(194) Toelichting
Tekst van het document
Dit geldt echter niet voor de gemengde functie ten noordoosten van het besluitgebied. Hier bevinden zich in de feitelijke situatie een sporthal 5
6
SAB (2024). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer. Eerbeek, Händelstraat. Projectnummer: 220470.03. 16 juli 2024. SAB (2024). Quick scan milieubelastende activiteiten Eerbeek, Händelstraat. Projectnummer: 220470.03. 11 december 2024.
31
met café, een Johan Cruijf court, stichting Sportkompas en radiostation RTV Veluwezoom. Dit zijn verschillende functies die activiteiten teweeg brengen die geluid veroorzaken zoals autogeluiden en spelende kinderen. Voor de gronden met de functie ‘cultuur en ontspanning’, waar de kinderboerderij aanwezig is, geldt tevens dat niet kan worden voldaan aan de benodigde richtafstanden. Om de geluidbelasting van beide functies op de beoogde woningen inzichtelijk te krijgen is een nadere beschouwing wat betreft het aspect geluid wenselijk. Daarom is een onderzoek geluid milieubelastende activiteiten 7 uitgevoerd, waarin een haalbaarheidsonderzoek is opgenomen. Navolgend worden de resultaten besproken. Ten behoeve van het onderzoek zijn de toekomstige bouwvlakken genummerd. Zie hiervoor onderstaande afbeelding.
Nummering bouwvlakken ten behoeve van akoestisch onderzoek
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Sporthal, Johan Cruyff Court en jongerencentrum Op de noordgevels van het appartementengebouw bestaat een overschrijding (geluidbelasting 49 dB(A)) van de regels uit de bruidsschat van het omgevingsplan gedurende de avondperiode (bron: luchtbehandeling). Voor een toetsing aan de VNG bestaat in de avond een overschrijding van stap 3 (geluidbelasting 52 dB(A)); de bronnen zijn de luchtbehandeling en activiteiten van het jongeren centrum (stemgeluid). Voor de overige dagperioden en woningen wordt voldaan aan de normeringskaders. Bronmaatregelen aan de luchtbehandeling kunnen de geluidbelasting terugbrengen zodat wordt voldaan aan stap 3 en de bruidsschat. Er blijft een overschrijding van stap 2 bestaan. Deze geluidbelasting kan acceptabel worden geacht.
7
SAB (2025). Akoestisch onderzoek milieubelastende activiteiten Eerbeek, Händelstraat. Projectnummer: 220470.03. 24 maart 2026.
32
Bij een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) in de avondperiode dient een bouwakoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Kinderboerderij Er wordt voldaan aan de waarden uit de VNG-publicatie en de bruidsschat. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling Maximaal geluidsniveau Sporthal, Johan Cruyff Court en jongerencentrum Er zijn overschrijdingen van VNG stap 2 en 3 en de bruidsschat ten gevolge van het ontluchten van de remmen van een vrachtwagen. De hoogste geluidbelasting bedraagt 71 dB(A), gedurende de dagperiode, op de oostgevel. Deze overschrijding kan acceptabel worden geacht gezien de sporadische en beperkte overschrijding. Er zijn daarnaast overschrijdingen van stap 3 (avond) en stap 2 (dag en avond) uit de VNG publicatie vanwege dichtslaande portiers, jongeren en spelende kinderen. Deze overschrijdingen zijn acceptabel te achten voor woningen naast een sporthal. Balkons met scherm nemen de overschrijdingen van stap 3 en de regels uit het omgevingsplan weg. Kinderboerderij Er bestaat een overschrijding van stap 2 van de VNG publicatie voor bouwvlakken 2 en 7 en van de bruidsschat en stap 2 en 3 van de VNG publicatie voor de bouwvlakken 3, 4, 5, en 6. De overschrijdingen zijn afkomstig van het gekraai van een haan.
Voor de bouwvlakken 3, 4 en 5 geldt dat de hoogste overschrijding van stap 3 en de bruidsschat 5 dB(A) bedraagt en iedere woning over ten minste één geluidluwe geveldeel bezit. De hanen worden geweerd nabij bouwvlak 6 (achter de volière). Er blijft dan een sporadische overschrijding van 5 dB(A) in de nachtperiode. De geluidbelastingen kunnen acceptabel worden geacht gezien: − deze gezien de terrein indeling sporadisch voorkomt − deze maximaal 5 dB(A) bedraagt, en op 10 meter van de terreingrens 2-3 dB(A) − elke woning ten minste een geluidluwe zijde heeft zonder overschrijdingen van de bruidsschat en stap 3. Bij indeling van de woningen kan rekening worden gehouden met de geluidbelastingen door slaapkamers aan de laag belaste zijde te realiseren. Indirecte hinder Kinderboerderij en Sporthal, Johan Cruyff Court en jongerencentrum Er wordt voldaan aan de waarden voor het beoordelingsniveau van indirecte hinder uit de Schrikkelcirculaire. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
33
7.1.3
Conclusie De benodigde bronmaatregelen aan de luchtbehandeling van de sporthal worden genomen. De overige geconstateerde overschrijdingen worden acceptabel geacht. Het besluit voldoet hiermee aan de kaders voor het aspect geluid.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; − beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; − evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; − duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: − Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. − Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. − Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. − Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
34
7.2.2
Motivering Ter plaatse van het besluitgebied is een verkennend bodemonderzoek8 uitgevoerd. Hieruit volgt dat de bodem in de bovengrond plaatselijk kooldeeltjes bevat. Verder is de bovengrond plaatselijk licht verontreinig met zink, lood en PAK. In de ondergrond van het gehele terrein zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. Wel is het grondwater plaatselijk sterk verontreinigd met nikkel, matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met barium, cadmiun, zink en minerale olie. Op basis van deze conclusies is een nader grondwateronderzoek 9 uitgevoerd. Hieruit volgt dat tijdens het nader onderzoek geen concentraties zware metalen (nikkel en zink) boven de interventiewaarde zijn aangetroffen. De verhoogde gehalten aan nikkel en zink in het grondwater zijn waarschijnlijk van nature verhoogd. Geconcludeerd wordt dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Wel wordt geadviseerd om bij het toekomstig gebruik van grondwater wel rekening te houden met de verhoogde gehalten nikkel en zink bij bijvoorbeeld het oppompen van grondwater. Er kunnen mogelijk aanvullende eisen worden gesteld aan het lozen van grondwater. Grondwater gebruiken voor consumptieve doeleinden wordt afgeraden.
7.2.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect bodemkwaliteit.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: − er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; − het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; − het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is
8
9
De Klinker (2023). Verkennend bodemonderzoek Eerbeek, Händelstraat. Rapportnummer: K2320141. 19 juni 2023. De Klinker (2023). Nader grondwateronderzoek Eerbeek, Händelstraat. Rapportnummer: K2320185. 15 augustus 2023.
35
dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1 Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2 Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 7.3.2
Motivering De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen project zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het project (meetpunt Harderwijkerweg) sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen
EU-Grenswaarde
2022
2030
NO2 concentratie
40 µg/m3
11,7 µg/m3
8,2 µg/m3
PM10 concentratie
40 µg/m3
15,9 µg/m3
12,5 µg/m3
PM2,5 concentratie
25 µg/m3
8,6 µg/m3
6,5 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 7.3.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
36
7.4
Geur
7.4.1
Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: − Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); − Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); − Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); − Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par.
22.3.6.5 Bruidsschat). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: − Geurnormen in het omgevingsplan; − Rekenen;
37
− Afstandseisen; − Randvoorwaarden. 7.4.2
Motivering Aan de noord- en westzijde van de kern Eerbeek bevinden zich enkele geurveroorzakende activiteiten. Geacht wordt dat er voldoende afstand is tussen het besluitgebied en deze veehouderijen. Daarbij komt dat er reeds woningen aanwezig zijn tussen het besluitgebied en de veehouderijen. Verder voorziet de ontwikkeling niet in nieuwe geurveroorzakende activiteiten. Uit de quick scan milieubelastende activiteiten volgt dat bij de kinderboerderij niet aan de richtafstand voor het aspect geur kan worden voldaan. Voor de geur afkomstig van de kinderboerderij heeft een nadere beschouwing in de quick scan aangetoond dat er geen overlast door geur verwacht wordt. Voor kinderboerderijen gelden onder het tijdelijk omgevingsplan geen geurnormen en vaste afstanden; wel moet er minstens 50 m afstand zijn tussen een mestopslag van meer dan 3 m 3 en gevoelige objecten. De afstand tussen de mestopslag en de nieuwe woningen bedraagt circa 75 meter, dus er wordt ruim voldaan aan de richtafstand van 50 meter.
7.4.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. 38
Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 7.5.2
Motivering In voorliggende situatie worden geen nieuwe functies en activiteiten mogelijk gemaakt die trillingen veroorzaken. Verder zijn er in de omgeving geen activiteiten aanwezig die mogelijk trillingen veroorzaken. Om die reden is een nadere beschouwing van dit aspect niet aan de orde.
7.5.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect trillingen.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de wijzigingsbesluit is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn.
Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
7.6.2
Motivering In voorgaande paragrafen met betrekking tot de diverse milieuaspecten is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving voor wat betreft gezondheidsbescherming. Verder is in de ontwikkeling ruimte gereserveerd voor het inpassen en realiseren van nieuw groen. Dit zorgt ervoor dat de toekomstige bewoners en bezoekers kunnen verblijven in een prettige omgeving. Dit draagt op een positieve manier bij aan de mentale gezondheid van de bewoners en bezoekers en het tegengaan van hittestress. Daarnaast wordt het gebied goed toegankelijk voor wandelaars middels prettige en veilige wandelpaden die aansluiten
39
op het bestaande netwerk. Op deze manier wordt bewegen gestimuleerd en wordt ook een bijdrage geleverd aan gezondheidsbevordering. 7.6.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
7.7
Klimaatadaptatie
7.7.1
Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting.
Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten.
40
Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd.
Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. Ambities − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. − In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen:
41
Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1 Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2 In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: b waterveiligheid; c wateroverlast; d droogte; en e hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. 7.7.2
Motivering In voorliggende situatie wordt een onbebouwd agrarisch perceel in de kern Eerbeek ontwikkeld ten behoeve van woningbouw. De woningen worden aardgasloos ontwikkeld en er worden zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Er is ruimte gereserveerd voor openbaar groen en verharding wordt alleen toegepast waar dat nodig is. Dit heeft een positief effect op het bestrijden van hitte en het bieden van extra mogelijkheden voor hemelwaterinfiltratie. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met klimaatadaptie.
7.7.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect klimaatadaptatie.
42
8 Bescherming van de natuur 8.1
Algemeen
8.1.1
Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen.
Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
8.1.2
Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied 43
plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
8.2
Toetsing Voor de ontwikkeling is een quick scan natuur10 uitgevoerd. Er is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aanof afwezig zijn in het besluitgebied. Naast beschermde natuurwaarden in het besluitgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat in de omgeving van het besluitgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van de ontwikkeling dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Uit de quick scan blijkt dat de Natura 2000-gebieden Veluwe, Landgoederen Brummen en Rijntakken in de buurt van het besluitgebied liggen. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen, behalve een toename van verzuring en vermesting van het Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie11 uitgevoerd.
Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen voor de gebruiksfase een grootste toename van 0,02 mol stikstof/ha/j op 866,88 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie. Dit zijn hexagonen in Natura 2000-gebieden die in het kader van de Omgevingswet relevant zijn bevonden voor beoordeling van het onderdeel stikstofdepositie. Uit de uitgevoerde berekeningen voor de gebruiksfase blijkt een grootste toename van 0,03 mol stikstof/ha/j op 326,04 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie. Dit zijn hexagonen in Natura 200010
11
SAB (2024). Quick scan natuur. Eerbeek, Händelstraat. Projectnummer: 220470.03. 15 november 2024. SAB (2026). Onderzoek stikstofdepositie. Eerbeek, Händelstraat. Projectnummer: 220470.03. 26 maart 2026.
44
gebieden die in het kader van de Omgevingswet relevant zijn bevonden voor beoordeling van het onderdeel stikstofdepositie. In het kader van deze overschrijdingen is een passende beoordeling opgesteld. Omdat er een toename aan stikstofdepositie is geconstateerd en er in de huidige situatie reeds stikstofemissie op deze locatie bestaat, zal interne saldering worden toegepast. Intern salderen betreft een mitigerende maatregel, waarvoor een ecologische (passende) beoordeling12 opgesteld is. Intern salderen kan hier als maatregel worden toegepast omdat hier reeds sinds vóór aanwijzing van de Natura 2000-gebieden landbouw bestond; het gebruik definitief wordt stopgezet omdat de agrarische grond wordt bebouwd; en het stopzetten van deze emissies niet (significant) bij kan dragen aan de provinciale maatregelen voor natuurverbetering of hierin reeds is gereserveerd. Uit de passende beoordeling is gebleken dat de effecten ten gevolge van het beoogde project volledig kunnen worden gemitigeerd door middel van intern salderen. Het positieve effect van het stopzetten van de mesttoediening voor het bestaande agrarisch gebruik (teelt van snijmaïs), met 35% afroming ten behoeve van de provinciale regels voor de bescherming van kwetsbare ‘nee, tenzij’-natuur, is tenminste even groot als het negatieve effect door de emissie van werk- en voertuigen voor de ontwikkeling.
Hierdoor worden de effecten van het beoogde project op hexagoonniveau volledig gemitigeerd en bestaat geen toename van stikstofdepositie. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura2000 gebieden kunnen daarmee worden uitgesloten, dus er kan in de projectfase een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verleend worden. Soortenbescherming In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Uit de quick scan blijkt verder dat in en rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om schadelijke handelingen te voorkomen, wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Nestplaatsen van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd worden niet verwacht. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Mogelijk is essentieel leefgebied aanwezig van de steenuil. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen of essentiële elementen van de das aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is een nader soortgericht
12
SAB (2026). Passende beoordeling. Eerbeek, Händelstraat. Projectnummer: 220470.03. 13 april 2026.
45
onderzoek13 uitgevoerd. Hieruit volgt dat nestplaatsen, leefgebied en andere essentiële elementen van de steenuil niet aanwezig zijn. Wel zijn twee bijburchten en foerageergebied van de das in het besluitgebied aanwezig. Met de geplande werkzaamheden gaat de functionaliteit van de burchten en het foerageergebied van de das in het besluitgebied verloren. Het vernielen van verblijfplaatsen en bijbehorend leefgebied van de das betreft een schadelijke handeling onder de Omgevingswet. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan wordt een vergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd en worden de bijbehorende mitigerende maatregelen getroffen. Ook is tijdens het onderzoek geconcludeerd dat een kleine verblijfplaats van een steenmarter in het besluitgebied aanwezig is, namelijk in het struweel. De verwachting is dat deze verblijfplaats van een steenmarter verloren gaat, waardoor ook deze soort wordt meegenomen in de vergunning flora- en fauna-activiteit. Ten slotte kunnen in en nabij het besluitgebied ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Omgevingswet, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg.
De vrijstelling van de verboden geldt niet voor het doden van deze soorten. Dit moet in ten alle tijden worden voorkomen. Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Omgevingswet van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Wel kan voor de kap van individuele bomen een kapvergunning noodzakelijk zijn in het kader van de gemeentelijke bomenverordening.
8.3
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect natuur.
13
SAB (2024). Eerbeek, Händelstraat. Nader onderzoek beschermde soorten Omgevingswet. Projectnummer: 220470.02. 11 juli 2024.
46
9 Archeologie en cultuurhistorie 9.1
Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Het besluitgebied kent grotendeels de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie laag’ en voor een klein deel de ‘Waarde - Archeologie waardevol’. Voor de lage archeologische waarde geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek benodigd is. Voor de waardevolle archeologische waarde geldt dat bij elke ingreep dieper dan 40 centimeter onder maaiveld onderzoek benodigd is. De verwachting is dat deze grens wordt overschreden. Daarom is een archeologisch bureau en booronderzoek 14 uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het besluitgebied ter hoogte van een pleistocene sneeuwsmeltwaterwaaier ligt. Lokaal kan een dun pakket dekzand aanwezig zijn. Naar verwachting zijn veldpozolgronden, laarpodzolgronden en/of zwarte enkeerdgronden aanwezig. Gezien de landschappelijke ligging op een 14
Bureau voor Archeologie (2024). Händelstraat Eerbeek (gemeente Brummen) bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. ISSN: 2214-6687. 20 augustus 2024.
47
sneeuwsmeltwaterwaaier kan het besluitgebied bewoond zijn geweest vanaf het Laat-Paleolithicum. Het besluitgebied ligt op de westrand van de Noorder Enk van Eerbeek. De historische bebouwing van Eerbeek, waarvan de eerste vermelding uit de 11e eeuw dateert, concentreert zich voornamelijk langs de randen van de enk. Aan het begin van de 19e eeuw is in het besluitgebied bebouwing aanwezig, een huis en schuur met erf. De rest van het besluitgebied is in gebruik als heide, bos, tuin, weiland en bouwland. Door het westen loopt een weg. De bebouwing blijft in de 19e en 20e eeuw beperkt tot het westen van het besluitgebied en wordt in de jaren 80 en 90 van de 20e eeuw gesloopt. Gedurende de 20e eeuw wisselt het landgebruik tussen weiland bouwland en bos. Tijdens het booronderzoek zijn tien boringen gezet met einddieptes tussen 100 en 200 cm -mv. De boringen bevestigen dat de ondergrond bestaat uit grofzandige en grindige periglaciale afzettingen. Deze afzettingen worden afgedekt door een 40 tot 75 cm dik humeus dek. In het zuidoosten van het besluitgebied is onder het humeuze dek een zwak humeuze AB-horizont of oude akkerlaag aanwezig. Daar waar de bodem intact is, kunnen archeologische resten aanwezig zijn in de top van de natuurlijke afzettingen.
In de noordwestelijke boorprofielen ligt de top van de natuurlijke afzettingen op een vergelijkbaar niveau als in de boorprofielen met een AB-horizont. In deze noordwestelijke boorprofielen kunnen mogelijk nog archeologische resten aanwezig zijn. De top van het potentiële archeologische niveau ligt tussen 40 en 95 cm -mv (1774 en 1673 cm NAP). Gezien de ondiepe ligging zal het potentiële archeologische niveau door geplande werkzaamheden verstoord raken. Nader onderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek is nodig om eventuele archeologische resten te karteren en te waarderen. De werkwijze van het onderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Uitzondering hierop is een kleine zone in het westen van het besluitgebied, waar de bodem diep verstoord is en geen archeologische resten meer worden verwacht. Voor deze zone wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Middels het opnemen van een archeologische dubbelbestemming is juridisch-planologisch gewaarborgd dat het archeologisch onderzoek moet worden verricht. Op deze manier zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het besluitgebied in voldoende mate beschermd. Het archeologisch onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd.
Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Omgevingswet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Brummen.
48
9.3
Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: − ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; − verplaatsing van beschermde monumenten; − gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; − aantasting van de omgeving van een beschermend monument; − aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; − conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. In en rondom het besluitgebied is geen bebouwing aanwezig met een monumentale status en/of cultuurhistorische waarde. Bij de stedenbouwkundige opzet van de beoogde woningbouw is rekening gehouden met de karakteristieken en structuur van de omgeving waartoe het besluitgebied behoort, zoals beschreven in paragraaf 2.2.
Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden.
9.4
Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie.
49
10 Mer-beoordeling 10.1
Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een mer-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-mer-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-mer alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-mer-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-mer-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn mer De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
10.2
Motivering Onderhavig project betreft de ontwikkeling van een onbebouwd agrarisch perceel aan de Händelstraat in Eerbeek ten behoeve van woningbouw. De ontwikkeling voorziet in totaal in maximaal 59 woningen. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de mer-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie J11, kolom 3 in samenhang met kolom 1, in bijlage 5 van het Omgevingsbesluit, namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Voor dit type project gelden geen drempelwaarden voor een mer-plicht, maar geldt wel dat bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk project sprake is van een mer-beoordelingsplicht. Daarom is een mer-beoordeling15
15
SAB (2026). mer-beoordeling Eerbeek, Händelstraat. Projectnummer: 220470.03. 14 april 2026.
50
uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Wel zijn er mogelijk beperkt negatieve effecten te verwachten voor wat betreft beschermde soorten en archeologie. Dit geeft geen aanleiding tot het opstellen van een mer-rapportage.
10.3
Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de beoogde activiteiten op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
51
11 Economische uitvoerbaarheid 11.1
Algemeen In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
11.2
Kostenverhaal Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
11.3
Situatie besluitgebied De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een private partij. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit project is hiermee voldoende aangetoond.
52
12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 12.1
Participatie en overlegpartners Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Het overleg met bestuursorganen kan beperkt blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In november 2023 is er een informatiebijeenkomst geweest om de eerste planopzet en het proces met de omgeving te delen en te bespreken. Daarbij was ook ruimte voor het stellen van vragen tijdens de algemene presentatie en na afloop bij het bekijken van de aanwezige panelen. Hieruit volgde dat met name rondom de aspecten natuur en verkeer zorgen waren uit de buurt. Er is aangegeven dat deze aspecten in de voorbereiding van de planologische procedure nader onderzocht zullen worden. De resultaten van deze onderzoeken zijn in deze motivering terug te vinden.
12.2
Zienswijzen De wijziging van het omgevingsplan heeft vanaf vrijdag 31 oktober 2025 tot en met donderdag 11 december 2025 voor een periode van zes weken voor één ieder ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is beantwoord in de zienswijzennota16.
16 Zienswijzenota, bijlage 15.
53
54