(98) Bijlagen bij het bestemmingsplan
Tekst van het document
456867
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
Brummen, Graaf van Limburg Stirumplein
Gemeente Brummen
Datum: 7 augustus 2023 Projectnummer: 230172
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Het plan Leeswijzer
3 3 4
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
5
2.1 2.2 2.3 2.4
Stedelijke ontwikkeling Markt- of verzorgingsgebied Behoefte Bestaand stedelijk gebied
5 6 7 13
3
Conclusie
15
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
1.2
Het plan Het voornemen bestaat om de verouderde en niet-toekomstbestendige bebouwing aan het Graaf van Limburg Stirumplein (nummer 6, 7,10) te slopen en de locatie te herontwikkelen naar een toekomstbestendig gebied waar wonen en maatschappelijke voorzieningen gecombineerd worden. Daarbij wordt het bestaande SWB-gebouw ingepast en uitgebreid, zodat de bibliotheek en de muziekvereniging vanuit de te slopen gebouwen naar dit gebouw kunnen verhuizen. Ten behoeve van deze verhuizing krijgt het welzijnsgebouw SWB een make-over en een geringe uitbreiding van maximaal 500 m2 op de begane grond. Er komt geen tweede bouwlaag bij de uitbreiding. Verder wordt voorzien in twee appartementengebouwen met in totaal maximaal 59 appartementen. Hiervan zijn acht woningen in het goedkope segment, 22 woningen in het middensegment en 29 woningen in het dure segment beoogd. Beide gebouwen zullen worden voorzien van een lift, waardoor deze levensloopbestendig zijn. De woningen 3
zijn bedoeld voor zowel jongeren als ouderen. Er is sprake van een relatief hoge woningdichtheid in een multifunctioneel gebied, nabij het centrum historische centrum van Brummen. Binnen de huidige bestemming is de realisatie van de ontwikkeling niet toegestaan. Het plan is hiermee in strijd met het geldende planologisch-juridisch kader. Daarom wordt voor de ontwikkeling een planologische procedure doorlopen. In het kader van de planologische procedure moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met een goede ruimtelijke ordening. Eén van de aspecten die onderdeel uitmaakt van een goede ruimtelijke ordening is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets vindt in dit rapport plaats.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst ingegaan worden of en waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toetsing of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.
4
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
2.1
Stedelijke ontwikkeling
2.1.1
Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Nota van Toelichting op het Bro (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.
2.1.2
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal maximaal 59 woningen en een uitbreiding van een gebouw met maatschappelijke voorzieningen. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit jurisprudentie1 blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling2. Gelet op het programma van maximaal 59 woningen kan worden gesteld dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ten aanzien van de maatschappelijke voorziening geldt dat er in beginsel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling indien er met een ontwikkeling minder dan 500 m2 bruto-vloeroppervlakte wordt toegevoegd.
In de huidige situatie heeft het gehele plangebied een maatschappelijke bestemming, met daarin meerdere bouwvlakken. In de toekomstige situatie wordt voorzien in een veel kleinschaligere maatschappelijke voorziening. Daarmee neemt het oppervlakte als gevolg van dit plan af en wordt dit deel van de ontwikkeling niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom hoeft voor deze voorziening de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet te worden doorlopen.
1 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921). 2 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953).
5
2.1.3
Conclusie Gelet op het voorgaande is voorliggende woningbouwontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Dit geldt niet voor de maatschappelijke voorziening. Daarom is uitsluitend voor de woningbouw een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.
2.2
Markt- of verzorgingsgebied
2.2.1
Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie.
2.2.2
Toetsing De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende regio of gemeente. Wanneer de verhuisbewegingen voor de gemeente Brummen worden geanalyseerd, blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat meer dan 40% van alle gevestigde personen uit de gemeente zelf afkomstig is. Tabel: Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Brummen in 2021
Verhuisbewegingen Brummen
Aantal
Aandeel (%)
Binnen gemeente Brummen
785
43,1 %
Vanuit andere gemeenten
982
54,0 %
Vanuit het buitenland Totaal aantal verhuizingen
54
2,9 %
1.821
100,0 %
(Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek).
De hierna opgenomen tabel laat de meest relevante verhuisbewegingen naar de gemeente Brummen vanuit andere gemeenten zien. Er zijn geringe verhuisrelaties met de gemeenten uit de omgeving van de gemeente Brummen, voornamelijk de gemeente Apeldoorn en in mindere mate Zutphen. Verder bestaat er in eerste instantie een relatie met de gemeenten Rheden, Arnhem en Deventer.
6
Tabel: Verhuisbewegingen naar de gemeente Brummen naar herkomst in 2021
Gemeente
Aantal
Aandeel (%)
Brummen
785
43,1 %
Apeldoorn
227
12,5 %
Zutphen
99
5,4 %
Rheden
62
3,4 %
Arnhem
49
2,7 %
Deventer
46
2,5 %
Utrecht
29
1,6 %
Amsterdam
29
1,6 %
Voorst
20
1,1 %
Elders
475
26,1 %
Totaal
1.821
100,0 %
(Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek).
2.2.3
Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat het marktgebied zich primair richt op de gemeente Brummen. Op basis van de aard, ligging van de beoogde ontwikkeling en de verhuisbewegingen uit het verleden geldt de verwachting dat de ontwikkeling geen noemenswaardige bovengemeentelijke aantrekkingskracht heeft.
2.3
Behoefte
2.3.1
Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.
2.3.1
Kwantitatieve behoefte Kwantitatieve huishoudensontwikkeling De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. In de ABF Primos prognose wordt een prognose gemaakt van de verwachte huishoudensontwikkeling. Voor de gemeente Brummen geldt dat de komende jaren een groei van het aantal huishoudens wordt verwacht. Het aantal huishoudens neemt van circa 9.310 huishoudens in 2023 toe naar verwachting circa 10.000 in 2030 en 10.850 in 2050. Dit komt neer op een groei van circa 1.540 huishoudens richting 2050.
7
Huishoudensprognose gemeente Brummen tot 2050 (Bron: ABF Primos prognose 2023).
Woonagenda Cleantech Regio 2018 (en actualisatie bandbreedte) Op 11 september 2018 is de regionale woonagenda vastgesteld. Hierin wordt aangegeven dat er binnen de gemeente Brummen een geringe huishoudensgroei te verwachten is. Als gevolg hiervan zullen er extra woningen gebouwd moeten worden om aan deze groeiende vraag te kunnen voldoen. Voor de gemeente Brummen betekent dat dat er voor de periode 2018-2027 ruimte is voor het toevoegen van extra woningen. Op 6 november 2020 is deze prognose bijgesteld in de ‘Actualisatie bandbreedte woningbouw Woonagenda 2018’. In de nieuwe prognose is er ruimte voor 850 woningen in de periode 2020 t/m 2030. Onderstaande tabel geeft de actualisatie van de bandbreedte per gemeente weer.
Actualisatie bandbreedte woningtekort per gemeente (Bron: ABF Research).
Hittekaart 2023 De afgelopen jaren is er in de media steeds meer aandacht voor de toenemende druk op de woningmarkt, voornamelijk in het Randstedelijk gebied. Zo is ook een ‘hittekaart’ van de woningmarkt 2023 verschenen.
8
Hittekaart van de woningmarkt 2023 (Bron: BPD).
Een hoge score (rood is hoog, blauw is laag) op de hittekaart kenmerkt zich door hoge prijzen en/of veel huizenverkopen, maar ook een sterke (verwachte) huishoudensgroei. Amsterdam, Utrecht en Rotterdam zijn traditioneel gezien de meest populaire woonlocaties. Aangrenzende gemeenten kleuren rood mee, maar de hittekaart laat ook zien dat de vraag op de woningmarkt zich geleidelijk als een olievlek uitbreidt van de Randstad richting de provincie. De gemeenten Apeldoorn, Deventer en Zwolle hebben ook te maken met een hoge score en een hoge druk op de woningmarkt. Voor Brummen geldt een gele kleur. De druk op de woningmarkt is hier minder groot dan in voorgenoemde gemeenten, maar er is nog steeds sprake van een hoge druk op de woningmarkt. Geconcludeerd wordt dat de druk op de woningmarkt binnen de gemeente ook zorgt voor een hoge woningvraag. Regionale woondeal Regio Stedendriehoek 2022-2030 In de regionale woondeal wordt een doorvertaling naar gemeenten gemaakt van de afspraken tussen Rijk en provincie. De gemeenten zetten zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van de woningbouwopgave.
Het gaat in de regio Stedendriehoek (exclusief gemeente Deventer) om de realisatie van in totaal 17.229 woningen in de periode tot en met 2030 als bijdrage aan de provinciale en nationale opgave, waarvan 73% betaalbaar en inclusief minimaal 36% sociale huurwoningen. De gemeente Brummen draagt hier aan bij met de bouw van circa 1.058 nieuwe woningen. Dit is circa 6,1% van de regionale woningbouwopgave. Daarvan behoren in totaal bijna 815 woningen tot de betaalbare woningen. Een belangrijke ambitie hierbij is dat de regio zich inzet om tot en met 2024 de plancapaciteit zoveel mogelijk om te zetten tot harde plannen.
9
Woonagenda Brummen 2019-2023 In de woonagenda van de gemeente Brummen wordt de koers voor het woonbeleid uitgezet. De Woonagenda geeft de ambitie aan en vormt de wettelijke basis voor de Prestatieafspraken met de corporatie en de gemeentelijke ‘toezichtstaken’. In deze woonagenda ligt de nadruk op kwalitatief programmeren. Verder is de woonagenda het kader voor de woningbouwprogrammering. Een eerste aanzet hiervoor is gegeven in de Woonagenda Cleantechregio 2018. Ook geeft deze regionale woonagenda richting aan het aantal te bouwen woningen in de periode 2018-2027. Voor Brummen zijn dat, naar de huidige inzichten, 700 nieuw te realiseren woningen. Hier wordt in de woonagenda aan vastgehouden. Conclusie Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Brummen, de kwantitatieve woonopgave van de regio en gemeente, de beoogde regionale/gemeentelijke versnellingsopgave en de druk op de woningmarkt in de regio, wordt geconcludeerd dat het plan past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. 2.3.2
Kwalitatieve behoefte Kwalitatieve huishoudensontwikkeling Naast de kwantitatieve behoefte, bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijke. Deze behoefte is sterk afhankelijk van de huishoudensopbouw qua samenstelling en leeftijd. In de Woonagenda Brummen 2019-2023 is de huishoudensontwikkeling naar samenstelling gegeven. De gemeente telde in 2018 9.030 huishoudens. Dit zijn ruim 3.100 huishoudens met kinderen, een kleine 2.600 alleenstaanden en 3.350 tweepersoonshuishoudens. Doordat het aandeel ouderen groter wordt, verandert de samenstelling van de huishoudens. Zo is het aandeel gezinnen de afgelopen jaren afgenomen van 38% naar 34%. Deze daling wordt gecompenseerd door een toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. De verwachting is dat het aantal eenpersoonshuishoudens verder toeneemt. Dit komt met name door de vergrijzing, waardoor mensen meer alleen achterblijven op hoge leeftijd. Daarnaast speelt mee dat men in andere gezinsverbanden leeft. Denk aan co-ouderschap. Er is potentie om nieuwe inwoners aan te trekken en daarmee de daling van het aantal inwoners te ‘dempen’.
Uit: Woonagenda Brummen 2019-2023
10
Verder wordt verwacht dat de extramuralisering zich voort zet. Ouderen blijven langer thuis wonen, voor kwetsbare doelgroepen wordt gestreefd naar een beschermd thuis in plaats van naar beschermd wonen. Daardoor blijven zij meer in de wijk wonen of stromen uit naar woonvormen en woningen in de wijken. Dit vraagt om extra inspanningen voor levensloopgeschikte woningen, alternatieve woonvormen en flexibele mogelijkheden voor mantelzorgers. Woonagenda Cleantech Regio 2018-2023 + addendum Naast de kwantitatieve afspraken die de gemeente Brummen in de Cleantech Regio heeft gemaakt, zijn er ook kwalitatieve afspraken gemaakt ten aanzien van woningbouwontwikkelingen. Zo maakt het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit in de regio een belangrijk onderdeel uit van de regionale woonagenda. Een speerpunt daarbinnen is bijvoorbeeld het vinden van oplossingen van ruimtelijke en maatschappelijke knelpunten door transformatie of sloop van leegstaand vastgoed. Op het gebied van wonen is vraaggericht bouwen met een rol van de consument in de ontwikkeling een van de richtinggevende principes binnen de regionale woonagenda. Meer specifiek wordt in de regionale woonagenda voor de gemeente Brummen benoemd dat ingezet wordt op uitnodigingsplanologie waarbij inbreiding in stedelijk gebied de voorkeur heeft.
Kwaliteit en het inzetten op woningen voor verschillende doelgroepen vormen daarbij speerpunten. Concreet bevat de regionale agenda een tiental richtinggevende principes:
Voorliggend initiatief sluit goed aan bij een aantal van de principes. Zo wordt met het initiatief een duurzame, wenselijke invulling gegeven aan braakliggend terrein en een aantal verouderde bebouwing. Hiermee wordt bijgedragen aan het in evenwicht brengen van de woningvoorraad voor verschillende doelgroepen, waarbij oog is voor aspecten als leefbaarheid, duurzaamheid en bereikbaarheid. Tegelijkertijd wordt de verbinding met de omgeving en de groene kwaliteit binnen het plangebied versterkt door het toevoegen van groen op het Graaf van Limburg Stirumplein. Tevens wordt voorzien in een mix aan typen woningen in verschillende prijsklassen, welke geschikt zijn voor starters en ouderen. Zo draagt dit initiatief bij aan het realiseren van meerdere regionale woonambities uit de regionale woonagenda.
11
Woondeal Regio Stedendriehoek 2022-2030 In de Woondeal Regio Stedendriehoek 2022-2030 zijn afspraken gemaakt over de woningbouwprogrammering binnen de regio. Hiervoor is een aantal sleutelprojecten aangewezen en is per gemeente bepaald hoeveel zij zullen bijdragen aan het woningbouwprogramma. Voor de regio geldt dat er grote behoefte is aan betaalbare woningen. De gemeenten van de regio zetten zich tot en met 2030 in voor de realisatie van in totaal 12.400 woningen in het betaalbare segment, dat is 72% van de regionale woningbouwopgave. In voorliggend plan wordt een relatief groot deel goedkope en middeldure koopwoningen toegevoegd, waarmee invulling wordt gegeven aan het aspect betaalbaarheid. Woonagenda Brummen 2019-2023 In de Woonagenda wordt aangegeven dat de gemeente Brummen ernaar streeft om een gemeente te zijn met een vertrouwd dorps woonklimaat in een economisch vitale gemeente met een duurzaam en sociaal karakter. Waar het goed wonen is voor jong en oud, dankzij een gedifferentieerd aanbod van kwalitatief hoogwaardige woningen. Hierbij is het van belang dat het leefmilieu passend is bij de omvang van de kern. Verder wordt aangegeven dat het centrum van Brummen grote kansen biedt op het gebied van wonen. In het afwegingskader woningbouw wordt het plangebied genoemd als onderdeel van het centrumplan.
Geacht wordt dat voorliggende ontwikkeling aansluit bij de vier pijlers in de woonagenda en de ambities die daarbij komen kijken. Routekaart Woningbouw & Doelgroepenverordening Brummen 2023 De gemeente Brummen heeft de ambitie om tot 2030 ongeveer 1000 woningen aan de bestaande woningvoorraad toe te voegen. Om de diversiteit en doorstroom te bevorderen geldt voor de nieuwbouw als uitgangspunt dat ten minste 30% van die woningen beschikbaar komt voor sociale huur en 35% voor goedkope en betaalbare koop en middenhuurwoningen. Deze ambitie is vastgelegd in de Routekaart Woningbouw waarbij de programmering is opgenomen in het toetsingskader volgens de spelregels 30-35-35. Met voorliggende ontwikkeling wordt circa de helft van het programma uitgevoerd in het betaalbare segment. Dit maakt dat voorliggende ontwikkeling in eerste instantie niet aansluit bij de ambities uit de Routekaart Woningbouw en de Doelgroepenverordening Brummen. Echter, omdat de ontwikkeling onderdeel uitmaakt van het centrum van Brummen en hier diverse ontwikkelingen in voorbereiding zijn, wordt over het totaal van deze plannen gekeken naar de ambities uit de routekaart en de doelgroepenverordening. In totaliteit wordt voor alle ontwikkelingen in het centrum van Brummen (ruimschoots) voldaan aan de programmatische afspraken van 30% sociaal, 35% betaalbaar en 35% overig.
Conclusie Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling met bijbehorende woonwensen kan gesteld worden dat het plan, geschikt voor kleinere huishoudens zoals starters en ouderen, op een binnenstedelijke locatie passend is bij de kwalitatieve vraag binnen de gemeente. Dit maakt dat de ontwikkeling voorziet in een kwalitatieve behoefte van het marktgebied.
12
2.3.3
Conclusie De beoogde woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte van het marktgebied. Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling en het tekort aan woningen om aan de vraag te voldoen maakt dat sprake is van een kwantitatieve behoefte. Daarnaast wordt geanticipeerd op de demografische ontwikkeling binnen de gemeente Brummen door onder andere in te zetten op levensloopbestendige woningen en woningen voor kleinere huishoudensgroepen. Verder zal een deel van de woningen in het betaalbare segment zijn beoogd. Op deze manier wordt ingespeeld op de kwalitatieve woonvraag van onder meer starters, senioren en andere een- en tweepersoonshuishoudens. Ten slotte is de locatie binnenstedelijk en is deze reeds in beeld als onderdeel van de (her)ontwikkeling van het centrum van Brummen. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling van het plangebied voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte van het marktgebied.
2.4
Bestaand stedelijk gebied
2.4.1
Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien. Dit kan bijvoorbeeld door benutting van beschikbare gronden, herstructurering of transformatie. Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied.
2.4.2
Toetsing Het plangebied ligt in het centrumgebied van de kern Brummen. Momenteel bestaat het plangebied uit verschillende gebouwen met maatschappelijke voorzieningen en braakliggend terrein. De gronden hebben de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’. De omgeving van het plangebied wordt aan de noord- en westkant voornamelijk gevormd door woningen met een dorps karakter. Aan de zuidoostzijde ligt het centrum van Brummen waar meer statige gebouwen te vinden zijn. De huidige gronden van het plangebied zijn bestemd ten behoeve van stedelijke functies en ook de ruimtelijke structuren van de omgeving zijn aan te merken als stedelijk. Geconcludeerd wordt daarom dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Bovendien kan gezien de heersende functies in de omgeving van het plangebied en het karakter van de beoogde ontwikkeling gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling op deze locatie past. De twee appartementencomplexen sluiten qua aard en schaal aan bij de bebouwing rondom het Graaf van Limburg Stirumplein en de rest van het centrum. Zo wordt een samenhangend plein gerealiseerd waar tevens ruimte behouden blijft voor maatschappelijke voorzieningen.
13
2.4.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling is voorzien binnen bestaand stedelijk gebied. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkeling op deze locatie past. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.
14
3
Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling als haalbaar geacht wordt voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.
15
Besluit van burgemeester en wethouders van Brummen
Onderwerp:
ontwerpbestemmingsplan Graaf van Limburg Stirumplein
Portefeuille:
Ruimtelijke Ordening
Portefeuillehouder:
P. Inberg
Vertrouwelijkheid:
Openbaar
Embargo tot en met: Afdeling:
Ruimtelijke ordening
Kenmerk:
Z093249/D422429
Burgerparticipatie:
Informeren
Raadsprocedure:
Niet van toepassing
Besluit:
Akkoord (Ongewijzigd besloten)
Besloten op:
12 december 2023
Voorstel / Advies Te besluiten om: 1. in te stemmen met de aanmeldnotitie mer (D423134) en te besluiten om geen mer-procedure op te starten; 2. in te stemmen met het ontwerpbestemmingsplan 'Graaf van Limburg Stirumplein,' met als kenmerk NL.IMRO.0213.BPCENTBR1200003-on01 en deze vrij te geven voor terinzagelegging;
Besluit Te besluiten om: 1. in te stemmen met de aanmeldnotitie mer (D423134) en te besluiten om geen mer-procedure op te starten; 2. in te stemmen met het ontwerpbestemmingsplan 'Graaf van Limburg Stirumplein,' met als kenmerk NL.IMRO.0213.BPCENTBR1200003-on01 en deze vrij te geven voor terinzagelegging;
Inleiding Gemeente Brummen is bezig met diverse ontwikkelingen in het centrumgebied van Brummen, waar onder het gebied rond het Graaf van Limburg Stirumplein. Het betreft het gebied waar de voormalige Julianaschool lag en nu nog het SWB-gebouw, de bibliotheek en Verian gevestigd zijn. Het voornemen is om dit gebied te transformeren, waarbij wonen en maatschappelijke voorzieningen worden gecombineerd. De bebouwing op Graaf van Limburg Stirumplein 7, 8 en 10 wordt gesloopt. Het welzijnsgebouw SWB (Graaf van Limburg Stirumplein 5) blijft behouden en wordt uitgebreid, zodat de bestaande maatschappelijke voorzieningen in het plangebied onder één dak verder kunnen. Verder is ruimte voor twee nieuwe woongebouwen met in totaal maximaal 59 woningen.
Beoogd effect Het planologisch mogelijk maken van 2 appartementengebouwen met in totaal 59 appartementen en het uitbreiden van het SWB-gebouw met maximaal 500m2 vloeroppervlak.
Argumenten 1.1 Een milieu effectrapportage is niet nodig Een milieu effectrapportage heeft als doel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten die (eventueel) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In de wet milieubeheer is opgenomen voor welke categorieën van gevallen een m.e.r.-
procedure verplicht is, waarbij ondergrenzen zijn genoemd (drempelwaarden), zoals woningbouw vanaf 2000 woningen. Een m.e.r.-beoordelingsbesluit is sinds 7 juli 2017 echter niet alleen vereist als de drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit wordt overschreden, maar ook als dat niet het geval is. Dat betekent dat als een bestemmingsplan of uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure voorziet in bijvoorbeeld een stedelijk ontwikkelingsproject of aanleg, wijziging van een inrichting waarbij (ver) onder de drempelwaarde wordt gebleven, een m.e.r.beoordelingsbesluit dient te worden genomen. Denk aan bijvoorbeeld de realisatie van één of enkele woningen of vestiging/uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Het bevoegd gezag moet dus vooraf beoordelen of bij een voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Dit dient het bevoegd gezag vast te leggen in het m.e.r-beoordelingsbesluit. Voor woningbouw geldt een drempelwaarde van 2000 woningen, bij dit initiatief worden er maximaal 59 woningen gerealiseerd. Het initiatief blijft ruim onder de drempelwaarde. Conclusie van de aanmeldnotitie (D423134) is dat een milieu effectrapportage niet nodig is omdat de drempelwaarde niet wordt overschreden. 2.1 Het verzoek is in lijn met centrumvisie In 2011 is de structuurvisie voor het centrum van Brummen vastgesteld.
In de visie werd onder andere ingezet op een concentratie van maatschappelijke voorzieningen in combinatie met woningbouw aan het Graaf van Limburg Stirumplein. Deze ambitie is inmiddels verder uitgewerkt tot een concrete ontwikkeling, waarbij wonen en maatschappelijke voorzieningen worden gecombineerd. Het plan is daarmee passend binnen de structuurvisie voor het centrum van Brummen. 2.2 Beoogde doelgroepen liggen in lijn met de woonagenda Het plan voorziet in twee appartementengebouwen met in totaal maximaal 59 appartementen. Hiervan zijn acht woningen in het goedkope segment, 22 woningen in het middensegment en 29 woningen in het dure segment beoogd. Beide gebouwen zullen worden voorzien van een lift, waardoor deze levensloopbestendig zijn. De woningen zijn bedoeld voor zowel jongeren als ouderen. Het initiatief ten aanzien van het toevoegen van woningen past binnen de gemeentelijke Woonagenda. Gezien diverse ontwikkelingen in het centrum op heel korte afstand van elkaar zijn gelegen, is er sprake van samenhang in de plannen. Dit gaat om de locaties Leliestraat 2-4, Ambachtstraat 43-45, Ambachtstraat 40, Marktplein 1 en 3, Engelenburgerlaan 1 (Concordia) en de voormalige Wilhelminaschool. Al deze locaties zijn qua woningtype en woonbehoefte op elkaar afgestemd. De verdeling in totaal zit op 44% sociaal, 31 % middenduur en 24% duur.
Dat maakt dat het programma voor het Graaf van Limburg Stirumplein passend is in samenhang met de andere locaties. 2.3 Het initiatief is stedenbouwkundig passend Stedenbouwkundig bureau Los Stand om Land heeft als onderdeel van een beeldkwaliteitsplan een stedenbouwkundige analyse gemaakt om het plangebied in te richten. Het plan ziet er als volgt uit: één gebouw is beoogd in het zuidwesten van het plangebied waar in het verleden de Julianaschool aanwezig was, het andere gebouw komt ter plaatse van de te slopen bebouwing in het oosten van het plangebied. Het zuidwestelijk gelegen appartementengebouw zal bestaan uit maximaal vijf bouwlagen en een halfverdiepte parkeergarage. Het oostelijk gelegen appartementengebouw zal bestaan uit maximaal drie bouwlagen. Qua aard en schaal past dit bij de overige bebouwing van het centrum. Dit plan is besproken met het Gelders Genootschap en akkoord bevonden. Stedenbouwkundig gezien is dit plan passend in relatie met de bestaande bebouwde omgeving. 2.5 Parkeren kan worden opgelost Het toevoegen van appartementen betekent dat er ook meer parkeerplaatsen nodig zijn. Het plan voorziet in totaal in 133 parkeerplaatsen. 45 parkeerplaatsen zijn al aanwezig en voor de appartementen zijn er 88 extra benodigd. Een groot deel van deze 88 parkeerplaatsen zal in de vorm van een parkeerkelder onder een van de woongebouwen worden gerealiseerd.
Dit om de openbare ruimte zoveel mogelijk te vergroenen. 2.6 Het plangebied krijgt een groene uitstraling Vanwege het toevoegen van extra verstening en hogere bebouwing is er bewust gekozen voor relatief grote groene openbare ruimte. De verbeelding laat zien dat het plangebied voor een groot deel een groenbestemming krijgt. Dit is ook passend in de relatief versteende omgeving.
Kanttekeningen -Het beeldkwaliteitsplan is nu nog niet gereed en zal later aan college worden voorgelegd. Vanwege de komst van de Omgevingswet heeft ter inzage leggen onder de huidige wet- en regelgeving prioriteit. Het beeldkwaliteitsplan kan ook los van het het bestemmingsplan in procedure worden gebracht. Het beeldkwaliteitsplan heeft de juridische status van een beleidsregel en daar kan tegen geen bezwaar en beroep worden ingesteld. Wel bestaat er de mogelijkheid voor omwonenden in het kader van inspraak hun reactie tegen geven op het ontwerp beeldkwaliteitsplan. Bij vaststelling van het bestemmingsplan door de raad zal ook het beeldkwaliteitsplan worden voorgelegd. -Uit de quickscan ecologie komt naar voren dat er nader onderzoek naar vleermuizen nodig is. Dit onderzoek wordt opgepakt, het staat de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan niet in de weg.
Burgerparticipatie Middels meerdere inloopavonden zijn de omwonende geïnformeerd en betrokken bij de planvorming. Op 10 januari 2024 staat wederom een inloopavond gepland.
Advies adviesorganen De Omgevingsdienst heeft positief geadviseerd evenals het Gelders Genootschap.
Communicatie Dit besluit wordt bekend gemaakt via de daarvoor gebruikelijke kanalen. Het bestemmingsplan zal worden gepubliceerd. Dit zal bekend gemaakt worden in het Gemeenteblad, op de gemeentelijke website, in GemeenteThuis en op www.ruimtelijkeplannen.nl. In de nieuwsbrief Brummen Centrum volgt ook nadere berichtgeving over het plan en procedure.
Financiële toelichting Het betreft een gemeentelijk plan waarvoor een grex is vastgesteld.
Juridische grondslag Afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht Afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening Artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening
Inkoop en aanbesteding Niet van toepassing
Uitvoering Na besluitvorming door het college wordt het bestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter visie gelegd. Een ieder wordt dan in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Eventueel ingediende zienswijzen worden van een reactie voorzien en vervolgens zal het college de raad voorstellen om een besluit te nemen over het bestemmingsplan.
Stukken ter vaststelling Toelichting D423135 Regels D423136 Verbeelding D423137 Aanmeldnotitie M.e.r D423134 Bijlagen bij de toelichting D423140
Bijlage(n) ter informatie
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Graaf van Limburg Stirumplein
Gemeente Brummen
Datum: 4 december 2023 Projectnummer: 230172
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2
Aanleiding De m.e.r. –beoordeling
3 3
2
Kenmerken van het plan
6
2.1 2.2 2.4
Inleiding Beschrijving van het plan Overige kenmerken van het plan
6 6 7
3
Plaats van het plan
9
3.1 3.2 3.3
Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
9 9 9
4
Kenmerken van het potentiële effect
14
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Inleiding Archeologie Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit
14 15 16 17 18 19
5
Conclusie
21
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In 2011 is de structuurvisie voor het centrum van Brummen vastgesteld. In de visie werd onder andere ingezet op een concentratie van maatschappelijke voorzieningen in combinatie met woningbouw aan het Graaf van Limburg Stirumplein. Deze ambitie is inmiddels verder uitgewerkt tot een concrete ontwikkeling, waarbij wonen en maatschappelijke voorzieningen worden gecombineerd. De bebouwing op Graaf van Limburg Stirumplein 7, 8 en 10 wordt gesloopt. Het welzijnsgebouw SWB (Graaf van Limburg Stirumplein 5) blijft behouden en wordt uitgebreid, zodat de bestaande maatschappelijke voorzieningen in het plangebied onder één dak verder kunnen. Verder is ruimte voor twee nieuwe woongebouwen met in totaal maximaal 59 woningen. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.
Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.
1.2
De m.e.r. –beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. 3
Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)
Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld.
Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig plan (de realisatie van 59 woningen en een geringe uitbreiding van maximaal 500 m2 van maatschappelijke voorzieningen) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsplan met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer,
4
2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.” De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 59 woningen en een geringe uitbreiding van maatschappelijke voorzieningen. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 10.900 m2. Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit onder de drempelwaarde en kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r.
juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: − kenmerken van de activiteit; − plaats waar de activiteit wordt verricht; − kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.
5
2 2.1
Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het plan besproken. De aard en de omvang van het plan worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.
2.2
Beschrijving van het plan Het voornemen bestaat om de verouderde en niet-toekomstbestendige bebouwing aan het Graaf van Limburg Stirumplein (nummer 6, 7,10) te slopen en de locatie te herontwikkelen naar een toekomstbestendig gebied waar wonen en maatschappelijke voorzieningen gecombineerd worden. Daarbij wordt het bestaande SWB-gebouw ingepast en uitgebreid, zodat de bibliotheek en de muziekvereniging vanuit de te slopen gebouwen naar dit gebouw kunnen verhuizen. Ten behoeve van deze verhuizing krijgt het welzijnsgebouw SWB een make-over en een geringe uitbreiding van maximaal 500 m2 op de begane grond. Er komt geen tweede bouwlaag bij de uitbreiding. Op deze manier worden alle huidige maatschappelijke voorzieningen onder één dak geclusterd en wordt qua bouwhoogte aangesloten bij de omliggende grondgebonden woningen.
Stedenbouwkundig plan herontwikkeling Graaf van Limburg Stirumplein (bron: Gemeente Brummen).
6
Verder wordt voorzien in twee appartementengebouwen met in totaal maximaal 59 appartementen. Eén gebouw is beoogd in het zuidwesten van het plangebied waar in het verleden de Julianaschool aanwezig was, het andere gebouw komt ter plaatse van de te slopen bebouwing in het oosten van het plangebied. Het zuidwestelijk gelegen appartementengebouw zal bestaan uit maximaal vijf bouwlagen en een halfverdiepte parkeergarage. Het oostelijk gelegen appartementengebouw zal bestaan uit maximaal drie bouwlagen. Qua aard en schaal past dit bij de overige bebouwing van het centrum.
2.3
Omvang van het plan Het functionele programma binnen het stedenbouwkundig plan bestaat uit 8 woningen in het goedkope segment, 22 woningen in het middensegment en 29 woningen in het dure segment.
2.4
Overige kenmerken van het plan
2.4.1
Cumulatie met andere plannen Cumulatie met andere plannen is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.
2.4.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het plan hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
2.4.3
Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen.
7
De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid). 2.4.4
Risico van ongevallen Onderhavig plan vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.
8
3 3.1
Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.
3.2
Het bestaande grondgebruik In de huidige situatie bestaat het Graaf van Limburg Stirumplein voornamelijk uit bebouwing met maatschappelijke functies. Zo bevinden zich hier de bibliotheek (huisnummer 10), Stichting Welzijn Brummen (SWB) (huisnummer 5) en het Harmonie Orkest Brummen (HOB) (huisnummers 7 en 8). In het verleden is een deel van het plangebied in gebruik geweest als school; de Julianaschool. Dit gebouw is al jaren geleden gesloopt en sindsdien zijn de gronden in onbruik. Het totale oppervlakte van het plangebied is circa 10.900 m2. De bebouwing bestaat uit één tot twee bouwlagen en is verouderd en voldoet niet meer aan de wensen en eisen die voor het gebied gelden.
Huidige situatie van het plangebied gezien vanaf de Burgemeester Dekkerstraat (bron: Google Maps).
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
3.3.1
Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling 9
is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven. 3.3.2
Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Wetlands
Conventie van Ramsar
In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.
Kustgebieden
Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.
Berggebieden en bosgebieden
Wet natuurbescherming
Het plangebied is niet gelegen
Reservaten en natuurparken:
Nationale Landschappen zijn
Het plangebied ligt niet in een
•
Nationale Landschappen
benoemd in de Nota Ruimte
Nationaal Landschap.
•
Nationale parken
Nationale Parken zijn onderdeel
Het plangebied ligt niet in een
van de EHS.
Nationaal Park.
Wet natuurbescherming
In de omgeving van het plange-
in een berg- of bosgebied.
3.3.2.1
Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen
bied liggen Natura 2000-gebie-
krachtens Richtlijn 79/409/EEG
den (zie verder onder 1).
(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij commu-
Europese milieurichtlijnen (o.a.
Het plangebied ligt niet in gebie-
nautaire wetgeving vastgestelde
kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-
den waar basis van communau-
normen inzake milieukwaliteit
derrichtlijn water)
taire wetgeving reeds normen
reeds worden overschreden
worden overschreden.
Gebieden met hoge bevolkings-
Het plangebied is niet gelegen
dichtheid
in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.
Landschappen van
•
Verdrag van Valletta
Het plangebied een zone met
•
historisch belang
•
Monumentenwet
hoge archeologische verwach-
•
cultureel belang
•
Gemeentelijk landschaps-
tingswaarde. In het kader van
ontwikkelingsplan
het op te stellen bestemmings-
o •
beschermd stads- en dorpsgezicht
plan is verkennend archeolo-
archeologisch belang
gisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (zie verder onder 2). In of rondom het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig.
10
1. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Rijntakken”, ‘’Landgoederen Brummen’’ en “Veluwe” in de directe omgeving van het plangebied. Deze liggen, respectievelijk, circa 620 meter, 2,2 kilometer en 5,2 kilometer van het plangebied verwijderd.
Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken (bron: Aerius).
Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling een toename van stikstofemissie te verwachten. Mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied als gevolg van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 2. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2024 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
In het bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Archeologie is voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoog’ opgenomen. Dit maakt dat
11
mogelijk archeologische waarden in het geding komen met de voorgenomen ontwikkeling. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom nader onderzocht. 3.3.3
Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Natuurnetwerk Nederland (voor-
Provinciale verordening
Het plangebied maakt geen deel
heen: Ecologische Hoofdstruc-
uit van het Natuurnetwerk Ne-
tuur)
derland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar er ligt wel een Natuurwerk in de buurt (zie onder 3).
Gebied geschikt voor be-
Wet natuurbescherming
schermde soorten
Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 4).
Weidevogelgebied en ganzen-
Provinciale verordening
foerageergebied
Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.
Stiltegebied
Bodembeschermingsgebied
Wet milieubeheer
Het plangebied is niet gelegen in
Provinciale verordening
een stiltegebied.
Provinciale verordening
Het plangebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale verordening
Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
3. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 600 meter van het plangebied. Hier bevinden zich ook direct een gedeeltes van de Groene ontwikkelingszone.
12
Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone (bron: Provincie Gelderland).
De bescherming van het NNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in de GNN of GO ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Gezien voorgaande zal geen sprake zijn van negatieve milieueffecten. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom ook niet nader onderzocht 4. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.
13
4 4.1
Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het plan en de plaats van het plan zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen. Hoofdstuk 2 laat zien dat het plan de realisatie van maximaal 59 woningen en een geringe uitbreiding van maximaal 500 m2 van maatschappelijke voorzieningen in het centrum van Brummen betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de wijdere omgeving van het plangebied bevinden zich Natura 2000-gebieden. Daarnaast kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied aanwezig zijn en zijn er mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig.
Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: − archeologie: het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting. − natuur: Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna. Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie. − verkeer: De nieuwe ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. − geluidshinder: Het plan heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. − luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete plan en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen: − bodem: Onderhavig plan bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem.
De te realiseren woningen zullen naar verwachting niet leiden tot grondverontreiniging.
14
− externe veiligheid: De functies in onderhavig plan leiden niet tot externe veiligheidseffecten. − cultuurhistorie: De functies in onderhavig plan leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden. − geurhinder: De functies in onderhavig plan leiden niet tot geurhinder. − water: Er is met het plan niet tot nauwelijks sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand niet te verwachten. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.
4.2
Archeologie
4.2.1
Huidige situatie Gelet op de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarde is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een archeologisch bureau- en booronderzoek1. Hieruit volgt dat het plangebied in een reliëfrijk dekzandlandschap met in de ondergrond Pleistocene afzettingen. In de top van het dekzand heeft zich mogelijk een podzolgrond gevormd. Hierop ligt mogelijk een plaggendek van minimaal 30 cm dik. Het dekzandlandschap kan bewoond zijn geweest vanaf het Laat Paleolithicum. In de 17e eeuw ligt ter hoogte van het plangebied mogelijk een legerkamp. Aan het begin van de 19e eeuw is het landgebruik grotendeels weiland en in het noordoosten tuin. De eerste bebouwing in het plangebied dateert uit 1921. De huidige bebouwing dateert uit de jaren ‘60 tot ‘90 van de 20e eeuw. Door bouw- en sloopwerkzaamheden in de 20e eeuw kunnen archeologische resten vergraven zijn. Met name onder de bibliotheek is de bodem diep verstoord.
4.2.2
Effecten ontwikkeling Tijdens het booronderzoek zijn acht boringen tot in het C-horizont gezet. Hieruit blijkt dat de bodem in het zuidwesten van het plangebied is diep verstoord tot in de C-horizont. In het noorden van het plangebied is de bodem deels intact en is een nog A-horizont aanwezig. In één boorprofiel ligt onder de A-horizont een zwak humeuze AB-horizont, waarin een fragment vermoedelijk handgevormd aardewerk is aangetroffen. In de bovenliggende A-horizont kunnen mogelijk ook nog archeologische resten aanwezig zijn gerelateerd aan een 17e eeuws legerkamp.