(133) Toelichting D429942
Tekst van het document
Er geldt bovendien geen vergunningplicht op grond van hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming, omdat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwe (of andere gebieden) niet worden aangetast. Daarnaast blijkt uit de quick scan dat het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland ligt, maar wel in de Groene Ontwikkelingszone. De ontwikkeling is in principe toegestaan, mits deze aan bepaalde voorwaarden voldoet. Hiervoor is een ‘ja, mits-onderzoek’8 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en dat de samenhang niet verloren gaat. Dit blijkt uit de toetsing aan de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen aangegeven in deelgebied 76 van de Groene ontwikkelingszone en uit het versterkingsplan. De ontwikkeling past dan ook binnen de regels van de Groene ontwikkelingszone en zorgt per saldo voor een versterking van de kernkwaliteiten ter plaatse. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.
In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling
6
SAB (2023). Ecologische voortoets N2000. Eerbeek, Coldenhovenseweg 95. Projectnummer: 230190. 6 december 2023.
7
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Eerbeek, Coldenhovenseweg 95. Projectnummer: 230190. 6 december 2023.
8
SAB (2023). Toets Groene Ontwikkelingszone Eerbeek, Coldenhovenseweg 95. Projectnummer: 230190. 6 december 2023. 27
geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Voor de boommarter, das en eekhoorn geldt dat er geen effecten op verblijfplaatsen zijn en geen effect op het leefgebied. Voor deze soorten zijn er geen voorzorgsmaatregelen nodig. Voor de bunzing en de wezel geldt dat er geen (indirecte) aantasting van verblijfplaatsen optreedt, omdat er geen bebouwing bijkomt en de nieuwe woonbestemming op het perceel geen directe aantasting is van het leefgebied. De maatregelen zoals nieuw struweel, die onderdeel vormen van de landschappelijke inpassing, zijn gunstig voor het leefgebied van deze soorten. Verblijfplaatsen van de steenmarter worden niet verwacht binnen de invloedssfeer van de resterende werkzaamheden. Van (indirecte) aantasting van verblijfplaatsen is daarom geen sprake. De maatregelen zoals nieuw struweel, die onderdeel vormen van de landschappelijke inpassing, zijn gunstig voor het leefgebied van deze soort. Tot slot, verblijfplaatsen van de hazelworm en de ringslang worden niet aangetast.
Wanneer een incidenteel exemplaar wordt waargenomen tijdens het werk, moet het werk worden stilgelegd totdat het dier het werkgebied zelfstandig verlaten heeft. Zo kan overtreding van verbodsbepalingen worden voorkomen. De maatregelen zoals nieuw struweel, die onderdeel vormen van de landschappelijke inpassing, zijn gunstig voor het leefgebied van deze soorten. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
28
Toetsing Gelet op de ter plaatse aanwezige middelmatige archeologische verwachtingswaarde is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een archeologisch bureau- en booronderzoek9. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Stuwwallen', in de landschapszone plateaus, op de oostrand van de Veluwe stuwwal. Het plangebied ligt in een vrij vlak gebied, ten noorden van een langgerekt stuifduin en ten zuidwesten van een moderne storthoop. De top van de natuurlijke afzettingen bestaat waarschijnlijk uit dekzand waarin haarpodzolgronden zijn ontwikkeld. De bodemkaart geeft aan dat de gronden zijn vergraven bij aanplant en verwijderen van bos en of bij het gebruik als akker. Op grond van de landschappelijke ligging moet rekening worden gehouden met archeologische resten uit alle perioden (Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd). Het booronderzoek bevestigd dat boringen blijkt dat het natuurlijke bodemprofiel bestaat uit zand, grotendeels dekzand alhoewel ook fluvio(peri)glaciale afzettingen aanwezig zijn. In de top van de natuurlijke afzettingen is overal een goed ontwikkelde B horizont aanwezig. De E-horizont is echter niet meer aanwezig. De top van de natuurlijke afzettingen is het potentiële sporenniveau. Dit niveau tussen 20 en 55 cm -mv (2559 en 2476 cm NAP).
Omdat de E-horizont niet meer aanwezig is, is de kans klein dat eventuele archeologische resten die zich hoofdzakelijk manifesteren als ondiepe sporen nog bewaard zijn (Paleolithicum en Mesolithicum). Archeologische resten uit jongere archeologische perioden (Neolithicum tot en met heden) worden gekenmerkt door diepe(re) sporen en kunnen nog goed bewaard zijn gebleven. Aanbevolen wordt om indien bij de ontwikkeling graafwerkzaamheden dieper dan 20 cm zijn voorzien over meer dan 1.000 m2 (de gemeentelijke vrijstellingsgrens voor oppervlakte in dit gebied), nader te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn (kartering) en wat daarvan de waarde is (waardering) door middel van een archeologisch proefsleuvenonderzoek. Met voorliggend plan wordt de vrijstellingsgrens niet overschreden, waardoor het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek niet als noodzakelijk wordt geacht. Middels het opnemen van een archeologische dubbelbestemming is juridisch-planologisch gewaarborgd dat alsnog archeologisch onderzoek moet worden verricht wanneer deze vrijstellingsgrens wordt overschreden. Op deze manier zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd. Conclusie Met inachtneming van de archeologische dubbelbestemming vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook
9
Bureau voor Archeologie (2023). Bureau- en inventariserend veldonderzoek. Coldenhovenseweg 95, Eerbeek. Rapportnummer: 1356. 24 november 2023. 29
cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Uit raadpleging van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur kaart van de provincie Gelderland volgt dat er in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Daarnaast is het plangebied niet aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument zoals omschreven in de gemeentelijke Erfgoedverordening. Met de ontwikkeling blijven de ruimtelijke structuren in en rondom het plangebied zoveel mogelijk behouden en worden deze aan de hand van de maatregelen uit het landschappelijk inrichtingsplan zo veel mogelijk versterkt. Dit maakt dat eventuele aanwezige cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied niet worden aangetast. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.11
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 10 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Binnen het plangebied wordt één woning toegevoegd in het buitengebied, nabij de kern Eerbeek. Dit is matig stedelijk gebied in de zin van de CROW-publicatie. De woning die wordt toegevoegd, is een vrijstaande koopwoning. Als worst-case uitgegaan wordt van de maximale verkeersgeneratie is dit 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. De verwachting is dat deze minimale toename aan verkeersbewegingen zonder problemen kan worden afgewikkeld op de Coldenhovenseweg. Parkeren Op het plangebied zijn de parkeerregels uit het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ van toepassing. Voor het plangebied is het gebied ‘Buitengebied’ en de functie ‘Koop, vrijstaand’ aangehouden. Hiervoor geldt een parkeerbehoefte van 2,4. Met voorliggend plan is voldoende ruimte voor het parkeren van meerdere auto’s op eigen terrein. Geacht wordt dat het aspect parkeren voldoende is gewaarborgd met voorliggend plan.
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
10
CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen. 30
5
Juridische aspecten
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
31
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
32
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij regelingen vanuit andere bestemmingsplannen in de gemeente Brummen. Het plan bevat de enkelbestemmingen ‘Groen - Landschap’ en ‘Wonen'. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie middel’ opgenomen. Groen - Landschap De gronden die landschappelijk ingericht gaan worden zijn bestemd als ‘Groen - Landschap'. In de bestemmingsomschrijving wordt ingezet op het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, landschaps- en groenvoorzieningen, watervoorzieningen, hobbymatig agrarisch grondgebruik en extensief recreatief medegebruik. Gebouwen mogen hier niet worden gebouwd. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt een maximum bouwhoogte van 2 meter. Voor enkele werkzaamheden is een omgevingsvergunningplicht opgenomen. De inrichtingsmaatregelen uit het landschappelijk inrichtingsplan zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Wonen Het woonperceel is als zodanig bestemd. Er is uitsluitend één vrijstaande woning toegestaan. Deze woning moet in het bouwvlak worden gerealiseerd en voldoen aan een maximum goothoogte van 3 meter en maximum bouwhoogte van 5,5 meter. Het bouwvlak mag voor maximaal 70 m2 worden bebouwd. Aan- en uitbouwen zijn in het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - aanbouw' toegestaan.
Voor bijgebouwen geldt dat ze alleen mogelijk zijn in het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’. De aanleg en instandhouding van het landschappelijk inrichtingsplan is via een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd. Waarde - Archeologie middelmatig De voor 'Waarde - Archeologie middelmatig' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden. Op basis van deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien ingrepen worden verricht met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 of een dieper bereik dan 20 cm onder maaiveld. Hiervan kan onder voorwaarden worden afgeweken.
5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken. 33
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Eerbeek, Coldenhovenseweg 95 heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kon in deze periode zienswijzen indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
34