(A44) PlusOV - Definitieve gemeenschappelijke regeling PlusOV -D440938
Tekst van het document
afspraken neergelegd over de uitvoering van (in ieder geval) het doelgroepenvervoer. Wijziging van de War
7.
Met ingang van 1 juli 2022 is de Wgr gewijzigd.* De wijzigingen hebben als doel om, kort
gezegd, de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen en de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden, in relatie tot de gemeenschappelijke regelingen, te versterken.” De bestaande gemeenschappelijke
regelingen dienen voor 1 juli 2024 te zijn aangepast. Aan het niet halen van deze termijn zijn geen consequenties verbonden. 8.
De wetswijziging uit 2022 brengt de volgende verplichte wijzigingen van de bestaande
gemeenschappelijke regelingen met zich: (a)
Zienswijzen (artikel 10, vijfde en zesde lid Wgr):
gemeenschappelijke regelingen dienen bepalingen te bevatten over het indienen van zienswijzen. Die verplichting bestond al bij de ontwerpbegroting. Uiterlijk 1 juli 2024 moet ook duidelijk zijn of een verplichte zienswijzeprocedure ook geldt voor bepaalde andere besluiten. Daarbij heeft de wetgever het oog gehad op bijvoorbeeld besluiten met een aanzienlijk financieel belang, politiek gevoelige
besluiten of beleidsmatige keuzes? In de gemeenschappelijke regelingen moet zijn geregeld of, wanneer en hoe zienswijzen door de deelnemende gemeenteraden naar voren kunnen worden gebracht. Op de ontwerpbegroting
na, is het niet verplicht om de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen open te stellen.
1 Artikel 2 GRB. 2 Artikel 3 GRB. 3 Artikel 1 onder d GRB. 4 Wet van 15 december 2021, Stb. 2022, 18. S Kamerstukken Il 2019/20, 35513, nr. 3, p. 2. 8 Kamerstukken |l 2019/20, 35513, nr. 3, p. 10. 2
van
12
# nysingh advocaten en notarissen
(b)
Burgerparticipatie (artikel 10, zevende en achtste lid Wgr):
gemeenschappelijke regelingen dienen bepalingen te bevatten over de betrokkenheid van inwoners van de deelnemende gemeenten bij het nemen van besluiten. Burgerparticipatie is niet verplicht, het vastleggen van de handelswijze ten aanzien daarvan wel. (c)
Evaluatie (artikel 11a Wor):
gemeenschappelijke regelingen dienen bepalingen te bevatten over de evaluatie van de regelingen. Evaluatie is niet verplicht, het vastleggen van de handelswijze ten aanzien daarvan wel. (d)
Actieve informatieplicht (artikel 17, tweede en derde lid Wor): gemeenschappelijke regelingen dienen bepalingen te bevatten over het geven van inlichtingen aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden dienen alle inlichtingen te ontvangen die nodig zijn voor de uitoefening van hun taken.
(e)
Uittreding (artikel 9 Wgr): gemeenschappelijke regelingen dienen bepalingen te bevatten over de wijziging,
opheffing, toetreding, voorwaarden voor uittreding en de gevolgen voor het vermogen van het openbaar lichaam en de deelnemende gemeenten. GR PlusOV
Naar aanleiding van de wijziging van de Wgr is ook de wijziging van de GRB in gang gezet. Door de deelnemende gemeenten is reeds een gewijzigde tekst van de GRB opgesteld: de GR PlusOV. In de GR PlusOV blijven enkele zaken hetzelfde ten opzichte
van de GRB, zoals de rol en het belang dat met de GR PlusOV wordt behartigd en de bevoegdheden van de GR PlusOV (hoofdstuk 2), de samenstelling, taken en bevoegdheden van het bestuur, de stemverhouding en de mogelijkheid van betrokken gemeenteraden om een zienswijze geven op de ontwerpbegroting (hoofdstuk 3).
10.
Naar aanleiding van de wijziging van de Wgr zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd: — De regels rondom het toetreden tot en uittreden uit de GR PlusOV zijn nader uitgewerkt (hoofdstuk 8);
= —
De participatie van inwoners is formeel geregeld (hoofdstuk 11); en Periodiek wordt de GR PlusOV geëvalueerd, inclusief de mogelijkheid om een zienswijze op deze evaluatie in te dienen (hoofdstuk 12).
Analyse PlusOV in verband met wijziging War
11.
In het onderstaande toetsen wij de in de GR PlusOV doorgevoerde wijzigingen aan de vereisten die de gewijzigde War stelt.
3
van
12
# nysingh
advocaten en notarissen
(a)
Zienswijzen: Zoals gezegd is de zienswijzeprocedure verplicht voor de ontwerpbegroting. In
de GR PlusOV is geregeld dat het bestuur van de BVO de kadernota en ontwerpbegroting pas vaststelt nadat ze een inhoudelijke reactie heeft gegeven
op de zienswijzen die de raden van de deelnemende gemeenten op de kadernota en de ontwerpbegroting hebben gegeven.” Aan die verplichting is in de GR PlusOV derhalve voldaan.
Voorts is in de GR PlusOV uitsluitend ten aanzien van de uitkomsten van de vierjaarlijkse evaluatie van de GR PlusOV bepaald dat deelnemers hun zienswijze kenbaar kunnen maken.® Uit de GR PlusOV volgt dat geen andere besluiten onderhevig zijn aan zienswijzen van de gemeenteraden van de deelnemers. Daarmee bevat de GR PlusOV nauwelijks een uitbreiding van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen en de kaderstellende en
controlerende rol van gemeenteraden bij taken die in gemeenschappelijke regelingen worden uitgevoerd. Dat is op grond van de gewijzigde Wgr echter ook niet verplicht. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om niet dwingend voor te schrijven voor welke besluiten een zienswijze aan de raden moet worden
gevraagd, maar dit over te laten aan de deelnemers en de raden. De voorgestelde wijziging is bedoeld om een bewuste afweging hierover te
bevorderen. Daarmee menen wij dat wel is voldaan aan de gewijzigde Wgr. (b)
Burgerparticipatie: Op grond van artikel 28 van de GR PlusOV worden inwoners van de deelnemers betrokken bij het functioneren van de BVO voor zover dat bij of krachtens wetis vereist, of voor zover door het bestuur van de BVO is bepaald. Het bestuur richt in ieder geval een overlegplatform op waarin de inwoners van de deelnemers plaats kunnen nemen. In het platform is plek voor maximaal 3 inwoners per
deelnemer. Het platform heeft een adviserende rol richting de directeur van de BVO. In deze bepaling is aldus de handelswijze ten aanzien van burgerparticipatie
geregeld, zodat is voldaan aan het bepaalde in artikel 10, zevende en achtste lid, Wgr. (c)
Evaluatie:
Een evaluatieregeling is neergelegd in artikel 29 GR PlusOV. Op grond van dat artikel vindt vierjaarlijks een evaluatie van de GR PlusOV plaats door het bestuur van de BVO. Het bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de
7 Artikel 12.4 GR PlusOV. 8 Artikel 29 GR PlusOV. 9 Kamerstukken |1 2019/20, 35513, nr. 3, p. 10-11. 4
van
12
4 nysingh advocaten en notarissen
evaluatie vast, alsmede de wijze van evalueren. Deelnemers worden op de
hoogte gesteld van de uitkomst van de evaluatie en hebben de gelegenheid hun zienswijze te geven op de uitkomsten van de evaluatie alvorens deze wordt vastgesteld.
In deze bepaling is aldus de handelswijze ten aanzien van evaluatie van de GR PlusOV geregeld, zodat is voldaan aan het bepaalde in artikel 11a Wvgr. Actieve informatieplicht:
De informatie- en verantwoordingsplicht van het bestuur van de BVO is geregeld in artikel 12 GR PlusOV. Bepaald is dat het bestuur van de BVO de deelnemers alle gevraagde inlichtingen verstrekt. De wijze waarop dat gebeurt wordt geregeld in het reglement van orde. In ieder geval zendt het bestuur jaarlijks de kadernota, de ontwerpbegroting en de concept jaarrekening aan de raden van
de deelnemende gemeenten. De verslagen van bestuursvergadering worden gepubliceerd op de website van de BVO.
Deze bepaling regelt aldus het geven van inlichtingen aan de raden van de deelnemende gemeenten en de wijze waarop dat gebeurt. Wij menen dat daarmee is voldaan aan de verplichting van artikel 17, tweede en derde lid Wor. D.
Uittreedregeling en gewijzigde Wgr
Uittreding GRB 12.
De uittreding uit de GRB is als volgt geregeld.'° De deelnemer die wenstuit te treden heeft daarvoor toestemming nodig van de gemeenteraad van die deelnemer. Vervolgens maakt de deelnemerzijn voornemen tot uittreding bekend aan het bestuur van de BVO en aan de andere deelnemers. Vervolgens wordt een onafhankelijke registeraccountant aangewezen, aan wie de opdracht wordt verleend een liquidatieplan op te stellen. Het
liquidatieplan voorziet in ieder geval in de regeling van de personele gevolgen en de liquiditeit van de BVO als die wordt voortgezet. Als uitgangspunt geldt dat de uittredende deelnemer de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige deelnemers geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. Het liquidatieplan wordt vervolgens door het bestuur vastgesteld. Daarbij is ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen nodig, waaronder de stem van de vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer! De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend en moeten binnen zes maanden worden voldaan.
Voor de uittreding wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen.
10 Artikel 27 GRB. 1 Zie artikel 10 lid 3 GRB. 5
van
12
# nysingh advocaten en notarissen
Gewijzigde Wgr en uittreding
13.
In de gewijzigde Wgr zijn aldus ook de regels omtrent uittreding aangepast. Reden daarvan is dat in de praktijk veel problemen worden ervaren ten gevolge van de
uittreding. '? De Wgr van vóór 2015'° regelde slechts dat in de gemeenschappelijke regeling afspraken moesten worden gemaakt omtrent uittreding. In de praktijk werden in
veel gemeenschappelijke regelingen echter geen afspraken gemaakt, of slechts enkele procesafspraken. In de jurisprudentie is daarom een berekeningswijze ontwikkeld voor de kosten van uittreding, wanneer de gemeenschappelijke regeling zelf niets daaromtrent
bepaald. Die berekeningswijze wordt vaak als erg kostbaar gezien, hetgeen uittreding moeilijk zou maken.'* Bij de wijziging van de Wgr van 2015 is daarom al geregeld dat de gemeenschappelijke regeling de gevolgen van de uittreding moet regelen. 14.
Met de wetswijziging van 2022 wordt verder verduidelijkt wat daaronder moet worden verstaan. In elk geval moeten in de gemeenschappelijke regeling worden geregeld (dit kan dus niet doorgeschoven worden naar een overeenkomst of uittreedregeling): —
de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden;
—
de gevolgen voor het vermogen van het samenwerkingsverband
=
de gevolgen voor het vermogen van de deelnemende gemeenten (zowel de
(gemeenschappelijk openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie); en
uittreder als de overblijvende gemeenten). 15.
Bij voorwaarden kan onder andere gedacht worden aan bijvoorbeeld een opzegtermijn of
een verbod de eerste jaren na toetreding/treffen van de gemeenschappelijke regeling uit te treden. Ook het besluitvormingsproces is een onderdeel van de voorwaarden voor uittreding, net als andere procedurele afspraken. Ook kan gedacht worden aan voorwaarden over het verplicht overnemen van personeel (mits dat personeel of de
personeelsvertegenwoordiging daarmee natuurlijk ook instemt langs de daartoe geëigende wegen). '° 16.
Bij vermogensrechtelijke gevolgen gaat het om de financiële kant van de uittreding, maar blijkens de wetsgeschiedenis ook om afspraken over personeel, contracten, huisvesting
en investeringen. In de gemeenschappelijke regeling zal bepaald moeten worden hoe hiermee omgegaan wordt én hoe de uittreedkosten berekend moeten worden. Daarbij zal vooral van belang zijn welke kosten toerekenbaar zijn aan de uittredende partij, want vaak wordt gekozen voor het principe dat de uittreder de kosten van de uittreding betaalt. Bij dat principe past het echter niet dat de uittreder meer kosten betaalt dan strikt
2 Kamerstukken Il 2019/20, 35513, nr. 3, p. 16. 13 Wet van 9 juli 2014, Stb. 2014, 306. 14 VNG, Handreiking; Verbeterde democratische legitimatie bij gemeenschappelijke regelingen?, Den Haag 2022, p. 21. 18 VNG, Handreiking; Verbeterde democratische legitimatie bij gemeenschappelijke
regelingen?, Den Haag 2022, p. 22. 18 Kamerstukken II 2019/20, 35513, nr. 3, p. 16. 6
van
12
2 nysingh
advocaten en notarissen
noodzakelijk. De uittreedsom is geen boete om uittreding praktisch onmogelijk te maken.17 17.
Wat verder van belang is, is om ook reëel te kijken hoe lang een samenwerkingsverband
nodig heeft zich aan te passen. Kosten kunnen immers niet tot in de eeuwigheid der dagen aan de uittreder worden toegerekend. Dan zou de uittreder nooit loskomen van het samenwerkingsverband. In de jurisprudentie gaat men daarbij uit van een termijn van maximaal vijf jaar. Wat ook mogelijk is, is dat de uittredende partij een soort van risicoopslag of ‘verzekeringspremie’ betaalt, waarmee eventuele toekomstige risico's worden
afgekocht voor een vast bedrag. Daarmee staat het bedrag vast voor het moment van uittreding, en kunnen er niet jarenlang nog kosten worden toegerekend. 'ê 18.
Het is overigens niet noodzakelijk om in de gemeenschappelijke regeling expliciete bedragen te noemen, die kunnen immers per deelnemer verschillen, maar ook per periode. Een vaste uittreedsom zou ertoe leiden dat eventuele meerkosten boven dat bedrag niet door de uittreder, maar door het samenwerkingsverband en daarmee door de
overblijvende deelnemers moeten worden gedragen.'° Uittreding GR PlusOV
19.
In de GR PlusOV is de uitvoering van de taken in gemeenschappelijke regelingen — evenals in de GRB — geregeld aan de hand van de DVO. Ook de uittreding is in de GR
PlusOV gerelateerd aan de DVO. Een deelnemer is op grond van de GR PlusOV verplicht uit de GR PlusOV te treden op het moment dat er tussen de deelnemer en de BVO geen enkele DVO meer van kracht is.° Bepaald is dat voor beëindiging van een DVO
uitsluitend de instemming van de betreffende deelnemer benodigd is?! De deelnemer informeert het bestuur van de BVO indien hij een DVO wenst te beëindigen. Die mededeling vindt plaats minimaal 24 maanden voor afloop van de door de BVO gesloten contracten voor de uitvoering van de betreffende DVO.2? Na de mededeling wordt een registeraccountant benoemd, aan wie het bestuur van de BVO de opdracht verleend tot het opstellen van een beëindigingsplan. Dit beëindigingsplan is bindend.°° Het beëindigingsplan regelt in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van drie jaar het directe
gevolg zijn van de beëindiging van de DVO door de deelnemer. In het plan zal stil moeten worden gestaan bij zaken als:
17 VNG, Handreiking; Verbeterde democratische legitimatie bij gemeenschappelijke
regelingen?, Den Haag 2022, p. 22-23.
18 VNG, Handreiking; Verbeterde democratische legitimatie bij gemeenschappelijke
regelingen?, Den Haag 2022, p. 22-23. 19 VNG, Handreiking; Verbeterde democratische legitimatie bij gemeenschappelijke regelingen?, Den Haag 2022, p. 22-23.
20 Artikel 23 GR PlusOV. 21 Artikel 22.1 GR PlusOV. 22 Artikel 22.3 GR PlusOV. 23 Artikel 22.4 GR PlusOV. 7
van
12
2 nysingh advocaten en notarissen
20.
(a) (b)
de financiële gevolgen voor de andere deelnemers; voorwaarden en andere verplichtingen voor de deelnemer die zijn DVO
(c)
beëindigt, die aan de uittreding worden verbonden; afspraken om de beëindiging en de uitvoering van het beëindigingsplan bestuurlijk, financieel, juridisch en feitelijk in goede banen te leiden.
In het beëindigingsplan worden in elk geval de volgende kostensoorten onderscheiden: (a)
frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het
(b)
uittreden); desintegratiekosten (kosten voor afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s);
(c)
direct en op termijn vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en
(d) (e)
daaraan verbonden overname van taken); schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden); aandeel in de reserves en voorzieningen.
Analyse uittreedregeling GR PlusOV in verband met War 21.
Op het eerste gezicht valt op dat de uittreedregeling in de GR PlusOV is vormgegeven
vanuit de beëindiging van de DVO tussen de deelnemer en de BVO. Het is ons niet duidelijk waarom voor deze systematiek is gekozen. Naar ons oordeel betreft dit evenwel geen voor de hand liggende manier van invulling van de uittreedregeling. De tussen de
deelnemer en de BVO gesloten DVO staat juridisch gezien los van de GR PlusOV. De systematiek voor en wijze van beëindiging van de DVO zal in beginsel ook neergelegd zijn in de DVO. Het ligt onzes inziens meer voor de hand om in de GR PlusOV de uittreding uit de GR PlusOV uitvoerig te regelen en aanvullend te bepalen dat de uittreding uit de GR PlusOV leidt tot beëindiging van de DVO met de uittredende
deelnemer. 22.
Daar komt bij dat het op grond van de GR PlusOV mogelijk is dat een deelnemer met de
BVO meer dan één DVO heeft gesloten. In dat geval leidt het beëindigen van één van de DVO niet tot uittreding uit de GR PlusOV.° In dat geval dient op grond van de GR PlusOV echter wel de gehele beëindigingsprocedure (aan de hand van het opstellen van
een beëdigingsplan etc.) te worden doorlopen. 23.
Voor het overige menen wij dat de uittreedregeling in de GR PlusOV slechts gedeeltelijk
voldoet aan de vereisten die de gewijzigde Wgr stelt. Zo bevat de regeling een opzegtermijn en blijkt uit de regeling (een groot deel van) het besluitvormingsproces ten aanzien van de uittreding.
24.
Wat onzes inziens evenwel ontbreekt is een bepaling ten aanzien van de vraag wie de kosten van de uittreding (de uittreedsom) voor rekening neemt en de wijze waarop die uittreedsom wordt vastgesteld. Hoewel de regeling bepaalt dat in het beëindigingsplan
24 Gelet op artikel 23 GR PlusOV. 25 Artikel 22 GR PlusOV.
8
van
12
2 nysingh
advocaten en notarissen
diverse omstandigheden en kostenposten worden betrokken, volgt uit de regeling niet
voor wiens rekening die omstandigheden en kosten komen. 25.
Dat staat op gespannen voet met de ratio achter de wijziging van de Wgr ten aanzien van
de uittreedregeling, namelijk om onduidelijkheid en geschillen over de hoogte van de uittreedsom te voorkomen. Ook leidt de regeling zoals vormgegeven in de GR PlusOV tot onzekerheid over de financiële gevolgen bij de deelnemer die wenst uit te treden. Dit
klemt te meer nu ook in het kader van de GRB in het verleden onduidelijkheid heeft bestaan over de hoogte van de uittreedsom met ongewenste onenigheid tot gevolg. Voorstel formulering uittreedregeling 26.
Met het oog op het voorgaande hebben wij het volgende voorstel geformuleerd voor een gewijzigde uittreedregeling in de GR PlusOV. Daarin hebben wij aangesloten bij de huidige uittreedregeling zoals voorgesteld in de GR PlusOV. Wij hebben die regeling losgekoppeld van de beëindiging van de DVO. Daarnaast hebben wij de regeling
verduidelijkt en een bepaling opgenomen ten aanzien van de vraag voor wiens rekening de gevolgen van de uittreding komen en hoe de hoogte van die financiële gevolgen wordt vastgesteld. Daarnaast hebben wij beoogd om ook een voorziening te treffen voor het geval dat als gevolg van de uittreding van één of meer deelnemers een continuering van de samenwerking in de GR PlusOV redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Artikel 22 Uittreding 22.1
Een Deelnemer kan besluiten tot uittreding. Hiervoor is geen andere instemming nodig dan die van de betreffende Deelnemer.
22.2
De uittreding van een Deelnemer heeft tot gevolg dat de met de uittredende Deelnemer gesloten Dienstverleningsovereenkomst(en) van rechtswege eindigt/eindigen op de datum van uittreding.
22.3
Het besluit als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden genomen minimaal 24 maanden voor afloop van de door de BVO gesloten contracten ter uitvoering van de door de uittredende Deelnemer gesloten DVO. De uittreding geschiedt per 1 januari van enig kalenderjaar met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste 24 maanden.
224
Een Deelnemer zendt het besluit als bedoeld in het eerste lid aan het Bestuur.
Het Bestuur zendt het besluit, bedoeld in het eerste lid, onverwijld door aan de overige Deelnemers. 22.5
Na ontvangst van het besluit tot uittreding van de Deelnemer, wijst het Bestuur in overleg met de betreffende Deelnemer een onafhankelijke registeraccountant aan, aan wie het Bestuur de opdracht verleent tot het opstellen van een voorlopig uittredingsplan en het bepalen van een voorlopige door de uittredende Deelnemer aan de Bedrijfsvoeringsorganisatie wegens de uittreding
9
van
12
2 nysingh advocaten en notarissen
verschuldigde uittreedsom. De kosten voor het opstellen van het uittredingsplan
zijn onderdeel van de uittreedsom. 22.6
Het uittredingsplan en de uitreedsom worden gebaseerd op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar en bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van drie jaar het directe gevolg zijn van de uittreding door de Deelnemer. In het uitredingsplan zal stil moeten worden gestaan bij: a. b.
c.
d. 22.7
een voorstel voor bijkomende voorwaarden, die voor de uittredende
Deelnemer aan de uittreding worden verbonden; en afspraken om de uittreding en de uitvoering van het uittredingsplan bestuurlijk, financieel, juridisch en feitelijk in goede banen te leiden.
De uittreedsom wordt uitsluitend vastgesteld op basis van de volgende kostensoorten (een en ander onder aftrek van eventuele baten): a.
b. c. d.
e. 22.8
de financiële en organisatorische gevolgen van de uittreding voor de Bedrijfsvoeringsorganisatie; de financiële gevolgen voor de andere Deelnemers;
frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het uittreden);
desintegratiekosten (kosten voor afbouw van overcapaciteit in
personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s); direct en op termijn vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en daaraan verbonden overname van taken); schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden);
aandeel in de reserves en voorzieningen.
De raming en berekening van de kosten vooruittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen
na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. Feiten en omstandigheden die zich voordoen na het moment van daadwerkelijke uittreding kunnen niet leiden tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uitgetreden Deelnemerof het Bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien de wederpartij andere inlichtingen zou hebben verstrekt waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 22.9
De Bedrijfsvoeringsorganisatie is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden.
22.10
De uittredende Deelnemer houdt gedurende de periode vanaf het besluit
tot uittreding tot de daadwerkelijke uittreding bij de beraadslaging en in besluitvorming door het Bestuur rekening met de belangen van de 10
van
12
# nysingh
advocaten en notarissen
Bedrijfsvoeringsorganisatie zoals deze zich kunnen voordoen vanaf het
moment van daadwerkelijke uittreding. 22.11
Gelijktijdig met het opstellen van het concept uittredingsplan stelt het Bestuur indien dat noodzakelijk is gelet op de uittreding een voorstel voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling en van de daarop
gebaseerde besluiten op. 22.12
Het voorlopige uittredingsplan, de voorlopige uittreedsom en een eventueel voorstel tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling wordt door het Bestuur middels een voorgenomen besluit vastgesteld uiterlijk 12 maanden voor de datum van uittreding. Het Bestuur zendt het voorgenomen besluit inclusief voorlopige uittredingsplan de voorlopige
uittreedsom en een eventueel voorstel tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling, onverwijld aan alle Deelnemers voor zienswijze en besluitvorming.
22.13
De overige Deelnemers delen binnen 3 maanden na verzending van het voorgenomen besluit of het voorgenomen besluit voor haar tot gevolg heeft dat zij ook wensen uit te treden.
22.14
Indien het Bestuur van oordeel is dat de inhoud van het voorlopig
uitredingsplan dan wel de mededeling van de overige Deelnemers als bedoeld in het vorige lid ertoe leidt dat continuering van de samenwerking in de regeling redelijkerwijs niet meer mogelijk is, doet zij alle Deelnemers een voorstel tot opheffing als bedoeld in artikel 25.
22.15
Indien de regeling slechts twee Deelnemers heeft wordt een verzoek tot uittreding beschouwd als een verzoek tot opheffing conform artikel 25.
22.16
Uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding stelt het Bestuur met inachtneming van de zienswijzen van de Deelnemers, het definitieve uitreedplan, de definitieve uittreedsom en eventueel een definitief voorstel
tot wijziging van de regeling vast. 22.17
27.
De definitieve uitreedsom dient de uitredende Deelnemer aan de Bedrijfsvoeringsorganisatie te voldoen binnen 1 maand na de uitredingsdatum.
Indien tussen de deelnemer en de BVO geen DVO meer van kracht is, betekent dat dat de deelnemer op grond van artikel 23 uit de GR PlusOV zal moeten treden. In die situatie treedt vervolgens de procedure van het voorgestelde artikel 22 in werking. Ter verduidelijking zou aan de tekst van artikel 23 kunnen worden toegevoegd: “/n dat geval treedt de uittreedregeling van artikel 22 in werking.”
11
van
12
4 nysingh advocaten en notarissen
Samenvattende conclusie 28.
Wij concluderen dat de verplichte wijzigingen van de bestaande gemeenschappelijke
regelingen die voortvloeien uit de gewijzigde Wgr op het gebied van zienswijzen, burgerparticipatie, evaluatie en de actieve informatieplicht afdoende in de GR PlusOV zijn doorgevoerd.
29.
Ten aanzien van de verplichte wijziging van de uittreedregeling concluderen wij het volgende. Wij menen het niet voor de hand ligt om de uittreedregeling te koppelen aan de beëindiging van de DVO. De tussen de deelnemer en de BVO gesloten DVO staat juridisch gezien los van de GR PlusOV. Dat geldt daarom ook voor de beëindiging daarvan. Daarnaast ligt het onzes inziens niet voor de hand om de gehele beëindigingsprocedure uit de GR PlusOV te doorlopen, indien beëindiging van de DVO niet leidt tot uittreding uit de GR PlusOV.
30.
Daarnaast menen wij dat de uittreedregeling in de GR PlusOV ten onrechte geen bepaling kent ten aanzien van de vraag voor wiens rekening de financiële gevolgen van
de uittreding komen en de wijze waarop die uittreedsom wordt vastgesteld. Onzes inziens leidt dat ertoe dat in de toekomst onverminderd geschillen zullen kunnen rijzen met betrekking tot de verschuldigdheid en de hoogte van de uittreedsom.
31.
Wij adviseren om die reden om de voorgestelde tekst voor de uittreedregeling in de GR PlusOV in het licht van het voorgaande aan te passen. Daartoe hebben wij in het
voorgaande een voorstel geformuleerd.
12
van
12
Aan het college van Heerde Eperweg 5 8181 ET HEERDE
Contactpersoon Jeannette van der Beek Datum verzonden
Uw brief van/uw kenmerk -
Bijlagen Advies Nysingh advocaten en notarissen Ons kenmerk
Onderwerp
Zienswijze ontwerp wijziging Gemeenschappelijke Regeling PlusOV
Beste collegeleden, In onze vergadering van 24 juni 2024 heeft u ons een voorstel voorgelegd voor het treffen van de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling PlusOV (GR PlusOV). Wij hebben besloten hierop een zienswijze in te dienen. Deze leest u in deze brief en wij vragen u deze zienswijze door te sturen aan het bestuur van PlusOV en de gemeenteraden van de aan de GR Basismobiliteit deelnemende gemeenten. Wij zijn akkoord met een deel van de wijzigingen die worden voorgesteld Een daarvan is de naamswijziging van GR Basismobiliteit naar GR PlusOV. Verder zijn wij akkoord met de artikelen met betrekking tot participatie, evaluatie en informatieplicht. De kadernota willen wij op een eerder moment voor zienswijze aangeboden krijgen De kadernota wordt volgens het ontwerp gelijktijdig aangeboden met de ontwerpbegroting. Wij zijn van mening dat de kadernota op een eerder moment moet worden aangeboden aan de gemeenteraden voor een zienswijze. In ieder geval voordat de begroting wordt opgesteld. De wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) heeft tot doel de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken. De kaderstellende en controlerende rollen van gemeenteraden bij gemeenschappelijke regelingen dienen te worden versterkt. De kadernota is de basis voor de uitgangspunten van de begroting.
Wij zijn van mening dat het geven van een zienswijze op een kadernota die gelijktijdig met de begroting wordt aangeboden geen meerwaarde heeft en daarmee niet het doel van de wijziging van de Wgr wordt gediend. De noodzaak om wel vroegtijdig een zienswijze in te kunnen dienen, onderbouwen wij met de volgende twee voorbeelden: 1. In de Kadernota 2025-2028 en de ontwerpbegroting 2025-2028 heeft het bestuur van PlusOV aangegeven dat extra personeel ingezet moet worden op de telefonie om de gestelde norm van 80% te halen, waar het gaat om het aannemen van de telefoon binnen 20 seconden. In de praktijk blijkt de norm 75 te zijn.
Het is dan aan de gemeenteraden om of extra geld beschikbaar te stellen voor uitbreiding van personeel om de norm wel te halen, of het bestuur van PlusOV voor te stellen de norm naar beneden bij te stellen en zo binnen de financiële kaders te blijven. Het gaat hier uiteindelijk om het al dan niet beschikbaar stellen van meer financiële middelen om de afgesproken servicenormen te halen. Een kaderstellende keuze die alleen door de gemeenteraden gemaakt kan worden. 2. Een tweede voorbeeld is de keuze voor het bijstellen van de meerjarenbegroting ten opzichte van de gestelde kaders, zoals voor 2025 is gebeurd. Het bestuur van PlusOV heeft in de kadernota een meerjarige stijging van het vervoersvolume van 7% opgenomen. Vervolgens is door ditzelfde bestuur besloten om in de ontwerpbegroting te rekenen met 3,5% volumestijging, omdat er anders sprake zou zijn van een forse kostenontwikkeling. Deze kostenontwikkeling heeft haar weerslag op de gemeentelijke begrotingen. Voor een aantal gemeenten is deze 3,5% een realistisch uitgangspunt, maar voor een aantal ook niet. Voor de gemeente Heerde is die 7% een realistische verwachting. Door een vroegtijdige mogelijkheid van het geven van een zienswijze op de kaders, kan het bestuur een richting meegegeven worden voor het opstellen van de conceptbegroting. De gemeenteraden kunnen hiermee de kaderstellende rol beter invullen.
Iets wat de wijziging van de Wgr zoals eerder genoemd juist heeft beoogd. Het bestuur van PlusOV kan het best de termijn bepalen waarop de kaders voor de begroting in elk geval opgesteld moeten zijn, om de ontwerpbegroting binnen de wettelijke termijnen aan te kunnen bieden aan de gemeenteraden. Wij laten de datum daarom graag over aan dat bestuur en zien de wijziging graag opgenomen in de definitieve GR PlusOV. De passage in de GR PlusOV over de uittreedregeling vraagt om verdere aanpassing Wij begrijpen dat er geen consensus is binnen het bestuur van PlusOV over het artikel met betrekking tot de uittreding. De gemeente Hattem heeft hier tegen gestemd en hierover advies ingewonnen bij Nysingh advocaten en notarissen. Het advies van Nysingh vindt u in de bijlage. Nysingh geeft in zijn brief de volgende conclusies: •
Wij concluderen dat de verplichte wijzigingen van de bestaande gemeenschappelijke regelingen die voortvloeien uit de gewijzigde Wgr op het gebied van zienswijzen, burgerparticipatie, evaluatie en de actieve informatieplicht afdoende in de GR PlusOV zijn doorgevoerd.
•
Ten aanzien van de verplichte wijziging van de uittreedregeling concluderen wij het volgende. Wij menen dat het niet voor de hand ligt om de uittreedregeling te koppelen aan de beëindiging van de DVO. De tussen de deelnemer en de BVO gesloten DVO staat juridisch gezien los van de GR PlusOV. Dat geldt daarom ook voor de beëindiging daarvan. Daarnaast ligt het onzes inziens niet voor de hand om de gehele beëindigingsprocedure uit de GR PlusOV te doorlopen, indien beëindiging van de DVO niet leidt tot uittreding uit de GR PlusOV.
•
Daarnaast menen wij dat de uittreedregeling in de GR PlusOV ten onrechte geen bepaling kent ten aanzien van de vraag voor wiens rekening de financiële gevolgen van de uittreding komen en de wijze waarop die uittreedsom wordt vastgesteld. Onzes inziens leidt dat ertoe dat in de toekomst onverminderd geschillen zullen kunnen rijzen met betrekking tot de verschuldigdheid en de hoogte van de uittreedsom.
Wij delen de mening van Nysingh. Zij doen hiervoor ook een voorstel voor aanpassing van het betreffende artikel. Wij zien deze aanpassing graag overgenomen in de definitieve GR PlusOV. Daarbij laten wij het ook hier aan het bestuur van PlusOV of de voorgestelde termijnen de definitieve termijnen moeten zijn. We kunnen ons voorstellen dat die mogelijk niet passend zijn bij de processen in de bedrijfsvoering, onder andere waar het gaat om het al dan niet kunnen opzeggen, wijzigen of aangaan van vervoerscontracten die het gevolg kunnen zijn van uittreding.
2/3
Daarnaast zien we het artikel graag aangevuld met een passage die het volgende probleem tackelt. Het artikel geeft duidelijk aan dat de uittredende deelnemer de kosten voor haar rekening krijgt. Op het moment dat een deelnemer meldt uit de GR te treden, hebben de overige deelnemers de mogelijkheid zich hierover te beraden. Het kan dan zo zijn dat meerdere deelnemers besluiten uit de GR te treden. Uit het artikel wordt niet duidelijk hoe dan wordt omgegaan met de verdeling van de kosten. Het kan ons inziens in ieder geval niet zo zijn dat de eerste deelnemer die besluit uit te treden alle kosten voor haar rekening krijgt, als ook de rest van de deelnemers of een deel daarvan daarna besluit uit te treden. Wij ontvangen graag de zienswijzen van de overige gemeenteraden Mogelijk dat ook de overige deelnemende gemeenteraden een zienswijze hebben ingediend. Wij ontvangen deze ook graag. Wij nemen die dan mee in onze besluitvorming als de definitieve GR aan ons voor toestemming wordt voorgelegd. Wij gaan ervan uit dat het bestuur bij de toezending van de definitieve GR laat weten welke zienswijzen tot wijziging van de GR hebben geleid en op welke punten wijzigingen zijn doorgevoerd. Wij danken het bestuur van PlusOV voor de voorbereiding En wensen de bestuursleden succes met het vervolg van dit proces. We zien de definitieve GR PlusOV met belangstelling tegemoet.
Met vriendelijke groet, De gemeenteraad van Heerde,
R. Hafkamp Griffier
3/3
Mr. O.G. Prinsen Burgemeester