CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(172) Bestemmingsplan en bijlagen

Besluitvormende raadsvergadering 18 december 2025, gemeente BrummenBij agendapunt: Bestemmingsplan Waterrotonde28.422 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De gemeente houdt echter de blik open en gericht op de wereld om zich heen. Internationale bedrijven hebben Brummen als thuisbasis en dat willen ze graag zo houden. 5. Samen doen; de gemeente investeert in samenwerkingen. Ze willen zich beter positioneren in regionale, provinciale en landelijke netwerken. Brummen gaat uit van kansen, omarmen van vernieuwingen die passen bij de identiteit en wilt lokaal meer ruimte creëren door minder regels te stellen. Dat wat wordt gedaan heeft op drie punten toegevoegde waarde: er is maatschappelijke winst, de kwaliteit van omgeving en milieu verbetert en het is financieel gezond. De keuzes en speerpunten voor 2030 zijn vervolgend ingedeeld in drie thema’s: 1. Ruimte voor papier en landgoederen;

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

25

2. Samen gezond wonen, werken en leven; 3. Op groene voet met groene vingers. Voor onderhavig planvoornemen is voornamelijk thema 1 ‘ruimte voor papier en landgoederen’ van toepassing. Ruimte voor papier en landgoederen Papier en landgoederen zijn de kernwaarden die Brummen uniek maken. Deze kernwaarden krijgen dan ook alle ruimte. Niet alleen fysiek en bedrijfsmatig, maar op zoveel mogelijk terreinen worden deze kernwaarden binnen onze gemeente versterkt. Naast de papierindustrie zijn er meer bedrijven die nationaal of internationaal opereren en hoogwaardige producten maken of diensten leveren. Zowel nieuwe als bestaande bedrijven krijgen in Brummen de ruimte om zich te ontwikkelen. Daarbij streven ze gezamenlijk naar een zo optimaal mogelijke balans tussen financiële, maatschappelijke en omgevingsbelangen (ruimtelijk, landschappelijk, ecologisch en het milieu). Ook hier geldt het uitgangspunt: vernieuwing met respect voor het oude. Uitbreiding van bedrijvigheid vindt plaats met respect voor een goed woon- en leefmilieu. De papierindustrie ligt aan de basis van wat Eerbeek nu is. Eerbeek staat voor papier. Papier en karton leveren al meer dan 300 jaar werkgelegenheid in de regio. En niet alleen in de papierindustrie zelf, maar ook aan de bedrijven die eraan gelieerd zijn, zoals Industriewater Eerbeek, de drukkerijen en de transportbedrijven.

De papierindustrie is een hoogwaardige maakindustrie die veel technische kennis en vaardigheden vereist en die een grote slag heeft gemaakt in duurzaamheid. De gemeente erkent het belang van dit bedrijvencluster met zijn sterke nationale en internationale positie. De papierindustrie krijgt de ruimte om zich te ontwikkelen. Doorwerking plangebied Met voorgenomen ontwikkeling wordt een Waterrotonde gerealiseerd op een terrein dat in eigendom is van IWE en dat grenst aan de bestaande biologische waterzuivering. Industriewater Eerbeek is onderdeel van de papierindustrie voor de verwerking van het afvalwater. Met de nieuw te realiseren Waterrotonde kunnen de papierfabrieken uit Eerbeek en Loenen middels een circulair watersysteem, of door het zuiveren van oppervlaktewater, het gebruik van grondwater voor de productie van papier en karton beperken. Na de realisatie en ingebruikname kan er jaarlijks door de fabrieken tot 2,2 miljoen m³ grondwater bespaard worden. De realisatie van de Waterrotonde van het bedrijf draagt bij aan de papierindustrie van Eerbeek, wat een van de kernwaarden is van de gemeente. De gemeente zet tevens in op ‘gezond wonen, werken en leven’ en ‘op groene voet met groene vingers’. Een gezonde grondwaterstand is van belang om in te kunnen zetten op herstel van de natuur. Daling van de grondwaterstand kan zorgen voor een scala aan problemen binnen het ecosysteem.

Tevens heeft daling van de grondwaterstand ook effect op andere bedrijven die voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van het gebruik van grondwater. Het drinkwaterbedrijf Vitens gebruikt veel grondwater als grondstof voor de productie van drinkwater. Nu grondwater schaarser wordt heeft Vitens gekeken naar andere mogelijkheden. Het onttrekken van oppervlaktewater uit de IJssel is een geschikt alternatief. De Waterrotonde kan worden ingezet om oppervlaktewater vanuit de IJssel te zuiveren naar water van hoge kwaliteit, dat ingezet kan worden als grondstof voor de productie van drinkwater door Vitens. Vitens moet voorbereid zijn op de inzet van alternatieve bronnen. Voorgenomen planinitiatief is dan ook in lijn met het gestelde in de Toekomstvisie 2030. 3.4.2

Ruimtelijke ontwikkelingsvisie Ligt op groen!

De gemeente Brummen heeft een speciale Ruimtelijke ontwikkelingsvisie opgesteld; Ligt op groen!. De ontwikkelingsvisie is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Brummen op 28 september 2006. De

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

26

gemeente Brummen is een groene, landelijke gemeente, die veel mooie plekken kent en waar een belangrijke concentratie van de Nederlandse papierindustrie (en aanverwante bedrijvigheid) is gevestigd, die onderdeel uitmaakt van de cultuur van het dorp Eerbeek en daarmee ook een belangrijke bijdrage levert aan de identiteit van de gemeente Brummen. De gemeente Brummen streeft naar behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke, economische en sociale kwaliteit van de gemeente. Het doel van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie is sturing te geven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. In de ontwikkelingsvisie is een strategische visie opgesteld tot 2030. De ROV onderscheidt vijf landschappelijke zones, met elk eigen ontwikkelingsmogelijkheden en –wensen. De zones zijn noord-zuid gericht. Van oost naar west zijn dit de IJsselvallei, de Oeverwal, het Arcadisch landschap, de Veluweflank en de Veluwe. De Veluweflank en de Oeverwal zijn de meest dynamische zones. Hier zijn ook de meeste investeringen nodig om het landschap duidelijker leesbaar te maken. De vijf hoofdzones worden met elkaar verbonden door oost-westverbindingen, met name gevormd door de oost-west lopende beken. In de ROV is de keuze gemaakt om uiterst zorgvuldig om te gaan met het toevoegen van bebouwing in het buitengebied. In beginsel worden geen nieuwe rode ontwikkelingen toegelaten.

De gemeente hanteert het principe van géén rood voor groen, tenzij het college van burgemeester en wethouders een afwijking van dit principe gerechtvaardigd acht en dit per geval ter besluitvorming voorlegt aan de gemeenteraad. Met name op de Oeverwal en de Veluweflank zou een dergelijke ontwikkeling een bijdrage kunnen leveren aan het versterken van het landschap. Door het vergroten van contrasten worden de landschappelijke zones als eenheid beter herkenbaar. Doorwerking plangebied Voorgenomen planinitiatief betreft de realisatie van een Waterrotonde op terrein van IWE, grenzend aan het bestaande bedrijventerrein van de biologische zuivering. Op basis van het planinitiatief wordt wel extra bebouwing toegevoegd in het Buitengebied. Met voorgenomen uitbreiding zal bestaand agrarisch terrein worden ingezet als bedrijfsterrein. De keuze voor deze toevoeging is met uiterste zorgvuldigheid gemaakt in samenspraak met de gemeente en Provincie. De toevoeging van deze bebouwing ten behoeve van de te realiseren Waterrotonde draagt bij aan een maatschappelijk belang en zal een grote bijdrage leveren aan de grondwaterbesparing. Het terrein en het bedrijfspand zullen worden voorzien van groen (zie paragraaf 2.3) om zich te voegen in het omliggende landschap. Op basis van deze zorgvuldige belangenafweging voldoet het planinitiatief aan de uitgangspunten van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

27

4

Milieuaspecten

Iedere ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat er in de beoogde situatie sprake is van goede omgevingscondities, waarbij er geen sprake is van overlast en hinder in relatie tot omliggende functies. Anderzijds dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. In dit hoofdstuk wordt het planvoornemen getoetst aan de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en op andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie, cultuurhistorie en ecologie). Bij een aantal onderwerpen wordt verwezen naar de uitgevoerde onderzoeken in de bijlagen. Deze onderzoeksrapportages bevatten mogelijk afbeeldingen met niet de meest recente versie van het (landschappelijke inpassings)plan. Voor de meest recente versie van het plan is de voorliggende toelichting leidend. De aanpassingen in het plan doen niet af aan de conclusies en bevindingen uit de betreffende onderzoeken.

4.1

M.e.r-beoordeling

Op grond van de Wet milieubeheer is het voor projecten die mogelijk grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu verplicht om een procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) te doorlopen. De m.e.r.-procedure is bedoeld om ten aanzien van bepaalde plannen en besluiten de milieubelangen expliciet mee te wegen bij besluitvorming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige activiteiten" waarvoor een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en "m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij in de vorm van een m.e.r.-beoordeling moet worden afgewogen of significante negatieve gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien deze niet kunnen worden uitgesloten dan dient alsnog een MER opgesteld te worden. 4.1.1

Toetsingskader

In onderdeel D van het Besluit m.e.r. staan alle m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten beschreven. De daar beschreven activiteiten kunnen mogelijk worden gemaakt in een plan (bijvoorbeeld een structuurvisie) of worden vastgelegd in een besluit (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning). In de Wet milieubeheer is bepaald dat alleen voor besluiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: •

Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden.

•

Onderdeel B is reeds vervallen.

•

Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is.

•

Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.

4.1.2

Toetsing

Normaliter moet een ontwikkeling onder de ‘drempel’ vallen die is opgenomen. Als een ontwikkeling onder de drempel blijft is er sprake van een informele m.e.r.-beoordeling8. Gemeenten en provincies moeten ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Er kan ook

8

Ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

28

sprake zijn van een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Dit kan het geval zijn als gevolg van toename van stikstof op stikstofgevoelige natuurgebieden. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een Waterrotonde ten behoeve van waterzuivering. De installatie zal worden gerealiseerd op het bestaande bedrijfsterrein van IWE. Beoogde ontwikkeling is een vooruitstrevend project, het plan is uniek in zijn soort en is nog niet toegepast op een andere plek in Nederland. IWE is te scharen onder de activiteit opgenomen onder D18.1, echter betreft beoogde ontwikkeling geen uitbreiding van IWE. Er is geen sprake van verandering van de industriële biologische afvalwaterzuivering (IWZI) van IWE. Het betreft alleen het opwaarderen van de kwaliteit van het effluent, zodat het weer kan worden hergebruikt. De bestaande installatie voor afvalwaterzuivering verandert niet. Bij de start van het proefproject zou het gezuiverde water direct terug geleverd kunnen worden aan Stora Enso De Hoop. Dat is helaas niet meer mogelijk. De infrastructuur naar de twee overige fabrieken moet nog worden aangelegd voor aanvoer van proceswater. Naar aanleiding van de sluiting van Stora Enso De Hoop heeft IWE besloten om Vitens te benaderen voor toekomstige samenwerking.

Het zuiveren van oppervlaktewater vanuit de IJssel, of vanuit andere bronnen, voor Vitens heeft in geen enkel opzicht te maken met de afvalwaterzuivering zoals wordt geschetst in D 18.1 (zie tabel 1). Onttrekking van oppervlaktewater is tevens niet opgenomen in de lijst. Tabel 1: categorie D 18.1 van het Besluit m.e.r.

D 18.1

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

De oprichting, wijziging of

In gevallen waarin de acti-

Het plan, bedoeld in artikel

De besluiten waarop afde-

uitbreiding van een installa-

viteit betrekking heeft op

10.3 van de wet, de struc-

ling 3.4 van de Algemene

tie voor de verwijdering van

een installatie met een ca-

tuurvisie, bedoeld in de ar-

wet bestuursrecht en een

afval, anders dan bedoeld

paciteit van 50 ton per dag

tikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van

of meer artikelen van afde-

onder D 18.3, D 18.6 of D

of meer.

de Wet ruimtelijke orde-

ling 13.2 van de wet van

ning, en de plannen, be-

toepassing zijn.

18.7.

doeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

Er is, in afstemming tussen initiatiefnemer en het bevoegd gezag, gekeken waar het initiatief eventueel onder geschaard zou kunnen worden. Er is eerst gekeken naar activiteit D 18.4 (zie tabel 2). De activiteit onder D 18.4 betreft een oprichting, wijziging of uitbreiding van een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De Waterrotonde betreft een industriële afvalwaterzuiveringsinstallatie en heeft dus geen betrekking op rioolwaterzuivering. Deze activiteit sluit dan ook niet aan op beoogd planvoornemen.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

29

Tabel 2: categorie D 18.4 van het Besluit m.e.r.

D 18.4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

De oprichting, wijziging of

In gevallen waarin de acti-

De structuurvisie, bedoeld

De besluiten waarop afde-

uitbreiding van een rioolwa-

viteit betrekking heeft op

in de artikelen 2.1, 2.2 en

ling 3.4 van de Algemene

terzuiveringsinstallatie die

een capaciteit van 50.000

2.3 en van de Wet ruimte-

wet bestuursrecht en een

deel uitmaakt van een in-

inwonerequivalenten of

lijke ordening, en de plan-

of meer artikelen van afde-

richting als bedoeld in arti-

meer.

nen, bedoeld in de artike-

ling 13.2 van de wet van

kel 3.4, eerste lid, van de

len 3.1, eerste lid, 3.6, eer-

toepassing zijn dan wel

Waterwet.

ste lid, onderdelen a en b,

waarop titel 4.1 van de Al-

van die wet.

gemene wet bestuursrecht van toepassing is.

De Waterrotonde betreft een vooruitstrevend project. Gezien de aard van de ontwikkeling is het ook niet te verwachten dat hier een specifieke activiteit voor is opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. Initiatiefnemers hebben intensief overleg gehad met het toenmalig bezag woordvoerder van de provincie. Het ODRN is akkoord met de onderbouwing dat er voor de realisatie van de Waterrotonde geen sprake is van plan m.e.r.-beoordeling dan wel een project m.e.r. beoordeling. 4.1.3

Conclusie

De biologische afvalwaterzuivering van IWE zuivert het afvalwater dat wordt geloosd door de papierindustrie. Voorgenomen ontwikkeling (de Waterrotonde) kan het effluent van de biologische afvalwaterzuivering van IWE verder nabehandelen tot een kwaliteit die geschikt is als proceswater voor de papierindustrie. De hoeveelheid afvalwater dat de installatie zal zuiveren is dan ook niet te meten aan de drempelwaarde ’50.000 inwonerequivalenten of meer’. De ontwikkeling is hier dan ook niet aan te toetsen. Echter is dit voorbeeld aangedragen om een vergelijking te kunnen stellen. Daarnaast moeten gemeenten en provincies ook bij kleinere projecten beoordeling of een m.e.r.-beoordeling benodigd is. In onderhavig geval heeft de gemeente besloten dat er geen aanmeldingsnotitie benodigd is voor onderhavig planvoornemen. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling is dan ook niet van toepassing.

4.2

Archeologie

4.2.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving, zijn opgenomen in de Omgevingswet die per 1 januari 2024 van kracht is geworden. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

30

4.2.2

Toetsing

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’, vastgesteld door de gemeente Brummen op 15 oktober 2020. Het plangebied heeft op basis van dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie laag’. De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden. Artikel 8 is van toepassing op het plangebied. In artikel 8.2 zijn bouwregels opgenomen voor de gronden met de ‘Waarde – Archeologie laag’. Zie figuur 9 voor een uitsnede van de archeologische waardenkaart van de gemeente Brummen. Voor bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm en groter dan 2.500 m2 dient een rapport overgelegd worden waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld. Deze ondergrenzen worden overschreden, er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Econsultancy heeft in opdracht van ECD Milieumanagement B.V. in juli 2023 een archeologisch bureau onderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Apeldoornseweg en de Professor Weberlaan te Eerbeek in de gemeente Brummen.

Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen weergegeven, de volledige rapportage is opgenomen in bijlage 2 van deze plantoelichting. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek

Figuur 9: Uitsnede kaart opgenomen in de bijlagen van het paraplubestemmingsplan Archeologie. Plangebied aangeduid middels omlijning (Bron: gemeente Brummen)

Het plangebied vormde mogelijk een gunstige vestigingslocatie vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Volgens het kadastrale minuutplan bevond zich in het begin van de 19e eeuw in het oostelijke deel van het plangebied een hoogte, die vermoedelijk een dekzandwelving of -kop betreft, maar deze lijkt volgens de hoogtekaart te zijn geëgaliseerd. Dit zal vermoedelijk na 1819 hebben plaatsgevonden. Ver-

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

31

wacht wordt dat in het plangebied, met uitzondering van de egalisatie, geen grootschalige of diepgaande bodemverstoringen hebben plaatsgevonden. Daarnaast is het plangebied in het afgelopen 200 jaar niet bebouwd geweest waardoor het bodemarchief mogelijk volledig intact is. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit de perioden Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog. Voor de perioden (Laat-) Paleolithicum en Mesolithicum geldt een lage archeologische verwachting aangezien verwacht wordt dat in de directe omgeving aantrekkelijkere en hoger gelegen gebieden aanwezig waren. Voor de perioden Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt eveneens een lage archeologische verwachting. Het plangebied bestond tot eind 19e eeuw uit heidegebied en is in de afgelopen 200 jaar niet bebouwd geweest. Resultaten inventariserend veldonderzoek In het gehele plangebied komen matig tot sterk grindhoudende sneeuwsmeltwaterafzettingen voor met in de oosthoek een dun laagje dekzand. Het dekzand betreft de op de kadastrale minuutplan zichtbare dekzandkop, maar deze dekzandkop is vermoedelijk kleiner geweest dan op de kaart aangegeven. Het dekzand is enkel in boringen 14 en 15 geconstateerd.

Verder heeft het veldonderzoek aangetoond dat de natuurlijke ondergrond zich vrij dicht onder het maaiveld bevindt en dat in enkele boringen de C-horizont 20 tot 40 cm verstoord is. Hoewel het niet het doel was van de onderzoeksmethode zijn er bij het verkennende booronderzoek geen archeologische indicatoren waargenomen. Advies Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden en de deels verstoorde bodemopbouw, adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Op 1 augustus 2023 zijn de resultaten van onderhavig onderzoek getoetst en beoordeeld door dhr. H.G. Pape-Luijten, regio-archeoloog Stedendriehoek. De gemeente Brummen onderschrijft het advies voor vrijgave. Middels een selectiebesluit heeft de gemeente de grond vrijgegeven. Dit besluit is opgenomen in bijlage 3. 4.2.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente Brummen onderschrijft het advies voor vrijgave van het plangebied, het plangebied is vrijgegeven middels een selectiebesluit.

4.3

Cultuurhistorie

4.3.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

32

Het beleid van de provincie Gelderland sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden zijn in de rijks- en gemeentelijke monumentenlijst vastgelegd. De rijksmonumenten zijn reeds beschermd op basis van de Monumentenwet. Voor de overige gemeentelijke monumenten op basis van de gemeentelijke monumentenverordening en cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden is in het plan een regeling opgenomen. Bij eventuele sloop van monumenten dient een gemeentelijke monumentenvergunning te worden aangevraagd. 4.3.2

Toetsing

Op de cultuurhistorische waardenkaart van Gelderland is het plangebied aangewezen als ‘Jonge ontginningen en bossen in het vochtige zandgebied’. Het plangebied grenst aan het Apeldoorns Kanaal, zie figuur 10. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan dit kanaal. Verder zijn er in en rondom het plangebied geen cultuurhistorische waarden van belang. Het plangebied wordt middels een landschappelijke inpassing in de omgeving ingepast. Zo draagt de ontwikkeling bij aan een kwaliteitsverbetering van het landschap.

Figuur 10: Uitsnede Kaart Cultuurhistorie Gelderland (Bron: provincie Gelderland)

4.3.3

Conclusie

In en rondom het plangebied zijn er geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten of andere waardevolle panden of elementen aanwezig. Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.4

Flora en fauna

4.4.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

33

Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moet worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande bedrijfsterrein IWE en de bouw van benodigde installaties ten hoogte van de Kanaalweg 8a te Eerbeek, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De volledige rapportage quickscan flora en fauna is opgenomen als bijlage 4 bij deze plantoelichting. 4.4.2

Toetsing Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Doorwerking plangebied Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Landgoederen Brummen’ ligt op circa 1,0 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Doordat het plangebied buiten een Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en het tussenliggende kanaal met bomenrij is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van effecten van verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen plannen.

Het is niet uit te sluiten dat een negatief effect ontstaat in Natura 2000-gebieden als gevolg van de stikstofdepositie die vrijkomt bij de werkzaamheden en het nieuwe gebruik. Dit kan aangetoond of uitgesloten worden middels een AERIUS-berekening. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Bij de realisatie van de nieuwbouw en het bouwrijp maken van het terrein wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden er verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof. Deze emissie is berekend, in het jaar 2026. Voor de gebruiksfase is gerekend met het jaar 2026; het aantal voertuigbewegingen is op jaarbasis ingevoerd. Er is gebruik gemaakt van de meest recente AERIUS-calculator (d.d. oktober 2025). Zodoende is ook rekening gehouden met koude starts. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. De AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase zijn opgenomen als bijlage 6 bij deze plantoelichting, tevens is bij de rapportage de berekening van de bouwfase toegevoegd.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

34

4.4.3

Toetsing Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. De provincie Gelderland beschermt de bestaande natuur in het Gelders natuurnetwerk (GNN) en versterkt de samenhang door natuurgebieden in het Gelders natuurnetwerk uit te breiden en verbindingszones aan te leggen in de Groene ontwikkelingszone (GO). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Doorwerking plangebied Uit de kaart Kernkwaliteiten GNN en GO van provincie Gelderland, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het GNN of de GO. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het GNN ligt op circa 200 meter ten westen van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het GO ligt op circa 220 meter ten westen van het plangebied. Het plangebied behoort niet tot het GNN of de GO. In provincie Gelderland hoeft bij dit niveau van gebiedsbescherming niet te worden getoetst aan externe effecten. De voorgenomen plannen hebben door de tussenliggende afstand geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN of de GO. 4.4.4

Toetsing Houtopstanden

De Wet natuurbescherming heeft tot doel om houtopstanden te beschermen. De Wet werkt vanuit het principe dat de oppervlakte houtopstanden in Nederland behouden moet blijven. Beschermde houtopstanden moeten aan beide voorwaarden voldoen: •

de houtopstand ligt buiten de vastgestelde ‘bebouwde kom houtopstanden’;

•

de houtopstand vormt een zelfstandige eenheid van groter dan 1.000 m2 óf de houtopstand betreft een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.

Indien bomen worden gekapt en de houtopstand voldoet aan deze voorwaarden dient bij de provincie een kapmelding te worden ingediend en dient te worden voldaan aan de herplantingsplicht. Naast eisen vanuit de Wnb heeft gemeente Brummen geen aanvullende eisen gesteld. Doorwerking plangebied Binnen het beoogde plangebied is rijbeplanting aanwezig en kleine oppervlaktes aan ‘bosjes’. De rijbeplanting voldoet aan bovenstaande de voorwaarden (betreft meer dan 20 bomen en is gelegen buiten de bebouwde kom). In figuur 11 is aangegeven welke bomen worden gekapt. Voor de realisatie van de Waterrotonde zelf is het niet noodzakelijk om deze bomen te kappen. Echter wordt het aangesloten op het bestaande terrein van IWE, om hier een verbinding te realiseren worden de bomen weggehaald. Dit gaat hoogstwaarschijnlijk om minder dan 1.000 m2. Er zal een compensatie plaatsvinden in de omgeving, conform het opgestelde landschappelijk inpassingsplan (zie hoofdstuk 2).

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

35

Figuur 11: Te kappen bomen in en om het plangebied (gearceerd). (Bron: Staro, Quickscan Flora en Fauna Industriewater Eerbeek, Kanaalweg 8a, juli 2023)

4.4.5

Toetsing Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: • Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming); • Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming); • Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt kort beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de voorgenomen plannen zijn en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is. In de volledige quickscan flora en fauna (zie bijlage 4) wordt hier nader op ingegaan. Flora Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen in het plangebied. Het plangebied betreft een grasland dat intensief is beheerd. Het biedt geen geschikt habitat voor knolspirea en liggende ereprijs. Het voorkomen van de beschermde vaatplanten kan op basis van deze argumenten en het oordeel van een expert uitgesloten worden binnen het plangebied.

Vlinders, Libellen, Kevers en weekdieren, Vissen In het plangebied ontbreken voor bovengenoemde soorten geschikte habitats. De aanwezigheid van deze soorten is derhalve uitgesloten.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

36

Amfibieën Bij het kappen van bomen en struiken in de randen van het plangebied kan land- en overwinteringshabitat verloren gaan en kunnen amfibieën worden verstoord, verwond of gedood. Reptielen Door het kappen van de bomen en struiken kan leefgebied van hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang worden vernietigd. Vogels Bij het snoeien of kappen van bomen en struiken kunnen nesten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. In de omgeving van het plangebied is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig waardoor de werkzaamheden geen negatief effect hebben op foeragerende vogels. Vleermuizen In de omgeving van het plangebied is voldoende alternatief foerageergebied voor vleermuizen aanwezig. De werkzaamheden hebben daardoor geen negatief effect op foeragerende vleermuizen. De bomen langs het kanaal, de bomen langs de Professor Weberlaan en de hoge haag langs de kanaalweg kunnen dienen als alternatieve vliegroute voor de vleermuizen die gebruik maken van de bomen binnen het plangebied die gekapt zullen worden. Doordat deze geschikte alternatieven aanwezig zijn, zullen door de kap van de bomen geen negatieve effecten optreden bij migrerende vleermuizen.

Overige zoogdieren Leefgebied en verblijfplaatsen van algemene muizensoorten, egel, haas en konijn en mogelijk ook van bunzing, steenmarter en wezel kunnen verloren gaan bij het kappen van de bomen en struiken. Das, ree en vos zijn niet afhankelijk van het plangebied als onderdeel van het leefgebied, deze soorten zullen geen negatieve effecten ondervinden van de werkzaamheden omdat ze kunnen uitwijken naar gebieden in de directe omgeving van het plangebied. Aanvullend onderzoek Uit de Quickscan is gebleken dat voorgenomen tonwikkeling mogelijk kan leiden tot een overtreding van de Wnb. Uit de Quickscan is gebleken dat in het plangebied mogelijk steenuil, levendbarende hagedis, ringslang, hazelworm, steenmarter, bunzing en wezel aanwezig zijn. Deze soorten kunnen, als ze aanwezig zijn in het plangebied, negatieve effecten ondervinden van de werkzaamheden. Er is door Staro Natuur en Buitengebied een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar deze soorten, de volledige rapportage is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. Uit aanvullend onderzoek is gebleken dat de steenuil niet aanwezig is. Tevens zijn de Hazelworm, ringslang en levendbarende hagedis niet aangetroffen. Derhalve zijn voor deze diersoorten geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Door het kappen van de groenstrook gaat vermoedelijk een verblijfplaats van steenmarter verloren.

Ook kunnen door het kappen van de groenstrook indirect verblijfplaatsen van steenmarter en das vernietigd worden omdat het migreren in beschutting dan niet meer mogelijk is. Derhalve dient een vergunning te worden verkregen voor het vernietigen van verblijfplaatsen van steenmarter en das.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

37

4.4.6

Conclusie

Aan de hand van de uitkomsten van de QuickScan en het aanvullende onderzoek is geconcludeerd dat er verblijfplaatsen van de steenmarter en das mogelijk verloren gaan. Hiertoe dient een ontheffing te worden verkregen op de Wet natuurbescherming op basis van een activiteitenplan (onder de nieuwe Omgevingswet), dat inmiddels in voorbereiding is. Op voorhand is het verkrijgen van een ontheffing ten aanzien van deze soorten haalbaar te achten. Ook zijn er diverse adviezen overgenomen om verdere negatieve effecten te voorkomen: •

Bomen en struiken verwijderen in de periode tussen 1 augustus en 1 november (buiten de overwinteringsperiode van amfibieën en egel, en buiten de broedperiode van vogels).

•

Kapwerkzaamheden uitvoeren in één richting en richting een veilige plek zodat eventueel aanwezig dieren kunnen vluchten.

•

Werkzaamheden pas uitvoeren nadat de vergunning is verkregen en de benodigde vervolgstappen zijn uitgevoerd.

4.5

Waterparagraaf

4.5.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Waterschap Vallei en Veluwe Waterschap Vallei en Veluwe heeft een waterbeheerprogramma opgesteld; Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027. Het waterschap zet in op een duurzame samenleving met water als ordenend principe.

Samen willen ze inzetten op een duurzaam een water inclusieve leefomgeving en daarbij staat drie principes centraal: 1. Maximaal vasthouden en schoonhouden van gebiedseigen water; 2. Water is vanuit de lagenbenadering het ordenend principe bij ruimtelijke ontwikkelingen boven en onder de grond; 3. Partnerschap als watermerk. Daarnaast kent het Omgevingsprogramma zeven gebiedsgerichte verhaallijnen: 1. Vitale blauwe motor; 2. Dynamische bronlandschappen op de flank; 3. Robuust en natuurlijk oppervlaktewater van bron tot monding; 4. Kringlooplandschappen op levende bodems; 5. Water inclusieve bebouwde omgeving;

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

38

6. Lokale waterfabrieken en grondstoffen- en energiehubs; 7. Veilige dijken en dynamisch buitenwater. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedsprogramma ‘IJsselvallei’. Eerbeek waarbinnen het voorgenomen plangebied is gelegen behoort tot twee blauwe sleutelgebieden van de IJsselvallei. Dit betreft het sleutelgebieden; (1) Waterrotonde Eerbeek en (2) De klimaatcorridor in de zuidelijke IJsselvallei. De klimaatcorridor in de zuidelijke IJsselvallei

Waterrotonde Eerbeek

(Het koppelen van water- en natuurgebieden) zien we

Gezamenlijk verkennen met de lokale papierindustrie of we

steeds meer vorm krijgen door verschillende projecten

de waterkringloop kunnen sluiten, door middel van duur-

van onder andere waterschap, provincie en Natuurmo-

zaam hergebruik van water. Met als doel waardevol water

numenten. Met daarin natuurontwikkelingen als Lam-

in het gebied te behouden.

penbroek, Empense en Tondense Heide en WaardeVOL Brummen. In de lopende gebiedsprocessen zoeken we naar verdere samenwerking om de klimaatcorridor te realiseren of verder te versterken.

Keur In de Keur en de algemene regels die hierop zijn gebaseerd, staat wat wel en niet mag. Het waterschap beschikt over de keur ‘Waterschap Vallei en Veluwe 2013’, in werking getreden op 1 januari 2014. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver) bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. 4.5.2

Toetsing

Veel voorkomende werkzaamheden die al dan niet onder voorwaarden kunnen worden toegestaan reguleert het waterschap zoveel mogelijk via algemene regels. Hiermee worden tijdrovende en onnodige vergunningprocedures voorkomen. De keur is een verzameling regels die het waterschap gebruikt. Hiermee beschermt de gemeente haar dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen. De keur is geldend van 1 januari 2019 t/m heden. De Keur beschikt over een aantal kaarten, de keurkaarten zijn online raadpleegbaar. Dit betreft de kaarten ‘afvoernormenkaart’, ‘natuurkaart’, ‘poldergebiedenkaart’ en ‘vaarwaterenkaart’. De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied is deels gesitueerd aan ‘A-water’, dat ook is geclassificeerd als ‘Oppervlaktewaterlichaam’. Dit betreft het Apeldoorns Kanaal. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan dit kanaal. Het plangebied is niet gelegen nabij waterkeringen.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

39

Afvalwater Beoogde ontwikkeling wordt voorzien van bijbehorende faciliteiten zoals toilet, wasbakken, etc. Deze toename van afvalwater ten opzichte van de huidige situatie is gering. Het huishoudelijk afvalwater wordt terug geleverd aan de waterzuiveringsinstallatie en zal worden gezuiverd op eigen terrein. Hemelwater Beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een waterrotonde met een oppervlak van ca. 4.000 m 2. In de huidige situatie is het plangebied agrarische grond. Voorgenomen ontwikkeling gaat dan ook gepaard met een verhardingstoename waar normaliter waterberging voor dient te worden gerealiseerd. Echter wordt al het hemelwater afgevoerd naar de zuiveringsinstallatie, evenals het hemelwater van de te realiseren bassins. Er vindt dan ook geen versnelde afvoer plaats vanuit het gebied. Volledigheidshalve is een digitale watertoets doorlopen van het waterschap (zie bijlage 10). Uit de toets komen de volgende aandachtspunten: 1. Vasthouden - bergen – afvoeren. Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater.

Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. 2. Grondwaterneutraal bouwen. Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken /draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. 3. Schoon houden - scheiden - schoon maken. Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen.

Bij een substantiële toename van verhard oppervlak stelt het waterschap eisen aan de berging. Wanneer er meer dan 1500 m² toename van verhard oppervlak wordt gerealiseerd, wil het waterschap graag in gesprek met de initiatiefnemer van het plan over de waterberging. Initiatiefnemer heeft, voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan, contact opgenomen met het waterschap. Initiatiefnemer heeft navolgende uitwerking voorgesteld: •

Om versnelde afvoer van regenwater uit het plangebied en verdroging tegen te gaan, zal het hemelwater zo goed mogelijk in het plangebied worden geïnfiltreerd. Hiertoe zal het dakwater van het gebouw worden verzameld en via een ruime U-goot op maaiveldniveau onder vrij verval afgevoerd naar het dichtstbijzijnde reservoir.

•

De waterzakken (reservoirs) worden gerealiseerd binnen grondwallen en zijn bovenop voorzien waarmee voldoende waterbergings-capaciteit wordt gerealiseerd om regenwater (zowel van het gebouw zelf als op de waterzakken) (> 1.000 m³, overeenkomend met een hoeveelheid neerslag bij 80 mm regen).

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

40

•

Dit schone regenwater zal geleidelijk worden afgepompt en in het plangebied (in eigendom van IWE) worden geïnfiltreerd, via zaksloten en/of wadi’s. Hierbij wordt opgemerkt dat het functioneren van de reservoirs zelf niet wordt belemmerd door eventuele hoge grondwaterstanden; er is immers geen sprake van een vast bouwwerk, maar van een flexibel geheel. Mocht er in de toekomst wellicht sprake zijn van extreem hoge grondwaterstanden in het plangebied, dan bestaat (altijd) de mogelijkheid om overtollig water via het effluentgemaal af te voeren naar de IJssel.

•

Het regenwater vanaf wegen is mogelijk licht verontreinigd en zal - analoog aan de situatie op het bestaande bedrijfsterrein van IWE - via straatkolken worden afgevoerd naar de bestaande zuivering.

•

Voor de overige verharding zal open bestrating worden gebruikt (zoals grasbeton o.i.d.) waarin het regenwater wegzakt; ook hier is dus geen sprake van versnelde afvoer uit het plangebied.

Het waterschap heeft aangegeven akkoord te kunnen gaan met de geschetste waterhuishoudkundige uitwerking. Mocht er bij de realisatie toch een (nood)overloop op een watergang nodig zijn, dan dient hiervoor een watervergunning te worden aangevraagd. 4.5.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan.

4.6

Bodem

4.6.1

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieu-hygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. 4.6.2

Toetsing

Ten behoeve van voorliggend initiatief is een bodemonderzoek uitgevoerd (augustus 2023). Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen opgenomen, de volledige rapportage is opgenomen in bijlage 7 van de plantoelichting. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 14 m +NAP. De onderzoekslocatie is in gebruik als weiland en heeft voor zover bekend altijd een agrarische bestemming gehad. De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en onverhard. Voor zover bekend is de onderzoekslocatie nimmer bebouwd geweest. Voor zover bij de opdrachtgever en de Omgevingsdienst Veluwe IJssel bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. Tevens zijn er geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Uit geraadpleegde bronnen lijkt eveneens geen aanwezigheid van ophogingen, dempingen of stortingen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "grootschalig onverdacht" (ONV-GR). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. De grond is

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

41

zwak tot matig grindig en bevat plaatselijk kiezels. In de diepe ondergrond zijn veenlagen aanwezig. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. De bovengrond is plaatselijk een (zeer) licht verhoogd gehalte aan lood gemeten. In het overig mengmonster van de bovengrond en in de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan onderzochte parameters aangetoond. De indicatieve kwaliteit van de bodem is beoordeeld als kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. PFAS is niet gemeten boven de toetsnormen voor klasse Landbouw/natuur. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium of koper gemeten. Naar verwachting zijn deze licht verhoogde metaal-concentraties het gevolg van natuurlijke bodemprocessen. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als ‘onverdacht’ kan worden beschouwd, wordt op basis van de licht verhoogde gehalten en concentraties aan metalen formeel verworpen.

Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging of toekomstige gebruik door IWE van de onderzoekslocatie. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 dan ook niet noodzakelijk. 4.6.3

Conclusie

Ten behoeve van het planvoornemen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie kan ‘onverdacht’ worden beschouwd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden om nader onderzoek uit te voeren. De kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging of toekomstige gebruik door IWE van de planlocatie. Het aspect ‘bodem’ vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Toetsingskader

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 9. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten

9

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

42

concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNG-brochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. 4.7.2

Toetsing

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Eerbeek. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere percelen met de functie ‘Wonen’ aanwezig en zijn er, naast de huidige waterzuivering in het plangebied, ook enkele andere niet-agrarische bedrijven aanwezig. Verder zijn er overwegend agrarische percelen en bospercelen aanwezig in de omgeving. Met name door de huidige aanwezigheid van het waterzuiveringsbedrijf en enkele wegen, is het gebied direct rondom het plangebied, ook naar het oordeel van de gemeente, aan te merken als het gebiedstype ‘gemengd gebied’. Beoogde ontwikkeling (de Waterrotonde) is een vooruitstrevend project. Het betreft een installatie dat nog niet eerder in Nederland is gerealiseerd. De Waterrotonde is dan ook niet expliciet genoemd in de SBI lijsten van bedrijvigheden en activiteiten. Voor waterzuiveringsinstallaties (SBI-code 3700) wordt voor het milieuaspect geluid een afstand van 100 tot 300 meter aanbevolen afhankelijk van het inwonersequivalent (ie). Bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie is in het algemeen sprake van installaties en bewerkingen in de open lucht terwijl bij de Waterrotonde sprake is van behandeling in een gesloten ruimte/hal.

Omdat geen andere beschrijving van activiteiten overeenkomt met een waterfabriek achten we het verdedigbaar uit te gaan van de ondergrens voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie zijnde een richtafstand van 100 meter tot woningen van derden. Omdat sprake is van een zekere menging van verschillende functies in het betreffende gebied kan de richtafstand met 1 stap worden verkleind tot 50 meter (gemengd gebied). Effecten Waterrotonde op omgeving: De dichtstbijzijnde gevoelige functie bedragen de woningen aan de Professor Weberlaan 4, 11 en 13. Het bedrijf komt door de uitbreiding dichter bij deze woningen te liggen. Het bedrijf komt gelegen op een kleinere afstand dan 50 meter van het perceel waarop de woningen zijn gesitueerd, waardoor er niet aan de richtafstand wordt voldaan (dit betreft namelijk ca. 8 meter). Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is noodzakelijk. Effecten omgeving op de Waterrotonde: De te realiseren Waterrotonde is niet aan te merken als een milieugevoelige functie, hierdoor worden bedrijven in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

43

Akoestisch onderzoek industrielawaai Uit inventarisatie is gebleken dat de beoogde Waterrotonde niet kan voldoen aan de gestelde richtafstanden. In opdracht van ECD milieumanagement BV is voor het bedrijf Industriewater Eerbeek (IWE) aan de Kanaalweg 8a te Eerbeek een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze plantoelichting, onderstaand worden de belangrijkste conclusies uiteengezet. In de rapportage is aangegeven dat de richtafstand voor het milieuaspect geluid varieert tussen 100 en 300 meter uitgaande van een rioolwaterzuiveringsinstallatie en gierverwerkingsinrichting met afdekking voorbezinktanks. De onderhavige situatie waarbij sprake is van een inpandige installatie is niet goed vergelijkbaar met de genoemde RWZI’s. In deze kan maximaal worden uitgegaan van minder dan 100.000 i.e. waarbij voor geluid een richtafstand van 100 meter wordt aanbevolen (milieucategorie 4.1). Een betere vergelijking wordt gevonden bij ”waterdistributiebedrijven met een pompvermogen van 1 tot 15 MW waarbij voor het milieuaspect geluid ook een richtafstand van 100 meter wordt aanbevolen (milieucategorie 3.2) of waterwinning-/bereiding- bedrijven met chloorbleekloog e.d. en/of straling waarbij voor het milieuaspect geluid een richtafstand van 50 meter worden aanbevolen.

Omdat sprake is van zekere menging van functies ter plaatse en het gebied als gemengd gebied moet worden gekarakteriseerd, mag de richtafstand met 1 stap worden verkleind. Dit betekent dat de richtafstand voor geluid maximaal 50 meter bedraagt. Binnen deze richtafstand is tenminste 1 woning van derden gelegen wat het opstellen van een akoestische rapportage rechtvaardigt. In figuur 12 is de planologische situatie weergegeven, het in de afbeelding weergegeven paarse vlak betreft de begrenzing van de huidige inrichting. De geluidgevoelige objecten van derden bevinden zich op korte afstand ten noorden van de inrichting aan de Kanaalweg en in de zuidwestelijke richting aan de Professor Weberlaan.

Figuur 12: Gevoelige inrichtingen in nabij omgeving plangebied (Bron: Akoestisch onderzoek Tecmap)

Uit de rekenresultaten en de toetsing blijkt dat de industriële activiteiten in de vorm van de realisatie van een Waterrotonde, nauwelijks resulteren in een relevante geluidbijdrage ter hoogte van woningen van derden: •

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege deze nieuwe activiteiten bedraagt ter hoogte van geluidgevoelige bestemmingen aan de Professor Weberlaan maximaal 46 dB(A) etmaalwaarde en zijn lager dan de volgens de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering aanbevolen grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

IWE Kanaalweg 8a te Eerbeek

44

•

Het maximale geluidniveau vanwege deze nieuwe activiteiten bedraagt ter hoogte van geluidgevoelige bestemmingen aan de Professor Weberlaan maximaal 53 dB(A) en is lager dan de volgens de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering aanbevolen grenswaarde van 60 dB(A).

Ten gevolge van de gehele inrichting na het realiseren van de voorgenomen wijzigingen en uitbreidingen blijkt dat dat de vigerende normstelling voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 50 dB (A) na realisatie van het voornemen nog steeds wordt gerespecteerd. Ter hoogte van de geluidgevoelige objecten van derden kunnen maximale geluidsniveaus ontstaat vanwege optrekkend verkeer tijdens de dag-, avond- en nachtperiode. De reeds bestaande situatie wijzigt door het voornemen niet. Uit de berekeningen blijkt dat ter hoogte van de vergunningspunten maximale geluidniveaus kunnen ontstaan van maximaal 60 dB(A) waarmee voldaan wordt aan de grenswaarden die volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening als toelaatbaar worden geacht. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat het realiseren van voorgenomen ontwikkeling nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van de geluidsgevoelige objecten van derden. Trilling ten gevolge van de te realiseren Waterrotonde Ten aanzien van het aspect trillingen tijdens de bouw wordt opgemerkt dat de afstand tussen de Waterrotonde tot de woningen gelegen aan de Professor Weberlaan 11 en 13 ongeveer 31 meter bedraagt. Tijdens de bouw zijn geen relevante trillingen van installaties naar woningen te verwachten. In ieder geval is er geen sprake van de inzet van heimachines.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16280758/2