CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(133) Toelichting D429942

Forum Fysieke Leefomgeving 16 mei 2024, gemeente BrummenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Coldenhovenseweg 95 (besluitvormend)11.640 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

429942

Bestemmingsplan | Toelichting

Eerbeek, Coldenhovenseweg 95

Gemeente Brummen

Datum: 22 februari 2024 Projectnummer: 230190 ID: NL.IMRO.0213.BPBG700097-va01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 6

3

Beleidskader

8

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

8 9 11 12

4

Milieu- en omgevingsaspecten

16

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

16 17 17 18 19 21 23 26 28 29 30

5

Juridische aspecten

31

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

31 32

6

Uitvoerbaarheid

34

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

34 34

Bijlagen

− Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan − Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek − Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai − Bijlage 4: Digitale watertoets − Bijlage 5: Quick scan natuur − Bijlage 6: Ecologische voortoets N2000 − Bijlage 7: Onderzoek stikstofdepositie − Bijlage 8: Toets Groene Ontwikkelingszone − Bijlage 9: Archeologisch bureau- en booronderzoek

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In het kader van het project Eerbeek - Loenen 2030 is de grondeigenaar van voorliggende locatie uitgekocht op de locatie Coldenhovenseweg 68-70. Omdat op deze locatie niet meer gewoond kan worden bestaat het voornemen om een woning te realiseren op het perceel aan de Coldenhovenseweg 95 in Eerbeek. Op deze locatie bevindt zich een agrarisch perceel met daarop een paardenstal in de vorm van een schaapskooi. Voor de locatie is in het verleden een vergunning verleend voor het uitbreiden van deze paardenstal. De nieuwe woning is beoogd achter de paardenstal en de paardenstal zal worden benut als bijgebouw. Verder worden er diverse inrichtingsmaatregelen gerealiseerd, welke bijdragen aan het versterken van de aanwezige landschaps- en natuurwaarden. De ontwikkeling is echter niet mogelijk binnen de kaders van het huidige bestemmingsplan, aangezien het plangebied een agrarische bestemming kent waar geen woningbouw mogelijk is. Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk om het plan mogelijk te maken. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Eerbeek behorende bij de gemeente Brummen. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging ten opzichte van Eerbeek en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.

Ligging plangebied (rode cirkel) in relatie tot de kern Eerbeek (Bron: PDOK viewer).

3

Het plangebied bij benadering globaal rood omlijnd (Bron: PDOK viewer).

1.3

Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ en kent het plangebied de bestemming ‘Agrarisch met landschapswaarden’. Verder gelden er de gebiedsaanduidingen ‘Bodemreliëf’, ‘Extensiveringsgebied’, ‘Gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde’, ‘Veluws bosgebied (EHS-natuur)’ en ‘Zandwegen’. Ten slotte geldt voor het gehele plangebied de lettertekenaanduiding ‘paardenstal P’.

Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ met daarop het plangebied globaal rood omlijnd (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl). 4

Aanvullend op het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ zijn het bestemmingsplan ‘Beschermingszone bestrijdingsmiddelen’ en de paraplubestemmingsplannen ‘Archeologie’, ‘Bos-, natuur- en waterbestemmingen’, ‘Landschapselementen buitengebied’ en ‘Parkeren’ vastgesteld. Deze plannen zijn hoofdzakelijk kleine aanpassingen op het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’. In het paraplubestemmingsplan ‘Archeologie’ kent het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie middelmatig’. In het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ zijn de parkeerregels opgenomen die binnen de gemeente Brummen worden gehanteerd.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de kruising Coldenhovenseweg - Doonweg - Karel van Gelreweg en maakt onderdeel uit van het oude buurtschap Coldenhove. Dit gebied kenmerkt zich door de bossen van de Veluwe, de papierindustrie langs de beken en de recreatie. Door de Coldenhovenseweg en de Boshoffweg is Coldenhove verbonden met de kern Eerbeek. Het plangebied wordt door de ligging aan de eerder genoemde kruising aan drie zijden begrensd met wegen/paden. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de bossen van de Veluwe, maar ook door zwembad Coldenhove, enkele bedrijven en burgerwoningen aan de Coldenhovenseweg en Karel van Gelreweg. Op enige afstand van het plangebied is het verblijfsrecreatiepark Coldenhove terug te vinden. Het plangebied zelf is ingericht in de vorm van verschillende paardenweides, die onderling worden afgescheiden door een houten hekwerk. Redelijk gecentreerd op het terrein bevindt zich een schaapskooi met gepotdekselde planken en een rieten kap die in gebruik was als paardenstal. De toegang tot het perceel vindt plaats middels een onverharde weg vanaf de Coldenhovenseweg. Deze toegang eindigt in een klein erf voor de stal waar tevens de mogelijkheid is voor het parkeren van meerdere auto’s. Verspreid over het terrein zijn enkele bomen aanwezig.

De laatste aanplant van bomen heeft plaatsgevonden langs de Doonweg ter hoogte van de stal. De aanwezige bomen variëren in soort. Kenmerkende soorten zijn berken, een grote rode beuk en een grote linde. De rode beuk en de linde staan als solitairen die vrij uit kunnen groeien op het perceel. Ondanks het agrarische karakter van het perceel maakt het plangebied deels uit van Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Verder is het plangebied door de provincie aangewezen als Groene Ontwikkelingszone (GO).

2.2

Toekomstige situatie Het voornemen bestaat om in het plangebied één woning te realiseren. Het perceel is nu in beeld als potentiële woonlocatie, omdat de grondeigenaar door de provincie is uitgekocht uit zijn voormalige woning in het kader van het project Eerbeek - Loenen 2030. In zekere zin gaat het om het verplaatsen van het woonrecht. Het laten landen dit woonrecht in het plangebied is passend te noemen, gelet op de reeds aanwezige woningen rondom het plangebied. Daarbij komt dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de reeds aanwezige karakteristieke bebouwing op de locatie en er verder door middel van een goede landschappelijke inpassing een kwaliteitsimpuls aan het plangebied wordt gegeven. De zuidelijk gelegen gronden van het plangebied zullen daarbij het woonperceel vormen. De woning wordt achter de bestaande paardenstal/schaapskooi gerealiseerd. De woning heeft een maximum grondoppervlak/footprint van 70 m2, maximum goothoogte van 3 meter en maximum bouwhoogte van 5,5 meter. De schaapskooi/paardenstal zal als bijgebouw van de woning gaan functioneren. Tussen beide bouwwerken wordt de mogelijkheid geboden om een aanbouw te realiseren zodat de bouwwerken met elkaar in verbinding kunnen worden gebracht.

6

De resterende gronden van het perceel zullen hun agrarische functie verliezen en worden landschappelijk ingericht, in lijn met de ter plaatse aanwezige kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone. Daarom is voor de ontwikkeling een landschappelijk inrichtingsplan1 opgesteld. Het landschappelijk inrichtingsplan gaat uit van het behouden van de bestaande kwaliteiten die het plangebied heeft en het versterken van de kernkwaliteiten door middel van het treffen van verschillende landschaps- en natuurversterkingsmaatregelen. Zo wordt met een houtwal langs de Doonweg het woonperceel zo veel mogelijk aan het zicht onttrokken en wordt met zoombeplanting een meer structuurrijke bosrand gerealiseerd. Met onder meer het aantal van struweelhagen wordt de kleinschaligheid van het landschap versterkt en wordt het perceel op een meer natuurlijke manier opgedeeld. Het aanleggen van struweelhagen zorgt ook voor het toevoegen van een element dat momenteel weinig tot niet aanwezig is in de omgeving en is een logische ontwikkeling om naast gras en bos, ook de struiklaag in het gebied te ontwikkelen. Eventueel is ook ruimte voor een poel, welke kan fungeren voor algemene fauna, maar kan ook als drinkplaats worden gebruikt, bijvoorbeeld door de das of vleermuizen. Verder fungeren takkenrillen als ‘stapstenen’ in het grasland, die bijdragen aan de geschiktheid voor insecten, zoogdieren en vogels.

Een takkenril is een plek met opstaande takken/paaltjes in de grond waartussen dood hout kan worden gestapeld of gevlochten. Middels deze maatregelen wordt bijgedragen aan de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen, zonder dat hierbij de samenhang van het terrein en de relatie van het terrein met de omgeving verloren gaat. Navolgend is het ontwerp van het landschappelijk inrichtingsplan weergegeven. Via een voorwaardelijke verplichting wordt de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inrichtingsplan juridisch-planologisch gewaarborgd.

Landschappelijk inrichtingsplan (bron: SAB).

1

SAB (2023). Landschappelijk Inrichtingsplan Coldenhovenseweg 95 Eerbeek. Projectnummer: 230190. 21 november 2023. 7

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3 Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Gelet op het feit dat met voorliggend plan op een passende wijze een woonperceel wordt gerealiseerd waarbij eveneens sprake is van versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het plangebied staan de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving van het plangebied centraal en is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. 8

Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan die voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een kern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 1 wooneenheid. Derhalve is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering,

9

zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. − Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal.

De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie en -verordening wijst uit dat de gronden van het plangebied zijn aangewezen als ‘grondwaterfluctuatiezone’. De provincie heeft een zone, rondom het Veluwemassief, aangewezen als grondwaterfluctuatiezone. Deze gebieden zijn extra gevoelig voor grondwateroverlast. Het is van belang om hiermee bij de inrichting of herinrichting van stedelijk gebied, via de watertoets, rekening te houden en zo nodig maatregelen te nemen. Verder zijn de gronden van het plangebied aangewezen als ‘intrekgebied’.

De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Voor een effectieve en duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening maakt de provincie daardoor onder andere gebruik van regelgeving en vergunningverlening. De provincie wil niet dat fossiele energie (aardgas, aardolie, schaliegas of steenkoolgas) gewonnen wordt in de intrekgebieden voor de

10

drinkwatervoorziening. De Omgevingsverordening regelt dan ook dat een bestemmingsplan ter plaatse van een intrekgebied niet mag voorzien in een bestemming die de winning van fossiele energie mogelijk maakt. Aangezien voorliggend initiatief enkel de ontwikkeling van een enkele burgerwoning mogelijk maakt, is er geen sprake van de winning van fossiele energie en vormt dit verder geen problemen ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Ook vormen dergelijke functies geen bedreiging voor de kwaliteit van de drinkwatervoorzieningen in Gelderland. Het plangebied ligt in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen de GO worden alleen nieuwe activiteiten of ontwikkelingen toegelaten als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en de samenhang niet verloren gaat. Daarom is voor dit bestemmingsplan een ‘ja, mits’ -toets uitgevoerd ten aanzien van de Groene Ontwikkelingszone. De toets is nader toegelicht in paragraaf 4.8. Uit deze toets volgt dat de ontwikkeling per saldo zorgt voor een versterking van de kernkwaliteiten. Daarmee vormt de ligging binnen het GO geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

In artikel 2.65b van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In voorliggende situatie wordt de woning aardgasloos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Ook is ruimte voor het versterken van de landschappelijke en natuurlijke kernkwaliteiten, door middel van bijvoorbeeld de aanleg van struweelhagen, takkernril en een houtwal. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie. Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciale beleid

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionale Structuurvisie De Voorlanden Stedendriehoek 2030 – Visie op het niet-bundelingsgebied De Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 is in november 2009 vastgesteld door de gemeenteraden van Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen. In deze visie staan de gemeenschappelijke ambities voor de lange termijn tot 2030 voor het gebied buiten de grote stedelijke kernen Zutphen, Deventer en Apeldoorn en het landelijke gebied daartussen. De gemeenten streven naar een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling van de Stedendriehoek als geheel. Behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw, staan centraal. Om deze centrale

11

doelstelling concreet te maken, zijn de volgende vijf strategische keuzen geformuleerd: − duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling; − natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties; − regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer; − stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen; − toevoegen van centrum-stedelijke en landelijke woonmilieus. De visie zet in op de volgende zaken: − het versterken van de groene kernkwaliteit: veerkrachtig watersysteem in een robuust landschap; − het versterken van de rode kernkwaliteit: een netwerk van vitale kernen; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (I): landbouw als core business; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (II): toerisme en recreatie als troefkaart; − het versterken van de kernkwaliteiten van het platteland (III): vitaliteit door variatie. Toetsing Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van een duurzaam en toekomstbestendige woonperceel, waarbij de landschaps- en natuurwaarden worden versterkt aan de hand van een landschappelijk inrichtingsplan. Door deze landschappelijke inpassing worden de agrarische gronden ter plaatse voorzien van een kwaliteitsimpuls en worden kernkwaliteiten van het platteland in algemene zin versterkt.

Dit maakt dat de beoogde ontwikkeling aansluit bij de ambities uit de regionale structuurvisie. Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ Op 25 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Brummen de Toekomstvisie 2030 ‘Innoveren met oude waarden’ vastgesteld. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. De keuzes en speerpunten voor 2030 zijn in drie thema’s onderverdeeld: − Ruimte voor papier en landgoederen: Papier en landgoederen zijn de kernwaarden die de gemeente Brummen uniek maken. Deze kernwaarden krijgen alle ruimte. Niet alleen fysiek en bedrijfsmatig, maar op zoveel mogelijk terreinen worden deze kernwaarden binnen de gemeente versterkt. Bijvoorbeeld in de recreatiesector, maar ook in de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Eerbeek is een papierdorp en dat wil de gemeente meer laten zien, lokaal en regionaal, maar ook nationaal en internationaal. Daarnaast worden cultuurhistorie, creativiteit en kunst in de gemeente gestimuleerd en gekoesterd. Om de recreatieve potentie van Brummen verder uit te bouwen wordt het netwerk voor de wandelaar, fietser en ruiter verbeterd.

12

− Samen gezond wonen, werken en leven: De gemeente Brummen wil een aantrekkelijke gemeente zijn voor zowel jong en oud als voor bestaande en nieuwe inwoners. Daarbij hoort een gemeente waar men prettig kan wonen en werken. Het kleinschalige dorpsleven waar rust en vriendelijkheid heersen en sprake is van een sterke sociale samenhang, zijn daarbij van belang. De identiteit, die wordt gekoesterd, moet worden behouden en versterkt. − Op groene voet met groene vingers: Er wordt ingezet op een groen en klimaatneutraal Brummen, waarbij zelf wordt voorzien in de energie, energiesystemen slim worden gekoppeld, hemelwater wordt geborgen en gebruikt en de biodiversiteit wordt versterkt. De natuur en het landschap zijn kernwaarden van de identiteit van de gemeente Brummen. Ze vormen de historische basis en maken deel uit van het woongenot, vormen de trekker voor recreanten en toeristen en staan aan de basis van de ontwikkeling van de papierindustrie en de landgoederen. Het landschap en de natuur moeten daarom behouden blijven. Maar ook hier geldt dat er geen stolp op het buitengebied moet worden gezet. Er wordt vernieuwd met respect voor dat wat er is. Toetsing De toekomstvisie zet in op het zijn en blijven van een aantrekkelijke gemeente voor zowel jong en oud. Daarbij dient veel aandacht uit te gaan naar de kleinschaligheid van het dorpse leven en de sterke sociale omvang.

Bij elke ontwikkeling dient ook rekening te worden gehouden met de groene omgeving en klimaat. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een duurzaam en toekomstbestendig woonperceel, waarbij de groene en landschappelijke kwaliteiten ter plaatse worden versterkt. De ontwikkeling sluit daarmee aan bij de ambities van de toekomstvisie. 3.4.2

Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ De gemeenteraad van de gemeente Brummen heeft op 28 september 2006 de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente Brummen er over 25 jaar uit zou moeten zien. De ruimtelijke ontwikkelingsvisie omvat een lange termijnvisie (Strategische visie tot 2030) en de korte termijnvisie (periode 2005 tot 2015). Samen vormen ze de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Ligt op Groen'. In de strategische visie tot 2030 zet men in op synergie met de omliggende gemeenten. Dit kan volgens de gemeente het beste bereikt worden door aan te sluiten op de onderscheidende kwaliteiten. Dé identiteitsdrager van de gemeente Brummen is de groene kwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen dient dan ook ingezet te worden op de versterking van de groene kwaliteiten. Toetsing Op het gebied van wonen bevat de ruimtelijke ontwikkelingsvisie ‘Ligt op groen’ geen concrete beleidskaders of ambities. Wel wordt aangegeven dat de gemeente Brummen voor iedereen inzet op het waarmaken van een goed leven, waarbij inwoners een duurzame omgeving hebben die betekenisvol is.

Omdat in voorliggende situatie wordt ingespeeld op het realiseren van een nieuw woonperceel als gevolg van het in feite verplaatsen van een bestaand woonrecht in combinatie met het versterken van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het plangebied past de ontwikkeling binnen de kaders en doelstellingen van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie.

13

3.4.3

Nota Ruimtelijke Kwaliteit Brummen 2013 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit, voorheen de welstandsnota, bestaat uit beschrijvingen van welstandsgebieden en bijzondere thema’s met daaraan gekoppeld afzonderlijke toetsingscriteria. In totaal worden zes verschillende gebieden onderscheiden: − Historische dorpsgebieden en linten; − Woongebieden met samenhang; − Woongebieden met diversiteit; − Bedrijventerreinen; − Landelijk gebied; − Gebieden met een bijzondere functie. Toetsing Het plangebied ligt binnen het landelijk gebied. In dit gebied wordt gestreefd naar het behoud van het karakter van het agrarische buitengebied. De belangrijkste karakteristieken zijn het afwisselende landschap met daarin verspreid staande, vaak authentieke bebouwing. Verdichting en schaalvergroting zijn slechts in beperkte mate mogelijk. Essentieel is het in stand houden van het onderscheid tussen agrarische bebouwing in het buitengebied en de burgerwoningen in de bebouwde kom van Brummen en Eerbeek. Met voorliggende ontwikkeling wordt een kleinschalige woning gerealiseerd die door middel van een landschappelijk inrichtingsplan zo veel mogelijk aan het zicht wordt onttrokken en het woonperceel verder op passende wijze inricht. Op deze manier blijft het landelijk gebied zijn kenmerken behouden en wordt de ontwikkeling binnen de doelstelling van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit gerealiseerd.

3.4.4

Woonagenda 2019-2023 gemeente Brummen In de woonagenda van de gemeente Brummen wordt de koers voor het woonbeleid uitgezet. De Woonagenda geeft de ambitie aan en vormt de wettelijke basis voor de Prestatieafspraken met de corporatie en de gemeentelijke ‘toezichtstaken’. Verder is de woonagenda het kader voor de woningbouwprogrammering. De gemeente Brummen verwacht nog 700 woningen toe te voegen tot 2027. Het doel van de woonagenda is om iedereen prettig te laten wonen in de gemeente Brummen en om woonwensen -behoeften van inwoners zoveel mogelijk te realiseren binnen de gemeente. De woonagenda verwacht een bijdrage te kunnen leveren aan de volgende opgaven: − Betaalbaarheid en beschikbaarheid; − Wonen, zorg en welzijn, in combinatie met vergrijzing; − Duurzaamheid, met focus op de bestaande woningvoorraad; − Leefbaarheid. Toetsing Voorliggende woningbouwontwikkeling sluit aan bij het gestelde in de woonagenda. Er wordt een enkele woning op een passende, duurzame manier toegevoegd aan de woningvoorraad. Er gaat daarbij om het verplaatsen van een bestaand woonrecht. De toekomstige bewoner van de woning is reeds bekend en de woning voldoet aan de wensen en eisen van de bewoner. Aangenomen kan worden dat voorliggende

14

ontwikkeling aansluit bij de ambities en opgaven gesteld in de woonagenda 20192023 van de gemeente Brummen. Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.

15

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een ‘aanmeldingsnotitie’.

Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd. Toetsing Onderhavig plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling, bestaande uit de realisatie van één woning, waarbij de bestaande paardenstal zal worden getransformeerd tot een regulier bijgebouw. Jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2020:100) wijst uit dat dergelijke kleinschalige woningbouwprojecten door hun omvang niet hoeven te worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de ontwikkeling beperkt is. Dit maakt dat, gelet op de aard (wonen) en omvang (1 woning) van de ontwikkeling, gesteld wordt dat er geen sprake is van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r. en dat daarom geen aanmeldnotitie noodzakelijk is. Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

16

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodem- en asbestonderzoek2 uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat de bodem naast de puinverharding ter plaatse van de toegangsweg zintuiglijk geen afwijkende waarnemingen bevat. De bovengrond is licht verontreinigd met kwik en lood, de ondergrond bevat geen verhoogde concentraties. In de verhardingslaag van de toegangsweg is een concentratie van 0,88 mg/kg asbest aangetroffen, de waarde voor nader onderzoek van 50 mg/kg wordt hiermee niet overschreden. Op basis van voorgaande resultaten wordt de milieuhygiënische kwaliteit van het plangebied geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Met voorliggend plan is sprake van de realisatie van een nieuwe geluidgevoelige functie. In de omgeving van het plangebied zijn twee (gezoneerde) wegen aanwezig, namelijk de Coldenhovenseweg en de Karel van Gelreweg. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai3 uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat er geen overschrijdingen plaats vinden van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarmee wordt voldoen aan de Wet geluidhinder en is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. Vervolgacties zijn niet aan de orde. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. 2

De Klinker B.V. (2023). Verkennend bodem- en asbestonderzoek volgens NEN 5740 en NEN 5897 Coldenhovenseweg 95 Eerbeek. Rapportnummer: K2320225. 28 september 2023.

3

SAB (2023). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Eerbeek, Coldenhovenseweg 95. Projectnummer: 230190. 23 oktober 2023. 17

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen.

De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren.

Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen

18

zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van één woning mogelijk. Dit is een dusdanig beperkte ontwikkeling waardoor het plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Na raadpleging van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) wordt geconcludeerd dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen onder de grenswaarden in de twee jaren (2021 en 2030) liggen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Met onderhavig plan wordt een nieuwe gevoelige functie (woning) mogelijk gemaakt. Het plangebied bevindt zich in een omgeving waar voornamelijk de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Bedrijf (niet-agrarisch)’, ‘Bos’ en ‘Wonen’ voorkomen. Op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is het plangebied aan te merken als

19

'buitengebied'. Onderzocht moet worden of de beoogde ontwikkeling hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Stortplaats Metaalbedrijf

Doonweg ong. Karel van Gelreweg 22

Papierbedrijf

Karel van Gelreweg 30

Papierfabriek

D.W. van Vreeswijklaan 9 Boshoffweg 1 Boshoffweg 6

Vuilstortplaats Vervaardiging van producten van metaal/ vervaardiging van machines en apparaten/ vervaardiging van kantoormachnies en computers/ vervaardiging van overige machines, apparaten en benodigdheden Vervaardiging van papier, karton en papier en kartonwaren Vervaardiging van papier, karton en papier en kartonwaren Zwembaden: niet overdekt Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)

Zwembad Vakantiepark

Grootste richtafstand (m) 300 300

Gemeten afstand (m) ± 70 ± 200

300

± 220

300

± 500

200 30

± 330 ± 800

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de afstand tot het perceel aan de Doonweg dat beschermd is als vuilstortplaats onvoldoende groot is om aan de richtafstand te kunnen voldoen. Omdat de vuilstortplaats niet langer in gebruik is en de gronden zijn ingericht als bos vormen deze gronden geen belemmering voor de ontwikkeling. De gemeente is ook niet voornemens om de gronden in de toekomst nog in gebruik te gaan nemen, mede gezien de ligging in het Veluws-bosgebied en het Gelders natuurnetwerk. Verder bevindt zich aan de Karel van Gelreweg 22 op grond van het geldende bestemmingsplan de mogelijkheid voor een metaalbedrijf waarvoor een richtafstand 300 meter geldt die niet kan worden gerespecteerd. Het aanwezige bedrijf heeft de afgelopen jaren veel veranderingen doorgemaakt, waarbij het productieproces is veranderd. De kwalificatie van een de metaalfabriek is dan ook niet meer passend is bij de destijds vergunde waarden en de bijbehorende milieucategorie. Het bedrijf is gestopt met het maken van grote apparatuur en is zich gaan specialiseren in het maken van ‘micro-precision parts’. Hierbij wordt weinig hinder veroorzaakt. Een bedrijf met milieucategorie 3.2 en een grootste richtafstand van 100 meter is meer passend bij de huidige werkzaamheden.

Verder zijn er meerdere woningen op een kortere afstand van de fabriek gelegen, welke maatgevend zijn voor de mogelijkheden van het bedrijf. Geacht wordt dat deze fabriek in de praktijk daarom geen belemmering vormt voor voorliggende ontwikkeling.

20

Ten slotte geldt ook dat niet aan de grootste richtafstand van de papierfabriek aan de Karel van Gelreweg 30 kan worden voldaan. Hier is echter worst-case gerekend met een fabriek met een productiecapaciteit van meer dan 15 ton per uur. In werkelijkheid is de productiecapaciteit hoogstwaarschijnlijk veel kleiner, waardoor geen belemmeringen als gevolg van de fabriek verwacht hoeven te worden. Daarbij komt dat reeds meerdere woningen op korte afstand van de fabriek aanwezig zijn welke maatgevend zijn voor de mogelijkheden van het bedrijf. Geacht wordt dat deze fabriek in de praktijk daarom geen belemmering vormt voor voorliggende ontwikkeling. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPGtankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De orientatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

21

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb).

Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie gemeente Brummen Met deze Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de gemeente Brummen. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. Deze visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Brummen aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. Het toetsingskader voorkomt afwegingen en besluiten op ad hoc basis en brengt consistentie door heldere uitgangspunten en reële ambities. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het in dit document weergegeven externe veiligheidsbeleid in acht. De uitgangspunten uit deze visie worden verder toegepast bij alle gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbinnen externe veiligheid een rol speelt (o.a.

vergunningverlening en handhaving, routering gevaarlijke stoffen, ruimtelijk beleid, rampenbestrijding en risicocommunicatie). Toetsing Dit plan voorziet in de realisatie van een kwetsbaar object. Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat in de omgeving van het plangebied drie stationaire risicobronnen en enkele buisleidingen aanwezig zijn. Het gaat om Neenah Coldenhove B.V. (D.W. van Vreeswijklaan 9), Veco B.V. (Karel van Gelreweg 22) en zwembad Coldenhove (Boshoffweg 1). Het plangebied ligt echter buiten de risicocontouren en de

22

invloedsgebieden van deze risicobronnen. Daarom vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

Risicobronnen in de omgeving van het plangebied (blauw omlijnd) (Bron: Atlasleefomgeving.nl).

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7

Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen. Rijksbeleid – Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 worden allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal

belang. 23

Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem.

Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

24

De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie.

Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschapsbeleid – Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie.

Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. Toetsing In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument de Watertoets. Voor onderhavige ontwikkeling is de digitale watertoets 4 doorlopen. Hieruit volgt het algemene advies en advies grondwaterfluctuatiezone.

4

Digitale Watertoets (2023). Vergunningencheck Digitale Watertoets Eerbeek, Coldenhovenseweg 95. Projectnummer 230190. 4 september 2023. 25

Verharding en waterberging Het plangebied is in de huidige situatie slechts voor een klein gedeelte verhard. Met de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak in beperkte mate toenemen, maar is er voldoende ruimte in het plangebied om het hemelwater via een natuurlijke weg de bodem te laten infiltreren. Afvalwater Het is aanbevolen om vuilwater onder vrijverval aan te sluiten op de gemeentelijke riolering. Het water- en rioleringssysteem zal in een nader uit te werken ontwerp gedetailleerd worden. Grondwaterfluctuatiezone De provincie heeft een zone, rondom het Veluwemassief, aangewezen als grondwaterfluctuatiezone. Deze gebieden zijn extra gevoelig voor grondwateroverlast. Het is van belang om hiermee bij de inrichting of herinrichting van stedelijk gebied rekening te houden en zo nodig maatregelen te nemen. Aangezien met voorliggend plan enkel huidige bebouwing wordt omgevormd, wordt geacht dat voldoende rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van grondwateroverlast in de grondwaterfluctuatiezone. Waterkering Raadpleging van de legger van het Waterschap Vallei en Veluwe wijst uit dat onderhavig plangebied niet is gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Dit bestemmingsplan heeft tevens geen invloed op overige waterstaatkundige elementen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Met een quick scan natuur5 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aanwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet.

5

SAB (2023). Quick scan natuur. Eerbeek, Coldenhovenseweg 95. Projectnummer: 230190. 24 oktober 2023. 26

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt deels in het Natura 2000-gebied Veluwe en ligt verder in de buurt van de Natura 2000-gebieden Landgoederen Brummen en Rijntakken. Daarom is een ecologische voortoets Natura 20006 opgesteld en onderzoek stikstofdepositie7 uitgevoerd. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat er zowel in de aanlegfase alsook de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er is zelfs sprake van een afname in de toekomstige situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Er zijn dus geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Ook van andere storingsfactoren, zoals verstoring door licht of geluid, zijn geen significante gevolgen te verwachten, zo blijkt verder uit de opgestelde beoordelingen in de voortoets. Tot slot is een cumulatietoets uitgevoerd, om te onderzoeken of de ontwikkeling samen met andere plannen of projecten tot een significant gevolg zou kunnen leiden. Uit deze toets blijkt dat, door onder meer vaststaand beleid, significant negatieve gevolgen ook in cumulatie zijn uitgesloten. Doordat significante gevolgen zijn uitgesloten, is vervolgonderzoek, in de vorm van een passende beoordeling, niet nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14078424/1