de “gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld”. Artikel 1. 14 van het bestemmingsplan bepaalt dat met “bestaand” bedoeld is bij a. bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; b. gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Het “peil” valt noch onder bebouwing noch onder gebruik. “Bestaand” uit de begripsdefinitie van “peil” kan daarom niet doelen op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, zoals door bezwaarmakers in hun bezwaarschrift wordt beweerd. In tegenstelling tot hun bewering is de commissie het met het college eens dat “bestaand” in de definitie van “peil” slaat op het maaiveld zoals dat aanwezig is ten tijde van de afwerking. Zoals het college al in het verweerschrift heeft aangegeven kan het bestemmingsplan immers niet én toestaan dat het terrein wordt afgewerkt én voorschrijven dat het peil onveranderd blijft ten opzichte van het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
Daarbij komt dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet beoogd kan hebben dat toekomstige bouwplannen moeten voldoen aan de hoogte van het maaiveld zoals dat (in het verleden) ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig was, zoals het volgens de redenering van bezwaarmakers het geval zou zijn. Het bestemmingsplan bepaalt onder 2. 1. 1 dat de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen (…) Het bestemmingsplan regelt echter niet hoe de ‘gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld’ moet worden vastgesteld, zoals in de begripsdefinitie van “peil” wordt bepaald. .
Net als het college kan de commissie niet anders constateren dan dat het vaste jurisprudentie is van de Afdeling dat in dit soort situaties, waarbij in het bestemmingsplan een zodanige meetregel ontbreekt, aangesloten moet worden bij de soortgelijke meetregel in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor, die tevens van toepassing is voor vergunningvrije bouwwerken. De commissie verwijst ten aanzien hiervan onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2021 (ECLI: NL: RVS: 2021: 673) en de al door het college aangehaalde uitspraak van 25 november 2020 (ECLI: NL: RVS: 2020: 2800) Zoals uit de hiervoor geciteerde r. o. 4. 2 van deze uitspraak duidelijk wordt, heeft het college voor het bepalen van het peil terecht aansluiting gezocht bij de meetmethodiek, waarbij de hoogte gemeten moet worden vanaf het aan het bouwwerk aansluitend afgewerkt terrein. Zoals blijkt uit de nota van toelichting (Stb. 2010, 143, blz. 138) gaat het om de staat van het direct aan het bouwwerk aansluitend terrein zoals dat na voltooiing van de bouw is afgewerkt. .
Zoals de commissie uit de stukken en de toelichtingen van het college heeft begrepen en door de foto’s behorend bij het inspectierapport van 6 maart 2023 respectievelijk 15 maart 2023 is bevestigd, kent het perceel Pongeweg 4a geen kunstmatige plaatselijke ophogingen die niet bij het verdere verloop van het perceel passen. Te denken valt hierbij aan taluds, kunstmatig aangelegde heuvels, palissaden etc. Er is dus geen sprake van de uitzondering op de meetregel in de zin van de MvT en de hiervoor geciteerde uitspraak van de Afdeling.
Gelet op het vorenstaande is de commissie van mening dat het college bij het opmeten van de bouwwerken terecht is uitgegaan van het aan de bouwwerken aansluitende afgewerkte terrein. De commissie heeft verder vastgesteld dat voor de bouw van de woning met buitenberging/carport op 2 maart 2017 een omgevingsvergunning is verleend. Bezwaarmakers geven in hun bezwaarschrift aan dat nergens in de omgevingsvergunning wordt gemeld dat het peil van de woning afwijkt van het peil in het bestemmingsplan. Zij vinden dat de betreffende cijfers op een zeer ongebruikelijke wijze zijn weggewerkt in de vergunningstekeningen. De commissie overweegt dat er geen rechtsregel is op grond waarvan het peil als bedoeld in het bestemmingsplan in de omgevingsvergunning dan wel de daarbij behorende tekeningen moet worden aangegeven. Op de bouwtekeningen behorend bij de omgevingsvergunning is de aanduiding “peil” geplaatst bij de lijn die de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer aangeeft en omschreven als Peil = (P) = 0 = 12, 43 m + NAP. Gelet hierop is de commissie van mening dat de aanduiding “peil” duidt op het bouwkundig peil, de rekenkundige nullijn. Uit de bouwtekeningen zelf kan niet worden afgeleid Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 6 van 21
dat de nullijn is bedoeld om ook het peil als bedoeld in het bestemmingsplan weer te geven. Dat deze nullijn op de tekeningen is aangeduid als “peil”, is daarvoor onvoldoende. Voorstaande doet echter niet af aan het feit dat voor de bouw van de woning met buitenberging/carport een omgevingsvergunning is verleend, waarbij is bepaald dat gebouwd mag worden op 12, 43 m + NAP. Als bezwaarmakers het hier niet eens mee zijn, hadden zij dat punt in een bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning in moeten brengen. Dat hebben zij niet gedaan. De omgevingsvergunning is zodoende onherroepelijk en dus in rechte onaantastbaar geworden. De omgevingsvergunning is ten aanzien hiervan dan ook het uitgangspunt, en niet (het “peil” uit) het bestemmingsplan. Zoals uit het bestreden besluit en de overige stukken blijkt en door het college tijdens de hoorzitting nader is toegelicht, heeft de toezichthouder het peil op de locatie uitgezet zoals dat in de gemeente Brummen gebruikelijk is (vanaf 10 cm boven de kruin van de weg + 1 cm per strekkende meter) Op die manier wordt voorkomen dat een woning te laag komt te liggen en (hemel) water van de weg en het perceel richting de woning loopt. Het voor de bouw bepaalde en uitgezette peil ligt op 12, 345 m + NAP. Dat is lager dan het met de omgevingsvergunning vergunde peil.
De commissie is dan ook niet gebleken van (hoogte) overtredingen op het perceel Pongeweg 4a. Evenmin kan zij vaststellen dat bezwaarmakers op dit punt in hun belangen zijn geschaad. .
Schuur in strijd met de omgevingsvergunning/vergunningvrije regeling? Bezwaarmakers geven in hun bezwaarschrift aan dat de schuur strijdig zou zijn met de verleende omgevingsvergunning ten aanzien van lengte, breedte, goothoogte en het peil. Ook betwisten ze de meetwijze van de toezichthouder van het college.
Volgens bezwaarmakers zou de schuur niet vergunningvrij zijn als van het correcte peil wordt uitgegaan. Zij zijn van mening dat het correcte peil ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan 12 m + NAP zou zijn, zoals dat uit de door bezwaarmakers tegen de eigenaren gevoerde civiele procedure zou blijken. De nok van de schuur zou daarom niet op een hoogte van 4, 80 m liggen, zoals het college stelt, maar gemeten vanaf het bestaande peil ten tijde van het ontwerpplan, op 5, 21 m. Het college verwijst naar zijn uitleg waarom het meent dat het van het juiste peil is uitgegaan. Dat de schuur, gemeten vanaf het aansluitende afgewerkte maaiveld niet hoger is dan 5 meter wordt door bezwaarmakers niet betwist. De schuur voldoet ook aan alle overige voorwaarden om als vergunningvrij bouwwerk in de zin van artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor te kunnen worden aangemerkt. Het college handhaaft het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat het om bovengenoemde reden niet relevant is of de schuur voldoet aan de omgevingsvergunning. De commissie stelt vast dat tussen bezwaarmakers en het college niet in geschil is dat de schuur niet conform de verleende omgevingsvergunning is gebouwd. Dit betekent echter niet impliciet dat er sprake is van een overtreding, wanneer de schuur aan de vergunningvrije regeling voldoet. Ten aanzien hiervan overweegt de commissie als volgt.
Op grond van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor wordt onder een bijbehorend bouwwerk begrepen de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
Artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor bepaalt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2. 1, eerste lid, onder a of c, van de wet niet is vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in het achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: 1. 5 m, 2. 0, 3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en 3. het hoofdgebouw, b.
afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: 1. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van
voor zover op een
Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 7 van 21
niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0, 47) + 3; 2. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg, c.
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,
d.
de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1. 1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,
e.
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,
f.
de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan: 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m 2 : 50% van dat bebouwingsgebied, 2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m 2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m 2 : 50 m 2 vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m 2 3. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m 2 : 90 m 2 vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m 2 tot een maximum van in totaal 150 m 2 niet aan of bij: 1. een woonwagen, 2. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben, 3. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden. , ,
,
,
,
g.
Zoals eerder bij de uiteenzetting over het peil al is genoemd, bepaalt artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor dat in deze bijlage de hoogtes worden gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. De commissie heeft hiervoor al uitgelegd waarom zij van mening is dat de toezichthouder de bouwhoogte op de juiste wijze, namelijk gemeten van het aansluitende afgewerkte maaiveld, heeft vastgesteld. Zij gaat bij haar beoordeling daarom uit van de bouwhoogte (s) zoals vastgelegd in het inspectierapport: aan de voorzijde van de schuur 4, 80 m en aan de achterzijde van de schuur 4, 81 m. De schuur staat op meer dan 4 meter van het hoofdgebouw. Het dak heeft een hellingshoek van 30° en de daknok is niet hoger dan 5 m. De schuur is functioneel ondergeschikt aan de woning en staat op meer dan 1 meter van openbaar toegankelijk gebied. De oppervlakte van de schuur bedraagt (6, 20 m x 20, 45 m) 126, 79 m 2 Aangezien het bebouwingsgebied groter is dan 900 m 2 mogen op de locatie tot 150 m 2 vergunningvrije bouwwerken aanwezig zijn. .
,
Conclusie uit het vorenstaande is dat de schuur de voorwaarden van artikel 2, onderdeel 3, van bijlage
II van het Bor in acht neemt en zodoende aan de vergunningvrije regeling voldoet. Dat de schuur in afwijking met de verleende omgevingsvergunning is gebouwd, doet aan het vorenstaande niet af. De commissie stelt daarom vast dat er geen sprake is van een overtreding. Warmtepomp met omkasting in strijd met de vergunningvrije regeling? Bezwaarmakers verwijzen naar hun uiteenzetting over het peil en stellen dat de warmtepomp – gemeten vanaf het juiste peil uit het bestemmingsplan – hoger is dan 1 meter en daarom te hoog is om als vergunningvrij aangemerkt te kunnen worden. Het college handhaaft het standpunt dat in het bestreden besluit van het juiste peil is uitgegaan en verwijst ten aanzien van het peil en de schuur naar zijn onderbouwingen in het verweer. Gemeten vanaf Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 8 van 21
het gehanteerde peil is de warmtepomp, inclusief omkasting, niet hoger dan 1 meter en dus vergunningvrij op grond artikel 2, lid 21, van bijlage II van het Bor. De commissie is het eens met het standpunt van het college en redeneert als volgt. Artikel 2, onderdeel 21, van bijlage II van het Bor bepaalt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2. 1, eerste lid, onder a of c, van de wet niet is vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een ander bouwwerk in voor- of achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 1 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 2 m 2 .
Zoals eerder is opgemerkt over het peil, bepaalt artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor dat in deze bijlage de hoogtes worden gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. De commissie heeft hiervoor al uitgelegd waarom zij van mening is dat de toezichthouder de bouwhoogte op de juiste wijze, namelijk gemeten van het aansluitende afgewerkte maaiveld, heeft vastgesteld. Zij gaat bij haar beoordeling daarom uit van de bouwhoogte (s) zoals vastgelegd in het inspectierapport: 0, 89 m aan de voorzijde van de warmtepomp en 0, 88 m aan de achterzijde. De warmtepomp voldoet zodoende aan de vergunningvrije regeling van artikel 2, onderdeel 21, van bijlage II van het Bor. Er is daarom geen sprake van een overtreding. Is er sprake van strijdig gebruik van de schuur? Bezwaarmakers geven in hun bezwaarschrift aan dat de schuur voor andere doeleinden wordt gebruikt dan waarvoor zij is vergund. Zij krijgen, via de foto’s in het inspectierapport, van de voorste afgesloten ruimte een andere indruk van het gebruik dan het college concludeert.
Tijdens de hoorzitting hebben bezwaarmakers toegevoegd dat de inrichting van de schuur met gordijnen, zithoekje en een opgemaakt bed er op wijst dat de ruimte als logeer-/woonkamer wordt gebruikt. Het college verwijst naar de inspectie van het perceel door de toezichthouder op 6 maart 2023 en het bijbehorende inspectierapport met foto’s. De toezichthouder heeft geconstateerd dat in de schuur geen logeergelegenheid en/of woonvertrek aanwezig is. Het college heeft geen redenen om aan de bevindingen van zijn toezichthouder te twijfelen. Verder geeft het college aan dat bezwaarmakers niet toelichten op basis waarvan zij gelet op de foto’s een andere indruk van het gebruik van het voorste deel van de schuur krijgen dan het college. Allereerst leidt de commissie uit artikel 3: 2 van de Awb, samen gelezen met artikel 3: 46 van de Awb, af, dat de door het college vastgestelde feiten en omstandigheden op basis waarvan wordt vastgesteld dat er sprake is van een overtreding, op een duidelijke en controleerbare wijze dienen te worden vastgelegd. Dat kan in een schriftelijke rapportage en in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal.
Daarnaast merkt de commissie op dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid voor het bewijs, in beginsel op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal mag afgaan, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden vastgesteld of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan de bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Voor wat betreft de processen-verbaal die niet zijn opgemaakt op ambtseed of ambtsbelofte heeft de Afdeling geoordeeld, zie onder andere de uitspraak van 7 februari 2018, ECLI: NL: RVS: 2018: 390, dat deze minder bewijskracht toekomt, maar niet dat ze zonder betekenis zijn. Ze bevatten gedetailleerde verslagen van toezichthouders van de gemeente, van wie niet is gebleken dat zij een belang hebben bij het onjuist vermelden van hetgeen zij hebben waargenomen. Betwisting is op zichzelf onvoldoende om aan de juistheid van het proces-verbaal te twijfelen. De commissie stelt aan de hand van het inspectierapport van de toezichthouder van 6 maart 2023 vast dat hij tijdens de controle op de locatie geen logeergelegenheid en/of woonvertrek in de schuur heeft geconstateerd.
Dit is onderbouwd door foto’s die gemaakt zijn in de schuur. De commissie ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de gegevens en de conclusie in het inspectierapport te twijfelen om de volgende redenen. Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 9 van 21
Allereerst merkt de commissie op dat zij – mede gelet op de hiervoor genoemde vaste jurisprudentie van de Afdeling – meer waarde hecht aan constateringen die een toezichthouder op de locatie heeft gedaan dan aan aannames van bezwaarmakers. Evenmin ziet de commissie in waarom de toezichthouder er belang bij zou hebben om verkeerde informatie in het inspectierapport te zetten. Daarnaast heeft de commissie aan de hand van de overgelegde foto’s zelf kunnen vaststellen dat in de schuur geen keuken en geen badkamer aanwezig is en dat de schuur ook anderszins niet is ingericht voor bewoning. Dat er weliswaar een zithoekje is geplaatst en een bed met matras wordt opgeborgen, vindt de commissie niet ongebruikelijk voor een bergruimte en onvoldoende om aan te nemen dat de schuur fungeert als logeer- dan wel woonruimte. Voor de commissie is voldoende aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de schuur functioneel ondergeschikt is aan de woning. Bovendien heeft de vertegenwoordiger van het college tijdens de hoorzitting aangegeven dat haar ter plaatse van de schuur geen inschrijving in de Basisregistratie Personen bekend is.
Gelet op het vorenstaande is de commissie van mening dat er geen sprake is van een overtreding. Woning in strijd met de omgevingsvergunning/bestemmingsplan? Bezwaarmakers geven aan dat de woning aan de Pongeweg 4a buiten de woonbestemming staat, waardoor zij niet voldoet aan de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan. Volgens hen zou de woning ofwel groter zijn gebouwd dan vergund, waardoor zij gedeeltelijk in de agrarische bestemming terecht gekomen zou zijn, ofwel niet zijn gebouwd op de vergunde plek. Zij baseren hun standpunt op de luchtfoto van ruimtelijkeplannen. nl, die, volgens de door bezwaarmakers aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI: NL: RBMNE: 2020: 5536, r. o. 11) de feitelijke situatie zou weer,
geven.
Als het college meent dat dat de luchtfoto de feitelijke situatie niet juist weergeeft, zou het, volgens jurisprudentie van de Afdeling (ECLI: NL: RVS: 2020: 959, r. o. 22) aan het college zijn om te bewijzen dat de woning wel binnen de woonbestemming staat. Dat zou bijvoorbeeld kunnen met een meting vanaf de erfgrens tussen Pongeweg 4 en Pongeweg 4a. Pas na een objectieve en controleerbare vaststelling van feiten zou het college een besluit kunnen nemen. Bezwaarmakers zijn van mening dat het college zich met betrekking tot het al dan niet binnen de woonbestemming staan niet had mogen baseren op de BGT-kaart, omdat die niet betrouwbaar is, zo zou blijken uit het externe advies van 2021. Zij zijn het niet eens met het standpunt van het college dat de huidige eigenaren niets valt aan te rekenen, omdat zij hen er voor de aankoop van Pongeweg 4a op zouden hebben gewezen dat zij een perceel kopen met bestuursrechtelijke afwijkingen. Het college handhaaft in het verweer het standpunt zoals ingenomen in het bestreden besluit. Volgens ruimtelijkeplannen. nl dienen de luchtfoto’s op die site ter oriëntatie en is de BGT-kaart veel betrouwbaarder. Verder geeft het college aan dat het onjuist is dat uit het externe advies uit 2021 zou blijken dat de BGTkaart niet betrouwbaar is, zoals bezwaarmakers stellen.
Het college verwijst naar het externe advies en merkt op dat er juist het omgekeerde staat van hetgeen bezwaarmakers betogen, namelijk dat de BGTkaart nauwkeuriger is en aan deze kaart dus meer betekenis toekomt dan aan de luchtfoto. Resumerend blijkt uit het externe advies dat de BGT-kaart betrouwbaarder is dan de luchtfoto op ruimtelijkeplannen. nl en het college meent zich in alle redelijkheid op het standpunt te kunnen stellen dat de woning binnen de bestemmingsgrens is gesitueerd. Het college leest in de door bezwaarmakers aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland niet dat de luchtfoto’s op ruimtelijkeplannen. nl de feitelijke situatie juist weergeven. Uit de geciteerde passage uit de uitspraak blijkt alleen dat in het geval bestemmingsplan en bouwverordening geen bepalingen kennen over de voorgevelrooilijn gekeken moet worden naar de feitelijke situatie, waarbij de rechtbank in de onderhavige zaak gekeken heeft naar de luchtfoto op ruimtelijkeplannen. nl. Uit de door bezwaarmakers genoemde uitspraak van de Afdeling leidt het college juist af dat het zo kan zijn dat de luchtfoto op ruimtelijkeplannen. nl de feitelijke situatie niet juist weergeeft. De Afdeling laat de gemeente op grond van r. o. 22.
2 van de genoemde uitspraak immers de mogelijkheid om (…) als luchtfoto’s de situatie op de grond niet geheel correct weergeven (…) de raad op een andere wijze aannemelijk (had) moeten maken dat de bebouwing binnen het bouwvlak ligt. Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 10 van 21
Het college geeft aan dat het in dit geval precies dat heeft gedaan. Het college vond de luchtfoto niet betrouwbaar en heeft in plaats daarvan naar de veel betrouwbaardere BGT-kaart op ruimtelijkeplannen. nl gekeken. Anders dan bezwaarmakers stellen heeft het college daaruit niet de overtuiging gekregen dat het bestemmingsvlak overschreden wordt en de woning deels in de naastgelegen agrarische bestemming terecht is gekomen. In het externe advies van 2021 spreekt de adviseur van een conclusie die het college in alle redelijkheid heeft kunnen trekken. Mocht er onverhoopt toch sprake zijn van een overschrijding van de bestemmingsgrens, dan is deze volgens het college zodanig gering dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen belang. Het college is daarom niet voornemens hiertegen handhavend op te treden. Het heeft daarbij onder meer laten meewegen dat niet duidelijk is hoe een geringe overschrijding van de bestemmingsgrens aan deze zijde van de woning, die vanaf het perceel van bezwaarmakers niet zichtbaar is, hen raakt en welk (proces) belang zij bij handhaving hebben. Het college geeft aan dat de door bezwaarmakers gevraagde objectieve en controleerbare vaststelling van de feiten, het vorengenoemd standpunt van het college niet zal wijzigen.
De commissie stelt voorop dat ze niet begrijpt en bezwaarmakers niet kan volgen in hun redenering dat het externe advies uit 2021 hun stelling onderbouwt dat de BGT-kaart niet betrouwbaar zou zijn. Zij is van mening dat het advies helder en onomstotelijk uiteenzet dat de BGT-kaart betrouwbaarder is dan een luchtfoto op ruimtelijkeplannen. nl. De commissie verwijst ten aanzien hiervan naar de volgende passage in het externe advies: Op de website van ruimtelijkeplannen. nl wordt over luchtfoto’s het volgende aangegeven: “De luchtfoto’s zijn afkomstig van Aerodata International Surveys. Deze zijn vanwege de duur van het vervaardigingsproces niet altijd up-to-date, maar wel geschikt voor de oriëntatie. ” Over BGT wordt het volgende aangegeven “Daarnaast kunt u kiezen voor een meer gedetailleerde digitale kaart op basis van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) Deze gedetailleerdere kaart is beschikbaar vanaf een ingezoomd zoomniveau van 100 meter. ” Verder wordt aangegeven dat de BGT dagelijks wordt bijgewerkt en dat de luchtfoto’s ongeveer iedere twee á drie jaar worden bijgewerkt. BGT staat dus voor Basisregistratie Grootschalige Topografie en deze kaart is op 20 centimeter nauwkeurig. .
Gelet op het voorgaande is de luchtfoto volgens ruimtelijke plannen dus (vooral) bedoeld ter oriëntatie en dat rechtvaardigt de – door de Afdeling in ECLI: NL: RVS: 2021: 1224 bevestigde – conclusie dat hieraan geen doorslaggevende betekenis toekomt. De BGT-kaart is nauwkeurig (er) en aan deze kaart kan dus meer betekenis worden toegekend.
De commissie merkt op dat de in het externe advies geciteerde informatie van ruimtelijkeplannen. nl, zoals hiervoor is weergegeven, de nog steeds actuele versie betreft, zoals op de website is te lezen. Daarnaast wil de commissie aanvullen dat luchtfoto’s in de meeste gevallen, vanaf grote hoogte, uit een bepaalde hoek worden gemaakt zodat zichtlijnen niet altijd even scherp teruggezien kunnen worden en er – afhankelijk van de jaargetijde – meer of minder sprake is van schaduwwerking. Laatstgenoemde geldt tevens ook voor oriëntatiepunten, met name voor grote bomen en struiken, die het beeld - door wel of geen blad dragend – kunnen vertroebelen. Dit is bij een BGT-kaart niet aan de orde, zodat deze ook gelet hierop naar de mening van de commissie nauwkeuriger is dan luchtfoto’s. Mede gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling is de commissie het eens met het college en de externe adviseur dat de BGT-kaart nauwkeuriger is dan de luchtfoto’s op ruimtelijkeplannen. nl en dat het college zich bij haar beoordeling op deze gegevens mocht baseren. Dat de Afdeling een dergelijk kaart als betrouwbaar beschouwt blijkt overigens ook uit de uitspraak van 15 maart 2023, ECLI: NL: RVS: 2023: 1018, r. o. 2. 1. Uit de stukken blijkt dat zowel het college als de externe adviseur aan de hand van de BGT-kaart de bestemmingsgrens digitaal heeft onderzocht.
Zoals op de afbeeldingen in het externe advies en het bestreden besluit is te zien, lijkt een deel van de gevel van de woning over de bestemmingsgrens te zijn gebouwd. Deze overschrijding is echter alleen zichtbaar wanneer de functie ‘bestemmingsgrenzen’ niet is geselecteerd in het systeem. Indien de functie ‘bestemmingsgrenzen’ is ingeschakeld, ligt de gevel van de woning (volledig) onder deze digitale aanduiding. De commissie is daarom niet van een overschrijding van de bestemmingsgrens gebleken. Zij neemt hierbij mede in acht dat de externe adviseur Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 11 van 21
daarnaast aan de hand van een luchtfoto uit het gemeentelijke systeem met belijningen tussen oriëntatiepunten heeft aangetoond dat de woning binnen de bestemmingsgrenzen is gelegen. Samenvattend komt de adviseur tot de volgende conclusie: Met inachtneming van de toelichting bij de BGT-kaart en de luchtfoto’s uit het gemeentelijke systeem kan worden gesteld dat aan deze gegevens een doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of binnen de grenzen van de woonbestemming is gebouwd. De inhoud van deze stukken, die vanwege hun detaillering minder ruimte bieden voor interpretatie, leidt ons inziens tot de conclusie dat het college zich in alle redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de woning binnen de bestemmingsgrens is gesitueerd.
Gelet op het vorenstaande vindt de commissie dat het college uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Dit onderzoek rechtvaardigt naar de mening van de commissie de conclusie dat de woning binnen de bestemmingsgrenzen is gebouwd. Mocht het onverwachts toch zo zijn dat de bestemmingsgrens wordt overschreden dan is de overschrijding dermate gering dat handhavend optreden daartegen onevenredig zou zijn met de daarmee te dienen belangen en dus het evenredigheidsbeginsel. De commissie merkt in deze context op dat haar niet duidelijk is welke belangen van bezwaarmakers bij een (mogelijke) marginale overschrijding van de bestemmingsgrens überhaupt geraakt (kunnen) worden. Zij hebben er vanaf hun perceel immers geen zicht op en er zijn geen gevolgen ten opzichte van geur, geluid, licht, trilling, emissie of ander risico te verwachten. De planologische uitstraling van de locatie verandert evenmin. Ook is geen precedentwerking te verwachten. De commissie heeft bezwaarmakers tijdens de hoorzitting gevraagd wat hun belang is om op te treden tegen een (mogelijke) overschrijding van de bestemmingsgrens. Hierop hebben zij geantwoord dat de overschrijding op het weiland terecht komt dat 60 cm is opgehoogd.
Indien zij daarmee willen aangeven dat van dát weiland de gestelde wateroverlast op hun perceel uitgaat, merkt de commissie op dat haar geen causaal verband is gebleken van een mogelijke overschrijding van de bestemmingsgrens en de gestelde wateroverlast. In deze samenhang wijst de commissie er op dat voor de locatie Pongeweg 4a een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding is. Tijdens de hoorzitting heeft de vertegenwoordiger van het college medegedeeld dat het college op 19 september 2023 een positief besluit heeft genomen en dat het ontwerpbestemmingsplan op korte termijn ter inzage wordt gelegd. De commissie heeft geconstateerd dat het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4a te Hall” tijdens het schrijven van dit advies met ingang van 30 september 2023 (tot en met 10 november 2023) ter inzage is gelegd. De commissie heeft geconstateerd dat met het ontwerpbestemmingsplan onder andere het bestemmingsvlak “wonen” iets wordt verbreed. Zie onderstaande schets ter illustratie. Let op, de uittreksels zijn niet op schaal. Zij maken echter duidelijk dat de bestemmingsgrens “wonen” ten opzichte van de huidige grens zodanig wordt verschoven dat de vergunde/bestaande woning volledig binnen het bestemmingsvlak ligt.
(uittreksel verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4-6” – niet op schaal! )
Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 12 van 21
(uittreksel verbeelding ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4a” – niet op schaal! ) Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan overweegt de commissie als volgt. Voor concreet zicht op legalisatie door herziening van het bestemmingsplan is tenminste vereist dat een ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd ten tijde van het nemen van het besluit, in deze de beslissing op het bezwaar. Daar is in deze zaak aan voldaan. Uitzondering hierop is dat indien op voorhand duidelijk is dat het ontwerp geen rechtskracht zal verkrijgen, er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. De gestelde aanwezigheid van concreet zicht op legalisatie moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden en het recht zoals die zich voordeden onderscheidenlijk golden ten tijde van het nemen van het besluit (beslissing op bezwaar) De commissie zijn geen aanknopingspunten gebleken op grond waarvan er op dit moment, dus op voorhand, van moet worden uitgegaan dat het bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4a” geen rechtskracht zou verkrijgen. Dat bezwaarmakers mogelijk (willen) opkomen tegen het ontwerpbestemmingsplan doet aan het vorenstaande niet af. .
Mocht onverhoopt sprake zijn van een overschrijding van de bestemmingsgrens binnen het vigerende bestemmingsplan, voldoet deze overschrijding aan de verbeelding en regels van het ontwerpbestemmingsplan. Zodoende is er – indien überhaupt aan de orde – sprake van concreet zich op legalisatie. Dit is een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college in dit concrete geval (ook) af mag zien van handhaving. De retentievijver / opvangvoorziening hemelwater in afwijking van de vergunning? Volgens bezwaarmakers zou de retentievijver, aangelegd in de bestemming “recreatie-verblijfsrecreatie” een functionele relatie hebben met het wonen en had hij binnen de woonbestemming/op het achtererf moeten liggen. Zij onderbouwen hun standpunt met de uitspraak van de Afdeling (ECLI: NL: RVS: 2018: 571, r. o. 3. 4. 1) en verwijzen naar de handhavingsbrief die zij in 2019 van het college hebben ontvangen betreffende de herbouw van een overkapping in diezelfde bestemming.
Omdat de bestemming “recreatie-verblijfsrecreatie” de inrichting als erf behorende bij de woning niet toelaat, zou een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig zijn. Zij zijn van mening dat het college de hemelwaterafvoer niet heeft vergund in de vorm van een retentievijver maar middels infiltratiekratten. Dat het gebruiken van infiltratiekratten een recht en geen plicht van vergunninghouder zou zijn, betwijfelen bezwaarmakers. Zij verzoeken om dit juridisch te onderbouwen. Volgens hen is het ook vanuit het Programma “Water en riolering” de plicht van het college toe te zien op dimensionering van het hemelwater en het op eigen terrein blijven hiervan. Dat gebeurt volgens bezwaarmakers niet. Het hemelwater zou overstromen op hun perceel. Het college handhaaft in het verweer het standpunt dat de omgevingsvergunning vergunninghouder het recht geeft infiltratiekratten te gebruiken, maar hem daar niet toe verplicht. De omgevingsvergunning verplicht hem – wat dit onderwerp betreft – alleen om een hemelwaterafvoer te creëren op eigen terrein. Op welke wijze de voorziening gecreëerd moet worden, middels infiltratiekratten of anderszins, en op welk deel van het eigen terrein, schrijft de vergunning niet voor. Er is gekozen voor een retentievijver.
Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 13 van 21
Een groot deel van het eigen terrein dan wel het kadastrale perceel van de eigenaren ligt op de bestemming “wonen”. Het achterste deel, waarop de retentievijver is gerealiseerd, heeft de bestemming “recreatie-verblijfsrecreatie”. Voor de retentievijver was geen aanlegvergunning nodig en voor het gebruik is toestemming verleend middels de voornoemde verplichting in de omgevingsvergunning. De door bezwaarmakers aangehaalde uitspraak van de Afdeling is in deze zaak niet van toepassing. Mocht de uitspraak toch van toepassing zijn dan strekt de retentievijver niet ter vergroting van het woongenot. Het Programma “Water en riolering” is niet aan de orde. Deze zaak draait om de vraag of gebouwd is conform of in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en niet om het genoemde Programma, aldus het college. Wat betreft het beweerdelijk “overstromen” van het hemelwater merkt het college op dat er vóór de bouw van de woning met berging aan de Pongweg 4a, naar het begrepen heeft, ook al regelmatig water bleef staan op het perceel Pongeweg 4-6. Bezwaarmakers stellen weliswaar dat dit water “overstroomt” van het perceel Pongeweg 4a, het college is er echter niet van overtuigd dat dit een juiste weergave van de feiten is. De commissie overweegt het volgende.
In de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning met buitenberging/carport is het voorschrift opgenomen dat de vergunninghouder “op grond van artikel 6. 18, vijfde lid, van het Bouwbesluit 2012 verplicht is om voor de afvoer van het hemelwater van het bouwwerk een voorziening te treffen. Deze voorziening moet op eigen terrein worden aangebracht en zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan optreden. (…) ” Het college heeft verder geen voorwaarden gesteld over de soort voorziening, maten of uitvoering. Evenmin heeft het college aangegeven op welk deel van het perceel dan wel het eigen terrein de voorziening moet worden aangelegd. Vergunninghouder was ten opzichte hiervan vrij bij de realisering. Zoals de commissie heeft begrepen zijn op de bouwtekeningen behorend bij de omgevingsvergunning infiltratiekratten getekend/aangegeven, die weliswaar vergund maar niet gerealiseerd zijn door de vergunninghouder. Bezwaarmakers stellen dat de woning (ook) daarom in strijd met de omgevingsvergunning gebouwd zou zijn. De commissie overweegt dat uit artikel 2. 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo volgt dat het verboden is te bouwen zonder omgevingsvergunning. Uit de MvT bij de Wabo (Kamerstukken II 200692006, 30 844, nr. 3, p.
93) volgt voorts dat onder het verbod te bouwen zonder omgevingsvergunning ook moet worden begrepen het verbod te bouwen in afwijking van een omgevingsvergunning. Dat op de bouwtekeningen de infiltratiekratten zijn aangegeven en zodoende vergund zijn, maakt, dat het college hiermee toestemming heeft gegeven om het bouwplan als zodanig uit te voeren. Er is aan de vergunninghouder daardoor echter niet expliciet de verplichting opgelegd om daadwerkelijk infiltratiekratten te bouwen dan wel aan te leggen. Het niet-realiseren van de infiltratiekratten staat aan de verwezenlijking van de vergunde woning ook niet in de weg, mits de hemelwaterafvoer op een andere wijze wordt gerealiseerd, die zonder omgevingsvergunning mag worden uitgevoerd. De (voormalige) eigenaar van de Pongeweg 4a heeft er toen voor gekozen om voor de regulering van de hemelwaterafvoer een retentievijver op eigen terrein aan te leggen.
Op grond van artikel 2. 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan (…) is bepaald. De commissie constateert dat de retentievijver is aangelegd op de bestemming “recreatie-verblijfsrecreatie”. Op de betreffende locatie gold ten tijde van het aanvragen en verlenen van de omgevingsvergunning op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4-6” de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie verwachting laag”. Zoals uit de luchtfoto’s in het bestreden besluit blijkt is de retentievijver tussen 2017 en 2019 aangelegd. Ook in die periode was de hiervoor genoemde dubbelbestemming van toepassing.
Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Brummen
Pagina 14 van 21
De planregels bepalen in artikel 7. 1 dat de voor “Waarde-Archeologie verwachting laag” aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. In beginsel is het ingevolge artikel 7. 3. 1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan verboden om op of in de gronden met deze bestemming af te graven zonder omgevingsvergunning (aanlegactiviteit) van het bevoegd gezag. Dit verbod is op grond van artikel 7. 3. 2, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan echter niet van toepassing indien de werkzaamheden of werken een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2. 500 m 2 De retentievijver is kleiner dan deze oppervlakte, zodat voor het aanleggen hiervan geen aanlegvergunning nodig was. .
Dat de vergunninghouder de gronden met de bestemming “recreatie-verblijfsrecreatie”, die volgens het bestemmingsplan bestemd zijn voor een minicamping (die er al jaren niet meer aanwezig is) mag gebruiken voor de retentievijver heeft het college middels de voorschriften in de omgevingsvergunning impliciet vergund. ,
Gelet op het vorenstaande is de commissie niet gebleken dat de retentievijver in strijd met de omgevingsvergunning, het bestemmingsplan of een andere wetlelijke regeling is aangelegd en/of wordt gebruikt. Zij is dan ook van mening dat er geen sprake is van een overtreding.
In deze context merkt de commissie op dat de gronden met de bestemming “recreatie-verblijfsrecreatie” in het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied 2008, Pongeweg 4a”, dat momenteel ter inzage ligt, de bestemming “tuin” krijgen. Ingevolge artikel 3. 1, aanhef en onder a en g, van het ontwerpbestemmingsplan zijn de voor “tuin” aangewezen gronden bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofgebouwen met de daarbij behorende waterlopen, waterpartijen en retentievijvers. Mocht het gebruik van de retentievijver onverwachts toch in strijd zijn met de verleende omgevingsvergunning dan wel het bestemmingsplan, is er vanwege het ontwerpbestemmingsplan sprake van concreet zicht op legalisatie. In deze bijzondere omstandigheden mag het college ervan afzien om handhavend op te treden. Installatie voor verwarming niet conform omgevingsvergunning? Volgens bezwaarmakers is de installatie voor de verwarming niet conform omgevingsvergunning uitgevoerd. In de vergunning is sprake van centrale verwarming met een gasaansluiting, terwijl er een warmtepomp is geplaatst. Het college heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat de vergunninghouder op grond van de omgevingsvergunning het recht heeft om een verwarmingssysteem met een gasaansluiting te realiseren, maar dat dat geen verplichting betreft om dit daadwerkelijk te doen.