CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(93) Toelichting

Forum Fysieke Leefomgeving 8 mei 2025, gemeente BrummenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Graaf van Limburg Stirumplein (besluitvormend)15.586 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Risicobronnen in de omgeving van het plangebied (globaal rood omlijnd) (Bron: Atlasleefomgeving.nl). 27

Beperkte verantwoording groepsrisico Als gevolg van een ongeluk met een treinwagon kan zich een warme of koude BLEVE voordoen, of er kan een toxische wolk ontstaan door het lekken van toxisch gas of vloeistof. Bestrijdbaarheid Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat ze snel naar de incidentlocaties kunnen. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. Vanuit de brandweerkazerne Brummen is de locatie tijdig te bereiken. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar zijn voor de brandweer. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met een waterscherm. Een tijdige waarschuwing van de bevolking om te schuilen (ramen en deuren sluiten en ventilatie uitschakelen) en evacuatie naar locaties buiten het invloedsgebied zijn de belangrijkste taken van de brandweer en het bevoegd gezag bij een ongeval met giftige gassen en vloeistoffen. Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden.

In de ontwikkeling wordt rekening gehouden met het realiseren van een extra bluswatervoorziening. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. In het geval van schuilen is het zaak een veilige plek binnen een gebouw op te zoeken buiten het bereik van rondvliegend glas (zoals een toilet of badkamer). Na afloop van de calamiteit dient het gebied ontvlucht te worden om effecten door de secundaire branden te vermijden. Mensen op grotere afstand van de risicobron kunnen bij een tijdige waarschuwing het gebied op tijd ontvluchten. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen gaan en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang.

Bij de inrichting van het plangebied is het van belang dat de locatie goed te ontvluchten is om personen na afloop van een calamiteit hiervan weg te kunnen leiden. Vluchtroutes dienen zo veel mogelijk personen direct van de calamiteit weg te leiden. De mensen binnen het plangebied kunnen worden verondersteld goed zelfredzaam te zijn. Binnen

28

het plangebied zal sprake zijn van mensen met een normale mobiliteitsfactor. Het plangebied wordt goed ontsloten in geval van een calamiteit. Er zullen daarom voldoende vluchtwagens aanwezig zijn voor het ontvluchten van het plangebied. Het gebruik van een WAS (waarschuwing- en alarmeringssysteem) en NL-Alert moet personen waarschuwen voor de gevolgen van het incident. Daarbij is het van belang dat dit systeem voldoende dekkend is. De Veiligheidsregio draagt in samenwerking met overheden zorg voor een dergelijk systeem. Advies Veiligheidsregio Op 29 november 2023 heeft de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland advies over voorliggend plan uitgebracht. Het advies luidt als volgt: 1 De zelfredzaamheid van de aanwezige personen zo groot mogelijk te laten zijn, door gebruik te maken van NL-alert. 2 De gebouwen dusdanig te situeren dat aanwezigen bij een (dreigende) brand bij een risicobron gelegenheid hebben te vluchten. Hierbij dient minimaal één (nood-) uitgang van de risicobron af gericht te zijn. Alle (nood-) uitgangen dienen aan te sluiten op de infrastructuur binnen en buiten het plangebied. 3 Voor de ontsluitingswegen en/of bluswatervoorziening contact op te nemen met de lokale accounthouder namens de VNOG. 4 Zorg te dragen dat het ventilatiesysteem goed functioneert.

Om te kunnen schuilen voor een toxisch scenario, is het noodzakelijk dat bewoners in zo’n situatie naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en dat de eventueel aanwezige mechanische ventilatie handmatig door de gebruikers kan worden uitgezet. Deze maatregel kunt u borgen in de vergunningverlenings-procedures van diverse objecten. 5 Zorg te dragen voor een goede informatievoorziening aan de aanwezige personen, opdat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. U kunt hierbij denken aan publieke voorlichtings-campagnes als ‘Denk vooruit’/ ‘Wees Voorbereid’. 6 Creëer voor ambulances een goede bereikbaarheid door voldoende toe- en uitgangswegen te realiseren. Voor ambulances is het namelijk niet alleen van belang om zo snel mogelijk bij de appartementsgebouwen te kunnen komen, maar ook om zo snel mogelijk weer weg te kunnen rijden zonder hinder te ondervinden van andere (hulpverlenings-)voertuigen. 7 Ambulances dienen dichtbij de appartementsgebouwen geparkeerd te kunnen worden. Obstakels op de weg, de stoep en het terrein dienen dus zodanig te worden ingericht dat ambulances snel en goed bij de appartementsgebouwen kunnen komen. Het beperken van trappen, paaltjes, drempels, grote bloembakken, e.d. draagt bij aan een goede bereikbaarheid van het gebouw voor ambulances en brancards.

8 Zorg voor een eenduidige, duidelijke bewegwijzering, waarbij borden en nummers zodanig zijn geplaatst, dat bij een calamiteit in/bij de appartementsgebouwen duidelijk is waar de hulpverleners naar toe moeten. 9 Voor zowel ambulancepersoneel als een slachtoffer is het een grote belasting om een brancard met slachtoffer de trappen af te dragen. Het advies is dan ook om in plaats van een personenlift, een brancardlift te installeren, zodat een slachtoffer op een brancard niet via de trappen vervoerd hoeft te worden. De vloeroppervlakte van een brancardlift betreft 1,05 bij 2,10 meter. Bij brand mag een lift gebruikt worden mits hiervoor bouwkundige en installatietechnische maatregelen zijn genomen

29

die dit mogelijk maken. Voorstel moet aan de gemeente ter goedkeuring voorgelegd worden. 10 Om de appartementsgebouwen voor brancards goed begaanbaar te houden, is het van belang om met name de ingang begaanbaar te houden. Grind voor de ingang en het gebruik van grote rubberen ringmatten vormen voor ambulancepersoneel en het slachtoffer op de brancard namelijk een obstakel. Een schoonloopmat is een goed alternatief om binnen bij de ingang te plaatsen. 11 Plaats een AED op een strategische locatie. In geval van een circulatiestilstand wordt, door z.s.m. te defibrilleren, de overlevingskans van de betreffende persoon vergroot. Als deze AED aan een buitenmuur wordt bevestigd en beschikbaar wordt gesteld voor algemeen gebruik, kan deze AED ook gebruikt worden bij nood in de omgeving. 12 Plaats een Stop de bloeding-set naast de AED. Dit is een pakketje met extra hulpmiddelen om bloedingen te stoppen. Omstanders en niet-medische hulpverleners kunnen de overlevingskansen van slachtoffers van (bom) aanslagen en grote ongelukken aanzienlijk verhogen. Door ernstig bloedverlies meteen adequaat te stelpen, worden levens gered. Dat geldt natuurlijk ook voor meer alledaagse verwondingen waarbij levensbedreigend bloedverlies optreedt, bijvoorbeeld bij een val door een glazen deur of ernstige open botbreuken.

13 Breng het project ‘STAN’ (Stan is de dóórontwikkeling van HartveiligWonen) bij de bewoners van de appartementen onder de aandacht, dit i.v.m. de aanrijtijden van ambulances. Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan dit project kan levens redden. 14 Indien de bewoners minder zelfredzaam zijn (bijvoorbeeld ouderen of kinderen), is het van belang dat de vergunningverlener bij de burger aandacht besteedt aan de risico’s, die wonen in de buurt van een transportroute voor gevaarlijke stoffen (spoorlijn Westervoort – Zutphen), met zich meebrengen. Daarnaast is het van belang dat de vergunningverlener aandacht besteedt aan de acties die een bewoner zelf kan ondernemen om zelfredzamer te worden. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7

Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen. Rijksbeleid – Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.

30

In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten.

Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen.

Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied,

31

de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Provinciaal beleid – Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening.

Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschapsbeleid – Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen.

Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt.

32

− Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. Toetsing Voor het plan is een watertoets5 opgesteld. Navolgend worden de belangrijkste aspecten doorlopen. Verharding en waterberging Het plangebied is in de huidige situatie gedeeltelijk verhard. Met de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak toenemen van 1.990 m² tot 6.990 m² verhard oppervlak binnen het plangebied. Op basis van de eisen vanuit het waterschap Vallei en Veluw is compensatie over het verhard oppervlak nodig, omdat binnen het plangebied sprake is van een toename van verhard oppervlak. Vanuit de gemeente Brummen geldt dat een bui van 60 mm geborgen dient te worden binnen het plangebied. Daarbij geldt de eis dat de openbare ruimte ingericht moet worden om te voorkomen dat tijdens een hoosbui waterschade ontstaat.

Op basis van deze uitgangspunten ontstaat het volgende beeld met betrekking tot de wateropgave in het plangebied: − Waterschap Vallei en Veluwe: 1.990 m² x 60 mm = 120 m³ − Gemeente Brummen: 6.990 m² x 60 mm = 420 m³ Op basis van de benodigde berging wordt, wanneer voldaan wordt aan de eisen van de gemeente Brummen, ook voldaan aan de eisen vanuit het waterschap Vallei en Veluwe. Dit betekent dat 420 m³ (dynamische) berging binnen het plangebied gerealiseerd dient te worden. Op basis van de bodemopbouw en de grondwaterstand wordt verwacht dat infiltreren in de circa bovenste anderhalve meter van de bodem kansrijk is. Op basis van de beschikbare data wordt verwacht dat een doorlatendheid van circa 4,0 m/dag aangehouden kan worden voor het zandpakket Om de doorlatendheid met zekerheid vast te stellen is het uitvoeren van een infiltratieonderzoek aanbevolen. Geadviseerd wordt bij de dimensionering van infiltratievoorzieningen rekening te houden met een veiligheidsmarge van 2. Dus om te rekenen met een doorlatendheid van 2,0 m/dag. In het plan is ruimte gereserveerd voor het realiseren van infiltratievelden in het groen en worden infiltratiekratten onder de parkeervoorzieningen aangebracht. De verschillende waterbergingen staan door middel van een infiltratieriool met elkaar in verbinding.

Een combinatie van deze verschillende waterbergingstypes maakt dat voldoende waterberging beschikbaar is binnen het plangebied. Oppervlaktewater Het plan veroorzaakt, door de compensatiemaatregelen, geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving. Raadpleging van de legger van het Waterschap Vallei en Veluwe wijst tevens uit dat in het plangebied geen oppervlaktewater is gelegen dat in het beheer is van het Waterschap.

5

BOOT (2023). Watertoets Graaf van Limburg Stirumplein Brummen. Projectnummer: P230201. 15 augustus 2023. 33

Afvalwater Het is aanbevolen om vuilwater onder vrijverval aan te sluiten op de gemeentelijke riolering. Het water- en rioleringssysteem zal in een nader uit te werken ontwerp gedetailleerd worden. Waterwingebied/grondwaterbescherming Raadpleging van de provinciale viewer wijst uit dat onderhavig plangebied niet is gelegen in een grondwaterbeschermings- en/of intrekgebied. Tevens wordt gelet op de beoogde activiteiten niet direct verwacht dat er activiteiten een plek zullen krijgen die van negatieve invloed zullen zijn op de kwaliteit van het grondwater. Waterkering Raadpleging van de legger van het Waterschap Vallei en Veluwe wijst uit dat onderhavig plangebied niet is gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Dit bestemmingsplan heeft tevens geen invloed op overige waterstaatkundige elementen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Quick scan natuur Middels een quick scan natuur6 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aanwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Rijntakken, Landgoederen Brummen en Veluwe liggen in de buurt van het plangebied. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie7 uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er in de aanleg- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de

6

SAB (2023). Quick scan natuur. Brummen, Graaf van Limburg Stirumplein. Projectnummer: 230172. 13 september 2023.

7

SAB (2025). Onderzoek stikstofdepositie. Brummen, Graaf van Limburg Stirumplein. Projectnummer: 230172. 12 maart 2025. 34

omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn dus geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten.

Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk worden met de ontwikkeling verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten wordt nader onderzoek uitgevoerd. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Nader natuuronderzoek In het besluitgebied is nader natuuronderzoek8 verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van vleermuizen. In het besluitgebied is één paarverblijfplaats, één zomer/paarverblijfplaats en één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Daarnaast is er essentieel foerageergebied van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger in het besluitgebied aanwezig. Met de geplande werkzaamheden gaat één zomerverblijfplaats verloren door sloop, een paarverblijfplaats bevindt zich in een gebouw dat behouden blijft maar wel onderdeel is van het besluitgebied en dus mogelijk verloren gaat. De andere zomerverblijfplaats bevindt zich waar de uitbouw voorzien is en gaat ook verloren. Ook het foerageergebied gaat waarschijnlijk verloren.

Tenslotte is de kans aanwezig op het verwonden of doden van vleermuizen bij de werkzaamheden. In dat geval is sprake van een schadelijke handeling die leidt tot een vergunningsplichtig geval. Om de

8

SAB (2025). Nader onderzoek Omgevingswet. Brummen, Graaf van Limburg Stirumplein 5. Projectnummer: 230172. 29 januari 2025. 35

werkzaamheden toch door te laten gaan is een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht. Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aanvragen Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten worden verstoord is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit. Een dergelijke omgevingsvergunning dient voor dit project aangevraagd te worden bij de provincie Gelderland. Bij het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit dient een projectplan te worden opgesteld. In dit plan wordt onder andere de verspreiding van de betreffende beschermde soort in het besluitgebied verwoord alsmede het (wettelijk) belang van de ingreep onderbouwd. Daarnaast dient een uitgebreide alternatievenafweging plaats te vinden over waarom de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen niet is te voorkomen. Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk schade aan het leefgebied van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger te voorkomen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de specifieke zorgplicht.

Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen voor verblijfplaatsen van vleermuizen houden vooral in dat in de omgeving tijdelijke kasten worden geplaatst, waarbij rekening gehouden moet worden met een gewenningsperiode. Hierna wordt de bebouwing ongeschikt gemaakt voor vleermuizen. Als vervolgens de bebouwing vleermuisvrij is verklaard, kunnen de geplande ruimtelijke ingrepen plaatsvinden. Tenslotte worden nieuwe permanente voorzieningen in de nieuwbouw gerealiseerd. Het mitigeren van essentieel foerageergebied is maatwerk. Dit dient uitgewerkt te worden in een mitigatieplan in samenspraak met een ecoloog. Broedperiode en specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht van de Omgevingswet is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten. Broedende vogels, vanaf het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen, zijn strikt beschermd. De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren.

Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling hiervoor te verkrijgen in het kader van de Omgevingswet. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten, zodat er vanwege de dan aanwezige

36

verstoring geen vogels in de buurt gaan broeden. De werkzaamheden kunnen dan vervolgens wel in de broedperiode doorlopen. Conclusie In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen niet eerder wordt verleend dan nadat aangetoond kan worden dat er geen sprake is van strijdigheid met de Omgevingswet danwel dat er een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit kan worden verleend. Op deze manier is juridischplanologisch geborgd dat het benodigde projectplan wordt opgesteld en een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit wordt aangevraagd. Met inachtneming hiervan vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Gelet op de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarde is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een archeologisch bureau- en booronderzoek9. Hieruit volgt dat het plangebied in een reliëfrijk dekzandlandschap met in de ondergrond Pleistocene afzettingen. In de top van het dekzand heeft zich mogelijk een podzolgrond gevormd. Hierop ligt mogelijk een plaggendek van minimaal 30 cm dik. Het dekzandlandschap kan bewoond zijn geweest vanaf het Laat Paleolithicum. In de 17e eeuw ligt ter hoogte van het plangebied mogelijk een legerkamp. Aan het begin van de 19e eeuw is het landgebruik grotendeels weiland en in het noordoosten tuin. De eerste bebouwing in het plangebied dateert uit 1921.

De huidige bebouwing dateert uit de jaren ‘60 tot ‘90 van de 20e eeuw. Door bouw- en sloopwerkzaamheden in de 20e eeuw kunnen archeologische resten vergraven zijn. Met name onder de bibliotheek is de bodem diep verstoord. Tijdens het booronderzoek zijn acht boringen tot in het C-horizont gezet. Hieruit blijkt dat de bodem in het zuidwesten van het plangebied is diep verstoord tot in de C-horizont. In het noorden van het plangebied is de bodem deels intact en is een nog A-horizont aanwezig. In één boorprofiel ligt onder de A-horizont een zwak humeuze AB-horizont, waarin een fragment vermoedelijk handgevormd aardewerk is aangetroffen. In

9

Bureau voor Archeologie (2023). Bureau- en inventariserend veldonderzoek. Brummen, Graaf van Limburg Stirumplein. Rapportnummer: 1357. 17 augustus 2023. 37

de bovenliggende A-horizont kunnen mogelijk ook nog archeologische resten aanwezig zijn gerelateerd aan een 17e eeuws legerkamp. Geadviseerd wordt om een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren in die zones waar dieper gegraven wordt dan 40 cm-mv (top hoogste ligging potentieel archeologisch niveau inclusief buffer van 30 cm). Dit zijn in ieder geval de gronden van de uitbreiding van het welzijnsgebouw SWB en de nieuwbouw aan de oostzijde. Het doel van dit onderzoek is om eventuele archeologische resten te karteren en waar nodig te waarderen. De te onderzoeken zone omvat in ieder geval de vlakken van de uitbreiding van het welzijnsgebouw SWB en de nieuwbouw aan de oostzijde en - afhankelijk van de diepte van de ingreep - ook de rest van het noorden van het plangebied. In het zuidwesten van het plangebied en ter hoogte van de bibliotheek is de bodem diep verstoord en worden geen archeologische resten meer verwacht. Vanwege de hoge verwachting van archeologische resten is voor de oranje en gele vlakken een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Hierin is juridisch-planologisch gewaarborgd dat aanvullend archeologisch onderzoek moet worden verricht alvorens met de bouw gestart kan worden en/of wanneer graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm-mv plaatsvinden. Op deze manier zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd.

Archeologische advieskaart (bron: Bureau voor Archeologie).

Conclusie Met inachtneming van de archeologische dubbelbestemming vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

38

4.10

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing In en rondom het plangebied is geen bebouwing aanwezig met een monumentale status en/of cultuurhistorische waarde. Bij de stedenbouwkundige opzet van de beoogde woningbouw is rekening gehouden met de karakteristieken en structuur van de omgeving waartoe het plangebied behoort, zoals beschreven in paragraaf 0. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.11

Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 10 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Er is worst-case gerekend met de maximale kencijfers. Aan de hand van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2020) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Brummen wordt geclassificeerd als ‘weinig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘centrum’. De maatschappelijke functies die zullen verhuizen als gevolg van voorliggend plan worden niet uitgebreid en voorzien dan ook niet in een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Dit maakt dat wordt gerekend met een toename van 59 appartementen. Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de deze beoogde nieuwbouw. De inschatting is dat het extra verkeer niet zal leiden tot significante veranderingen in het verkeersbeeld. Kenmerk Appartementen (koop, goedkoop) Appartementen (koop, midden) Appartementen (koop, duur) totaal afgerond Toekomstige situatie verkeersgeneratie

10

aantal 8 22 29 59

kencijfer 5,6 6,2 7,6

per woning woning woning

verkeersgeneratie gemiddeld 44,8 136,4 220,4 401,6

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 39

Parkeren Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen heeft de gemeente Brummen het Paraplubestemmingsplan Parkeren. Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient gekeken te worden naar het functietype en waar de functie zal worden gerealiseerd. Ter plaatse geldt de gebiedsaanduiding ‘overige zone - parkeernormen centrum’. Dat levert de volgende ingeschatte parkeervraag op: kenmerk Etage (koop, goedkoop) Etage (koop, midden) Etage (koop, duur) totaal afgerond Parkeerbehoefte

aantal 8 22 29 59

kencijfer 1,3 1,4 1,6

per woning woning woning

parkeerbehoefte gemiddeld 10,4 30,8 46,4 87,6

In de huidige situatie zijn 45 parkeerplaatsen beschikbaar voor de bestaande maatschappelijke voorzieningen. Dit blijkt in de huidige situatie voldoende te zijn om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Omdat de maatschappelijke voorziengingen niet worden uitgebreid en uitsluitend worden geclusterd in één gebouw, wordt aangenomen dat de parkeerbehoefte ongewijzigd zal blijven. De huidige 45 parkeerplaatsen blijven in de toekomstige situatie beschikbaar voor de bezoekers van de maatschappelijke voorzieningen. Daarbovenop geldt dat tijdens de openingsuren van de bibliotheek de verwachting is dat bezoekers/vrijwilligers/werknemers en overige gebruikers parkeren. In de avonduren zullen de parkeerplaatsen leeg zijn, aangezien de bibliotheek dan gesloten is. Incidenteel kan er geparkeerd worden, maar in de avond is er geen verwachte parkeerdruk. Activiteiten/locaties als het HOB kennen in de regel alleen bezoek/gebruik tijdens avonduren, waarbij er vanuit hun ook alleen een parkeervraag tijdens die momenten is. Een piekmoment in de parkeervraag is altijd mogelijk, maar er zijn in de nabije omgeving genoeg openbare parkeergelegenheden om dit op te vangen. Dubbelgebruik van parkeerplaatsen is in dit scenario goed te regelen. Omdat de huidige parkeerplaatsen voor de maatschappelijke functies behouden blijven, zijn er alleen voor de woningen extra parkeerplaatsen noodzakelijk.

Dit levert een totale parkeervraag van 132,6 (87,6 + 45) parkeerplaatsen op. Uit het stedenbouwkundig plan blijkt dat 133 parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden. Hiermee wordt geacht dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om aan de parkeervraag te kunnen voldoen. Daarbovenop geldt dat er sprake zal zijn van dubbelgebruik. Dit maakt de beredenering sterker, maar ook zonder dubbelgebruik is er voldoende parkeergelegenheid aanwezig. In de regels van dit bestemmingsplan wordt de parkeernormen juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

40

5

Juridische aspecten

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. 2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in 41

de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

42

5.2.2

De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Centrum Brummen’ en het parapluplan ‘Archeologie’. Het plan bevat de enkelbestemmingen ‘Groen’, ‘Maatschappelijk’, ‘Tuin’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied' en ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoog’. Groen De beoogde groenstructuren in het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Groen’. In deze bestemming zijn voornamelijk groenstructuren en voet- en rijwielpaden toegestaan. Gebouwen mogelijk niet worden opgericht. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn maximum bouwhoogten opgenomen. Maatschappelijk De maatschappelijke voorziening in het plangebied krijgt de bestemming ‘Maatschappelijk’. De gronden zijn daarmee bestemd voor educatieve, sociale, medische, culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsmede soortgelijke voorzieningen, of een combinatie daarvan, als ook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen. Gebouwen mogen alleen in het bouwvlak worden gebouwd en moeten voldoen aan de op de verbeelding opgenomen maximum goot- en bouwhoogte. Onder voorwaarden is het mogelijk deels buiten het bouwvlak te bouwen. Tot slot zijn voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde specifieke bouwregels opgenomen.

Tuin Een deel van de gronden die momenteel een maatschappelijke bestemming hebben, behoren wat betreft het eigendom bij de woning aan de Graaf van Limburg Stirumplein 14. In voorliggend plan hebben deze gronden aansluitend op de bestemmingen die momenteel gelden een tuin- dan wel woonbestemming (zonder bouwvlak) gekregen. Verkeer - Verblijfsgebied De beoogde parkeer- en ontsluitingsvoorzieningen krijgen de bestemming ‘Verkeer Verblijfsgebied' toegekend. Binnen deze bestemming zijn onder meer wegen, straten, paden, voet- en rijwielpaden, groen-, water- en parkeervoorzieningen toegestaan. Voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn specifieke bouwregels opgenomen. Wonen De gronden die bestemd zijn als ‘Wonen’ zijn bedoeld voor het wonen in gestapelde woningen. Er zijn maximaal 59 gestapelde woningen mogelijk. Gebouwen moeten in het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de maximum goot- en bouwhoogte, zoals opgenomen op de verbeelding. Daarnaast zijn er regels voor aan- en/of uitbouwen en bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Waarde - Archeologie hoog In het plangebied is sprake van mogelijke archeologische waarden. Om die reden is een archeologische dubbelbestemming opgenomen.

Deze dubbelbestemming voorziet in een omgevingsvergunningstelsel waarmee eventueel aanwezige archeologische waarden worden beschermd en is geregeld dat bij bepaalde bodemingrepen

43

(groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm-mv) archeologisch onderzoek moet worden verricht. 5.2.3

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.

44

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het project. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door de ruimtelijke procedure moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Voorliggend plan wordt door de gemeente Brummen uitgevoerd, welke haar eigen grondexploitatie voert. Het verhaal van kosten is derhalve verzekerd via de uitgifte van grond. In deze grondexploitatie is rekening gehouden met de diverse kosten voor de ontwikkeling alsmede de opbrengsten. De economische uitvoerbaarheid van dit plan is hiermee aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.

6.2.2

Zienswijzen Overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan “Graaf van Limburg Stirumplein” met de daarop betrekking hebbende stukken, met ingang van 22 december 2023 voor de duur van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen, met de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. Gedurende deze termijn zijn 11 zienswijzen ingediend. Na het verlopen van de termijn is er nog een twaalfde ienswijze ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de nota beantwoording zienswijzen (bijlage 10).

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15448145/3