(135) Dorpskwaliteitsgids algemeen
Tekst van het document
Vormgeving • Aanlichten van de reclametekst of lichtreclame is niet toegestaan. • Per locatie borden op elkaar afstemmen • Per rotonde is de vormgeving van alle hierop geplaatste borden gelijk. Maatvoering • Vrijstaande reclame langs de openbare weg: maximale afmetingen bord 1m2 (1,2 meter breed en 0,8 meter hoog), hoogte inclusief frame maximaal 2,0 meter. • Vrijstaande reclame op rotondes: maximale afmetingen bord 1 m2 (1,2 meter breed en 0,8 meter hoog), hoogte inclusief frame maximaal 1,0 meter.
43.
H8 Algemene ontwerprichtlijnen In dit hoofdstuk worden de algemene ontwerprichtlijnen benoemd. Deze fungeren als achtervang wanneer de ontwerprichtlijen in deel B, C, D en E onvoldoende houvast bieden bij het beoordelen van bouwplan. Deze regels geven een basiskwaliteit en extra afwegingsruimte voor innovatie. Bouwplan & omgeving HET BOUWPLAN: • past bij de waarde en kernkwaliteiten van het gebied en is afgestemd op de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur; • in de omgeving van een monument houdt rekening met de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het monument en versterkt deze waarden wanneer mogelijk; • versterkt de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte en levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en sociale veiligheid van de omgeving; • vormt een versterking van markante stedenbouwkundige en landschappelijke ruimten en locaties; • richt zich op de openbare ruimte en de toegang vanaf het openbaar gebied is herkenbaar; • markeert het onderscheid tussen openbaar en privégebied duidelijk; • is afgestemd op de historische bebouwing in de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal; Bouwplan & monument HET BOUWPLAN: • waarborgt de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van monumenten in de omgeving en gebruikt deze als uitgangspunt
44.
• •
bij het ontwerp; is ondergeschikt in relatie tot het aanzicht van monumenten in de omgeving en is hier zorgvuldig op afgestemd; houd zoveel mogelijk rekening met het zicht (vanaf openbaar toegankelijk gebied) op monumenten;
Bouwplan op zich HET BOUWPLAN: • past bij de kernkwaliteiten van het ensemble en/of de typologie van het gebouw; • heeft op zichzelf een evenwichtige opzet, die tot uitdrukking komt in samenhangende maatverhoudingen van buitenruimten, bouwvolumes, massa-opbouw, kapvorm en vlakverdelingen; • heeft een herkenbaar en consequent uitgewerkt ontwerpconcept met esthetische kwaliteiten en de architectuur- en bouwstijl is afgestemd op de omgeving. Gevel, materiaal, detaillering & kleur HET BOUWPLAN: • heeft een samenhangende gevelindeling en kleurgebruik en een materialisering waarvan de kwaliteit ook op langere termijn behouden blijft; • heeft een detaillering die ondersteunend is aan de architectuur; • integreert installaties voor energieopwekking in het ontwerp; • maakt bij voorkeur gebruik van duurzame materialen en materialen die beschikbaar zijn om zo afvalstromen te beperken en meer in te zetten op hergebruik. Voor een monument geldt: HET BOUWPLAN: • handhaaft, versterkt of herstelt de authenticiteit en samenhang van het bouwwerk bij verbouw of restauratie.
H9 Excessenregeling De gemeente heeft met de gidsen voor haar dorpen en het buitengebied regels vastgelegd om regie te houden de ruimtelijke kwaliteit. Ook bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd moeten aan minimale eisen voor het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken voldoen. Een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is de gewenste ruimtelijke kwaliteit kan worden aangeduid als een exces. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken en vergunningsvrije bouwwerken mogen niet in ernstige mate strijd zijn met het beleid voor goede omgevingskwaliteit. Bij ernstige strijdigheid (een exces), kan het bevoegd gezag handhavend optreden en zo aan de ongewenste situatie een einde maken. Dit betreft buitensporigheden in het uiterlijk, die ook voor nietdeskundigen duidelijk zijn. Bij eventuele excessen heeft de gemeente de mogelijkheid om repressief in te grijpen om zo aan de ongewenste situatie een einde te maken. Burgemeester en wethouders zullen dan de eigenaar aanschrijven om de strijdige situatie op te heffen. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan.
BEOORDELINGSCRITERIA VOOR EXCESSEN: • • • • •
• •
• •
Het bouwwerk of de aanpassing vormt een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is. Er is sprake van een ernstige ontsiering van een monument of omgevings van het monument. Bij aanpassing van het bouwwerk zijn architectonische bijzonderheden ontkend of vernietigd. Er is sprake van ernstige verwaarlozing van het uiterlijk van een bouwwerk of de omgeving. Er is sprake van verloedering door achterstallig onderhoud. Er is sprake van zichtbare verloedering en ernstige verwaarlozing van het uiterlijk van een bouwwerk of de omgeving door achterstallig onderhoud. Dit blijkt bijvoorbeeld uit gedeeltelijk instorting en afbraak, dichtgetimmerde ramen, kapotte ruiten, verrotte of aangetaste hout- en gootconstructies en loszittende en ontbrekende bakstenen en/of dakpannen. Een bouwwerk wordt visueel of fysiek afgesloten voor zijn omgeving. Er is sprake van materiaalgebruik dat armoedig overkomt en/of sterk afwijkt van wat in de omgeving gebruikelijk is. Voorbeelden zijn oud en verweerd plaatmateriaal, zeildoek, golfplaat of het toepassen van industriële materialen in een woonomgeving. Er is sprake van felle of contrasterende kleuren. Er is sprake van te opdringerige, schreeuwerige reclames.
45.
Begrippenlijst A
Aanbouwen: grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Aangekapt: met kap bevestigd aan dakvlak. Aardtinten: Rood/bruine tinten. Achtergevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de achtergevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen. Achterkant: de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Afdak: Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen. Afstemmen: In overeenstemming brengen met. Architectuurstijl: Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming. Asymmetrische kap: Zadeldak met twee ongelijke dakvlakken. Authentiek: Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.
B
Band: Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal of kleur, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen Bebouwing: Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken. Bebouwingspatroon/eenheid: De onderlinge samenhang en ordening van gebouwen in een gebied, bijvoorbeeld in rijen, clusters of linten. Beleving: De subjectieve ervaring van een ruimte of landschap, beïnvloed door zintuiglijke waarneming en gevoel. Bescheiden: Niet de boventoon voerend of ondergeschikt aan. Beschot: Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte. Bedrijfsbebouwing: Gebouwen voor bedrijven zoals hallen, 46.
werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter. Behouden: handhaven, bewaren, in stand houden. Bijgebouwen: Grondgebonden gebouw meestal van één bouwlaag dat los van het hoofdgebouw op het erf of kavel staat; meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage. Blinde wand, muur of gevel: Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening. Boeiboord: Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. Boerderij: Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis. Borstwering: Lage dichte muur tot borsthoogte. Bouwblok: Een geheel van geschakelde bebouwing. Bouwstijl: Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming. Bouwen: Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Bouwlaag: Een horizontaal deel van een gebouw dat bestaat uit één of meer ruimten waarbij de bovenkanten van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,5 m in hoogte verschillen. Opm.: ieder horizontaal gedeelte van een gebouw met een hoogte groter dan 1,5 m moet gezien worden als een aparte bouwlaag. Bouwperceel: Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop volgens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.
Bouwwerk: Algemene benaming voor alle soorten gebouwde objecten. Bovenbouw: Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament. Buitenplaats: Historisch landgoed met een buitenhuis, vaak aangelegd door stedelijke elite als zomerverblijf, met park, tuin of landschap. Bungalow: Meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.
C
Carport: Afdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning. Classicisme: Stroming in de bouwkunst, bouwstijl. Conformeren: Zich voegen naar, gelijkvormig maken, aanpassen aan, afstemmen op. Context: Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken. Contrasteren: Een tegenstelling vormen. Tegenovergestelde. Cultuurhistorie: Het geheel aan sporen van menselijk gebruik en bewoning in het landschap, zoals gebouwen, structuren en landschapselementen.
D
Dak: Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, bestaande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak. Dakafdekking: Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dakbedekking is aangebracht. Dakhelling: De hoek van het dakvlak. Dakkapel: Ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Daknok: Hoogste punt van een schuin dak. Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak Dakopbouw: Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert. Dakraam: Raam in een dak. Daktrim: Afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering. Dakvlak: Een vlak van het dak/kap. Dakvoet: Laagste punt van een schuin dak. Het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn. Damwandprofiel: Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering.
Detail: Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam. Detaillering: de zorgvuldigheid waarmee gevels, kozijnen, dakranden en overgangsdetails worden ontworpen, zodat ze passen bij het karakter van de omgeving (bijvoorbeeld historisch, landelijk of modern). Diversiteit: Verscheidenheid, afwisseling, variatie. Dorpsstructuur: De ruimtelijke opbouw van een dorp, gekenmerkt door kleinschaligheid, openheid en samenhang tussen bebouwing en landschap. Drager en invulling: De drager is de constructie van een gebouw, waarvan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden). Duurzaam materiaal: Materiaal dat lang meegaat, hernieuwbaar of herbruikbaar is en met beperkte milieubelasting geproduceerd wordt.
E
Eerste verdieping: Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet meegerekend. Ensemble: Architectonische en stedenbouwkundige eenheid. Een samenhangende groep van gebouwen, openbare ruimten en groenstructuren die gezamenlijk één herkenbare ruimtelijke eenheid vormen door hun schaal, maatvoering, rooilijnen, oriëntatie, materialisering of vormgeving. Erf: al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat is ingericht voor het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbied. • Voorerf: gedeelte van het erf dat aan de voorzijde van het gebouw is gelegen • Achtererf: gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen • Zijerf: gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen
47.
Erfbeplanting: Beplanting rondom erven die dient als erfafscheiding, beschutting en landschappelijke inpassing. Erfgoed: Alles wat uit het verleden is overgeleverd en van waarde wordt gevonden voor het heden en de toekomst, zoals historische gebouwen, landschappen, objecten, gebruiken en tradities. Erfgoed draagt bij aan identiteit en cultuurhistorische betekenis van een gebied. Erftransformatie: Aanpassing of herontwikkeling van een (agrarisch) erf, bijvoorbeeld door nieuwe functies, hergebruik of landschappelijke inpassing. Erker: Kleine toevoeging van meestal één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond meestal uitgevoerd in metselwerk, hout en glas. Esthetische kwaliteit: blijk geven van een zekere schoonheid
F
Flat: Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.
G
Galerij: Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen. Gebouw: Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Gebouwtype: Geheel van karakteristieke kenmerken en eigenschappen die gemeenschappelijk zijn aan een groep van gebouwen, waardoor deze zich onderscheiden van anderen. Gebouwtypologie: Gebouwen ingedeeld in een groep op basis van één of meer overeenkomstige kenmerken Gepotdekseld: Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken). Gevel: Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen. (Gevel)geleding: Onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. 48.
Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen. Gevelmakelaar: Decoratieve bekroning van een geveltop. Goot: Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak. Gootklos: Zie klossen. Gootlijn: Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.
H
Halfverharding: Verhardingsmateriaal dat waterdoorlatend en niet volledig gesloten is, zoals grind, schelpen of gebroken puin. Historische karakter: De ruimtelijke of architectonische uitstraling die verwijst naar de geschiedenis en het verleden van een gebied of gebouw. Hoekaanbouw: Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw. Hoek- en kilkeper: snijlijn van twee aansluitende dakvlakken. Hoofdgebouw: Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken Hoofdmateriaal: Belangrijkste zichtbare materiaal van gevel en dak. Hoofdvorm: De basale verschijningsvorm van een gebouw of object, bestaande uit de hoofdvolumes en dakvorm.
I
Identiteit: Het geheel aan kenmerken en eigenschappen waardoor een gebied of gebouw zich onderscheidt en herkenbaar is. Individueel bebouwingskarakter: ieder gebouw afzonderlijk een eigen karakter. Industriebebouwing: Bebouwing met een industriële bestemming. Installatie: apparatuur voor functioneren van gebouwen zoals verwarming, luchtzuivering en klimaarregeling, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf
K
Karakter: De herkenbare eigenschappen en uitstraling die bepalend zijn voor de identiteit van een gebouw of gebied. Karakteristieke panden: Gebouwen met een herkenbare verschijningsvorm of historische waarde, die bepalend zijn voor het beeld van een gebied. Kap: Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt. Kavel: Grondstuk, kadastrale eenheid. Keper: Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken. Kern: Veelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad. Kernkwaliteiten: onderscheidende en positief beoordeelde aspecten van een gebied Kleinschalig: Met beperkte omvang of maat, waardoor een gebied of bebouwing een menselijke en overzichtelijke schaal heeft. Klossen: Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten. Koofbord: Gebogen vlak dat de overgang vormt van en vlakke zoldering of vlak plafond naar de muur. Kop: In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw. Kwaliteit: De specifieke ruimtelijke, landschappelijke, architectonische of cultuurhistorische waarden die een gebied kenmerken.
L
Lak: Afwerklaag van schilderwerk. Landgoed: Een groot terrein, vaak met bos, landbouwgrond en een buitenhuis, dat cultuurhistorische en landschappelijke waarde heeft. Landschap: Het geheel van zichtbare en beleefbare kenmerken van een gebied, gevormd door de wisselwerking tussen natuurlijke elementen (zoals reliëf, water en beplanting) en menselijke ingrepen (zoals wegen, bebouwing en landbouw). Landschappelijke inpassing: Het afstemmen van nieuwe ingrepen op
de bestaande landschappelijke structuren en waarden. Landschappelijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur. Latei: Draagbalk boven gevelopening. Lessenaarsdak: Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak. Leefbaarheid: De gebruiks- en belevingswaarde van een wijk of buurt, ook de mate waarin het aantrekkelijk is om er te wonen of te werken Lichtkoepel: Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel. Lijst: Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Kroonlijst, gootlijst. Lineair: Rechtlijnig, langgerekt. Lint(bebouwing): Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding. Luifel: afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.
M
Maaiveld: Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om bouwvergunning. Mansardekap: Een dak met aan twee zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak. Markante stedenbouwkundige ruimte: ruimte die opvalt door bepaalde kenmerken Markies: Opvouwbaar zonnescherm. Massa: Zichtbaar volume van bebouwing. Materialisering: de middelen waarmee gebouw of openbare ruimte wordt vormgegeven. Metselverband: Het zichtbare patroon van metselwerk. Middenstijl: Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn. M.I.P.: Het Monumenten Inventarisatie Project, afgekort M.I.P., is een 49.
landelijk project van de Nederlandse Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed dat tussen 1986 en 1995 werd uitgevoerd met als doel om per gemeente de waardevolle gebouwen en andere monumenten in woord en beeld te beschrijven, zodat er meer zicht kwam op monumentenzorg en cultuurgeschiedenis. Monument: Een gebouw, object of terrein dat vanwege zijn cultuurhistorische, architectonische of landschappelijke waarde van algemeen belang is en beschermd wordt op basis van de Erfgoedwet 2016 (artikelen 3.1, 3.11 en 3.12). Muurdam: Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.
N
Natuurlijke waarde: De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang. Negge: Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn. Nok: zie daknok
O
Omgevingskarakteristiek: de authenticiteit van de bebouwing Omgevingsvergunning: Eén geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu. Basis hiervoor vormt de Wabo, art. 2.1 Ondergeschikt: Voert niet de boventoon. Onderbouw: Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen. Ontsluiting: De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein. Ontwerpconcept: plan hoe je het gebouw gaat maken Ontwerprichtlijnen: Afspraken of aanbevelingen die richting geven aan de ruimtelijke en architectonische vormgeving. Oorspronkelijk: Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek. Oorspronkelijke gevel: Gevel van een gebouw zoals deze nieuw is gebouwd. 50.
Openbaar groen: Met het openbaar groen wordt bedoeld hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bos of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen. Openbare ruimte: In functioneel opzicht: ruimte die openbaar toegankelijk is en als zodanig door het publiek kan worden gebruikt. Openheid: De mate waarin een gebied vrij uitzicht biedt of juist wordt begrensd door bebouwing, beplanting of reliëf. Orthogonaal: Rechthoekig. Oriëntatie: De hoofdrichting van een gebouw. Overstek: Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
P
Paneel: Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting. Penant: Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen. Pilaster: Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen. Plaatmateriaal: Materiaal van kunststof, staal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding. Plint: Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw. Profiel: omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan Profilering: aangebrachte vorm en maatvoering van profiel Portiek: Gemeenschappelijke trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur.
R
Raamdorpel: Horizontal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd.
Raamhout: Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/post. Rationele verkaveling: Verkavelingswijze met rechte lijnen en grote kavels, vaak voortgekomen uit grootschalige ontginningen of ruilverkavelingen. Referentiekader: Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden. Renovatie: Vernieuwing. Respecteren: Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen. Rijenwoningen: Geschakelde eengezinswoningen in een rij. Ritmiek: Regelmatige herhaling. Rollaag: Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen. Horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand. Rooilijn: Lijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden. Ruimtelijke kwaliteit: De mate waarin de inrichting van een gebied functioneel, esthetisch, samenhangend en toekomstbestendig is.
S
Samenhangend: Onderdelen die in relatie tot elkaar een logisch en evenwichtig geheel vormen. Schaal: De verhouding van de omvang van gebouwen, straten of landschappen ten opzichte van de mens en de omgeving. Schilddak: Dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. Situering: Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving. Sociale veiligheid: De mate waarin men zich beschermd voelt tegen gevaar dat veroorzaakt wordt door of dreigt van de kant van menselijk handelen in de openbare ruimte. Speklaag: Lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen. Stijl: Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een
bepaalde stroming. Streekeigen: Kenmerkend voor een bepaalde streek of regio, aansluitend bij lokale tradities, materialen, beplanting en vormen. Structuur: De opbouw en ordening van ruimtelijke elementen in een gebied, zoals wegen, kavels, bebouwing en groen.
T
Tent-, punt- of piramidedak: Dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen. Textuur: De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk). Tympaan: Driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan. Typologie: Indeling van gebouwen of ruimtelijke elementen naar soort of gebruiksvorm, bijvoorbeeld rijwoning, boerderij of villa.
U
Uitbouw: Aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is.
V
Verdieping: Bouwlaag. Verkavelingsstructuur/patroon: De indeling en ordening van grond in kavels, zoals strokenverkaveling, blokverkaveling of rationele verkaveling. Verschijningsvorm: De uiterlijke aspecten van een (in dit geval) bouwwerk. Volant: Strook stof als afronding en versiering van zonnescherm of markies. Voorgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen. Voorgevelrooilijn: Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan dan wel de gemeentelijke bouwverordening.
51.
Voorkant: De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.
W
Weg: Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Windveer: Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand. Worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept. Woning: Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding. Wolfdak/wolfeinden: Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).
Z
Zadeldak: Een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel. Zijgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.
52.
Bronnen en beleid • • • • • • • • •
Nota ruimtelijke kwaliteit gemeente Brummen (2013) Beeldkwaliteitsplannen Landschapsbiografie Brummen, Landschapsnetwerk Brummen (2021) Ligt op Groen, gemeente Brummen (2206) Beleidskader duurzaam ontwikkelen, gemeente Brummen (2024) Routekaart Wonen 2.0., gemeente Brummen (2024) Omgevingsvisie ‘Brummen op dit moment’, gemeente Brummen (2021) Programma Klimaat en duurzaamheid (2021) De diverse dorpsvisies, plannen en structuurvisies voor Brummen, Eerbeek, Empe, Hall, Oeken en Leuvenheim.
53.
Gemeente Brummen Engelenburgerlaan 31 6971 BV Brummen
geldersgenootschap.nl