CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(103) Toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 30 november 2023, gemeente BrummenBij agendapunt: Bestemmingsplan Concordia, Engelenburgerlaan 1, Brummen16.137 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie

De bodemkwaliteit in het plangebied vormt met het saneren van de bodemverontreiniging geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Initiatiefnemer heeft de kosten voor het saneren van de bodemverontreiniging in beeld en kan deze kosten dragen. De bodemsanering staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

25

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

26

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in het plangebied

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van dertien appartementen. De appartementen worden aangemerkt als kwetsbaar object (op basis van artikel 1 lid 1 sub l van Besluit externe veiligheid inrichtingen). Bij woningen wordt uitgegaan van een personendichtheid van 2,4 personen per woning. Dit betekent dat de personendichtheid met circa 32 personen toeneemt. Dit is meer dan 10 personen, zodat er sprake is van groepsrisico. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

27

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld

Afbeelding 5.1

Ligging plangebied en risicobronnen (Bron: Risicokaart)

Stationaire risicobronnen In de nabijheid van de planlocatie bevinden zich geen stationaire risicobronnen die mogelijk een belemmering kunnen vormen voor het initiatief. De planlocatie ligt op een afstand van circa 960 meter van het LPG tankstation (TINQ) aan de Zutphensestraat 144 te Brummen. Dit LPG tankstation heeft een plaatsgebonden risico van 25 meter en een invloedsgebied van 160 meter. Door de afstand tot het plangebied vormt het tankstation geen belemmering. Mobiele risicobronnen De planlocatie ligt op een afstand van circa 400 meter van de spoorlijn Dieren-Zutphen (62S.2), op een afstand van circa 550 meter van de provinciale weg N348 en op een afstand van meer dan een kilometer van de hogedruk aardgasbuisleiding N559.21. Spoorlijn Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour, het plasbrandaandachtsgebied en de 200 meter zone maar wel binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. Conform de Regeling Basisnet vinden over deze spoorlijn een aanzienlijke hoeveelheid stofcategorie C3 transportbewegingen plaats. Deze transporten is de basis voor een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het invloedsgebied is 995 meter. Beperkte verantwoording groepsrisico Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobron dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt.

Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a.

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

28

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld b.

voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.

De uitstroming van een brandbare vloeistof kan leiden tot de vorming van een vloeistofplas op de grond. Wanneer er een ontstekingsbron aanwezig is kan een plasbrand ontstaan die leidt tot warmtestraling in de omgeving. Bij directe ontsteking ontbrandt de uitgestroomde vloeistof ten gevolge van bijvoorbeeld vonken die bij het incident ontstaan. Bij vertraagde ontsteking kan de door verdamping gevormde wolk ontbranden, er ontstaat een wolkbrand (flash fire) die terug brandt met een plasbrand als gevolg. De effectafstanden van beide scenario’s zijn bij de veronderstelde plasgroottes en (voorbeeld)stoffen vergelijkbaar bestrijdbaarheid c.q. beheersbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: 1.

Bestrijden rampscenario

Belangrijk bij een ongeval met brandbare vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de ketelwagen is, zodat het brandbare vloeistof niet kan ontwikkelen tot een brandbare plas of explosie. Het gevaar van een plasbrand is dat door warmtestraling personen overlijden of gewond raken. Indien de brandweer tijdig ter plaatse is kan voorkomen worden dat het vuur zich uitbreidt en kan overslaan op gebouwen. De schade kan beperkt worden door de ‘vuurlijn’ van de plasbrand op voldoende afstand van bebouwing te houden. Er moet voorkomen worden dat een brandbare vloeistof zich verspreidt langs een trein met gevaarlijke stoffen of het plangebied instroomt. Het plangebied is bereikbaar via de Engelenburgerlaan/ Burgemeester de Wijslaan, de Ambachtstraat, de Primulastraat en de Oude Eerbeekseweg. De brandweer kan het plangebied vanuit de kazerne Brummen via de Pothof en de Engelenburgerlaan binnen circa 1 minuut bereiken. Daarnaast is de kazerne een beroepkorps die 24 uur per dag en zeven dagen in de week bezet is. Oftewel de verwachting is dat de brandweer snel ter plaatse kan zijn. De inschatting is dat de eerste brandweerwagen binnen circa 5 minuten aanwezig kan zijn bij de calamiteit. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld.

Bij de Veiligheidsregio dient advies te worden ingewonnen of de bereikbaarheid en daarmee de opkomsttijden voldoende zijn gewaarborgd. Voor de bestrijding is bluswater ook van belang. Hier gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair (geboorde putten en open water) en tertiair bluswater (aanvullende bluswatervoorzieningen). In de omgeving van het plangebied zijn blusvoorzieningen aanwezig. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt bepaald of dat voldoende is. Daarbij wordt beschouwd of dit overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit. 2.

Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren

Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de inrichting van het projectgebied cruciaal. Zoals aangegeven is de locatie goed bereikbaar. De nieuwe functies worden ontsloten met een oprit en rondom is voldoende vrije ruimte aanwezig voor het opstellen van brandweerwagens en eventueel andere hulpdienstauto’s. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een ongeval met brandbare vloeistoffen is het ontvluchten van het rampgebied. Hierbij is vluchten tot buiten het invloedsgebied de beste optie. Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor een plangebied geldt dat er voldoende vluchtwegen aanwezig dienen te zijn om in geval van een calamiteit te kunnen vluchten, in tegenovergestelde richting van de calamiteit.

Zoals aangegeven is het plangebied via vier wegen bereikbaar en kan het dus ook via vier wegen ontvlucht worden. Er zullen binnen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

29

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld het plangebied voldoende vluchtwegen aanwezig moeten zijn om in geval van calamiteit te kunnen vluchten. Hierin zal worden voorzien. Binnen het plangebied moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met brandbare vloeistoffen op het spoor en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze brandbare vloeistoffen en weten hoe te handelen. Primair gaat NL-Alert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen. Provinciale weg Conform de beleidsvisie van gemeente Brummen (niet vastgesteld) is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N348 beperkt tot de bevoorrading van enkele LPG-tankstations en propaantanks bij agrarische bedrijven. De vervoersintensiteiten van gevaarlijke stoffen over de N348 liggen ruim onder de drempelwaarden, zoals weergegeven in paragraaf 1.2.3 van de bijlage van de “Handleiding Risicoanalyse Transport” (HART). In deze paragraaf zijn drempelwaarden voor transportbewegingen van gevaarlijke stoffen, waaronder geen PR 10-6 aanwezig is opgenomen. Het transport van gevaarlijke stoffen over de N348 zal daarom niet leiden tot een PR 10-6 contour. De provinciale weg vormt geen belemmering voor het initiatief.

Aardgasbuisleiding De afstand van de planlocatie tot de buisleiding N559.21 is meer dan een 1 kilometer. De 1% en 100% letaliteitszone van de buisleiding N559.21 is respectievelijk 50 meter en 30 meter. Gezien de afstand tot het plangebied vormt deze buisleiding geen belemmering voor de voorgnomen ontwikkeling. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

30

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.

Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het centrum van Brummen, waar sprake is van functiemenging. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

31

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘Wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Wat betreft de uitbreiding van het terras in het oosten van het plangebied wordt opgemerkt dat dit niet tot aantasting van het woon- en leefklimaat voor omwonenden leidt. Voor gemengd gebied geldt namelijk een richtafstand van 0 meter voor horeca. Ten aanzien van het gebruik van warmtepompen is akoestisch onderzoek verricht. Hierbij is inzichtelijk gemaakt wat de geluidbelasting van de warmtepompen op omliggende woningen is. Het onderzoek is als bijlage 5 bijgevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. Onderzoeksresultaten Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als gevolg van alle warmtepompen bedraagt in de immissiepunten 1-7 bij de woningen hooguit 11 dB(A) overdag, 20 dB(A) in de avond en 12 dB(A) in de nacht.

Daarmee wordt de richtwaarde van 45 dB(A) niet overschreden. Het geluid van de warmtepompen zal bij de omliggende woningen worden gemaskeerd door omgevingsgeluid. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie(s) als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling(en) hinder ondervindt van de bestaande functie(s) in de omgeving. Woningen worden in dit kader aangemerkt als een milieugevoelige functie. In de directe nabijheid van en in het plangebied bevinden zich een aantal milieubelastende functies. In de onderstaande tabel worden de functies die nabij het plangebied liggen weergegeven. Daarnaast is aangegeven tot welke milieucategorie deze functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de gevel van het appartementengebouw en de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie Maatschappelijke bestemming Oude Eerbeekseweg 1 Maatschappelijke bestemming Tuinstraat 63 Gemengde bestemming Ambachtstraat 40-48 Horeca categorie 2 Engelenburgerlaan 1

Omschrijving VNGuitgave O.a. huisartsenpraktijk, kinderopvang, kerk basisschool O.a. huisartsenpraktijk, kinderopvang, kerk basisschool O.a. bedrijven milieucategorie 1 en 2, kinderopvang, kerk Cafés, bars

Milieucategorie 2

Grootste richtafstand 10 meter (geluid)

Daadwerkelijke afstand (circa) 15 meter

2

10 meter (geluid)

40 meter

2

10 meter (geluid)

60 meter

1

0 meter

>0 meter

Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor (omliggende) milieubelastende functies aan de richtafstanden wordt voldaan. De bestaande bedrijfswoning op de eerste verdieping wordt niet omgezet naar een reguliere woningen c.q. naar meerdere woningen. Nader akoestisch onderzoek met betrekking tot de bovenwoning is derhalve niet noodzakelijk. In de gewenste ontwikkeling worden 13 appartementen gerealiseerd. Het appartementsgebouw met de 6 startersappartementen is gesitueerd direct naast de horeca en daarom maatgevend voor de akoestiek. Om de gevolgen in het kader van horecageluid op deze 6 appartementen in kaart te brengen, is een akoestisch

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

32

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld onderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 6 bijgevoegd. Belangrijkste resultaat van het onderzoek is dat aan het toetsingskader Activiteitenbesluit Milieubeheer wordt voldaan indien: • • • • •

Als helder principe het appartementsgebouw volledig los wordt gehouden van de bestaande bouw, Op alle verdiepingen van het appartementsgebouw bufferruimten worden opgenomen, De in het onderzoek beschreven voorzieningen (figuur 6 in de bijlage) worden uitgevoerd, Tot 23:00 uur in de zaal van de horeca een binnenniveau tot maximaal ongeveer 95 Db(A) en in het café van de horeca tot ongeveer 98 dB(A) wordt aangehouden, Na 23:00 uur in de zaal van de horeca een binnenniveau tot maximaal ongeveer 90 Db(A) en in het café van de horeca tot ongeveer 93 dB(A) wordt aangehouden.

De geluidnormen uit het Activiteitenbesluit zijn niet van toepassing tenzij het terras is verwarmd of kan worden beschouwd als een binnenterrein of indien er versterkte muziek ten gehore wordt gebracht. Stemgeluid van personen blijft dan buiten beschouwing. Het terras bij Concordia is geen binnenterrein, wordt niet verwarmd en er wordt geen versterkte muziek ten gehore gebracht. Het stemgeluid op het terras hoeft dan ook niet te worden getoetst aan de geluidnormen. Bezoekers van Concordia parkeren in de omgeving en op het terrein naast Concordia. Dit terrein wordt gezien als een openbaar parkeerterrein. Laden en lossen, alleen in de dagperiode, vindt plaats op de openbare weg of op het openbare parkeerterrein. Er vinden geen bewegingen plaats op het terrein van de inrichting. Conclusie interne werking Gezien het vorenstaande kan worden aangenomen dat er ter plaatse van de gewenste appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de functies in de omgeving niet beperkt in hun bedrijfsvoering. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt naar verwachting geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1

Gebiedsbescherming

5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt op circa 500 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de werkzaamheden op voorhand niet uit te sluiten. In voorliggend geval is er een stikstofberekening uitgevoerd, deze is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. Hierna wordt op de onderzoeksresultaten ingegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

33

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld Onderzoeksresultaten Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden in vergelijking tot de referentiesituatie is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Met behulp van deze vorm van interne saldering kan worden beargumenteerd dat met de realisatie van de beoogde woningen de natuurwaarden van de omliggende stikstofgevoelige habitattypen niet zullen verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. 5.6.1.2 Gelders Natuurnetwerk Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN. De gronden welke zijn aangemerkt als GNN liggen op circa 700 meter afstand vanaf het plangebied. Er is geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van geluidverstoring, verlichting of stikstofdepositie. Het GNN/GO wordt omgeven door stedelijk gebied van Brummen waar al sprake is van verlichting.

Verder is het GNN/GO niet grondwaterafhankelijk, waardoor aantasting als gevolg van verdroging niet aan de orde. Gelet op vorenstaande en vanwege de lokale invloedsfeer wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect heeft op gronden die behoren tot het GNN. 5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.6.2.2 Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, die is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Hierna wordt op de onderzoeksresultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten Quickscan Steenmarters De onderzoekslocatie is geschikt als rustplaats voor de steenmarter. De oude uitwerpselen wijzen op een (voormalig) gebruik als rustplaats. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om te onderzoeken of de onderzoekslocatie nog in gebruik is als rustplaats. Middels dit onderzoek wordt vastgesteld of er sprake is van een overtreding op de Wet natuurbescherming. Eventueel is een ontheffing op basis van deze wet benodigd.

Vleermuizen Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Onderzoek zal plaats moeten vinden naar zomer-, kraam- en paar-/baltsverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en meer-vleermuis. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Eventueel is een ontheffing op basis van deze wet benodigd. Overige soortgroepen Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

34

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Nader onderzoek vleermuizen en marters Naar aanleiding van de resultaten en conclusies uit de quickscan ecologie is door BJZ.nu een nader onderzoek vleermuizen en marters uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 9 bijgevoegd. Hierna wordt op de resultaten en conclusie van het nadere onderzoek ingegaan. Er zijn tijdens het onderzoek geen zomer-, kraam- of paarverblijven aangetroffen, waardoor de aanwezigheid van een verblijfsfunctie van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis uit te sluiten valt. Het aanpassen van het huidige pand zal derhalve niet leiden tot overtreding van verbodsbepalingen als benoemd in de Wnb ten aanzien van verblijfplaatsen van de voorgenoemde soorten. Aan de hand van de opnames en de waarnemingen van de cameravallen is met zekerheid de afwezigheid van vaste- rust of voortplantingsplaats van marterachtigen aangetoond. Aanpassen van het pand zal derhalve niet leiden tot overtreding van verbodsbepalingen als benoemd in de Wnb. 5.6.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- of gebiedsbescherming.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is getoetst aan de ‘Beleidskaart bij gemeentelijk archeologiebeleid Brummen’. Hieruit blijkt dat het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische (verwachtings)waarde. Er is daarom ter plaatse van het plangebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 10. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. Onderzoeksresultaten Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden.

Er geldt in zijn algemeenheid een hoge verwachting voor alle perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Wel hebben er binnen een groot deel van het plangebied gedurende het verloop van de 20e eeuw diverse bouwwerkzaamheden plaatsgevonden, wat geleid heeft tot het bestaande café, kegelhuis en zalencentrum. De verwachting is dat de oorspronkelijke bodemopbouw binnen in ieder geval het bebouwde deel van het plangebied al dermate verstoord/vergraven is, dat daarmee archeologische resten en/of sporen niet meer worden verwacht. De geplande ontwikkeling betreft juist een gedeeltelijke sloop en navolgend de nieuwbouw van 13 appartementen, nagenoeg ter plaatse van de bestaande kegelbaan en een deel van de bestaande BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

35

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld feestzaal. Ten aanzien van deze geplande nieuwbouw/ontwikkeling wordt dan ook geadviseerd om geen aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Indien in de toekomst wel ontwikkelingen/bodemingrepen gaan plaatsvinden buiten het bebouwde deel van het plangebied (en dan juist binnen het parkeerterrein) is het advies om voorafgaand een aanvullend inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen te laten uitvoeren. Verspreid binnen de onbebouwde terreindelen dienen boringen te worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Specifiek voor de noordwesthoek van het plangebied kan dan ook een uitspraak worden gedaan of er nog een gerede kans is op de aanwezigheid van ondergrondse restanten van 19e-eeuwse bebouwing/structuren (muurwerk, funderingsresten van mogelijk een woning of woonboerderij, eventueel met een water-/beerput). De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Brummen, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente.

In het opgestelde selectiebesluit is het advies overgenomen. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (033 421 74 56) of via de website: www.cultureelerfgoed.nl/contact. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, in of nabij het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het mogelijk het bestaande karakteristieke pand ‘Concordia’ te behouden. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.7.3

Conclusie

Ter plaatse van de bestaande bebouwing wordt de archeologische dubbelbestemming verwijderd en wordt het plangebied vrijgegeven. Ter plaatse van het nu onbebouwde deel van het plangebied blijft de bestaande archeologische dubbelbestemming behouden, waardoor bij bodemingrepen groter dan 250 m 2 en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld nader archeologisch onderzoek nodig is. Voor het overige is er sprake van positieve effecten op de cultuurhistorische waarden, aangezien een bestaand beeldbepalend pand wordt gerestaureerd. In en direct rondom het plangebied zijn verder geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle gebouwen aanwezig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

36

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 400 meter afstand van het plangebied. Uit de AERIUS-berekening wordt geconcludeerd dat voor de aanleg- en gebruiksfase na intern salderen geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j ten aanzien van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura2000 gebied ‘Rijntakken’ en op grotere afstand gelegen Natura-2000 gebieden. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

37

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld 5.8.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

38

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gelderland wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van gronden oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vallei en Veluwe

Op 22 november 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe, het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vastgesteld door het algemeen bestuur. De Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) koerst naar een duurzame en water inclusieve leefomgeving. De BOVI2050 beschrijft waar het Waterschap Vallei en Veluwe in 2050 wil staan en geeft kleur aan deze doelstelling. Het BOP is de gebiedsgerichte en tactische uitwerking van de beleidsvisie. Hierin zijn de eigen doelen verbonden aan de maatschappelijke opgaven zoals de klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, hervorming landbouw, natuur- en stikstofopgave en de verstedelijking.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

39

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Voorliggend bestemmingsplan wordt ter vooroverleg aan het waterschap Vallei en Veluwe voorgelegd. Het resultaat van de uitgevoerde digitale watertoets is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting. Pm. Reactie waterschap

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

40

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

41

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld •

7.2.4

Wijzigingsbevoegdheid: op welke onderdelen Burgenmeester en wethouders het plan kunnen wijzigen. Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

•

•

•

•

•

7.2.5

Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 7) Dit artikel bevat algemene regels omtrent het bouwen van gebouwen grenzend aan een verkeersbestemming en watergang. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan te wijzigen. Algemene procedureregels (Artikel 10) Op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van een nadere eis ex artikel 3.6, lid 1 sub d, van de Wet ruimtelijke ordening, is een specifieke procedure van toepassing. Overige regels(Artikel 11) In dit artikel zijn regels ten aanzien van parkeren opgenomen. De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. ‘Gemengd’ (Artikel 3) Het gehele plangebied is bestemd als ‘Gemengd’. Dit is gedaan omdat er in het plangebied sprake is van een menging van functies en de gezamenlijke voorzieningen, zoals de parkeerplaatsen, zowel voor de appartementen als voor de horecafunctie in gebruik genomen kunnen worden. Door middel van het aanbrengen van aanduidingen is onderscheid gemaakt tussen de verschillende functies die mogelijk zijn. Horeca van categorie 2 is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 2.

Daarnaast zijn er twee bedrijfswoningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ is wonen toegestaan. Bijgebouwen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

42

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld zijn ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ toegestaan. Verder zijn de gronden bestemd voor maximaal 36 evenementendagen per jaar, met een maximum evenementduur van 12 dagen, het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep en voorzieningen van algemeen nut. Ten aanzien van het bouwen geldt dat gebouwen alleen binnen een bouwvlak zijn toegestaan. De maximum toegestane bouw- en/of goothoogte en het maximum aantal wooneenheden zijn op de verbeelding weergegeven. ‘Tuin’ (Artikel 4) De bestemming ‘Tuin’ is opgenomen ter plaatse van de bestaande groenstrook aan de Oude Eerbeekseweg. De bestemming is opgenomen om te zorgen dat deze gronden niet verhard kunnen worden en daadwerkelijk als tuin in gebruik genomen gaan worden. Dit zorgt voor een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Er zijn bouwregels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. ‘Waarde – Archeologie hoog’ (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

43

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Brummen. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

44

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG EN INSPRAAK

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Gelderland

Het plan wordt in het kader van vooroverleg naar de provincie Gelderland toegezonden. 9.1.3

Waterschap Vallei en Veluwe

Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is er sprake van waterschapsbelangen. Overleg met het waterschap wordt noodzakelijk geacht, het bestemmingsplan wordt in het kader van vooroverleg naar het waterschap toegezonden.

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Op 23 juni 2021 is er een inloopbijeenkomst georganiseerd. Een verslag hiervan is al bijlage 13 bijgevoegd.

9.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 8 juni 2023 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. In deze periode zijn er drie zienswijzen ingediend. In bijlage 14 is de Nota beantwoording van zienswijzen bijgevoegd, waarin de ingediende zienswijzen zijn samengevat en er een gemeentelijke reactie wordt gegeven. De ingediende zienswijzen hebben geleid tot kleine aanpassingen in het plan. Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

45

Bestemmingsplan “Concordia, Brummen” Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ HET BESTEMMINGSPLAN

Bijlage 1

Notitie verkeer en parkeren

Bijlage 2

Ladderonderbouwing

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 4

Bodemonderzoek

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek warmtepompen

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek horeca

Bijlage 7

Stikstofonderzoek

Bijlage 8

Ecologisch onderzoek quickscan flora en fauna

Bijlage 9

Nader ecologisch onderzoek vleermuizen en steenmarters

Bijlage 10

Archeologisch onderzoek

Bijlage 11

Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bijlage 12

Watertoets

Bijlage 13

Participatieverslag

Bijlage 14

Nota beantwoording van zienswijzen BJZ.nu Ruimtelijke plannen & advies

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13425594/2